De Wereld vóór de schepping van den mensch
Chapter 20
De lias- en Juraformaties toonen ons duidelijk de verandering in den bodem aan. Wij vinden daarin reeds enkele bloeiende planten, en wel vooreerst de coniferen, wier bladeren naaldvormig zijn, en wier kegelvormige vruchten aan de geheele familie haren naam gegeven hebben. In den bergketen, die zich uitstrekt tusschen Adersdach en Kudowa, bij het dorp Radowenz in Bohème, heeft men in 1857 een geheel bosch ontdekt, waarin die versteende boomsoort de overhand heeft. In de steenkoolformatie, in de omstreken van Pilsen (Boheme), heeft men stammen van acht meters lengte en één meter middellijn bloot gelegd, die nu eens rechtop staan, dan weder nederliggen, en alle op dezelfde wijze versteend zijn; men vermoedt, dat zij veranderd zijn door het kiezelhoudend water.
De boomen van die familie wijzen op het bestaan van eenen drogen bodem en van een minder warm klimaat; de aarde moet dus gedeeltelijk haar karakter van moerassen en eilanden verloren hebben; op hare oppervlakte moet zij heuvelen en bergen hebben zien oprijzen: het gelijktijdig voorkomen van de vruchten en stammen van coniferen met palmen, die vocht en warmte noodig hebben, terwijl de eerste de voorkeur geven aan eenen drogen bodem en eene lagere temperatuur, leidt ons van de hoogten en heuvels naar de bergen, waar men zelfs in de tropen de coniferen vindt.
Wij mogen daaruit besluiten, dat er bergketenen bestonden, bedekt met dichte wouden van naaldboomen, misschien wel bergvlakten, ingesloten in het binnenland, terwijl de cycadeën, de varens, de wolfsklauwen, met palmen en lelieachtige planten er tusschen, de kusten dier uitgestrekte formaties omgaven. Het organische leven schijnt zich te hebben verzameld in de ravijnen dier boomrijke heuvels.
Onder de verschillende soorten van naaldboomen vindt men in groote menigte de zoo schoone araucaria's. Fig. 194 stelt eenen versteenden tak dier plant voor. Bij haar leven zijn de takken dier planten regelmatig om den stam gerold, en daardoor vertoonen die planten eenen zoo sierlijken vorm.
Tot de merkwaardige boomen van die wouden der secundaire periode behooren de voltzia en het pterophyllum, alsmede de haidingera, een naaldboom, die zeer veel voorkomt in de schelpkalkperiode, en die in bouw moet geleken hebben op onze cederen. Doch de rijkdom aan planten uit de steenkoolperiode heeft plaats gemaakt voor betrekkelijke armoede; het zijn niet meer die diepe bosschen met reuzenboomen, en ondoordringbare schaduw. De planten zijn dun gezaaid, het terrein is meer golvend, en het licht speelt op een groen grastapijt. Het plantentype der steenkoolperiode is verdwenen, maar de "bedektzadigen", d.i. de planten, die alleen reeds 9/10 uitmaken van de tegenwoordige flora, zijn nog niet gevormd, behoudens enkele zeldzame éénzaadlobbigen. Men vindt bijna alleen sporeplanten en naaktzadigen, de eerste vertegenwoordigd door varens, paardestaarten e.a., de tweede door cycadeën en naaldboomen. Over den geheelen archipel, die toen bestond, waar nu Europa gelegen is, merkt men op, dat de plantengroei der kusten en lage streken van dien der heuvels en bergtoppen verschilt: beneden, de varens met breed ontwikkelde of fijn uitgesneden bladeren, de paardestaarten en de oorspronkelijke naaldboomen; boven, op de drogere en hooger gelegen plaatsen, de varens met schraal en hard loof, cycadeën en de reuzenconiferen, die de voornaamste boomen waren der wouden op de bergen.
De zandsteen, die thans op de toppen van de secundaire bergketenen der Vogezen ligt tot eene dikte van vijftig tot zestig meters, en die op eene vijfhonderd meters dikke laag fijne steentjes rust, hetgeen te zamen de eerste verdieping der triasformatie uitmaakt, is vol van landplanten, die bewijzen, dat de wouden van dat tijdperk nog bezet waren met boomvarens en met eene groote menigte cycadeën en naaldboomen, die veel overeenkomst hadden met onze cypressen. De cypressen, die niet onder den invloed der jaargetijden staan, en die daarom de graven der afgestorvenen met haren blijvenden bladerendos beschutten, de pijnboomen met hunne uitgebreide takken, die sombere en eentonige boomen, zijn de oudste van de thans bestaande planten, want de varens en paardestaarten der primaire periode hebben thans nog slechts kruidachtige vertegenwoordigers. Wij zijn nog ver van de vruchtboomen verwijderd.
De derde, en dus de jongste laag der triasreeks, die der bonte mergels, wordt somtijds de _zoutlaag_ genoemd, omdat men er veel gips en steenzout in vindt. In Lotharingen Wurtemberg, Beieren en Zwitserland vormen die steenzoutlagen op sommige punten rijke mijnen. Te Dieuze (Lotharingen) telt men niet minder dan dertien op elkander liggende lagen tot eene dikte van vijftig meters. Die zoutlagen der triasformatie strekken zich uit tot het Juragebergte waar zij de talrijke zoute bronnen dier streek voeden, zooals b.v. te Lons-le-Saulnier. In de beroemde zoutmijn te Strassfurt is de zoutlaag, vermengd met zwavelzure magnesia en keukenzout, 166 meters dik. Die laag strekt zich uit tot onder Berlijn, waar eene zoutlaag van 1550 meters dikte op eene diepte van slechts 90 meters onder de oppervlakte gevonden wordt.
Het bijna geheel ontbreken van versteeningen van zeeplanten en zeedieren in de klei, die de triasformatie sluit, de talrijkheid van landplanten en de overvloed van gips en zout, wijzen er ons op, dat Centraal-Europa, waar die mergel zeer verspreid is, toen door ondiep water bedekt was, welks zoutgehalte zóó aanzienlijk was, dat het geene levende wezens bevatten kon. De Doode zee, de groote zoutmeren van Azië en Afrika, die gedeeltelijk door eene zoutkorst bedekt zijn, geven ons een voorbeeld van den toestand van noordelijk Europa in die dagen. De Oceaan had zich toen teruggetrokken naar het zuiden, en bezette toen de Alpenstreken. Een bewijs hiervoor is, dat men, indien men in Frankrijk tot de centrale bergvlakte nadert, vindt, dat de schelpkalk, eene zeevorming, zich niet tot die streek uitstrekt, en dat de mergel dadelijk op de bonte-zandsteen ligt. Men vindt de schelpkalk terug in de Benedenalpen, in Hérault, Var en de omstreken van Toulon; men kan haar over de geheele Alpenstreek volgen, waar zij eene groote uitbreiding verkrijgt. Daar bestaat de triasformatie uitsluitend uit zeevormingen, uit groote hoeveelheden dicht opééngedrongen kalksteen, die een groot aantal fossielen bevatten. In die kalklagen vindt men een duidelijk beeld van de dierenwereld, die in de triasperiode de zee bevolkte.
Iedereen weet, dat het zout één der belangrijkste mineralen is. In den vorm van steenzout wordt het in grooten getale binnen in de formaties der secundaire periode gevonden. In Transsylvanië vindt men zoutbergen, die verscheidene mijlen lang zijn en die steile kanten hebben van honderden voeten hoogte, welke bergen geheel uit steenzout bestaan. In Cardona, aan de zuidzijde der Pyreneën, vindt men eene zoutmassa van bijna honderd meters hoogte boven den grond. Die massa is zóó verscheurd en gespleten door den regen, dat men ze met hunne pyramiden, horens, holten en spitsen voor eenen ijsberg zoude aanzien; de hoeveelheid zout is zóó overvloedig, dat men de mijn voor onuitputtelijk houdt, hoewel men haar reeds eeuwen lang ontgint (er wordt reeds in het jaar 1103 melding van gemaakt). De geheele zoutberg is eenige honderden meters hoog. De zoutketenen ten zuiden en ten noorden van het Himalayagebergte leveren nog veel grootere zoutmassa's op. Te Kallabaugh is over eene groote uitgestrektheid de weg in zoutrotsen gehouwen van dertig meters hoogte. Doch die ontzaglijke massa's verzinken nog in het niet, vergeleken bij de zoutbergen, die het Titicacameer omgeven in de Peruaansche Andes; dat meer is 350 kilometers lang.
Daar het zout gemakkelijk in water oplost, zoo vindt men in de nabijheid der zoutbergen dikwijls zoutwatermeren. Ook het zeewater is zout, niettegenstaande de rivieren steeds zoet water daarin leiden. Het zeewater komt voort uit de verbinding van natrium en chloor, twee elementen, die het oorspronkelijke water schijnt bevat te hebben.
Overal waar het zeewater verdampt, zet zich het zout af; op vele kusten wordt het door verdamping ingezameld. Wij weten niet, of alle zoutafzettingen op zoodanige wijze ontstaan zijn, dan wel of sommige lagen in de aardschors zijn ontstaan door andere verschijnselen; maar een groot aantal van die zoutmassa's, zooals in Zwitserland, zijn door de verdamping der zee ontstaan. De weekdieren, in de kalkrotsen in de nabijheid dier zoutlagen gevonden, bewijzen, dat het zeevormingen zijn.
Indien men eene zoutmijn binnentreedt, geraakt men steeds onder den indruk van het vreemde voorkomen dier onderaardsche grotten. Hier en daar verbreeden zich de gaanderijen tot groote kamers of holen; in het midden vindt men dikwijls eenen kleinen vijver; de wanden en gewelven schitteren door duizenden zoutkristallen. Die zoutkamers zijn wel de merkwaardigste voortbrengselen dier formaties en maken eenen vreemden indruk, als men ze bij fakkellicht bezoekt. [18]
De Duitsche zoutlagen vertoonen eene treffende overeenkomst in vorm met die van Noordelijk-Zwitserland; men mag daaruit besluiten, dat zij tegelijkertijd en op dezelfde wijze zijn afgezet. Het zout van Wurtemberg, dat in lagen van 10 tot 20 meters voorkomt, is van denzelfden aard als het zeezout.
Toch is de zee waarschijnlijk niet de eenige oorzaak van het ontstaan dier merkwaardige zoutrotsen. Te Dieuze vindt men in het zout holten met bewegelijke luchtbellen; het is vermengd met klei, gips, zwavelzure soda en zwavelzure magnesia; maar het bevat geen chloor-magnesium, en geene sporen van iodium of bromium. Het is dus niet waarschijnlijk, dat dit zout ontstaan is door verdamping der zoutwatermoerassen; wel waarschijnlijk is het, dat dit zout langs vulcanischen weg is te voorschijn gekomen. Lagen mergel en klei met gips en anhydriet scheiden de zoutlagen van elkander. Het gips vormt talrijke, doch kleinere hoopen dan het steenzout, en ieder van die hoopen heeft den vorm van eenen grooten knobbel, waaromheen de mergel gewelfd gerangschikt ligt. Die opzwelling kan verklaard worden door aan te nemen, dat het gips ontstaan is door eene wijziging der kalk door de uitstroomingen van zwavel.
In den tijd, toen het zout gevormd werd, hadden er telkens bewegingen in de zee plaats, en uit het feit, dat men schelpkalklagen boven de zoutlagen vindt, volgt, dat de zee, na het verdampen van het water en de vorming der zandbanken op de uitgedroogde plaatsen is teruggekeerd en er die kalk en klei heeft afgezet. De dieren, die in de schelpkalk voorkomen, geven ons reeds enkele aanwijzingen omtrent het tijdstip van de vorming der zoutlagen. Zij leeren ons tevens de zeedieren van die verwijderde tijdstippen kennen.
In de Zwitsersche salinen heeft Oswald Heer belangrijke voorbeelden van de fauna dier dagen gevonden, o.a. eene kreeft met eenen langen staart en een knobbelig schild, zeesterren en zeeleliën. Aan de oevers der Reuss zijn de rotsen vol zeeleliën. Die dieren leefden in koloniën, zoo schrijft de geleerde Zwitsersche natuuronderzoeker, en een zoodanige bank, bewoond door geheele familiën zeeleliën met hare dunne en lange voeten, en die van boven open gaan als eene tulp, terwijl uit de fijn gebeeldhouwde schaal de trilharen uittreden als eene garve losse draden, moeten een prachtig schouwspel opgeleverd hebben.
Terwijl die dieren leefden, die geheel vreemd zijn aan onze tegenwoordige fauna, verschenen ook talrijke weekdieren. Deze naderden veel meer tot de thans nog bestaande soorten en vele daaronder behoorden tot soorten, die nog thans voorkomen. Tot die soorten behoort de lima lineata, die men kan herkennen aan hare twee groote, diep gegroefde kleppen in den vorm van horens, en haren platten, gladden kam. De éénkleppigen zijn niet zeldzaam, en de meeste behooren tot soorten, die nog thans bestaan: daartoe behooren o.a. de turbonilla, en een schoone nautilus, waarvan men dikwijls exemplaren gevonden heeft van eenen voet in middellijn.
De _ceratites nodosus_ is de eerste vertegenwoordiger van de thans uitgestorven familie der ammonieten. De ammonieten en de nautili behooren tot de groep der koppootigen, die den eersten rang innemen in de orde der weekdieren en die zich onderscheiden door den bouw hunner schelpen. De talrijke weekdieren dienden tot voedsel van de visschen en de amphibiën, waarvan de verschillende soorten de zee bevolkten.
In de keuperperiode komen de landdieren slechts in geringen getale voor. Heer heeft tevergeefs naar insecten gezocht in die formaties in Zwitserland; alleen in de leiachtige klei heeft hij twee soorten van schildvleugelen gevonden. Bij Richen, in de bonte zandsteen, heeft men groote afdruksels van schubben van eenen reusachtigen labyrinthodon en het geraamte van eene kleine hagedis gevonden, die veel overeenkomst had met de salamanders. Te Rheinfelden heeft men eene soort van krokodil ontdekt, den sclerosaurus armatus, en schubben van den kop van den grooten mastodontosaurus. Ook heeft men een aantal hagedissen in het keuper van Wurtemberg gevonden; de meest voorkomende is de belodon Plieningeri, die veel geleek op de Gavialiden van tropisch Amerika; hij heeft dezelfde kaken, lang, smal en met groote tanden gewapend. Gressly heeft te Liestal groote en holle beenderen te voorschijn gebracht, die ongetwijfeld behoord hebben tot eene soort van ontzaglijk groote teratosauren.
Het is waarschijnlijk, dat de triaszee het geheele deel van Zwitserland bedekt heeft, dat thans door de molasse wordt ingenomen; toch vindt men hare bezinksels tot nu toe alleen bij den Stockhorn. Men ontmoet kalkbanken en bonte-zandsteen aan de oevers van het meer van Thun; zij bevatten talrijke versteeningen en vormen de grens der triasformatie. Van meer gewicht zijn de bezinkingen der zee uit de triasformatie aan de zuidoostelijke grens van Zwitserland en de gedeelten van Savoye, die daaraan grenzen. Een ader van gips en koolzure kalk strekt zich uit van Bex naar Morillon, in Savoye, en naar Villeneuve; verder vindt men van Meillerie af, aan den oever van het meer van Genève en boven Thonon, de rhetische lagen, die in zuidelijke richting tot de Arvo kunnen gevolgd worden; men verkrijgt dus het bewijs der tegenwoordigheid van de triaszee in Savoye door het bestaan van verschillende lagen, die het land doorloopen.
Wij moeten nog opmerken, dat eene breede strook van triasgesteenten uitgaat van Tyrol en den Vorarlberg, Vadutz en Triesen en uitkomt aan den Rijn, zonder Zwitserland aan te raken; zij strekt zich ten noorden en ten oosten uit over de grensgebergten der Prättigau (op drieduizend meters boven de oppervlakte der zee). Van daar strekken de triasgesteenten zich uit over Davos tot aan Oberhalbstein en Engadin, waar zij in Ponte weder beginnen, om zich voort te zetten tot Sulsana en vandaar oostwaarts tot Scarlthal en Münsterthal. De kalkbergen, die de rechtergrens der vallei van Engadin innemen van Ponte tot aan Remus, behooren evenzoo tot die formatie.
Deze streek was dus niet onder de zee bedolven in de keuperperiode, terwijl de zee het overige gedeelte der Alpen, waar de triasformatie gevonden wordt, bedekt, zooals blijkt uit de wieren en zeeschelpen, daar gevonden. Die formatie behoort tot de schelpkalk of de keuper, en het is mogelijk uit den aard en de organische samenstelling der gesteenten verscheidene verdiepingen der bezinksels te herkennen.
In die gesteenten heeft men de overblijfselen van 55 soorten zeedieren gevonden, die geen twijfel overlaten aan hunnen oorsprong; men vindt er niet alleen den encrinus liliiformis, de zoo fijn gestreepte halobia lommelii en de halobia obliqua, maar verschillende hemnitzia's, de ammonites luganensis en scaphitiformis enz.; men vindt er nog andere weekdieren en schelpen, die het trias kenmerken, en die bewijzen, dat de triasfauna in dezelfde vormen verspreid was in Duitschland, Zwitserland en Italië.
Wij zagen vroeger, dat het zout één der belangrijkste voortbrengselen is van de triasformatie; doch ook het gips, behoort tot diezelfde formatie. Men vindt het tusschen de schelpkalk en het keuper, bij voorbeeld te Habsburg, Mullingen, Niederweningen, Birmensdorf, Gebensdorf, Munsterthal enz. Het gips bevat hier en daar zwavelzure natron en magnesia; die zouten, in water opgelost, leveren de purgeerende minerale wateren. Uit hunnen aard zijn die wateren een handelsartikel; er zijn trouwens andere rijke minerale bronnen uit de triasformatie, zooals het zoo hooggeschatte water uit Baden, dat uit eene groote diepte te voorschijn komend, waarschijnlijk uit de keuperformatie voortkomt. De zwavelhoudende wateren van Schinznach en de jodiumhoudende wateren van Wildegg vinden waarschijnlijk hunnen oorsprong in de gips der triasformatie. Behalve het zout en de gips en de minerale wateren bevat de triasformatie nog rijke hulpbronnen; het levert ons talrijke bouwmaterialen, en door hare ontleding geeft zij ons in den vorm van mergelaarde eene uitstekende meststof; de keuperstreken onderscheiden zich door hare vette weiden, vruchtbare akkers en rijke wijngaarden; overal is de triasformatie eene bron van welvaart voor de bevolking.
Alleen het dolomiet maakt eene uitzondering; als de regens dat gesteente ontleed hebben, blijft er niets over dan zand, dat het water doorlaat en onvruchtbaar is. Waar de bodem dan ook alleen uit dolomiet bestaat, zooals in de kalkbergen van Vorarlberg in sommige vlakten van Engadin, is de plantengroei zeer arm; de boomen en de struiken komen daar niet tot wasdom, de weiden zijn daar slechts bedekt met enkele grasstoppels en de hooger gelegen streken zijn totaal kaal. In Zwitserland zijn enkele dolomietstreken (zooals de Moravallei, die van St. Giacomo naar den Munsterthalalp leidt), waar de plantengroei geheel ontbreekt, en waar alles van de diepte der vallei tot op de toppen der bergen het beeld vertoont van verlatenheid en dood.
Als roode zandsteen en mergel vindt men het trias meer of minder doorloopend op den rand der centrale bergvlakte van Frankrijk. Men vindt er sporen van bij Alais, tusschen het permo-steenkoolstelsel en de lias, in de golf van Aveyron bij Rodez en Espalion en tusschen St. Antoine en Villefranche-d'Aveyron. Om dan het trias weder terug te vinden, moet men den noordelijken rand der bergvlakte volgen in Berry, waar de samenstelling dezelfde is als in Nièvre.
In Provence vindt men eene triasstrook op roode zandsteen. Die strook strekt zich uit van Toulon naar Antibes, en men vindt daarin de drie gewone afdeelingen van het Lotharingsche trias terug.
In het département du Gard, dragen dertig meters lei en metaalerts eene 15 meters dikke magnesiumlaag met ijzerpyriet, zwavel en lood, waarop 115 meters zandsteen en gekleurde mergel gelegen zijn met kalk vermengd.
Bij Lodève, te Fozières, vindt men afdruksels van eenen labyrinthodon in de bonte zandsteen.
De bonte zandsteen komt evenzoo voor den dag in verschillende deelen der Pyreneën, vooral in het zuiden van Bayonne.
Aan het andere uiteinde van Frankrijk schijnt de streek der Ardennen in de triasperiode bestaan te hebben uit een heuvelachtig terrein, waar door het wegvreten van de rotsen steenblokken, keisteenen, zand en klei naar de binnenmeren gevoerd werden. Slechts weinige overblijfselen van die afzetsels zijn tot ons gekomen; zij onderscheiden zich alle door hunne roode kleur. De geheele strook, bestaande uit horizontale of weinig hellende lagen, is 150 meters dik.
De triasformatie in de Ardennen was dus geene zeevorming; ditzelfde geldt voor het geheele noordelijke deel van Frankrijk. De vernieling van oudere formaties heeft daar het aanzijn geschonken aan kleine steentjes, waarvan men in Artois exemplaren terugvindt.
De Jura- en krijtlagen van het bekken van Parijs zijn oorzaak, dat men ten zuidwesten der Ardennen geene triasformatie ziet; zij komt weer te voorschijn te Cotentin, waar zij bestaat uit grint, zand, zandsteen en roode mergel, doch tot eene dikte van niet meer dan 60 meters. Het is de voortzetting van het trias van Somerset- en Devonshire, en schijnt alleen in verband te staan met het bovenste gedeelte der keuperformatie.
Men mag dus aannemen, dat het geheele bekken van Parijs (waaraan Engeland aansloot) in de triasperiode uit eene streek bestond, waarin groote meren waren, en dat die streek eindigde in eene zee, wier westelijke oever zich uitstrekte van Luxemburg tot Autun.
In de Westalpen heeft de triasformatie een eigenaardig voorkomen, dat zich zeer onderscheidt van het Franconische of Vogezische type.
Om onze schets der triasformatie te voltooien, voegen wij nog hierbij, dat het trias zijne grootste uitbreiding vindt in het noordwesten van Engeland (1500 meters). Daar vindt men ook de grootste ronde keisteenen, waarbij het kwarts in menigte voorkomt. In het noorden of noordwesten moet dus het vasteland gezocht worden, dat de bouwstoffen geleverd heeft voor de triasformatie. Het Engelsche trias rust nu eens op de permische laag, dan weder op de steenkool- of zelfs de cambrische laag; bovendien vindt men in de onderlagen dikwijls bonte-zandsteen. In de middengraafschappen is de dikte van het stelsel 950 meters. Het is waarschijnlijk, dat daar de Franconische laag vertegenwoordigd is. In de dolomietlagen, die van zes tot vijftien meters dik zijn, heeft men de beenderen der oude thecodontosauren, der paleosauren cylindrodon en platyodon met tanden van den ceratodus ontdekt. In Wales heeft men in dezelfde lagen sporen van den brontozoön ontdekt. De keuperzandsteen bevat beenderen en afdruksels der voetstappen van de labyrinthodonten, en een visch, dysteronotus cyphus. Het steenzout komt er in voor in lensvormige roode massa's, 60 meters diep.
Op de zuidkust van Devonshire, te Budleigh Salterton, bestaat het trias uit keien van silurische en devonische kwartsieten, die afkomstig schijnen uit primaire gesteenten, die thans bedekt zijn door de wateren van het Kanaal.
Ook in Noord-Amerika komt het trias in drie verschillende streken voor den dag: in het gebied der Apalachen, het Rotsgebergte overeenkomend met Noord-Europa, en het gebied der stille Zuidzee, waarvan het karakter hetzelfde is als dat der Alpen. Het trias der Apalachen vormt nauwe strooken, die zich vooral in Connecticut verlengen en die over eene groote uitgestrektheid hetzelfde karakter dragen. Het bestaat uit bruinachtig rood zandsteen, dat somtijds den bouw heeft van eene vlakte van graniet met schiefer, en is minstens 1000 meters diep, terwijl het talrijke sporen draagt van het kabbelen der golven en van afdruksels van regendruppels.
In Connecticut heeft men talrijke sporen van labyrinthodonten, waarvan men meer dan 12000 afdruksels vindt. De Amerikaansche geologen hebben in die laag eene kleine buidelrat, het dromatherium silvestre, gevonden, den oudsten vertegenwoordiger dier klasse. Ten oosten van het Rotsgebergte, bestaat het trias uit rood-zandsteen, bonte gypshoudende mergel en magnesia. De dikte wisselt af tusschen 600 en 1800 meters.
Wij zien dus, dat de triasformatie eene voorname plaats inneemt in de sedimentformaties en eene belangrijke periode vertegenwoordigt in de geschiedenis van de wijziging der soorten. Met haar beginnen nieuwe vormen van het leven, en de natuuronderzoeker kan hier evenals in de primaire periode waarnemen, hoe de ontwikkeling van het leven steeds evenwijdig loopt met de paleontologische ontdekkingen in de verschillende formaties.
Langzaam doch gestadig ontwikkelt zich het dierlijke leven in zijne hoogere vertakkingen. Een groot aantal soorten van ongewervelde dieren (plantdieren, weekdieren en ringwormen), waarmede wij kennis gemaakt hebben, zijn van het wereldtooneel verdwenen om voor nieuwe wezens plaats te maken.