De Wereld vóór de schepping van den mensch

Chapter 14

Chapter 143,778 wordsPublic domain

Niet ver van Groenland vindt men op de oude zeekaarten op 57° N.B. en 30° W.L. "het verdronken Bussland", waarvan men thans geen spoor meer terugvindt. Daar staat thans 748 vademen water boven eenen onderzeeschen berg, waaromheen aan weerszijden de diepte 1200 vademen bedraagt. Toch wezen nog in 1777 de zeekaarten daar eene klip aan. Nog verder teruggaande in de geschiedenis vindt men in 1380 het verhaal van twee Venetiaansche edelen, Nicola en Antonio Zeni, die, door eenen storm overvallen, zijn opgenomen door eene Christelijke bevolking, die een groot eiland bewoonde, waarop _honderd steden en honderd dorpen_ gevonden werden. Was dat eiland Bussland of een deel van Groenland? De geschiedenis zwijgt er over. Waarschijnlijk is daar een verdronken eiland.

Wij mogen na het voorgaande als zeker aannemen, dat de westkust van Groenland, het zuidelijk uiteinde van Zweden, Pruisen, Hannover, Holland, België, Vlaanderen, Picardië, Normandië, een groot deel van Bretagne, (de Vendée, Poitou, Saintonge schijnen te rijzen), de Landes en Gascogne tot aan Spanje, de kust der Adriatische zee, de Nijldelta en de streek van het Suezkanaal, de monden van den Indus en de Gangesdelta, dalen. De oostkust van Noord-Amerika tusschen Florida en New-Foundland, en Brazilië van den mond der Amazonenrivier tot aan de Pornahyba, de Amazonenvallei, die over 500 kilometers door den Oceaan bedekt is en de Andes, waarop Quito gebouwd is, schijnen langzaam te dalen. Daarentegen rijzen Spitsbergen, de Oostkust van Siberië, Noorwegen en de Scandinavische Alpen, Schotland, Sardinië, Tunis, de beide oevers der Roode zee en Turkestan.

Oudtijds was Engeland met Frankrijk verbonden. Aan weerszijden van het kanaal is de geologische gesteldheid van den bodem dezelfde; men vindt er dezelfde formaties, en de in Frankrijk waargenomen rijzingen zetten zich in Engeland, aan de overzijde van het kanaal, voort. Engeland heeft geene enkele plant, geen enkel dier, dat niet van het vasteland afkomstig is. Bij het nauw van Calais heeft de vereeniging van de wateren van den Atlantischen Oceaan met die der Noordzee plaats gehad: de afstand van de Engelsche en Fransche kust is daar nog thans slechts 22 kilometers en de grootste diepte is daar 57 meters. Wanneer is het nauw van Calais ontstaan? Dit is moeilijk uit te maken; zeker is het, dat het in het tegenwoordig tijdperk, en misschien wel na het optreden van den mensch moet geschied zijn. Een sterke stormvloed kan voldoende geweest zijn, om den doorgang te openen. Het nauw van Calais wordt steeds dieper. Eene eerste kaart van den bodem van het kanaal van het jaar 1737 geeft 29 vademen voor de grootste diepte tusschen Dover en Calais; zij wijst bovendien eene bank aan over de geheele breedte van het nauw, waarboven slechts 19 vademen water stond. In 1737 was dus de grootste diepte 47 meters. De kaart, in 1876 vervaardigd, naar aanleiding van het plan van den onderzeeschen tunnel tusschen Frankrijk en Engeland, geeft voor dat maximum 57 meters. Het kanaal zou dus in 139 jaren 10 meters dieper geworden zijn. Wel kunnen wij op de peilingen van de vorige eeuw niet volkomen vertrouwen, maar aan de daling van den bodem valt toch niet te twijfelen. Tusschen Folkstone en kaap Gris-Nez vindt men banken, die slechts vijf of zes meters onder water liggen. De landengte van Dover-Calais is dus nog zichtbaar.

Het nauw van Calais wordt niet alleen dieper, het wordt ook breeder. De rotssteilte van kaap Gris-Nez, het uiteinde van Frankrijk, dat het dichtst bij Engeland gelegen is, wijkt jaarlijks 25 centimeters terug. Ditzelfde is bij Dover het geval.

Ook Ierland is in de tegenwoordige geologische periode van Engeland gescheiden.

Evenals Engeland eertijds aan Frankrijk verbonden was, zoo was ook Afrika aan Europa verbonden. De straat van Gibraltar heeft niet altijd bestaan. Reeds de ouden hadden, met het oog op den symmetrischen vorm van beide kusten, daarvan een vermoeden: volgens hen had Hercules den doorgang tusschen den Atlantischen Oceaan en de Middellandsche zee geopend. Sallustius beschouwt het zelfs als eene ongerijmdheid; dat men Europa en Afrika verschillende namen heeft gegeven. Evenals het nauw van Calais, zoo wordt ook de straat van Gibraltar wijder onder den invloed der verschijnselen in den dampkring, de stormvloeden en de zeestroomingen. Uit een dierkundig oogpunt kan men het oorspronkelijke verband tusschen Afrika en Europa hieruit afleiden, dat in het noorden van Afrika geene enkele soort van levende weekdieren gevonden wordt, die niet ook in het zuiden van Spanje voorkomt.

De straat van Gibraltar, oudtijds bekend onder den naam van "de Zuilen van Hercules" om de reusachtige rotsen, die beide kusten begrenzen, wordt van eeuw tot eeuw wijder en dieper. Plinius, Pomponius Mela, Avienus spreken van boomrijke eilanden, die haar doorsneden; er zou zelfs een tempel gestaan hebben ter eere van Hercules. Volgens Plinius was de kleinste breedte 10 of 11 kilometers, de grootste breedte 14 1/2 kilometer. Thans is de grootste breedte 16 kilometers. De zee heeft de stad Belo verzwolgen, op 12 kilometers ten oosten van Tarifa, en in de baai van Gibraltar zelf, een deel der stad Carteya.

Hoeveel landen zijn sedert het optreden der menschheid reeds verdwenen! Allen, die de oude letteren liefhebben, hebben in Plato de schoone bladzijden gelezen, gewijd aan de herinnering van Atlantis, dat geheimzinnige land, dat eertijds bestond tusschen Europa en Amerika, en waarop een vroeger menschengeslacht geleefd heeft. Zeker is het, dat in de miocene periode de planten en dieren van Europa en Amerika dezelfde waren, hoezeer zij ook thans mogen verschillen. Waarschijnlijk was dus in dien tijd het verdwenen vasteland, dat zijnen naam gegeven heeft aan den Atlantischen Oceaan, door eilanden aan Europa zoowel als aan Amerika verbonden. De bewoners der Canarische eilanden zijn zelfs wel eens beschouwd als de afstammelingen der oudste menschheid, die Atlantis bewoonde.

Het eiland Madagascar is ongetwijfeld een stuk van een vastland, onder de golven gedaald. Hoewel niet zoo ver van Afrika verwijderd, heeft het toch geheel andere plant- en diersoorten; er komen zelfs slangen en apen voor, die nergens anders op de aarde gevonden worden. Hetzelfde is met het eiland Ceylon het geval. Het behoorde ongetwijfeld met Madagascar en de Seychellen tot een oud vastland, thans in den Indischen Oceaan ondergegaan.

De meeste Antillen schijnen te behooren tot een vastland, dat niet met Noord Amerika in betrekking stond. Iedereen weet, dat Nieuw-Zeeland eene geheel op zich zelf staande planten- en dierenwereld bezit. Noch de levende soorten, noch de fossielen komen overeen met die van Australië of Zuid-Amerika.

Naar de zoo merkwaardige versteeningen, te Pikermi gevonden: hipparion's, antilopen, giraffen, mastodonten, rhinocerossen, dinotheriums, machaerodonten, te oordeelen, is Griekenland het overblijfsel van een oud vastland, dat uitgestrekte bosschen en overvloedige weilanden bezat, en dat zich tot Afrika uitstrekte over de streken, thans aangewezen door de eilanden van den Griekschen Archipel en de Zee van Kandia.

Alles verandert met grootere of kleinere snelheid. Wie kent niet bij name den prachtigen waterval van de Niagara! Deze levert een prachtig voorbeeld van de langzame uitholling eener diepe vallei in het harde gesteente. De rivier stroomt over eene hooge bergvlakte, waarin het bekken van het Eriemeer eene uitholling vormt. Het gedeelte, waar de rivier uit het meer komt, is meer dan 1600 meters breed en ligt meer dan 100 meters boven het Ontariomeer, dat 48 kilometers daarvan verwijderd is. Als de Niagara het Eriemeer verlaat, op de 25 eerste kilometers van haren loop, wordt zij begrensd door oevers, die bijna even hoog liggen als het aangrenzend land, ten westen opper-Canada en ten oosten de staat New-York; de oevers zijn daar nergens meer dan 9 of 12 meters boven de oppervlakte van het land. De rivier, op sommige plaatsen 4800 meters breed, en op verschillende plaatsen doorsneden door lage, en boomrijke eilanden, vormt eenen helderen en rustigen stroom; het verval bedraagt slechts 4,50 meters op eene uitgestrektheid van verscheidene kilometers; de rivier gelijkt in dat gedeelte van haren loop op eenen arm van het Eriemeer. Maar spoedig verandert zij van karakter, en zoodra zij den waterval nadert, loopt zij schuimend over eene bedding van steenachtige en oneffen kalksteen, en doorloopt zij zoo eenen weg van omstreeks 1600 meters, totdat zij eindelijk, aan den waterval gekomen, vertikaal neervalt van eene hoogte van 50 meters. Een eiland, aan den rand van den val gelegen, verdeelt de Niagara in twee watervlakten; de grootste is 530, de kleinste 180 meters breed. Nadat het water zich gestort heeft in een diep bekken, stroomt het met groote snelheid in een nauw kanaal met groote helling over eene uitgestrektheid van elf kilometers. Die bergkloof, die slechts van 200 tot 400 meters breed is, en van 60 tot 90 meters diep, eindigt plotseling te Queenstown in eene lange rij van rotssteilten tegenover den oever van het Ontariomeer. Zoodra de Niagara die engte voorbij is, komt zij in eene vlakte, die zóó weinig hooger ligt dan het Ontariomeer, dat de elf kilometers, begrepen tusschen Queenstown en de oevers van dat meer, slechts een verval hebben van 12 centimeters.

Een blik op dien waterval wijst reeds op eene voortdurende verwoesting; het gedeelte van het bekken, dat in de laatste 150 jaren ontstaan is, en dat in diepte, breedte en aard overeenkomt met het overige deel van de engte, die zich beneden uitstrekt over eene lengte van elf kilometers, doet ons besluiten, dat de geheele bergkloof op dezelfde wijze gegraven is, door teruggang van den waterval.

In het jaar 1885 heeft Wesson nagegaan, hoeveel de waterval teruggaat, nadat reeds Bakewell in 1829 en Lyell in 1841 hetzelfde hadden gedaan. Fig. 114 geeft de merklijnen van dien teruggang aan, volgens de officieele kaart der Vereenigde Staten van Amerika. Die teruggang is niet regelmatig; maar van 1842 tot 1883 bedraagt hij 77 meters, of gemiddeld 1,88 meter 's jaars. Naar dien maatstaf zoude de waterval eerst voor 6000 jaren begonnen zijn terug te gaan, te beginnen bij Queenstown. Lyell had over eene kleinere uitgestrektheid voor dien teruggang 0,30 meters 's jaars gevonden, hetgeen dus op eenen tijd van 35000 jaren zoude wijzen. Eertijds stroomde de rivier in eene andere bedding, waarvan men de sporen niet ver van de tegenwoordige bedding terugvindt.

Deze veranderingen gaan ongemerkt voorbij voor den mensch, waarnemer van éénen dag, omdat ons leven te kort is en onze tijd in beslag wordt genomen door andere, minder belangrijke onderwerpen.

Wij zagen zooeven, dat alle bergen langzaam verweren onder den invloed van den dampkring. Dit blijkt duidelijk, zoodra wij oude historische herinneringen raadplegen. Zoo vraagt hij, die voor het eerst Rome, "de stad der zeven heuvelen" bezoekt, waar de zeven heuvelen zijn. Zij zijn gedaald, hunne overblijfselen hebben de valleien, die er tusschen lagen (vooral het Forum) gevuld, en het zijn thans slechts nietige hoogten.

In praehistorische tijden was de Seine eene veel breedere rivier dan thans. Te Parijs was zij verscheidene kilometers breed en 37 meters hooger dan thans.

Voortdurende verandering! Hier graaft het water den bodem uit, daar verhoogt het den bodem weder, door het slib af te zetten, dat bij groote overstroomingen is aangevoerd, of door eene bedding te vormen uit de bouwstoffen, door den regen aan de bergen ontnomen.

In de schoone golf van Napels, op dien tooverachtigen oever, waar de geschiedkundige herinneringen, zich parend aan de schoonheden der natuur, ons zooveel te denken geven, vindt men te midden der puinhoopen van Pozzuoli den ouden tempel van Jupiter Serapis, een merkwaardig getuigenis van de veranderlijkheid van den bodem. Die tempel, omstreeks 105 vóór Christus gebouwd, aan de kust der zee, maar ver boven den waterspiegel, en door Septimius Severus met kostbaar marmer versierd tusschen de jaren 194 en 211 na Christus, later weder door Severus Alexander tusschen 222 en 235 verfraaid, werd door Alarik in 410 en door Genserik in 445 verwoest. De bodem, waarop die tempel gebouwd is, is onder den waterspiegel gedaald. De drie prachtige marmeren zuilen, die er nog van over zijn, elk bestaande uit één enkel blok van 12,5 meter hoogte, zijn zóóver gedaald, dat zij nog slechts 6,30 meter hoog zijn. Deze daling heeft plaats gehad in de middeleeuwen en is geëindigd in de XVde eeuw; het bovengedeelte van de ondergedompelde zuilen is over eene hoogte van 2,70 meter door steenetende weekdieren, die toen evenals thans in zee leefden, aangetast, zoodat zij bezaaid zijn met kleine gaten, waarin men nog thans hunne schelpen vindt. Die gaatjes zijn zóó diep, dat zij wijzen op een langdurig verblijf van die diertjes in de zuilen, want naarmate de dieren ouder en grooter worden, vergrooten zij hunne woning. Het ondergedeelte der zuilen is niet aangetast, omdat dit in den bodem der zee was ingedrongen, en tot eene hoogte van 3,60 meters bedekt was met modder en vulkanische slakken.

Op het einde der 15de eeuw begon diezelfde bodem weder langzaam te rijzen. In eene oorkonde van October 1503 staat geschreven, dat Ferdinand en Isabella aan de hoogeschool te Pozzuoli een gedeelte afstaan van de streek, waar de zee van terugwijkt; na dien tijd kan men in de oorkonden die langzame rijzing volgen. In 1749 was de tempel geheel uit het water te voorschijn getreden, en het omringende land drooggeworden. In 1807 zag de bouwkundige, die belast was met de herstelling der puinhoopen, nooit water op de straat, behalve wanneer de zuidewind hevig waaide. Maar de grond begon toch weer te dalen. Van 1822 tot 1838 bedroeg die daling 25 millimeters in de vier jaren, zoodat men in 1838 dagelijks visch ving op plaatsen, waar in 1807 bij stil weder nooit een druppel water stond. In 1857 en 1858 vond Lyell, dat er 0,60 meter water op de straat stond. Nog steeds daalt de bodem. Die merkwaardige schommelingen in den bodem, door den tempel van Serapis zoo duidelijk voor den dag komend, zijn in die geheele streek zichtbaar. Zoo zijn te Pozzuoli zelf de tempel van Neptunus en die der Nymfen onder water; hetzelfde is met twee Romeinsche wegen het geval; langs de kust vindt men overal schelpen, en aan de andere zijde van Napels, te Sorrente, heeft men op eene zekere diepte onder zee stukken van Romeinsche gebouwen gevonden. Op het eiland Capri (het beroemde Capua der ouden) is één der paleizen van Tiberius door het water bedekt.

Men mag met Babbage en Lyell aannemen, dat de warmte op de ééne of andere wijze de oorzaak is van de verschijnselen, die de verandering in de hoogte van den tempel bepalen. De warme bron van dien tempel, de onmiddellijke nabijheid van den Solfatare en de Monte-Nuova, de warme bronnen van Nero, op de tegenover gelegen kust van de golf van Baja, de kokende bronnen, de oude vulkanen van Ischia en de Vesuvius, ziedaar een aantal omstandigheden, die dit vermoeden wettigen. Vergelijkt men toch de dagteekening der voornaamste schommelingen met de geschiedenis dezer landstreek, dan is een zeker verband niet te miskennen tusschen iedere rijzing en eene plaatselijke ontwikkeling van vulkanische warmte, terwijl iedere periode van daling samenvalt met eenen toestand van rust in den onderaardschen vuurhaard. Zóó lag bij voorbeeld, vóór onze jaartelling, toen de talrijke vulkanen van Ischia hunne uitbarstingen deden gevoelen, en de Phlegreïsche velden bekend waren wegens hun vulkanisch karakter, de bodem, waarop de tempel van Serapis rust, hoog boven het water. Toen werd de Vesuvius als een uitgedoofde krater beschouwd; maar toen in de eerste eeuw na Christus die vulkaan weder tot uitbarsting kwam, kon men geene enkele uitbarsting meer op het eiland Ischia of in de golf van Baja aanwijzen. Toen was de tempel aan het dalen. In de vijf eeuwen, die de groote uitbarsting van den Vesuvius van 1631 voorafgingen, was de vulkaan zeer rustig, maar toen had men uitbarstingen te Solfatare in 1198, te Ischia in 1302, terwijl de Monte-Nuovo in 1538 ontstond. In die periode rees de bodem van den tempel weder. Eindelijk begon de Vesuvius weer te werken, zooals nog steeds het geval is, en na dien tijd daalt de bodem van den tempel weer.

Deze verschijnselen komen overeen met de onderstelling, dat zoodra er zich bij toeneming der inwendige warmte lava vormt, zonder dat deze eenen gemakkelijken uitweg vindt, de omringende bodem rijst; terwijl diezelfde bodem daalt, zoodra de rotsen, daaronder gelegen, afkoelen en zich samentrekken, en de lava langzaam vast wordt en in volume afneemt.

De Monte-Nuovo, die merkwaardige berg, wiens hoogte 132 meters en wiens omtrek aan den voet 2400 meters bedraagt, en die in ééne nacht ontstond op de plek van het oude Lucrinische meer, is uit een geologisch oogpunt zeer belangrijk. Gedurende 492 jaren was de Vesuvius betrekkelijk rustig geweest (terwijl de Etna juist bijzonder krachtig werkzaam was) en nog bijna honderd jaren daarna had er geene uitbarsting plaats. Den 29sten September 1538, rees, na twee dagen van aanhoudende aardbevingen, de kust zóóveel, dat de zee over eenen weg van tweehonderd schreden terugging. In den namiddag zag men op de plaats, waar thans de Monte-Nuovo staat, den grond eerst vier meters inzakken en daarna rijzen; na eenige uren opende zich de grond en spuwde hij vuur, asch en steenen uit. Des avonds braakte de grond, evenals een vulkaan, met gevaarlijk geraas, groote steenblokken uit. De geheele streek werd bedekt onder eenen regen van puimsteen en asch. Twee ooggetuigen, die elkander niet kenden, en wier handschriften eerst veel later zijn teruggevonden, deelen mede, dat de nieuwe vulkaan tot op 2400 meters aardmassa's en steenen opwierp zoo groot als ossen. Den volgenden morgen zag men, dat een hooge berg uit den grond was opgerezen. De uitbarsting duurde onafgebroken twee dagen en twee nachten voort; toen men na afloop der uitbarsting den nieuwen berg besteeg, zag men op den top eenen krater van 400 meters omtrek; de steenen, die daarin neergevallen waren, geleken op blazen, die uit kokend water losraken. Den vierden dag begon de uitbarsting weer, en den zevenden dag was zij zóó hevig, dat verscheidene personen, die op den berg waren, door de steenen gedood werden of door den rook verstikten. Merkwaardig is het, dat de krater inwendig tot aan den voet van den berg doorloopt: het benedenvlak, op 126 meters van den top, ligt slechts op 5,70 meters van de oppervlakte der zee verwijderd. Het is een krater, die overeenkomt met die op de maan.

Die geheele streek is van vulkanischen aard. Daar was, zooals men weet, volgens Virgilius de onderwereld gelegen (Phlegreïsche velden). Men vindt daar het meer van Averno, de Solfatare, de Sibyllijnsche grot, enz. Ook vindt men daar de beroemde Hondsgrot, waarin een hond verstikt wordt door het onzichtbare koolzuur, dat tot op één voet van den bodem stijgt, terwijl de mensen gewone dampkringslucht ademt. Daar vindt men ook de zweetbaden van Nero, een gang in den berg, waarvan de temperatuur 55° bedraagt: een jongen gaat naakt met eenen leegen emmer en rauwe eieren in de gaanderij en komt na drie minuten terug, met den emmer vol warm water, de eieren gekookt, en het lichaam zoo rood als een kreeft. Ook de Solfatare is zóó hol, dat de grond tot op eenen grooten afstand beeft, als men er met den voet op trapt.

Ten slotte wijzen wij nog op de verwoestingen, door de vulkanen en de aardbevingen aangericht; in het jaar 79, toen Pompeji, Herculanum en Stabia verwoest werden, en op de verwoesting van Ischia (1883).

Bij al deze oorzaken van verwoesting moeten wij nog de stormen voegen. Onophoudelijk werken zij mede tot de vernieling der kusten. Duidelijk komt dit uit aan de kusten van den Atlantischen Oceaan. Bij donkeren hemel en hevigen wind, ziet men het heir der schuimende golven uit de zee opkomen en de rotsen beuken. Zij storten vooruit, botsen tegen elkander, werpen zich met blinde woede op de klippen. Alles wat van de klip kan losgemaakt worden, wordt weggespoeld, vermorzeld en medegesleurd, en een naakt geraamte met fantastische vormen blijft over. De rotsen zelf worden tot keisteenen vermalen, als zij het water niet doorlaten. De brokstukken zelf worden door de golven gebruikt als geschut tegen de muren. Als de golven onmiddellijk tegen den voet der rotssteilte kunnen aanstroomen, dan rammeien zij die rotsen, zooals eertijds de stormrammen de oude vestingmuren rammeiden, en brengen zij den berg zelf aan het wankelen. De kracht der golven bij eenen storm is verbazend. Door de klippen en hindernissen geprikkeld, stijgen zij dikwijls tot 20, 50 of 100 meters tegen de rotsen op als schuimend stof, dat in de lucht weer neervalt. Men heeft dikwijls drukkingen waargenomen van 35000 kilogram op éénen vierkanten meter. Ontzaglijke steenblokken, als beschutting tegen de dijken geplaatst, die duizenden kilogrammen wegen, worden voortgerold en zelfs weggeslingerd ten speelbal van den woedenden storm; te Cherbourg is het zwaarste vestinggeschut verplaatst. Tot op 1500 meters afstand kan men met gevoelige werktuigen het beven van den grond aantoonen. Een ieder kent het spreekwoord: _Gutta cavat lapidem, non vi, sed saepe cadendo_, de waterdruppel holt den steen uit, niet met geweld, maar door dikwijls te vallen. Het regenwater verandert den bodem, graaft afgronden, veroorzaakt ophoopingen van grond en aardschuivingen, en dat alles door zijne weekmakende en oplossende werking.

Te Lons-le-Saulnier hebben aanhoudend, o.a. in 1703, 1712, 1738, 1792, 1814, 1836 en 1848 aardstortingen plaats gehad. Het schijnt, dat eene soort van onderaardsche rivier onder de stad doorloopt en langzamerhand de mergel ondermijnt. In 1792 verdween plotseling een molen, huizen daalden in eenen afgrond neer en werden met 15 meters water bedekt. Toen men den afgrond wilde vullen, teneinde de naburige straten te beveiligen, wierp men er 15711 karrevrachten puin in, zonder hem te kunnen vullen.

Een ander merkwaardig voorbeeld van de werking van het water is opgemerkt in Georgia bij Milledgevile. Toen Lyell in 1846 die streek bezocht, merkte hij op, dat het water in 20 jaren eene bergkloof had gegraven van 16 meters diepte tegen 54 meters breedte en 300 meters lengte, en dat wel in een terrein, dat eertijds boomrijk, nooit eenige merkbare verandering had ondergaan. Toen de boomen geveld waren, ontstonden er spleten van negen centimeters in de klei, tengevolge van de zomerwarmte; in den regentijd begon het water de spleet te verwijden. Zóó werd langzamerhand die breede bergkloof gevormd. Een nauwkeurig onderzoek, in het jaar 1885 in de Vereenigde Staten gedaan, heeft aangetoond, dat het regenwater jaarlijks 385 kilogram per hectare aan de berghellingen ontneemt, om het weg te voeren in de valleien, rivieren en in de zee.

En wat te zeggen van de bergstortingen, door het water veroorzaakt? Steile en vooroverhangende rotsen, die boven de velden hingen, raken plotseling los en glijden langs de hellingen af; neerstortend doen zij stofwolken opstijgen, die gelijken op de asch, door vulkanen uitgeworpen; de geheele vallei is in duisternis gehuld, de grond dreunt onder het botsen en stooten der rotsblokken. Als de duisternis is opgetrokken, dan ziet men puinhoopen en rotsblokken, dáár waar eertijds groene weiden en vruchtbare akkers gelegen waren; de bergstroom is in eenen modderpoel veranderd, en de muur van rotsen heeft zijnen ouden vorm verloren.