De Wereld vóór de schepping van den mensch

Chapter 17

Chapter 173,632 wordsPublic domain

Zijn die bosschen der steenkoolperiode begraven op de plaats, waar zij oorspronkelijk aanwezig waren? Zou de steenkool oorspronkelijk turf geweest zijn, die gedrukt onder later ontstane bezinksels, versteend is? of bestaat de steenkool uit plantaardige overblijfselen, door het water medegesleept en op den bodem der bekkens afgezet? De tweede theorie is het eerst door de geologen verkondigd, zij is daarna door de eerste verdrongen, toen men bijna versteende, rechtopstaande boomen ontdekt had, doch in de laatste jaren weder in eere hersteld, omdat zij het geheel der waargenomen feiten beter verklaart. Stroomen beladen met grint, modder en plantaardige overblijfselen monden uit in het diepe en stille water van een meer, waar de stoffen naar hare dichtheid gescheiden worden: de keisteenen en het grint vallen in zeer schuine lagen bij de monding, terwijl de modder verder doorstroomt, zich onder eene veel kleinere helling laagsgewijze afzet en de plantenstoffen bijna horizontaal aan het uiteinde bezinken. Zoo wordt voortdurend het plantenslib onder nieuwe sedimentlagen bedolven, en indien de toevoer van plantenoverblijfselen voortgaat, zal de steenkoollaag zich meer of minder regelmatig op den bodem verlengen, hoewel de verschillende deelen niet gelijktijdig ontstaan zijn. Zoo kan men in de steenkoollaag alle overgangen vinden van de ruwere steenkool (d. i. de plantenstof zonder minerale bijmengselen) tot aan eene modderlaag, vermengd met enkele overblijfselen van planten.

Hoevele jaren en eeuwen vertegenwoordigen die bezinkingen? Het is moeilijk te ramen. Volgens de berekeningen van Elie de Beaumont zoude al de steenkool, die door onze tegenwoordige bosschen kan geleverd worden, over de uitgestrektheid der thans ontgonnen mijnen slechts eene laag vormen van 16 centimeters in 100 jaren. Wij hebben hier dus te doen met de vrucht van honderdduizenden jaren, die millioenen jaren achter ons liggen. Men denkt hier onwillekeurig aan de voorstelling der Buddhisten. Om een denkbeeld te geven van den ouderdom der aarde en van haren duur, vergelijken zij onze planeet met eenen diamantberg, die iedere eeuw eens met een katoenen lapje wordt afgestoft. Wanneer zal die berg versleten zijn?

De spoorwegen hebben in de laatste vijftig jaren een ongekend licht laten vallen op de ontwikkelingsgeschiedenis der aarde, door de tunnels, die door de verschillende lagen van de oppervlakte der aarde geboord zijn. Maar van alle formaties is toch de steenkoolformatie het ijverigst bestudeerd, om hare groote innerlijke waarde en hare beteekenis voor de industrie. (Wij behoeven hier niet te spreken van de diamant- en metaalmijnen, omdat zij tot de vulcanische formaties behooren, tot eenen tijd, die aan het leven is voorafgegaan). Men kent niet alleen de steenkoolmijnen, die de oppervlakte van den bodem aanraken, maar met de grootst mogelijke inspanning heeft men ook die lagen onderzocht, die iets dieper liggen, maar toch nog de ontginning waard zijn. Die ontginning heeft immers hare grenzen: indien de diepte der steenkolenlaag zoó groot is, dat de exploitatiekosten den verkoopsprijs overtreffen, dan houdt de ontginning op. Zóó b.v. blijkt reeds uit de figuren op blz. 179 en 184, dat men, zoo men doorgraaft tot aan de primaire formatie, die onder Parijs gelegen is, wel steenkool kan vinden, maar dat de exploitatiekosten eene ontginning onmogelijk maken.

De groote waarde van de steenkool, die kostbaarder is, naarmate zij minder onuitputtelijk is (de vraag wordt thans ernstig behandeld, voor hoevele eeuwen er nog steenkool beschikbaar is), heeft er toe geleid, om ook de steenkoollagen te leeren kennen, die niet tot de oppervlakte der aarde naderen, en door formaties van later dagteekening bedekt zijn. Zeer rijk aan steenkolenmijnen zijn België, Engeland, Westphalen, de Vereenigde Staten, Rusland en China [16]. Het steenkolengebied strekt zich uit over meer dan een derde deel van Europeesch Rusland. De geologische samenstelling (kolenkalk) toont aan, dat op het einde der steenkoolperiode zich eene zee over Rusland uitstrekte toen westelijk Europa, reeds voor het grootste gedeelte boven water, met meren en zoetwatermoerassen bedekt was, die den voet der reuzenplanten besproeiden.

Wanneer de steenkoollagen aan de oppervlakte van den bodem grenzen, dan strekken zij zich daarom nog niet over eene groote oppervlakte uit, maar dalen zij wel tot op zekere diepte naar beneden. Door vertikale putten en hellende mijngangen delven de mijnwerkers de kostbare brandstof ten koste van een leven van zelfverloochening. Hoogst zelden is een kloeke en zorgenvrije ouderdom de belooning van een werkzaam leven vol opofferingen. Indien de mijnwerker ongedeerd is gebleven na alle rampen, die hem in zijn leven onder de aardoppervlakte bedreigen, zooals mijngas, instortingen, overstroomingen enz., dan zijn toch zijne longen doortrokken met steenkolenstof, en werken zij niet meer normaal; zijn bloed wordt slecht vernieuwd, en het daglicht, waarvan hij nog enkele jaren hoopte te genieten, verlicht een zwak lichaam, dat bijna zijn tweede vaderland betreurt. Indien wij ons toevertrouwen aan het stoomros, dat de landen doorklieft en de afstanden vernietigt, indien wij des avonds de schitterende verlichting bewonderen, die met het daglicht wedijvert, dan denken wij slechts hoogst zelden aan den dapperen mijnwerker, die op zijn vreedzaam arbeidsveld de grondstof graaft ten koste van wat den mensch het liefste is.

De diepte der kolenmijnen bedraagt somtijds 500, 600 of 800 meters, en de mijngangen, met het kompas gegraven, strekken zich dikwijls tot 5 of 6 kilometers uit.

Die steenkolenbekkens hebben in het algemeen den vorm van grootere of kleinere, dikkere of dunnere, diepere of minder diepe kommen, maar de talrijke ontwrichtingen der lagen en de verscheidenheid der oorspronkelijke omstandigheden, waaronder zich de steenkool gevormd heeft, maken het moeilijk, eenen regel daarvoor vast te stellen. Verscheidene geologen onderscheiden de kolenkalk van de daarboven gelegen steenkool, die daarvan door eene laag zandsteen gescheiden is. Men kan echter moeilijk gissen, hoeveel achtereenvolgende bezinkingen van zout- en zoetwater door de talrijke steenkolenbladen vertegenwoordigd worden. In de laag, die zich uitstrekt van Valencienes tot Luik, heeft men op eene dikte van 300 meters 156 op elkander liggende bladen geteld. Enkele bladen zijn slechts eenige decimeters dik, andere, zooals te Commentry, hebben eene dikte van 25 meters. In België hebben enkele lagen den vorm van eene Z, zoodat eene zelfde vertikale put, dikwijls driemaal door een zelfde blad gaat. Dikwijls moet de mijnwerker zich in de lastigste bochten wringen, om den steenkolenader te volgen.

De steenkool komt niet alleen voor in de formaties der primaire periode, waarvan wij thans de geschiedenis bestudeeren. De fossiele brandstof komt in alle formaties voor, maar zij is hoe langer hoe minder zuiver en vast, of neemt eene kleinere ruimte in, naarmate men de geologische ladder opklimt of afdaalt, van de eigenlijke steenkolenformatie afgerekend. Alleen in die formatie zelf waren de botanische en climatologische voorwaarden van dien aard, dat zij eene zoo groote opeenhooping van planten toelieten, als de vorming der steenkool noodzakelijk maakte. Wij moeten echter wel degelijk de oude en de jongere steenkool onderscheiden.

Doch keeren wij thans terug tot de planten uit de periode, waaraan wij de steenkool te danken hebben. Te midden van de prachtige varens met hare fijn uitgesneden bladeren vindt men ook de kleinste sporeplanten, die zich onder het water verbergen of die door hare geringe afmetingen onzichtbaar zijn. Onder de sporeplanten vindt men de grootste en de kleinste planten. Men vindt er zóó kleine onder, dat men meer dan honderd millioen bijeen moet brengen, om het gewicht van één gram te bereiken! En daarnaast de Macrocystis, die eene lengte van 500 meters bereiken kan, en wier stam toch dun en buigzaam is.

Men vindt de sporeplanten overal: in het water, op de oppervlakte der aarde, in den grond, in de lucht, in de levende lichamen, in de lijken. Hare rol is uiterst belangrijk.

De wateren zijn vol wieren; de stroomen, de rivieren, de vijvers, de poelen voeden onmetelijke hoeveelheden dier planten; de bodem der zeeën is er mee bedekt; zij geven het aanzijn aan bosschen, die in verscheidenheid van vormen en schoonheid van kleur niet onderdoen voor de bosschen op het land. Als het bloote oog in die wateren niets nieuws meer waarneemt, dan ontdekt men met een vergrootglas weer nieuwe landschappen; spoedig is ook het vergrootglas niet meer voldoende, en indien men dan den mikroskoop te hulp neemt, dan bemerkt men, dat men tevergeefs zijnen gezichtseinder uitbreidt door telkens sterker vergrootingen, want steeds ontdekt men nieuwe plantensoorten, en krijgt men de overtuiging, dat de natuur ons het oneindige te peilen geeft.

Al die sporeplanten, groot en klein, leven, en dat leven is veel meer dan het onze de bron van het leven op aarde. Als men die planten aan den arbeid ziet, dan begrijpt men, welke belangrijke rol zij spelen onder de verschijnselen, die op onze planeet plaats vinden: terwijl zij, om te leven, het koolzuur onttrekken aan de wateren, die verzadigd zijn van dubbel koolzure kalk, bereiden zij de onoplosbare koolzure kalk, die zich afscheidt, en vervaardigen zij lagen van steen, waarin zij hare overblijfselen achterlaten als getuigen van het deel, dat zij aan den arbeid genomen hebben. Andere planten werken op het kiezelzuur; zij houden dat vast, bedienen zich er van, om beschermende omhulsels te vervaardigen, en zich met duizelingwekkende snelheid vermenigvuldigend, vormen zij de gesteenten, die zich snel verheffen; de opvolgende geslachten legeren zich op de lijken van die, welke vóór hen geleefd hebben, en die daar blijven liggen, omgeven door kiezelrijke schelpen, die hun tot lijkwade dienen.

Somtijds doen die kleine sporeplanten, medegevoerd door de stroomen, hare dooden in zóó grooten getale stranden, dat zij de mondingen van die stroomen verstoppen. Aan de monden van den Oder en vele andere rivieren, bestaat de modder voor een derde of de helft uit ontelbare soorten van planten. In de haven van Pillau wordt iedere eeuw eene massa van één millioen cubieke meters van die oneindige kleine wezens afgezet.

Nauwelijks komen die gesteenten boven water, of andere sporeplanten maken zich er van meester: gewoonlijk zijn het korstmossen. Aan de rotsen vastgehecht, ontleden zij zelfs de hardste gesteenten. Die merkwaardige planten, die men overal vindt, waar een terrein geschikt gemaakt kan worden voor de vestiging van hooger ontwikkelde planten, hetzij wieren, hetzij paddestoelen, zijn voor verschillende soorten van arbeid geschikt; men vindt ze dan ook op het kwarts, op zandsteen, leisteen, het bazalt en het porphyr van uitgedoofde vulkanen, en zelfs op de nauwelijks afgekoelde lava van nog steeds vuurspuwende bergen. Wij moeten echter opmerken, dat de sporeplanten oorspronkelijk waterplanten waren en nog altijd min of meer het water zoeken; nauwelijks wagen zich de hoogst ontwikkelde op droge plaatsen; de korstmossen sterven wel niet in de brandende woestenijen, maar _leven_ daar slechts, als zij eenig vocht vinden. Men gevoelt bij alle sporeplanten eene geheime verwantschap met de wieren, waaruit zij ongetwijfeld zijn voortgekomen; bijna alle moeten zij òf in het water leven òf hebben zij behoefte aan meer of minder vochtige lucht.

Dringen wij iets dieper in den grond door, dan blijkt het dat de verschijnselen, die wij daar waarnemen, het vervolg zijn van die, welke plaats gegrepen hebben in de tijdperken, die aan het onze zijn voorafgegaan. Dezelfde arbeid werd verricht, en wel op dezelfde wijze, het evenwicht werd tot stand gebracht door de vereenigde werking van voortbrengende en verterende elementen; maar te oordeelen naar de getuigenissen dier eeuwen, waren het alleen de sporeplanten, die dien arbeid verrichtten, terwijl de zaadplanten eerst veel later verschenen, om eerst met de sporeplanten samen te werken, ze later aan te vullen, en eindelijk te trachten ze te vervangen in haren arbeid.

Tijdens den langen duur der steenkoolperiode werd de levenskracht der planeet in de wateren hoofdzakelijk vertegenwoordigd door de visschen, op het land door de planten. Nog bestaan wel niet de hoogere ontwikkelde soorten in het dieren- en plantenrijk, maar reeds openbaart zich het streven der natuur door de opklimming van het delfstoffenrijk tot aan de visschen en insecten aan de ééne zijde, en de varens en sigillaria's aan de andere zijde. Dat streven zal blijven voortduren, totdat de natuur het aanzijn zal geschonken hebben aan de gevoelige en de vleeschetende planten, het kruidje-roer-mij-niet en de drosera, en aan de vogels, de zoogdieren en den mensch.

In de periode, die wij thans bestudeeren, hebben de planten de grootste vorderingen gemaakt, en de natuur noodigt ons zelf uit, om een oogenblik te vertoeven, ten einde die merkwaardige plantenwereld, die zoo dikwijls miskend is, te bewonderen. De planten zijn niet minder merkwaardig dan de dieren, ook zij leven, en het is alleen door eenen samenloop van omstandigheden, dat niet het hoogst ontwikkelde ras een plantenras geworden is, in plaats van het menschenras.

Laten wij ons eerst nog even herinneren, dat de planten in twee groote afdeelingen kunnen gesplitst worden: de cryptogamen (geheim bloeiende sporeplanten) en de phanerogamen (openlijk bloeiende zaadplanten). De eerste zijn nederige, weinig schitterende planten, zonder bloemen; "de huwelijkssponde der plant", de voortplantingsorganen, zijn onzichtbaar, mikroskopisch klein, en zóó verborgen, dat eertijds zelfs uitstekende plantkundigen aan het bestaan dier organen twijfelden, en die planten agamen, (zonder voortplanting) wilden noemen. Tot die cryptogamen behooren de wieren, de zwammen, de schimmels, de mossen, de paardestaarten, de varens. In werkelijkheid is er bij deze planten evenmin als bij de zaadplanten, generatio spontanea, maar evenals bij de lagere dieren, waarvan wij de ontwikkelingsgeschiedenis hebben medegedeeld, is de wijze van voortplanting nog weifelend, en heeft zij nog niet die volmaaktheid bereikt, dat de geslachten volkomen gescheiden zijn, en dat twee verschillende, elkander aanvullende wezens tot elkander moeten naderen.

Geen bloemen, geen behaagzucht, geen welriekende geuren, geen wellust: minnarijen van weekdieren, schaaldieren, visschen.

Maar de natuur verheft zich tot een poëtischer ideaal. Uit de sporeplanten komen de zaadplanten voort, evenals de gewervelde dieren uit de ongewervelde. De zaadplanten zijn de hooger ontwikkelde, met schitterenden bruidstooi, en voortplantingsorganen, die bij de meeste met het bloote oog zichtbaar zijn: de mannelijke organen, _de meeldraden_, dragen de bevruchtende stof, het _stuifmeel_; het vrouwelijk orgaan, _de stamper_, bevat de te bevruchten eitjes, die het aanzijn geven aan eene nieuwe plant. De zaadplanten worden in twee afdeelingen verdeeld: de _gymnospermen_ (naaktzadigen) en de _angiospermen_ (bedektzadigen); bij de eerste zijn de eitjes niet in eenen gesloten zak, eierstok, ingesloten; en groeit het hout door jaarringen aan (naaldboomen); bij de tweede zijn de eitjes opgesloten in den eierstok; de angiospermen worden weder in twee klassen verdeeld: _de monocotylidonen_ (éénzaadlobbigen), waar het hout niet aangroeit door concentrische ringen (palmen, bananen, suikerriet, dekriet, hyacinten enz.) en de _dicotylidonen_ (twee zaadlobbigen), waar het hout door jaarringen aangroeit en de vaatbundels onbegrensd zijn (eiken, olmen, enz.). Doch wij mogen niet te veel in bijzonderheden afdalen: wij schrijven geen handboek over plantkunde. Wel mogen wij het leven der planten leeren kennen, door hare zeden en aandoeningen te bestudeeren.

Fig. 150-154 stellen eenige bloemen voor. In de bloemkroon ziet men in het midden een aan haar benedeneinde gezwollen draadje (stijl), dit is _de stamper_ of het vrouwelijke orgaan; de zwelling aan de benedenzijde is de eierstok, die de eitjes bevat; de top van den stamper is de stempel.

Rondom dien stamper ziet men _de meeldraden_ of mannelijke organen, vijf of meer in getal (hun aantal is veranderlijk), en ook de stamper kan één- of veelvoudig zijn. De meeldraden bestaan uit eenen _helmdraad_, die eindigt in eenen ovalen geelgekleurden _helmknop_, die een geel poeder, het _stuifmeel_ bevat, dat voor de bevruchting dient.

Men zal zich gemakkelijk van de bevruchting der bloemen rekenschap geven bij de beschouwing der fig. 154-157. Fig. 154 stelt eene _kalmia_ voor, terwijl de meeldraden in rust zijn, vóór de bevruchting; fig. 155 diezelfde bloem op het oogenblik der bevruchting, als de meeldraden zich geplaatst hebben op den stempel van den stamper; fig. 156 is eene _loasa lateritia_, waar men alle meeldraden aangetrokken ziet door den stamper.

Voor de bevruchting is het noodzakelijk, dat het stuifmeel de eitjes aanrake. De eitjes, die niet door die bevruchtende stof worden aangeraakt, blijven onvruchtbaar. Op het oogenblik der bevruchting opent zich de helmknop en werpt deze het stuifmeel op den stempel. Uit iederen stuifmeelkorrel gaat eene zeer fijne buis uit, die in den stempel dringt, den stamper in zijne geheele lengte doortrekt, om de eitjes te zoeken, die haar aantrekken, en door haar bevrucht worden. Van dat oogenblik af begint de vrucht zich te ontwikkelen: het bevruchte eitje wordt eene zaadkorrel en de eierstok eene vrucht. De bloem, met hare geuren en schoonheid, verdwijnt; het schoone wijkt voor het ware, het aangename voor het nuttige. Het doel der natuur is volbracht.

Bij de dieren zijn reeds sedert langen tijd de geslachten gescheiden, en die scheiding is een zeer krachtige oorzaak van vooruitgang en ontwikkeling. Bij de planten is de scheiding der geslachten uitzondering. Daar de planten op hare plaats blijven, zoo is scheiding der geslachten in haar nadeel, zoodat deze waarschijnlijk wel nooit algemeen zal worden. De éénhuizige planten, waar mannelijke en vrouwelijke bloemen op dezelfde plant voorkomen, gaan het meest vooruit. De vorm der bloem hangt samen met de betrekkelijke lengte van de meeldraden en van den stamper. Daar de bevruchting het best verzekerd wordt, indien het stuifmeel boven het vrouwelijk orgaan gelegen is, opdat het neervallend op den stempel kome, zijn bij de recht opstaande bloemen de meeldraden langer dan de stamper en steken zij daar boven uit. Bij de fuchsia's, waar de bloemen neerhangen, is de stempel ver onder de meeldraden gelegen, en als het stuifmeel uit de helmknoppen valt, komt het dus weder op den stempel. Bij een groot aantal bloemen zetten zich de meeldraden bij de minste aanraking in beweging; als men ze even aantikt, of een insect er maar aan raakt, vallen zij op den stempel neer. De insecten spelen dan ook eene belangrijke rol bij het bevruchten der bloemen. Indien zij zich in de bloemkroon neerzetten, brengen zij de zoo gevoelige meeldraden in beweging, die instinctmatig in aanraking komen met den stempel. De bijen, de hommels, de kapellen nemen het stuifmeel mede, als zij honig gezocht hebben in de bloemkroon, en als zij zich dan op andere bloemen nederzetten, geven zij daar het stuifmeel af, dat die bloemen veel sneller bevrucht, dan zonder de tusschenkomst dier insecten het geval zoude geweest zijn. Bij de planten met gescheiden geslachten, zooals de dadels, de kastanjes, en andere, is de bevruchting zelfs zonder de hulp der insecten of van den wind onmogelijk. Men kent de geschiedenis van den vrouwelijken dadel, te Otranto geplant, die onvruchtbaar bleef, totdat een mannelijke dadel te Brindisi zóó hoog boven de naburige boomen uitstak, dat de wind het bevruchtende stuifmeel naar Otranto kon overbrengen.

De vallisneria, eene bekende waterplant, behoort tot de merkwaardigste der planten met gescheiden geslachten. De vrouwelijke bloemen worden door eenen langen steel gedragen, die haar in staat stelt, tot aan de oppervlakte van het water te komen en daar hare bekoorlijkheden ten toon te spreiden. De mannelijke bloemen stijgen niet hoog genoeg, om ze te bereiken. Maar somtijds ontsnappen zij plotseling uit de bloemscheede, die ze omsloten hield, en verheffen zij zich tot de huwelijkssponde. Dan verspreiden de helmknoppen hun stuifmeel en wordt dit door de vrouwelijke bloemen opgenomen. Daarna wikkelen zij haren steel spiraalvormig op, zeggen het licht vaarwel en dalen zij af tot onder het water, om er de vrucht van hare liefde te doen rijpen.

Nog hooger in ontwikkeling zijn de planten met willekeurige of teweeggebrachte bewegingen, die op hare wijze zenuwen en spieren bevatten en begaafd zijn met vermogens, die hooger staan dan die van een groot aantal lagere dieren. Daartoe behooren het kruidje-roer-mij-niet, de drosera, de vliegenvanger, de aldrovandia, de pinguicula, de utricularia, enz. De merkwaardigste en nauwkeurigst bestudeerde is de drosera, merkwaardig type der _vleeschetende planten_. Wij zijn zóózeer gewend aan het denkbeeld, dat de planten door hare bladeren ademen, en dat zij zich door hare wortels met de sappen der aarde voeden, dat onze gewone begrippen omtrent de onschuld van het plantenrijk omver geworpen worden, indien wij hooren spreken van eene plant, die eet en haar voedsel verteert als een dier. Do drosera, die de venen en de moerassen bewoont, heeft bladeren, die bedekt zijn met voelhorens, en vloeistofdruppels afscheiden, die in de zon schitteren. Indien een insect, vlieg, vlinder, of waterjuffer zich op het blad plaatst, dan dalen alle voelhorens (dikwijls ten getale van 260) op het insect af en nemen het gevangen. Al plaatst het zich op den rand van het blad, dan wordt het reeds gegrepen en naar het midden gesleept. Het wordt met een slijmerig vocht besmeerd en sterft spoedig. Daarna eet de plant het in letterlijken zin op: het slorpt het op en verteert het door middel van eene soort van maagsap. De vleeschetende plant scheidt eene gistingsstof af, met pepsine overeenkomend, en die ook bij de spijsvertering dezelfde rol vervult. Men kan de plant rauw, of gebraden vleesch, stukken hard ei, beenderen of graten geven, zij geeft bijna niets terug! De plant heeft eene ongeloofelijk krachtige spijsvertering.

Wij hebben ruimte te kort, om langer over die planten uitte weiden. Het zoude anders belangrijk zijn, nog een oogenblik stil te staan bij de vliegenvangers, die de onvoorzichtige vliegen, die zich een oogenblik op de bladeren neerzetten, meedoogenloos vermorzelen en verslinden, of bij andere verwante soorten; doch wij mogen niet langer vertoeven. Ons doel was alleen, bij de beschrijving der steenkoolperiode, de periode van het plantenrijk bij uitnemendheid, dat plantenrijk te leeren begrijpen: te leeren gevoelen, dat ook dat rijk niet vreemd is aan het leven onzer planeet, en dat het veel minder ver afligt van het dierenrijk, dan men oppervlakkig meent. Indien wij ons bezig zullen houden met den oorsprong van den menschelijken geest, dan zullen wij zien, dat zelfs uit het oogpunt van de geestvermogens, de plant niet zoo werkeloos is, als men meent. Honger, dorst, ziekte, gulzigheid, wellust, ja zelfs liefde, zijn gewaarwordingen, die den planten niet geheel en al vreemd zijn.

De hooger ontwikkelde planten zijn eerst zeer laat opgetreden, evenals de hoogere dieren; en er is geen reden te gelooven, dat er in de toekomst niet nog veel hooger ontwikkelde planten zullen bestaan; het plantenrijk immers gaat evenzeer vooruit als het dierenrijk en het menschdom. De bedektzadige planten zijn van jongen datum: de eenzaadlobbigen zijn begonnen in de triasperiode, en de tweezaadlobbigen in de krijtperiode. In de steenkoolperiode bestond het plantenrijk hoofdzakelijk uit sporeplanten: de naaktzadigen treden juist op.