De Wereld vóór de schepping van den mensch
Chapter 15
Bekend is de bergstorting, waarbij de oude Romeinsche stad Velleja in de 6de eeuw verzwolgen werd; het groot aantal beenderen, munten en kostbaarheden, die men in de puinhoopen gevonden heeft, bewijzen, dat de bevolking geenen tijd gehad heeft, te vluchten. Zoo werd ook het kasteel Tauretunum en het naburige dorp, aan den zuidelijken oever van het meer van Genève in 563 door eene neerstorting van rotsen verwoest; de golven, die ontstonden door het neerstorten der steenen in het meer, verwoestten zelfs aan den anderen oever alle woningen; alle steden der kust werden verwoest en eerst eene halve eeuw later opgebouwd: zelfs Genève werd gedeeltelijk door het water bedekt. [12]
Vreeselijk waren de gevolgen van het neerstorten van een deel van den Rossberg, den 2den September 1806. Die berg, ten noorden van de Rigi gelegen, in het midden van het schiereiland, begrensd door de meren van Zug, Egeri en Lowerz, bestaat uit lagen van stevig samengepakte stoffen, op eene kleibedding rustend, die door het water ondermijnd wordt. Reeds op een onbekend tijdstip was het dorp Rotten door de instorting van eenen bergwand verwoest; maar in 1806 was de vernieling nog veel ontzettender. Het had langen tijd geregend, en de kleilagen waren langzamerhand in eene modderachtige massa veranderd; eindelijk begonnen de bovenste rotsen, nu zij haren steun misten, langs de helling af te glijden. Plotseling stortte de geheele massa, met hare bosschen, weiden, hutten en bewoners in de vlakte neer; de tegen elkander botsende rotsen sloegen vlammen uit; het water der diepe lagen, plotseling in damp veranderd, spoot uit den grond, en ontzettende massa's steen en modder werden als uit den mond van eenen vulkaan uitgeworpen. De prachtige buitenplaatsen van Goldau en vier dorpen, door omstreeks duizend menschen bewoond, verdwenen onder de puinhoopen, en de woedende golf, door het storten van het puin in het meer van Lowerz tot eene hoogte van twintig meters opgeheven, vaagde alle woningen weg. Het gedeelte van den berg, dat ingestort was, was vier kilometers lang, 320 meters breed en 32 meters hoog, d. i. 40 millioen cubieke meters.
Minder hevig was de bergstorting, die in het jaar 1881 de helft van het dorpje Elm in Zwitserland vernielde. Deze ramp was het gevolg van onvoorzichtigheid. Gedurende eeuwen waren leigroeven gegraven, in eene vooruitstekende rots, zonder dat men zich de moeite gaf de rots te schoren. Reeds vóór de instorting verwachtte men het onheil: er had zich in den grond boven de groeve eene spleet gevormd, die jaarlijks breeder en dieper werd. Eindelijk brak de grond door: tien millioen cubieke meters steen stortten zich uit over het dorp Unterthal en stootten tegen eenen daar tegenover gelegen berg aan, die de ontzettende massa steenen weer in de vlakte terugkaatste.
Zoo zien wij, hoe de verschijnselen in den dampkring, het ijs en de bergstroomen de onvermoeibare werklieden zijn, die een geheel net van gangen, engten, valleien in de bergen gevormd hebben. Die werklieden verlagen nog steeds de hooge toppen der bergen en voeren de bouwstoffen, aan de hellingen ontnomen, naar de vlakten en naar zee.
Ook de temperatuur werkt op den bodem; over dag zetten de stoffen uit onder den invloed der zonnewarmte, des nachts krimpen zij in door de uitstraling, zoodat de geheele massa rijst en daalt; het bedrag dier verandering is dikwijls meetbaar. De sterrenwachten te Armagh, in Ierland, te Grenève, te Neuchatel staan, blijkens de waarnemingen, daar gedaan, niet volkomen stil, maar schommelen naar gelang van het jaargetijde; die te Neuchatel helt bovendien langzamerhand naar het westen over door eene verschuiving van den grond. Indien men bij sterrenwachten zoodanige schommelingen waarneemt, dan is dit niet het gevolg van mindere stevigheid van den grond, waarop die gebouwen geplaatst zijn, maar eenvoudig van de nauwkeurigheid der waarnemingen, die op zoodanige inrichtingen worden volbracht, en die den sterrenkundige in staat stellen, de geringste afwijkingen aan te toonen.
Een ander voorbeeld van de rijzingen en dalingen van den grond, wordt, voor zoover de bodem der zee betreft, door de koraaleilanden of atollen geleverd. Die ringvormige eilanden werden door koralen gebouwd, die alleen op geringe diepte onder den waterspiegel kunnen tieren en evenmin kunnen leven boven den kam der golven. De hoogte der koralen staat dus in nauw verband met die van den waterspiegel. Indien een koraaleiland aan het dalen is, groeien de koralen evenals boomen aan, zóódanig dat zij steeds gelijk blijven met den waterspiegel. Fig. 120 maakt dit duidelijk. Als het eiland daalt, neemt de diepte van het water daarboven toe; het is alsof de waterspiegel rees, en het koraaleiland verkrijgt de hoogten A, B, C. In den Stillen Oceaan en in de Indische zee vindt men koraaleilanden, die eene hoogte hebben van meer dan 1000 meters.
Merkwaardige scheppingen! Terwijl de golven met hun wit schuim de koraalriffen beuken, zijn de atollen van binnen kalm als een meer. Door het doorschijnende water heen ziet men het prachtig gekleurde bosch op den bodem van het water bloeien, bij duizenden en tienduizenden vermenigvuldigen de koraalbloemen hare schitterende sterren; alles is licht en leven in die nieuwe tuinen der Hesperiden; zelfs het veelkleurige mos, dat de tusschenruimten vult, bestaat uit millioenen koraaldiertjes. De kleine bouwlieden leven en werken zonder ophouden. Al rukt de storm de grootste steenblokken af, de bevolking herstelt dag en nacht het verlies. Geen monster uit het dierenrijk, geene inspanning door menschenhanden, kan ooit iets wrochten, dat wedijveren kan met de onmetelijke eilanden, door de nietige koraaldiertjes op den bodem der zee opgericht.
Als wij zeiden, hoe de langzaam voortgaande werking van natuurverschijnselen de verandering van den aardbol verklaren kan, dan wilden wij daarmede niet beweren, dat alle veranderingen steeds langs rustigen en langzamen weg hebben plaats gehad. Van tijd tot tijd toch hebben in de natuur, niet minder dan in de menschheid, omwentelingen plaats. Overstroomingen, vulkanische uitbarstingen, aardbevingen, cyclonen, stormen, grondverschuivingen, het kruien van het ijs, ziedaar een aantal verschijnselen, die zich wel is waar beperken tot bepaalde streken, maar die toch eenen grooten invloed hebben op de gedaante der aarde. Steden zijn verwoest door aardbevingen; Herculanum, Stabia en Pompeji zijn onder de asch van den Vesuvius bedolven; Lissabon is in 1755 door eene schrikkelijke aardbeving geteisterd; Murcia is in 1879 overstroomd; Ischia is in 1883 door eene aardbeving verwoest (2443 dooden); de uitbarstingen van den vulkaan Krakatau heeft in 1883 aan 40000 menschen het leven gekost; de aardbevingen van Spanje (1884) aan 2500 slachtoffers; de aardbeving in Centraal-Azië, in de vallei van Cashmir aan 2700. De uitbarsting van den vulkaan Krakatau is waarschijnlijk de grootste geologische omwenteling in de geschiedenis der menschheid. Die vulkaan, in de Sunda-straat, heeft meer dan 18000 milliard kubieke meters puimsteen en water aan de ingewanden der aarde ontrukt, waarvan twee derden neergevallen is binnen eenen kring van 15 kilometers straal, en het overige derde zich tot zulk eene hoogte in den vorm van waterdamp, fijn stof, enz. verspreid heeft, dat nog een jaar later het avondrood daarvan het gevolg was. Het geraas der uitbarsting is tot op ontzettende afstanden gehoord; de golvingen in de zee hebben zich tot op onze kusten voortgeplant; de evenwichtstoestand in den dampkring is zóózeer verstoord, dat die storing zich over den omtrek der aarde in 35 uren heeft voortgeplant, en zelfs tweemalen den omtrek der aarde heeft doorloopen. De geheele Sunda-straat is door die uitbarsting gewijzigd en nog thans (1885) zet zich die wijziging voort door de zeestroomingen.
Al willen wij niet beweren, dat een ontzettende zondvloed de geheele aarde zoude hebben veranderd, en al kan men een groot gedeelte van de verplaatsingen en bezinkingen verklaren door bergstroomen en aanslibbing, zoo kan men toch de overleveringen over den zondvloed niet geheel verwerpen. De oude overleveringen stemmen te zeer overeen, dan dat men kan twijfelen aan eene overstrooming, in vroegeren tijd in de nabijheid van den berg Ararat, in Armenië plaats gegrepen. Ongetwijfeld hebben de eerste menschenstammen, die daar begonnen te ontwaken in den dageraad der beschaving, eene overstrooming beleefd, veroorzaakt door de Caspische, de Zwarte of de Middellandsche zee, of misschien door den Euphraat. Zeker is het, dat dergelijke omwentelingen invloed hebben gehad op den vorm der aarde.
Bij al die veranderingen van den bodem moet nog die van het klimaat gevoegd worden, die alle vorige in belangrijkheid overtreft door haren invloed op het planten- en dierenrijk. De zeestroomingen, die zich wijzigen met de verandering in hoogte der bekkens en oevers, de doorgraving van landengten, de verbreeding van zeestraten, de verwoesting van kapen, de rijzing van landen, dat alles wijzigt reeds het klimaat der verschillende streken. Zonder den Oceaan en den golfstroom, die met zijn lauw water langs de kusten van Frankrijk, Engeland, Nederland en Zweden stroomt, zouden onze streken veel kouder zijn dan thans het geval is, en zouden wij hier het klimaat hebben van Poltava of de Donkozakken. Zoo ook hangt de hoeveelheid water, die jaarlijks op ieder land valt, van de verdamping der zee af, van de windrichting, de gedaante van den bodem; en de invloed, daardoor op het leven uitgeoefend, hangt af van de geologische samenstelling van het land. Bovendien verandert langzaam van jaar tot jaar de schuinte der zonnestralen door de verandering van de helling der ecliptica. Zoo zouden wij nog kunnen spreken over mogelijke veranderingen in breedte, of over veranderingen van den waterspiegel.... Maar het voorgaande is genoeg, om onze lezers te overtuigen van den invloed van het klimaat op den toestand der aarde.
Zoo hebben wij dan in dit hoofdstuk trachten duidelijk te maken, dat het werk der schepping--dat is de voortdurende verandering van wezens en zaken--nog steeds voortduurt; dat zij ons door het tegenwoordige over het verledene doet oordeelen, dat zij in hetgeen thans geschiedt, ons de verklaring schenkt van wat heeft plaats gegrepen sedert het ontstaan der aardsche nevelvlek, sedert de vorming van het protoplasma, sedert het ontstaan van de eerste plant en het eerste dier, tot aan den tegenwoordigen toestand der natuur. Ook de toekomst is reeds als kiem in het heden aanwezig, zooals het heden in kiem voorkwam in het verledene. Ons doel is bereikt, zoo wij hebben aangetoond, dat de wereld vóór de schepping van den mensch is gewijzigd door dezelfde oorzaken, die nog steeds onder onze oogen werken.
Bij de levende wezens is die verandering eene veredeling, eene opklimming tot meerdere volmaking. De geschiedenis der wereld is de stamboom van haren vooruitgang.
DERDE HOOFDSTUK
De ontwikkeling van het leven.
De devonische periode.--De geboorte der visschen.
De talrijke bewijsstukken, die wij in het vorige hoofdstuk gegeven hebben, met het doel om den arbeid der natuur bij de voortdurende gedaantewisseling der aarde te begrijpen, mogen ons niet uit het oog doen verliezen, bij welk tijdperk wij geëindigd zijn in onze beschrijving van de wereld vóór den mensen. Het vorige overzicht heeft ons in staat gesteld, ons rekenschap te geven van den weg, door de natuur gevolgd bij de vorming en ontwikkeling der aarde. In de werkplaats der natuur toegelaten, ingewijd in hare geheimen, kunnen wij den grootschen eenvoud van haren arbeid op prijs stellen, en zien wij de langzame opklimming van het planten- en dierenrijk tot hooger ontwikkelde vormen.
Reeds de ouden zeiden, dat de aarde de dochter is van den Oceaan, en terecht. Wij zagen in de lauwe wateren der azoïsche periode het leven te voorschijn treden, in den vorm van eenvoudige organismen, klonters gelei, protisten, afgietseldiertjes, diatomeeën, wieren, bilobieten, chondriten, mosdieren, plantdieren, poliepen, stekelhuidigen, armpootigen, trilobieten, enz. De eerste eilanden kwamen uit de zee naar boven, en de weekdieren en zeeplanten begonnen zich te wagen op de eerste oevers, nog laag en vochtig, en trachtten zich in te passen in die gewijzigde levensvoorwaarden. In de vochtige lucht, onder eenen zwaren en lauwen dampkring, verkrijgen de varens hunnen rijken bladerendos, en reeds ziet men op den vasten grond ringwormen, schaaldieren en spinachtige dieren, krabben en schorpioenen.
Maar in al die millioenen jaren der laurentische, cambrische en silurische periode bestond er op de aarde geen enkel hooger bewerktuigd wezen. Het plantenrijk was alleen vertegenwoordigd door sporeplanten, het dierenrijk door ongewervelde dieren. Onder al die planten geene enkele bloem, geene enkele vrucht, geen enkele werkelijke boom; geene roos, geene korenbloem, geene klaproos of winde; geen wilg, geen eik, geen berk of populier; niets van datgene, wat thans de schoonheid onzer landschappen uitmaakt. Niets dan mos, soms zeer hoog, maar veeleer geel dan groen. En onder de dieren geen enkele van die, welke thans de belangrijkste bevolking der aarde uitmaken, geen viervoetig dier, geen vogel, geen kruipend dier, zelfs geen visch.
Vreemde wereld, die reeds alles, wat thans bestaat, in kiem bevat! Reeds is het de Aarde en dus met andere eigenschappen bedeeld dan de maan, Venus, Jupiter of Saturnus. De weg harer ontwikkeling is gebaand.
Tot nu toe was de natuur doode stof. Bij de trilobieten begon zij het eerst te zien: met deze opende zich het oog voor het licht, en van stap tot stap ontwikkelde het zich om te worden het oog van den arend, den hond, den leeuw, die aanschouwt, het oog van den man, die denkt of de blik van de vrouw, die bemint. Tot nu toe waren ook alle levende wezens doof; de gehoorzenuw vormt zich, trilt voor het eerst, geeft langzamerhand het aanzijn aan het oor; het strottenhoofd en de tong zijn ontwikkeld genoeg, zoodat tonen kunnen worden voortgebracht, die eerst nog onduidelijk, langzamerhand meer gearticuleerd worden; het zal gesis worden bij de slang, gebrul bij de verscheurende dieren, gezang bij den nachtegaal, en de spraak bij den mensch, de spraak die door haren rijkdom en hare bekoring de menschheid op den weg der verstandsontwikkeling geleid heeft, de geschreven taal heeft geschapen, de geschiedenis heeft gesticht, dat heerlijke erfgoed van vervlogen eeuwen, en het menschelijke ras het karakter van zijnen adel en zijne grootheid heeft geschonken. Het oog en het oor, zien, hooren, en spreken! Schitterende vooruitgang bij den tijd, toen de natuur, niettegenstaande de optrekkende duisternis en het geluid van wind en golven, zoovele eeuwen blind en doof is gebleven! Dankbaarheid bezielt den natuuronderzoeker en den denker jegens de eerste oogen, thans versteend, die hier op aarde geopend zijn, jegens de eerste wezens, die gesidderd hebben bij het geluid van storm en donder, en getracht hebben te schreeuwen; want aan hen hebben wij onze heerlijke zintuigen te danken.
De _devonische_ periode, de dochter en erfgename der silurische periode, wijst op eenen verbazenden vooruitgang in de organische wereld: de eerste gewervelde dieren verschijnen in het water, evenals hunne ongewervelde voorgangers: het zijn _visschen_.
De visschen zijn de laagst ontwikkelde gewervelde dieren, en hunne verschijning aan den ingang der devonische periode pleit voor de leer van de geleidelijke ontwikkeling der levende wezens.
Hunne hersenen zijn klein en weinig ontwikkeld; hun wervelkolom is nog rudimentair, hun zenuwstelsel weinig gevormd; de helft hunner macht zetelt in hunnen bek; de kop is tamelijk ontwikkeld, de reuk is zeer gevoelig, het oog ziet goed, het oor begint, verscheidene visschen kunnen zelfs fijne geluiden onderscheiden; de stem echter ontbreekt: de natuur is niet langer doof, doch nog steeds stom en alle levende wezens zijn stilzwijgend. De geslachten zijn gescheiden, maar bij die koudbloedige dieren brengt die scheiding nog niet de zoete wet der aanraking mede. Die aantrekkingskracht is weggelegd voor de kinderen der toekomst; de zoete liefdelust kennen zij niet. Onbekend met de wellust, is ook kinder- of ouderliefde hun vreemd. Welk een afstand tusschen visch en vogel! Hoeveel treden moet de natuur nog stijgen! Iedere visch staat op zich zelf. Eten en gegeten worden: ziedaar zijne bestemming. Het wijfje strooit duizenden eieren, waarvan het grootste gedeelte voor den arbeid des levens verloren gaat; zij laat ze los als een overtollige last en bekommert zich niet om de toekomst; zij worden haar even vreemd, als waren zij uit den hemel gevallen. Te eeniger tijd zwemt het mannetje over die eieren heen en laat hij een bevruchtend vocht daarop vallen; hij kent ze evenmin, het zijn niet zijne kinderen, maar die der natuur. Treurige liefde! treurig leven!
En toch! hoever zijn de visschen niet vooruit bij de weekdieren, die met moeite voortkropen over den bodem van het water! Hoe vrij bewegen zij zich! Gelukkig, zegt het spreekwoord, als een visch in het water! Dat geluk bestaat in het gevoel van vrijheid.
De eerste visschen hadden echter niet den fraaien vorm, die ons thans zoo bekoort. Ook zij zijn veel vooruitgegaan. De oudste versteende visschen, in de devonische formatie [13] gevonden, zijn van beenschilden voorzien, en heeten _glansschubbigen_ (ganoïdeën); hun beenderstelsel was onvolkomen en hun lichaam was door groote platen en beenige schubben beveiligd, die eene schitterende kleurenpracht vertoonden. Zijn het wel visschen, of zijn het niet familieleden van de schaaldieren? Langen tijd is over die vraag getwist, totdat in het jaar 1863 gebleken is, dat zij schubben bezitten. Het is trouwens niet te verwonderen, dat uitstekende natuuronderzoekers die laag ontwikkelde visschen tot de ongewervelde dieren brachten. Immers gewervelde dieren moeten wervels bezitten, en de eerste fossiele visschen vertoonen evenmin sporen van wervels als de amphyoxus uit onze zeeën. Bij de gewervelde dieren zijn de ledematen door beenderen aan de wervelkolom verbonden; de eerste fossiele visschen vertoonen geen spoor van dergelijke beenderen of een inwendig been; zij hebben alleen één of meer platen, die een schild vormen.
Zoo bevestigt zich ook hier weder de leer der langzame ontwikkeling der wezens. Wij zagen vroeger, dat de amphyoxus, koploos gewerveld dier, den overgang vormt van de ongewervelden tot de gewervelden: de paleontologie is weer in volmaakte overeenstemming met de physiologie: de visschen, de oorspronkelijke glansschubbigen, behooren tot het type van den amphyoxus. Fig. 123-124 stellen twee visschen voor uit die periode; zij verschillen zóózeer van alle tegenwoordige soorten, dat het moeilijk te beslissen valt, of zij behooren tot de beenige of kraakbeenige visschen. Zij missen wervels en inwendige beenderen. Tevergeefs zoude men in hunnen kop de inrichting der tegenwoordige visschen zoeken: men ziet een schild, waarin men onmogelijk de verdeelingen van de beenderen van den schedel kan terugvinden; zij gelijken in hunnen vorm op trilobieten. Zoo heeft de trilobiet, de koning der zeeën uit de azoïsche periode, tot opvolger eenen op hem gelijkenden visch, die met hem de heerschappij over de primaire wateren deelt.
De pterichthys (fig. 124) heeft eene wervelkolom, die echter niet verhard is; de buitenste helft van het lichaam is ingesloten in een schild, en de pooten schijnen meer gevormd om te springen dan om te zwemmen; de achterste helft draagt schubben en vinnen. Het is alsof het vreemde dier uit twee deelen bestond, een voorste gedeelte, waardoor het tot de ongewervelden zou behooren, en een achterste gedeelte, waardoor het gewerveld is.
Men vindt ook in de devonische formaties eene meer ontwikkelde vischsoort, den _coccosteus_. Het achterste gedeelte van het lichaam was bloot; het voorste deel met een stevig schild bedekt. Gaudry meent, dat die visch het achterste deel van het lichaam, dat geene verdedigingsmiddelen bezat, in den modder verborg, en wijst op den nog thans bestaanden Pimelodus gulio, eene Indische visch, wier lichaam naakt is en wier kop eenen harden helm draagt; die visch begraaft zich in den modder, wacht totdat een visch over hem heen gaat, en doodt hem dan door eenen stevigen stoot met zijnen helm. Onder de merkwaardigste visschen van die periode behoort ook de Holoptychus Andersonii (fig. 127).
Belangrijk is het, de verandering van den staart der visschen te vergelijken met die van de wervelkolom. In het eerste type (A) is de staart enkelvoudig en neemt de wervelkolom geleidelijk af; in het tweede type (B) is de wervelkolom omgebogen en vergroot, en is de staart eveneens onregelmatig; in het derde type (C) is de wervelkolom in twee takken gesplitst; daaraan hebben de tegenwoordige visschen hunne vlugheid te danken. Hoewel sommige soorten van het eerste type in stand gebleven zijn tot op onzen tijd (zooals de alen), zoo heerschten zij toch oppermachtig in de primaire periode; het tweede type heerschte in de tweede periode; het derde type kenmerkt de latere tijdperken.
In het begin van dit werk vestigden wij er de aandacht op, dat de embryologie (de leer der ongeboren vrucht) ons de verwantschap der wezens bewijst, door ons de gelijkenis van de menschelijke vrucht met die der overige levende wezens voor oogen te stellen. De jonge Agassiz heeft aangetoond: _dat de visschen van de ongeboren vrucht tot den volwassen toestand dezelfde overgangsvormen doorloopen, die zij doorloopen hebben van de primaire tijden tot op onzen tijd_.
De devonische periode kenmerkt zich dus door eenen beslissenden stap in de ontwikkeling, door het optreden der eerste gewervelden, de visschen. In de vorige hoofdstukken hebben wij de ongewervelden, plantdieren, poliepen, stekelhuidigen, armpootigen, weekdieren, schaaldieren enz. zien optreden. Van nu af aan worden de wateren ook bevolkt door de visschen, trapsgewijze voortgekomen uit de wormen. Weldra zullen wij getuige zijn van verdere ontwikkeling. De visschen zullen het aanzijn schenken aan de tweeslachtige dieren, deze aan de kruipende dieren, de laatste aan de vogels, en dat alles langzaam en geleidelijk.
Tegelijkertijd, dat de eerste visschen zich in de zee ontwikkelen, heerschen de schaaldieren en vooral de trilobieten nog, zooals zij dit reeds eeuwen lang in de silurische periode deden. Maar toch gevoelen zij reeds, dat zij hunne plaats moeten afstaan aan hunne opvolgers. Noemen wij den _phacops latifrons_, die ons doet denken aan de calymene (blz. 154). Behalve de vroeger genoemde trilobieten vindt men in de devonische formatie den stylonurus (puntstaart), de slimonia (naar den Schotschen geoloog Slimon), den xiphosurus (degenstaart), de hemiaspis limuloïdes (fig. 130). Enkele van die schaaldieren en gelede dieren bereikten verbazende afmetingen; in de devonische terreinen van Schotland heeft men eene soort pterigotus gevonden, die 1,80 meter lang is en dus de grootste kreeften van onzen tijd overtreft. Opmerkelijk is het, hoe de kopaanhangsels (fig. 131), _ma._, _1 m_, _2 m_, _mp_ de rol van pooten vervullen, terwijl het getande grondvlak dier pooten de rol van kaken vervult!
Behalve de oorspronkelijke visschen en de groote hoeveelheid schaaldieren waren de zeeën bevolkt met veel meer koppootige weekdieren dan thans. Bij de typen uit de silurische periode (blz. 155) moeten nog gevoegd worden de spiriferen, haplocrinen en calceolae, die aan die periode bepaald eigen zijn. Wij noemen ook nog de vinpootigen, de nautiliden en de nog zeer verspreide zeeleliën.
De dierenwereld uit het devonische tijdperk is dus slechts het vervolg van die uit het silurische tijdperk, maar met eene duidelijke neiging tot volmaking. Sommige soorten gaan uit het ééne naar het andere tijdperk over; een groot aantal silurische soorten worden in het devonische tijdperk door nieuwe vormen vertegenwoordigd; verscheidene sterven uit, en die, welke optreden, zijn veel ingewikkelder van bouw.