De Wereld vóór de schepping van den mensch
Chapter 13
De geschiedenis van de verwoesting dier stad verdient een oogenblik onze aandacht. De overlevering verhaalt, dat de stad Is tegen den Oceaan verdedigd werd door stevige dijken, waarvan de sluizen éénmaal in iedere maand onder toezicht van den koning geopend werden, om het overtollige water af te voeren. De stad was prachtig, het paleis weelderig ingericht, en het hof zedeloos. De dochter des konings, prinses Dahut, was schoon, doch zeer behaagziek en onzedelijk, zoodat zij zich, niettegenstaande haar vader een ernstig vorst was, aan de grootste bandeloosheid overgaf. Koning Gradlon, haar vader, had beloofd, een einde te zullen maken aan de losbandige handelingen zijner dochter, maar hij liet zich steeds door zijne goedhartigheid medesleepen. De jeugdige prinses smeedde een komplot, om het koninklijke gezag te vermeesteren en de oude koning werd in zijn eigen paleis gevangen gehouden. De prinses hield nu het toezicht over het openen der sluizen, en vatte het dwaze plan op om ze bij springtij zelf te openen!... Het was avond; de koning zag St.-Guenolëus, den apostel van Bretagne komen, die hem de onvoorzichtigheid zijner dochter mededeelde: de zee drong in de stad door, de storm stuwde het water voort, en daar de geheele stad op het punt was te verdwijnen, bleef hem niets over dan de vlucht. Toch wilde de koning zijne dochter nog redden: hij liet haar halen, plaatste haar vóór zich op zijn paard en begaf zich, gevolgd door eenige hovelingen, naar de poorten der stad. Toen hij die poorten bereikt had, hoorde hij een akelig gebulder; omziende, zag hij, dat waar vroeger de stad Is gestaan had, zich eene onmetelijke baai uitstrekte, waarin de sterren haar licht weerkaatsten. En al meer en meer naderden hem de golven. Reeds wilden zij hem bereiken en omverwerpen, daar hoorde hij eene stem: "Gradlon, indien gij niet wilt omkomen, laat dan den demon los, dien gij met u voert." Verschrikt voelde Dahut, hoe hare krachten haar verlieten, een sluier bedekte hare oogen, hare handen, die stuipachtig de borst haars vaders omklemden, verstijfden en vielen langs haar neer: zij stortte in de golven. En zie, nauwelijks hadden de golven haar verzwolgen, of het water bleef stil staan. De koning kwam behouden te Quimper en vestigde daar zijne residentie.
Zeker is dit verhaal eene legende, maar toch bevat het eenen grond van waarheid: de overstrooming eener groote stad in de Vde eeuw onzer jaartelling.
Behalve Is zijn ook door de zee verzwolgen: de stad Herbadilla (bij Nantes), in 580,--Tolente, bij Brest;--Nazado, bij Erquy;--Gardoine, in de vlakte van Dol, ten tijde van Karel den Groote. Van den mond der Loire tot Finistère vindt men geen enkel gedeelte, waar niet overstroomde steden gevonden worden, en geen strand, waar men niet sporen vindt, waaruit blijkt, dat die plaatsen vroeger bewoond waren.
Op de kust bij Duinkerken, daar waar thans het strand door de zee bedekt wordt, waren eertijds bosschen. Het strand te Etaples (bij Montreuil) bevatte een zoo groot aantal in het zand bedolven boomen, dat de staat het recht verpachtte, om ze uit te graven.
België en Nederland dalen langzaam; de grond der steden, in de nabijheid der kust gebouwd, is beneden de oppervlakte der zee, zelfs bij de laagste getijden; op verscheidene plaatsen komt de zee bij hoog water boven de daken der huizen. Indien die streken toch bewoond zijn en tot het oude land behooren, dan hebben zij dat te danken, niet aan de natuur, maar aan de door de menschen vervaardigde dijken, en dat wel sedert de oudste tijden van de geschiedenis van Nederland. Nog steeds worden die streken met bewonderenswaardige volharding tegen de zee beveiligd.
Wij behoeven slechts eenige feiten mede te deelen, om een denkbeeld te verkrijgen van den strijd, dien de inwoners van Nederland tegen het water hebben te leveren.
In de 12de en 13de eeuw verwoesting der kust: 140 000 slachtoffers.
In 1282, vorming der Zuiderzee, door instrooming van het water in het meer Flevo.
In 1321, 100 000 slachtoffers.
In 1421, 72 dorpen verzwolgen aan den mond van de Maas.
In 1427, 55 dorpen verwoest.
In 1570, doorbraak van de dijken aan den mond van de Maas, 10 000 slachtoffers.
In 1531, vergrooting van de Haarlemmermeer.
In 1717, nieuwe overstrooming, 12 000 slachtoffers, de grond is tien meters onder de vloedlijn gedaald.
In 1775 overstrooming en tal van rampen, enz.
De kronieken van Nederland bevatten de treurigste verhalen van die vreeselijke werking der zee op eenen steeds dalenden bodem. In de jaren 1421, 1427 en 1446 werden meer dan tweehonderd dorpen van Friesland en Zeeland verzwolgen. Langen tijd zag men de spitsen der torens boven het water uitsteken. Het eiland der Batavieren, reeds tijdens Tacitus bewoond, ligt thans onder de laagwaterlijn. Bij hevige westerstormen staan de golven op de Hollandsche kust 5 1/2 meter boven de straten van Amsterdam.
De Zuiderzee, die eene oppervlakte heeft van 196 670 hectaren en eene diepte heeft van 1 tot 8 meters, is eerst in de dertiende eeuw ontstaan. De tijd is waarschijnlijk niet meer ver af, dat menschenhanden haar zullen droog maken en dienstbaar zullen maken aan den landbouw, zooals dit ook geschied is met de Haarlemmermeer, die 21 kilometers lang en 10 kilometers breed was en 724 millioen cubieke meters water bevatte. Ten tijde van Tacitus was de Zuiderzee vast land met enkele meren, waarvan het grootste het meer Flevo was. Toen stroomde de IJsel daar doorheen, en stortte zich deze, zijnen loop vervolgende, tusschen Vlieland en Terschelling in zee.
Dezelfde verschijnselen als aan de Nederlandsche kusten neemt men ook waar aan den mond der Gironde. Men behoeft slechts de kaarten van het jaar 1752 met die van 1842 te vergelijken, om te zien, dat de zee daar in dien tijd 1200 meters is vooruitgegaan. In 1774 was de vloedlijn te Soulac 950 meters van de kerk verwijderd, in 1865 nog slechts 560 meters.
De rots van Cordouan maakte eertijds deel uit van het vaste land; in het jaar 1500 was zij er bij laag water alleen door eene nauwe en doorwaadbare geul van gescheiden. Thans is zij zeven kilometers van de kust verwijderd en men kan alleen bij laag water den toren bereiken. Zelfs kan men wiskundig aantoonen, hoeveel de jaarlijksche daling bedraagt. Immers door de daling van den bodem heeft men den vuurtoren moeten verhoogen, opdat het licht over dezelfde uitgestrektheid zichtbaar zoude zijn als eene eeuw geleden. De daling bedraagt drie meters in de eeuw. Hier heeft echter ook het inbijten van het zeewater zich met de daling van den bodem vereenigd.
Het eiland Aix, tegenover Rochefort, is in het jaar 1400 van Rochefort losgeraakt; thans ligt het er verscheidene kilometers van verwijderd.
Hetzelfde is het geval met Arcachon, en op de kust van Landes tot aan Spanje. Zeer merkbaar is die vooruitschuiving der zee te Saint-Jean-de-Luz. De stad strekte zich eertijds noordwaarts uit: een klooster der Benedictijnen, dat daar vroeger stond, is thans onder het water bedolven en verwoest, met uitzondering van twee putten, wier metselwerk weerstand heeft geboden aan het water, en waaruit men nog zoet water putten kan. Jaarlijks gaat de zee twee meters vooruit.
In de Middellandsche zee, aan het uiteinde der Adriatische zee, is Venetië een voorbeeld van de langzame daling van den bodem: deze bedraagt 0,155 meter in de eeuw. Het plaveisel van het Marco-plein, dat reeds eenmaal is opgehoogd, wordt van tijd tot tijd overstroomd door het water dat bij springvloed doorsijpelt. Het is dus zeker, dat de bodem van Nederland, België, Normandië, Bretagne en een gedeelte van de Fransche kust van den Atlantischen Oceaan daalt. Hoeveel bedraagt die daling? Sommigen schatten die op 2 meters in de eeuw, en beweren, dat Normandië en Bretagne in tien eeuwen 20 meters zullen gedaald zijn, dat alle havens aan het kanaal en aan den Oceaan zullen verwoest worden, en dat later Parijs eene zeestad zal worden, om nog later, over een twintigtal eeuwen, onder het water te verdwijnen; anderen daarentegen zijn van meening, dat dit nog wel zevenmaal langer zal duren. Het is echter slechts eene vraag van tijd. _Het feit_ op zichzelf is niet betwistbaar. Over eenige eeuwen zal Parijs zeehaven geworden zijn, uitsluitend door de krachten der natuur, later zal diezelfde streek langzaam onder de zee verdwijnen, tenzij ten minste die daling ophoude en er eene rijzing op volgt, wat mogelijk is, maar volstrekt niet zeker.
De Seine is te Parijs slechts 26 meters boven den gemiddelden waterspiegel der zee gelegen. In toekomstige eeuwen zullen het Pantheon, de sterrenwacht, de Triomfboog, de toekomstige gebouwen van Montmartre, Père-Lachaise en Mont-Valérien boven de zee uitsteken als de laatste getuigen van vervlogen eeuwen. Maar het is hoogstwaarschijnlijk, dat die heerlijke stad niet zoolang leven zal, en dat zij over vier- vijf- of zesduizend jaren reeds vergeten zal zijn, als de brandpunten der beschaving zich naar gene zijde van den Atlantischen Oceaan zullen hebben verplaatst.
Wat Holland, de baai St.-Michel, Venetië, Cordouan en andere betreft, valt er aan het dalen van den bodem niet te twijfelen. In andere gevallen komt nog bij die daling de verwering der kusten door de golven der zee. Somtijds ook, zooals bij Kaap la Hève is de uitbreiding van de zee alleen het gevolg van het knagen aan de kusten, zonder dat de bodem gedaald is. Overal waar de rotsen ondermijnd worden door het water, wordt de kust weggebeten. In Engeland vindt men daarvan een aantal voorbeelden. Het eiland Sheppey in Kent, verliest meer dan eene hectare in het jaar, en als dit zoo voortgaat, is de tijd niet ver meer verwijderd, dat het geheele eiland verdwenen is. Verder oostwaarts ziet men de kerk van Reculver, die ten tijde van Hendrik VIII op 1600 meters van de zee verwijderd was. In 1781 was er nog een aanzienlijke afstand tusschen den muur van het kerkhof en de klip; in 1804 werd een deel van het kerkhof bedolven; in 1834 vond Lyell menschenbeenderen en een stuk van eene houten doodkist, die uit de ingestorte glooiing uitstak, thans blijft de kerk alleen staan door eenen kunstmatigen dijk van steenen en palen, die haar beschermt (fig. 110 en 111).
Op de kust van Suffolk is de stad Dunwich, eertijds de belangrijkste haven van die streek, door het inwerken van het water op de rotsen, waarop zij gebouwd was, geheel verwoest. De verwoesting begon in de 11de en is in de 18de eeuw voleindigd.
Te Harwich, Folkestone, St. Leonard, Hastings, New-Haven wordt de kust door de zee afgeknaagd, die op verschillende punten meer dan honderd meters in de eeuw vooruitgaat. Men houdt met die afneming der Engelsche kusten op sommige plaatsen zóózeer rekening, dat men ze bij koopactes schat op 1 meter in het jaar.
Ook in Turkije, b.v. te Gallipoli, knaagt de zee aan de rotsen. Dikwijls kan de mensch die verwoesting der klippen in bedwang houden door de golven te beletten, tot den voet der steilte door te dringen. Niet ver van Dover verheft zich de beroemde klip, die de Engelschen aan Shakespeare gewijd hebben ter herinnering aan de schoone beschrijving, door hem daarvan in "King Lear" gegeven. Om die historische plek, de rotsen en de daarop gebouwde huizen, den spoortrein, te beschermen, heeft men door mijngangen het geheele bovenste deel der rots, wier voet verteerd was, laten springen. Door middel van 9 000 kilogram kruit heeft men één milliard kilogram verbrijzeld en doen neêrstorten, welke massa eene bank vormt van zeven tot acht hectaren, die door hare glooiing in de eerste eeuwen de verwoesting der rots belet, welke reeds gedurende achttien eeuwen over eene lengte van twee kilometers afgeknaagd was.
Kan men reeds van geslacht tot geslacht en zelfs van jaar tot jaar dat knagen der zee volgen bij klippen op het vasteland gelegen, des te sterker komt dit uit op eilanden. Enkele sterk glooiende eilanden, die vroeger eene groote uitgestrektheid hadden, zijn bijna geheel verdwenen. Zoo kan men in de Noordzee het eiland Helgoland noemen, dat bestaat uit bonte zandsteen, en dat over zijnen geheelen omtrek omgeven is door eene rotssteilte van 60 meters hoogte. In de elfde eeuw strekte het zich uit over eene oppervlakte van 900 vierkante kilometers, was het zeer vruchtbaar, en rijk aan graan, vee en pluimgedierte. Thans is er nog slechts eene bank over van 2 kilometers lengte en 600 meters breedte, en vindt men er onvruchtbare weilanden en enkele aardappelvelden. Zoo zouden wij nog een groot aantal voorbeelden kunnen noemen.
Indien eenerzijds de zee aan het vasteland knaagt, kunnen wij anderzijds voorbeelden genoeg vinden, hoe het vasteland aanwint ten koste van de zee. Wij hebben reeds gesproken over de monden der rivieren en zullen thans enkele voorbeelden geven van de rijzing van den bodem.
In Bretagne vormden het vlek Batz tusschen de Loire en de Vilaine, le Croisic en Pouliguen, eertijds een eiland. Langzamerhand is de ruimte tusschen het eiland en het vasteland in eene moeras veranderd. Strabo verhaalt, dat dit eiland bewoond werd door Samnitische priesteressen, die daar eenen wreeden en onzinnigen godsdienst uitoefenden. De zoutmoerassen zijn door de zee verlaten.
Te Carnac wijkt de zee terug, te Hennebont eveneens; te Brouage, niet ver van Rochefort, is de zee teruggeweken en heeft zij plaats gemaakt voor zoutpoelen. De vrachtdieren worden thans vastgemaakt aan dezelfde ringen, waaraan tijdens het beleg van La Rochelle (1627) de schepen van Richelieu bevestigd werden. Het stadje Brouage, dat thans om zijne ongezonde ligging verlaten is, krijgt in zijne grachten alleen bij springvloed water.
In Rochefort zijn de scheepshellingen, die ten tijde van Lodewijk XIV vervaardigd zijn, thans 1,25 meter te hoog; in de zoutpoelen daar ter plaatse bemerkt men, dat van jaar tot jaar de bodem rijst, en moet men, om het water te doen binnenstroomen, dat het zout moet leveren, meer en meer tot de kust naderen, en de oude verdampingsbekkens laten liggen, die nu eene breede strook vormen achter de thans in gebruik zijnde bekkens.
Ten zuiden van den mond der Loire vindt men het eiland Noirmontiers, eertijds een op zich zelf staand eiland, thans bij eb aan het land verbonden. De gemeente Bourgneuf heeft in honderd jaren 500 hectaren aangewonnen. De baai van Aiguillon schijnt het overblijfsel te zijn van de oude golf van Poitou, die zich tot Niort, Luçon en Courçon uitstrekte; aanslibbingen en misschien ook eene rijzing van de kust hebben in betrekkelijk korten tijd eene landaanwinst van 500 000 hectaren geleverd: men berekent, dat de zee jaarlijks dertig hectaren afstaat; blijft dit zoo voortduren, dan is van de geheele golf van Poitou over honderd jaren niets meer over.
Op de kust der Vendée, bij Aiguillon, bezaten de monniken van Saint-Michel-en-l'Herm een onmetelijk terrein met visscherijen en paardenstoeterijen, die honderdduizenden guldens jaarlijks opbrachten; daar zij wenschten de landaanwinningen voor zich te behouden en vreesden, dat de koning hun die vermeerdering zoude betwisten, luidden hunne eigendomstitels: _in het westen tot aan Amerika_. Men ziet, dat zij de noodige voorzorgsmaatregelen genomen hadden. Hendrik IV durfde des avonds bij stormweder niet over te steken naar het eiland Noirmoutiers, hoewel die overtocht thans bij elk mogelijk weder op paarden of ezels geschiedt.
Bij al die oorzaken van verandering der kusten moeten wij nog de zandduinen voegen, door den zeewind voortgestuwd. Op de kust van de Landes in Gascogne brengt de zee jaarlijks 6 millioen cubieke meters zand aan! Dat zand, door den wind voortgedreven, vormt heuvels, somtijds bergen. Er zijn er van 80 tot 90 meters hoogte. In Afrika, op de lage zandoevers, waar de Oceaan aan de Sahara grenst, bereiken de duinen van kaap Bojador en kaap Verde dikwijls eene hoogte van 120 tot 180 meters. Men heeft van eeuw tot eeuw dorpen zien bedelven onder het fijne stof. In Gascogne zijn de dorpen Lislan en Lélos geheel verdwenen. Het dorpje Mimizan is nog bijtijds gered door palen en beplantingen. Sommige duinen verplaatsen zich 20 tot 25 meters jaarlijks. De mensch houdt ze thans tegen door beplantingen, die den wind geen vat geven.
Indien de zeewind en de landwind gemiddeld met elkander evenwicht maken, blijven de duinen op hunne plaats; wat zij den éénen dag winnen, verliezen zij den volgenden dag. Maar indien de zeewind de overhand heeft, breiden zij zich hoe langer zoo verder uit en vormen zij wandelende heuvels, die onverbiddelijk in het land binnendringen. Zoo bedekken de duinen van Santec in de nabijheid van Saint-Pol-de Leon (Finistère) eene streek, die tot in 1616 bewoond en vruchtbaar was; men kon nog in het begin dezer eeuw, de klok van den toren en enkele schoorsteenen boven het zand zien uitsteken. De duinen gingen jaarlijks 537 meters vooruit! Men heeft dien voortgang tegengehouden door beplanting.
In ons land heeft men dezelfde verschijnselen waargenomen. Van 1421 tot 1625 is het dorp Petten eenmaal geheel vernield en heeft het tweemaal zóóveel verloren, dat men de huizen landwaarts heeft moeten verplaatsen. De Hondsbossche zeedijk was in de zeventiende eeuw nog door duinen van 350 meters breedte beschermd; sedert dien tijd is dat duin weggeslagen. Van 1660 tot 1839 is de laagwaterlijn 670 meters oostwaarts verplaatst.
De voet der duinen is langs de kust van Noord-Holland van 1843 tot 1853 gemiddeld 20 meters geweken. Op sommige plaatsen is door aanstuiving het weggeslagene weder teruggegeven.
Van Noordwijk-buiten en Katwijk-buiten is herhaaldelijk een deel der huizen door stormvloeden weggeslagen. Het huis te Britten, waarvan in 1694 nog de fundamenten gezien zijn, lag een paar duizend meters van het tegenwoordige strand. De kerk te Scheveningen ligt op 1800 meters van de plaats, waar de vorige gestaan heeft.
Op Voorne en Goeree hebben zich de duinen eveneens oostwaarts verplaatst, zóó zelfs dat de zee gronden heeft vermeesterd, die vroeger aan den binnenkant der duinen lagen.
Men ziet, dat een aantal oorzaken inwerken op den vorm der kusten. Somtijds worden de brokstukken der klippen als keisteenen en zand langs de kusten medegevoerd door de vloedgolven, en worden daardoor banken gevormd. Dit is het geval op de kusten van het Kanaal, aan den mond van de Somme, op de kusten van Vlaanderen, Holland en het oosten van Engeland. De zeestroomen, de windrichting en de loop van het zand, dat naar de monden der stroomen gevoerd wordt, veranderen dus op ingewikkelde wijze de gedaante der kusten.
Doch keeren wij tot de beweging van den bodem terug.
Het duidelijkst blijkt de langzame doch zekere verandering van den bodem in Zweden en het geheele Scandinavische schiereiland, dat aan de ééne zijde rijst, terwijl het aan de andere zijde daalt. Reeds in 1730 had de Zweedsche sterrenkundige Celsius (bekend door den honderddeeligen thermometer) uit de berichten van boeren en visschers afgeleid, dat de Bothnische golf van jaar tot jaar in diepte en uitgestrektheid afneemt; oudere lieden wezen hem verschillende punten van de kust aan, waar de zee in hunne jeugd nog kwam; de namen der plaatsen, de binnenwaartsche ligging van vroegere havens, de overblijfselen van booten, ver van de zee gevonden, de volkszangen, konden daaromtrent geenen twijfel overlaten. Was het hier de zee, die gedaald, of de grond, die gerezen was? Toen ten tijde was men algemeen van gevoelen, dat de bodem onveranderlijk was, en zoowel Celsius als de andere geleerden van zijnen tijd schreven de verandering toe aan eene vermindering van het water der Baltische Zee. Het volgende jaar, in 1731, trok hij met Linnaeus eene merklijn aan den voet van eene rots op het eiland Loeffgrund, en dertien jaren later was het water 0,18 meter gezakt. Hij werd door de theologen van Stockholm en Upsala, die beweerden dat de schepping onveranderlijk was, van onrechtzinnigheid beschuldigd, en zelfs werd het Parlement geroepen, om het vraagstuk door stemming te beslissen. De vertegenwoordigers van het volk en den adel hadden zóóveel gezond verstand, dat zij zich onbevoegd verklaarden; maar de geestelijkheid en de burgerij verklaarden de nieuwe meening kettersch! De geschiedenis der kerkelijke ijdelheid zal toch steeds merkwaardig blijven!
Doch de uitspraak der Zweedsche theologen belette de aarde niet te veranderen. Sedert Celsius en Linnaeus heeft men de waarnemingen voortgezet, en heeft men duidelijk aangetoond, dat werkelijk de bodem van Zweden merkbaar in het noorden rijst en in het zuiden daalt. De scheidingslijn loopt van de Zweedsche kust naar die van Sleeswijk-Holstein, tot voorbij Bornholm en Laaland. Volgens de laatste opmetingen (1884) is de noordelijke kust in 153 jaren 2,10 meters gestegen. Daarentegen daalt het zuidelijk uiteinde van het Scandinavisch schiereiland en ook Jutland langzaam. Oude bosschen aan de kust der zee zijn verzwolgen en dalen nog steeds. Enkele straten van Trelleborg, Istad, Malmö staan thans onder water: de laatste stad is sedert 1731 1,55 meters gedaald.
Tot op 27 meters hoogte vindt men zeeschelpen, die overeenkomen met die, welke thans in die zeeën gevonden worden.
Toen men de kanalen groef, die bij Stockholm het Mölarmeer met de zee verbinden, kwamen oude begraven schepen te voorschijn. Toen men eenen heuvel afgroef, vond men eene houten woning, op 15 meters diepte onder het zand, de klei en de grint bedolven.
Ook in Devonshire en in Cornwall (Engeland) vond men onder de zee begraven bosschen; bij laag water vindt men een aantal zwart geworden stompen van boomen, en pootaarde, waarin hazelnoten, takken, bladeren en beenderen gevonden worden. Die stompen staan alle vertikaal: de daling moet dus langzaam en zonder schokken hebben plaats gehad.
Van Kessing tot Cromer (Norfolk) is een bosch van 64 kilometers lengte zichtbaar bij laag water; dat bosch bestaat uit boomstammen, die nog met de wortels aan den grond bevestigd zijn; er zijn er onder, die van 60 tot 90 centimeters middellijn hebben, en de kleibedding, waarin zij gevonden worden, bevat eene groote hoeveelheid plantaardige stoffen. Zij komen te voorschijn, zoo dikwijls de golven bij laag water het zand en de keisteenen hebben weggeruimd, die ze bedekken.
Ook te Plumstead, te Dagenham, en andere gedeelten van de Theems, tusschen Woolwich en Erith, kan men bij laag water de overblijfselen vinden van een bosch, waarover tegenwoordig de Theems stroomt; men heeft daar onder 6 tot 8 voet aangeslibden grond, eenen bodem gevonden, bestaande uit takken, bladeren, en sporen van boomen en beenderen van dieren uit het tegenwoordig tijdperk. Die daling is van jongen datum, evenals alle vorige. De stad Londen is op een oud bosch gebouwd, dat eertijds bewoond werd door dierenrassen, waarvan men de overblijfselen heeft weergevonden.
Die dalingen en rijzingen hebben niet alleen in het tegenwoordige tijdperk plaats gehad; ook eertijds deed zich ditzelfde verschijnsel voor, en daaruit kan de verscheidenheid in de hoogte van de aardschors verklaard worden.
Groenland, thans overdekt met ijs en bezaaid met puinhoopen, was, zooals de naam aanduidt; eertijds een vruchtbaar land. Na de reizen, in 983 en 986 door Erik den Roode gedaan, werd het land langs de kusten gekoloniseerd. Thans bedekt het ijs meer dan de helft van de twee milliard vierkante kilometers zijner oppervlakte. Het is na de ijsperiode gerezen, en die rijzing heeft banken van schelpen, overeenkomende met die, welke thans in de naburige zee gevonden worden, tot 50 meters opgevoerd. De expeditie van 1879 tot 1883 op last van de Deensche regeering ondernomen, heeft eene ruïne gevonden uit de middeleeuwen, op eene klip gelegen, die zóózeer gedaald is, dat de zee den voet aanraakt. De westelijke kust daalt langzaam maar zeker.