De Wereld vóór de schepping van den mensch

Chapter 19

Chapter 193,635 wordsPublic domain

Evenals wij de devonische periode het tijdperk der visschen genoemd hebben, omdat deze juist in dien tijd hun bestaan gevestigd hebben, en evenals de steenkoolperiode de tijd van de heerschappij der planten kan genoemd worden, zoo zouden wij de permische periode kunnen beschouwen als die van de ontwikkeling der amphibiën. Wel is het waar, dat de amphibiën en de kruipende dieren reeds dagteekenen uit de steenkoolperiode, misschien zelfs uit het devonische tijdperk, doch eerst in het permische tijdperk ontwikkelen zich de amphibiën, terwijl de kruipende dieren eerst in het secundaire tijdperk, en vooral in de Juraperiode, eene hoofdrol zullen spelen. Het werd eertijds als een axioma beschouwd, dat er geene kruipende dieren bestaan hebben vóór de permische periode, en wel vóór de magnesiumkalk, doch in het jaar 1844 werden in de steenkoolformatie kruipende dieren (land- en waterdieren) gevonden.

Reeds in 1863 heeft Dawson verscheidene amphibiën en kruipende dieren gevonden, vooral eene soort, die den naam van _Hylonomus_ gekregen heeft, en die door de inrichting harer wervels in staat moet geweest zijn, om buiten het water te klimmen en te springen. Huxley heeft in de steenkool van Groot-Brittanië verscheidene kruipende dieren gevonden, waaronder _den Anthracosaurus_, twee meters lang. King vond in de steenkool van Pensylvanië de indruksels van een ontzaglijk dier, _den Batrachopus_; de indruksels der achterpooten waren bijna een voet lang, en overtroffen dus in grootte die der doolhoftandigen uit de triasperiode. Die indruksels wijzen op een dier, dat in de lucht ademde; want naar de wijze hunner versteening moeten die indruksels gemaakt zijn door een viervoetig dier, dat op de weeke klei aan den oever liep, en moet die klei in de zon gedroogd en gespleten zijn. Daarna moet de klei bedekt zijn geworden met zand, en dit zand in zandsteen veranderd zijn. Enkele voetstappen van kruipende dieren in Pensylvanië gevonden, hebben doen vermoeden, dat zij tot de devonische periode behoord hebben.

Niet alleen dat de dieren de sporen van hunnen stap achterlaten aan eenen effenen, slibbigen oever, ook de regen, in groote droppels neervallend, boort in dat slib een aantal ronde holten. Onder den invloed der warmte worden al die sporen hard. Indien nu bij eenen volgenden vloed het zeewater weder nieuw fijn zand brengt op den uitgedroogden oever, dan zal dat zand als het ware afgietsels vormen in die holten, en weder drogende, getuigenis afleggen van den doortocht van dieren en het neerstorten van den regen. Zoo kan men aantoonen, dat in die periode de regen met stroomen moet zijn neergevallen.

De afdruksels der voetstappen behooren tot die van amphibiën, die op de zandvlakten van het land in de steenkoolperiode niet alleen de sporen van hunnen doortocht hebben achtergelaten, maar ook deelen van hun geraamte, vooral beenige platen, gelijkende op die, welke het schild der krokodillen vormen, en ook kegelvormige tanden, ingewikkeld van vorm, waaraan die dieren den naam van _labyrinthodonten_ (doolhoftandigen) verschuldigd zijn. Hunne verbazende grootte, hunne wapenrusting van beenige platen, hunne kaken met krachtige tanden, hun gepantserde kop, dat alles maakt die thans verdwenen amphibiënfamilie tot de merkwaardigste verschijning der primaire dierenwereld.

De bonte zandsteengroeven bij Lodève (departement Hérault), bevatten talrijke afdruksels van de stappen der labyrinthodonten uit de triasperiode, die zóó goed bewaard zijn, dat men er al de bijzonderheden van de schubbige huid der dieren in kan terugvinden. Zij waren eenige meters lang en hadden korte, doch krachtige ledematen, terwijl de weinige evenredigheid tusschen de stevige achterpooten en de slankere vóórpooten wijst op een springend dier.

Het dier, dat de genoemde stappen heeft afgedrukt, had vier handen, vandaar zijn naam _chirotherium_. De voorste ledematen waren veel kleiner dan de achterste, die ongeveer den vorm hadden van eene zware mannenhand, met dat verschil, dat de vingers korter en dikker waren; de lengte der achterhanden bedroeg 24 centimeters, d.i. het dubbele der voorhanden. Het chirotherium was een reuzenlabyrinthodon. Fig. 185 doet ons, zooals uit den stand der duimen blijkt, niet de afdruksels der handen zien, maar afdruksels, die ontstaan zijn door het zand, in de stappen afgezet. Het dier liep evenals het paard, met de pooten zeer dicht bij het middenvlak van het lichaam.

De zoo verschillende grootte van de ledematen van die dieren heeft tot de meening geleid, dat zij verwantschap moesten hebben met de kangoeroe's, doch de laatste loopen niet, zij gebruiken de achterpooten alleen om te springen, en gebruiken hunne voorste ledematen alleen, om hun voedsel te nemen; alleen bij toeval plaatsen zij die op den grond. Die amphibiën daarentegen hebben bepaald handvormige ledematen; het chirotherium moet eene soort reuzensalamander geweest zijn.

Reeds in de steenkoolformatie leefden de labyrinthodonten te zamen met andere amphibiën, die eenigszins op de tegenwoordige soorten gelijken, en met de hagedissen.

In de permische formatie zijn de amphibiën en kruipende dieren talrijker, zoowel in Europa als in Amerika. Zoo heeft men in de permische formatie in Texas en Illinois 28 soorten van kruipende dieren en zeven soorten van labyrinthodonten gevonden.

Bij de oudste labyrinthodonten is de schedel geheel geharnast: de buitenste oppervlakte van den schedel is gewoonlijk bedekt met eene leerachtige huid, die ons doet denken aan de tegenwoordige krokodillen. De schedel is nu eens verlengd zooals bij den archegosaurus, dan weder ineengedrongen zooals bij den mastodontosaurus.

Bij den archegosaurus vindt men aan iedere hand vijf vingers, terwijl de twee paar ledematen, ongeveer even groot, naar achteren gericht zijn en dienden om te zwemmen. De beenderen waren zeer eenvoudig en konden nog zeer gemakkelijk vervormd worden, zooals dan ook bij het versteenen dikwijls het geval geweest is. Wij zullen niet alle soorten der labyrinthodonten bespreken, doch willen wijzen op hetgeen ons omtrent hunnen algemeenen bouw bekend is.

Het lichaam moet zwaar en log geweest zijn. Evenals nu nog bij de staartloozen en de salamanders, waren de achterste ledematen te zwak om het lichaam te dragen, zoodat de buik over den grond sleepte. Zij brachten het grootste gedeelte van hun leven door in de moerassen, vijvers en meren, die in zoo grooten getale den grond doorsneden in de steenkoolperiode, de permische en de triasperiode. Somtijds sleepten zij zich voort over het weeke klei vanden oever, waarin dikwijls het spoor, door hunnen staart achtergelaten, is blijven bestaan. Zoo heeft men afdruksels van het chirotherium in Meurthe en in Hérault gevonden, waarvan schoone proeven in het museum te Parijs voorkomen.

Sommige labyrinthodonten moeten verbazend groot geweest zijn. In de triasformatie heeft men schedels van 1,30 meters gevonden, waaruit men vermoeden kan, dat die dieren meer dan _zes meters_ lang moeten geweest zijn. Die uit de permische terreinen van Ohio en Illinois waren kleiner. De vorm van den schedel en van de tanden, als grijp- en kauworganen zoozeer overeenkomend met die der krokodillen, wijst er op, dat wij te doen hebben met verscheurende dieren. De overeenkomst van de labyrinthodonten met de amphibiën en de aanwezigheid van kieuwen bij de larve, wijzen er op, dat zij tijdens het eerste gedeelte van hun leven waterdieren waren; waarschijnlijker echter is het, dat zij in de rivieren, dan in zee voorkwamen.

Tot aan het jaar 1867 had men in Frankrijk geen enkele kruipend dier in de primaire formatie gevonden, hoewel men reeds in 1710 in de permische formatie van Thuringen eenen proterosaurus gevonden had. Thans kennen wij er reeds een aantal. Hieruit blijkt dus, dat wij ons moeten hoeden, om aan de natuur ledige vakken toe te schrijven, die alleen het gevolg zijn van onze gebrekkige waarnemingen.

Tot de amphibiën behoort ook een salamander met korten staart, de protriton petroleï. Tot nu toe scheen het primaire tijdperk zich gekenmerkt te hebben door kruipende dieren, die verschilden van onze amphibiën. De protriton echter en een versteend dier, in Duitschland gevonden, de apateon, benevens de raniceps, in Amerika ontdekt, komen meer daarmede overeen. De protriton wijkt in vele opzichten van den labyrinthodon af, en komt meer overeen met onze tegenwoordige salamanders.

De kleine salamandervormige fossielen worden in dezelfde formaties gevonden als de labyrinthodonten. Het is waarschijnlijk, dat onder de kleine salamandervormige fossielen verscheidene den toestand der labyrinthodonten in hunne eerste jaren voorstellen. Doch het is dikwijls moeilijk, om het verschil, dat veroorzaakt wordt door den leeftijd, en het verschil in wezen te onderscheiden van dieren, die misschien gedaanteverwisselingen ondergingen, zooals de tegenwoordige amphibiën.

De grootste soort van labyrinthodonten is bekend door zijne beenderen en ook door de afdruksels der pooten. Bij Lodève zijn de voetsporen vergezeld van die van eenen slependen staart. Dat dier, half salamander, half krokodil, was over het geheele lichaam bedekt met fijne hoornachtige schubben. De ledematen waren kort maar krachtig; de weinige harmonie tusschen voor- en achterpooten wijst op de eigenschappen van een springend dier, maar logger dan de tegenwoordige amphibiën. Men kan zich van die dieren, de oudste der op het land levende gewervelden, de volgende voorstelling maken. Zij waren traag, gulzig, zochten kleine prooi, liepen over het vochtige zand, beschermd door eene ondoordringbare wapenrusting; zij waren de koningen der schepping op een tijdstip, waarop een stevige bouw voldoende was voor de heerschappij; zij hadden geenen enkelen vijand te vreezen, daar verstand en vlugheid nog geene rol speelden, en omdat het instinct zich nog slechts bepaalde tot het onderhouden en het voortplanten van de soort.

Het leven van dergelijke wezens bestond nergens anders in, dan in het volgen van het water bij zijn voorwaartstreden en achteruitwijken; zij ademden en bewogen zich buiten het water, doch zonder zich ver van hunne wieg te verwijderen.

Naast de labyrinthodonten vindt men eene nog onvolkomener soort, die nog dichter bij het uitgangspunt stond: de ganocephalen (pantserkoppen). Dit type wijst ons op den tijd, toen de kruipende dieren, misschien reeds geschikt voor ademing in de lucht, nog altijd zwommen. Het zijn als het ware minder gevorderde labyrinthodonten. Zooals bijna altijd, als men de oorspronkelijke typen eener reeks vóór zich heeft, zijn zij klein in vergelijking met de labyrinthodonten uit de triasperiode. De grootste (de archegosaurus) is nog geen meter lang. Zijne ledematen waren zwak en beter geschikt om te zwemmen of te kruipen dan om te loopen; toch hebben zij reeds pooten met afzonderlijke teenen. Hij is vleeschetend evenals de labyrinthodon, en verhoudt zich tot dezen als de salamander tot den kikvorsch, welke eerste op een zeker punt der gedaanteverwisseling blijft staan en zijn geheele leven meer of minder een jonge kikvorsch blijft.

Zoo ziet men in den archegosaurus het type der gewervelde dieren in wording, op het oogenblik, waarop de verbeening van de wervelkolom voltooid wordt. In de primaire periode waren de amphibiën en kruipende dieren nog jong; verscheidene typen waren nog weinig in hunne ontwikkeling gevorderd; vandaar dat zelfs bij volwassen individuen enkele karaktertrekken het beeld vertoonen van de tegenwoordige kruipende dieren, in jeugdigen of zelfs nog in ongeboren toestand.

Fig. 188 stelt één der meest bekende Europeesche labyrinthodonten voor, _den mastodontosaurus_, met korten, platten, breeden en parabolischen kop en goedgewapende kaken; de bovenkaak droeg twee rijen tanden, waarvan de buitenste alleen er honderd bevatte. Die soort kreeg hare grootste uitbreiding in de triasperiode en is daarna uitgestorven. Op de teekening is één der dieren voorgesteld, op den rug gezien, het andere, half in water gedompeld, doet ons de borstplaten zien. Links ziet men op dit landschap paardestaarten en calamiten, rechts boomvarens, tijdgenooten der labyrinthodonten, van de steenkool- tot de triasperiode. Wij zullen de labyrinthodonten terugvinden in het begin der secundaire periode.

De planten der permisehe periode zijn, evenals de dieren, de ontwikkeling van die uit de steenkoolperiode, (ontwikkeling in den zin van wijziging der soorten, doch teruggang wat betreft de afmetingen). De grootste sigillaria's met hare wortels, de cordaïten met groote bladeren blijven nog eeuwen lang bestaan; maar weldra verdwijnen deze vormen, om voor _de coniferen_ plaats te maken. Die naaldboomen kondigen weder hunne opvolgers uit onzen tijd aan. De vormen veranderen. Men raadt reeds de bladeren, en bijna zelfs de bloemen en vruchten der toekomstige eeuwen. Maar hoever zijn wij nog af van de sierlijke planten van onzen tijd! Toch zijn de oorspronkelijke tijden voorbij. De natuur wijdt de secundaire periode in: de schepping treedt in eene nieuwe phase, die het leven eene hoogere vlucht geeft en de schatten van onze moderne schepping gereedmaakt.

VIERDE BOEK.

Het secundaire tijdperk.

EERSTE HOOFDSTUK.

De triasperiode.

De dampkring is gezuiverd. De zon, niet meer zoo ontzaglijk groot en nevelachtig als te voren, begint aan eenen azuren hemel te schitteren. De uitbarstingen van den inwendigen oven, die gedurig het bezinken van de steenkool- en de permische formatie in den weg hadden gestaan, worden zeldzamer en rustiger, de spleten laten niet meer zoo gemakkelijk de inwendige warmte door en zijn gevuld met aderen, die langzamerhand afkoelen. De planten en dieren, die uit het water de kusten en vlakten hadden opgezocht, stijgen al hooger en hooger, naarmate de oneffenheden van den bodem duidelijker te voorschijn komen ten gevolge van de voortdurende samentrekking van den steeds afkoelenden bol, en van de verschuivingen en ontwrichtingen, die daardoor veroorzaakt worden. De planten, niet meer uitsluitend gevoed door het water en den dampkring, behouden hare reusachtige afmetingen uit de steenkoolperiode en beginnen zich al meer en meer te splitsen; de cycadeën en coniferen treden op. Nog zijn er geene boomen met afvallende bladeren, daar er nog geene jaargetijden bestaan. De kruipende dieren krijgen op het vasteland de overhand. In de zee vermenigvuldigen zich de weekdieren, vooral de koppootige uit het geslacht der ammonieten, die reeds in grooten getale optreden in het begin der nieuwe periode, om gedurende dat geheele tijdperk voort te duren. Ook de visschen ontwikkelen zich; zij houden op kraakbeenig te zijn en worden beenig. De arbeid der natuur breidt zich uit en vertakt zich.

Nemen wij de secundaire periode in haar geheel, dan is de vooruitgang bij de primaire periode onbetwistbaar. Dit wil echter niet zeggen, dat die periode begonnen is met eene plotselinge schepping van bepaalde typen van dieren of planten, of met eene omwenteling in de natuur, evenmin als dit bij den overgang der azoïsche tot de primaire periode het geval is geweest. De aandachtige lezer begrijpt, dat er tusschen de ééne periode en hare voorgangster of opvolgster geen sprong plaats heeft, evenmin als dit het geval is tusschen den laatsten dag van het ééne jaar en den eersten dag van het volgende jaar. De dagen en jaren van de perioden van het leven op aarde volgen even geleidelijk op elkander als de gewone dagen en jaren; de secundaire periode is de voortzetting der primaire.

Ieder wezen streeft naar vooruitgang, en dat streven is juist de bron zijner werkzaamheid. De plant zoekt onbewust maar toch met nadruk het licht, dat voor hare ontluiking het gunstigst is, en de beste sappen voor hare voeding. De visch zwemt naar het water, dat voor hem het verkieslijkst is, en begeeft zich naar den oorsprong der stroomen. Het insect kiest den besten honig of de rijpste druif. De vogel kiest voor zijn nest het fijnste mos, en de gemakkelijkste plaats. De hond bespiedt den wil van zijnen meester en zoekt hem te behagen. Zoowel in het planten- als in het dierenrijk, werken duizenden uit- en inwendige eigenschappen, zooals de kleur--waardoor de insecten bepaalde bloemen verkiezen, en die dus eene groote rol speelt bij de bevruchting, evenals zij van invloed is op de paring der insecten, vogels en zoogdieren--de reuk, die evenzeer haren invloed doet gelden--de spier- en zenuwkracht, de wijze van voeding en de daaruit voortvloeiende hoedanigheden, mede tot den vooruitgang, door dat streven naar het hoogere, waarmede ieder wezen begaafd is. Neem dat streven weg, en gij verbreekt de drijfveer der beweging, en de geheele natuur, van de plant tot aan den mensch, valt weder tot het laagste peil terug. Zonder die gave verliest zelfs het leven zijne reden van bestaan, en blijft de menschheid stilstaan. Vooruitgang is de algemeene drang der natuur. Ieder onzer, in welken kring ook geboren, streeft naar verbetering, de ééne in materieelen, de andere in moreelen of intellectueelen zin; de gierigaard verrijkt zich als moest hij nooit sterven; de geleerde studeert onophoudelijk, dorstend naar het onbekende en wanhopend over hetgeen hem nog te leeren overblijft; de kunstenaar tracht meer en meer het ideaal der hoogste schoonheid te bereiken; de denker ziet eene meer volkomen menschheid vóór zich, en zoo gaat de mensch door al zijne hartstochten, verlangens en aspiraties, in vreugde en in smart, steeds vooruit, en wel verre van voldaan te zijn met wat het leven ons schenken kan, bepalen wij den kring onzer verlangens niet tot deze aarde alleen, doch voelen wij ons geroepen, die hooger op te voeren. Die goddelijke drang, reeds eigen aan het atoom, aan het laagste wezen, de cel en het protoplasma, dat deel van het goddelijke, dat de zichtbare natuur, het uitvloeisel der onzichtbare kracht in zich bevat; die drang naar het oneindige, is de oorzaak der voortdurende volmaking der wezens, de geleidelijke verandering der soorten en van den regelmatigen vooruitgang van de eerste dagen van het organische leven tot op onzen tijd.

Het tijdperk, dat wij thans bespreken, wordt in drie perioden onderverdeeld, die door hare karakteristieke eigenschappen scherp onderscheiden kunnen worden: de trias- de jura- en de krijtperiode.

De eerste periode heet _trias_, omdat de formaties dier periode bij de eerste studie dier formaties zich in drie lagen vertoonden: de bonte-zandsteen, de schelpkalk en de keuper, waarin de mergel voorkomt. Die drie lagen vindt men regelmatig op elkander in Wurtemberg, Beieren, Lotharingen en elders; doch die verdeeling, die berust op het bestaan eener zeevorming tusschen twee zoetwatervormingen, geldt o. a. niet voor Engeland, de Alpenstreken, het Himalayagebergte en Californië. Bovendien vindt men dikwijls de triasformatie nauw aan de permische formatie verbonden, waardoor de geleidelijke ontwikkeling der organische wereld nog nader bevestigd wordt. Wel kunnen enkele lagen ontbreken, maar de volgorde wordt nooit gewijzigd, nooit ligt de bonte-zandsteen onder de schelpkalk, evenals de juraformatie nooit boven de krijtformatie gelegen is.

De tweede periode van het secundaire tijdperk, heet de _Juraperiode_, omdat het Juragebergte, dat eerst later is opgeheven, grootendeels bestaat uit formaties, die in deze periode bezonken zijn. Deze periode wordt weder onderverdeeld in de lias- en de oölietperiode.

De derde periode heet de _krijtperiode_, omdat de formaties, toen door de zee afgezet, bijna geheel uit krijt bestaan. Men verdeelt haar weder in drie afdeelingen: de onderste, de middelste en de bovenste krijtformatie.

De triasperiode, die het secundaire tijdperk inleidt, bevat, zooals wij zagen, drie verschillende formaties, de bonte zandsteen, de schelpkalk en de keuper. De eerste wordt in groote hoeveelheden in de Vogezen gevonden; de tweede in Beieren, en de derde in de Tyroler Alpen. Men noemt daarom die drie formaties ook wel Vogezische, Franconische en Tyroler formatie.

Onder welke omstandigheden zijn die formaties ontstaan? In het begin der triasperiode zijn de binnenzeeën, waarin zich in het noorden van Duitschland en Engeland de zeebezinkingen der bovenste permische formatie hadden afgezet, uitgedroogd; men moet meer in het zuiden, in de nabijheid der Middellandsche zee zijn, om eenen zeetoestand terug te vinden. Maar weldra ontstaan er in noordelijke richting golven, en de zee strekt zich het verst uit in de Frankonische periode, toen Lotharingen en de oostelijke rand der centrale bergvlakte door de zee werden bespoeld. Doch weldra trekt het zeewater zich naar het oosten en het zuiden terug en daardoor krijgen in de Tyrolsche periode lagunen, misschien zelfs poelen, de overhand over geheel Frankrijk, geheel Engeland, en het grootste gedeelte van Spanje. Men vindt de zee weder ten oosten van het laatste land, in Italië: van Sicilië tot aan Venetië, bij Salzburg en in de nabijheid der Carpathen. In één woord: de Middellandsche zee der permo-steenkool-periode is eenigszins noordwaarts verplaatst, minder uitgestrekt naar het westen en verbonden met de lagere gedeelten van den Ural en Centraal-Azië. Over dat geheele grondgebied, waar voor het eerst de ammonieten optraden op het einde der permische periode, krijgt die uitgebreide familie der koppootigen eene verbazende uitbreiding, en ditzelfde verschijnsel openbaart zich in westelijk-Amerika, zoowel als in de poolstreken, terwijl de trias in Zuid-Afrika en in Australië veel meer het voorkomen heeft van eene vastelandformatie.

De verschillende formaties der secundaire periode zijn zeer duidelijk van elkander onderscheiden, zij zijn van geheel verschillende samenstelling en met duizenden eeuwen tusschenruimte ontstaan. Toch mogen wij ze in ééne enkele periode samenvatten, daar de planten en dieren dier geheele periode in karakter overeenstemmen. In de bonte-zandsteen vindt men dezelfde soorten als in de schelpkalk en de keuper, en zelfs wordt een groot aantal tot in de krijtformatie teruggevonden. In die geheele periode is de oppervlakte der aarde wel niet volkomen veranderd, maar toch vertoont zij een groot verschil in vergelijking met de vorige periode.

Vooreerst vinden wij in grooten getale de planten, die wij reeds leerden kennen, doch bij de oude vormen dier planten komen weder nieuwe soorten voor. Er zijn weder varens, grassen, paardestaarten en wolfsklauwen, doch de groote soorten der twee laatste familiën verdwijnen en zij naderen meer tot de tegenwoordige planten.

De grassen komen in grooten getale voor, doch niet meer in groote lagen verkoolde plantenstof, zooals vroeger, maar in den vorm van talrijke afdruksels in de zandsteen.

Bijzonder eigen aan de secundaire periode zijn de Cycadeën, eene plant, waarvan in de steenkoolperiode slechts vier soorten, en waarvan thans veertig soorten bekend zijn. In de triasformatie vindt men van de cycadeën twintig soorten, in de Juraformatie dertig en in de krijtformatie vijftien soorten, d. i. dus in het geheel vijfenzestig, of vijfentwintig meer dan wij er thans van vinden. Fig. 192 geeft een denkbeeld van den algemeenen vorm dier familie.

Die plantengroep, die zeer dicht aan de palmen grenst en eenen tropischen oorsprong verraadt, komt het eerst voor in de steenkoolformatie en doorloopt alle overige formaties behalve de schelpkalk. Men kan dus den vorm der cycadeën volgen van de secundaire periode tot op onzen tijd: zij komen in zóó groote menigte voor, dat hare versteende vruchten, bladeren en geraamte overal worden teruggevonden.

Fig. 193 stelt enkele versteende cycadeënvruchten voor, waarvan de voornaamste op eene kokosnoot gelijkt. De cycadeën bereikten eene hoogte van tien tot twaalf meters: tegenwoordig zijn zij zelden hooger dan 1 meter. De boomachtige cycadeën zijn thans vervangen door de schoonere palmen.