De vroolijke vrouwtjes van Windsor
Part 6
PAGE. Zoo is ’t; nog zijn er velen, die bij nacht Zich bij dien eik van Hoorn’ niet zullen wagen; Doch waartoe dit? 41
JUFFROUW FORD. Nu, zie, dit is ons plan, Dat Falstaff bij dien eik ons zal ontmoeten Als Hoorn’, met groote horens op den kop.
PAGE. Nu, nemen wij dan aan, dat Falstaff komt, En zoo vermomd; maar brengt gij hem hiertoe, Wat doet gij dan met hem? wat hebt gij voor?
JUFFROUW PAGE. Ook dit is reeds bedacht, en wel als volgt: Mijn dochter Anna en mijn kleinen zoon, Met drie, vier and’ren van dat slag, vermommen Wij tot kabouters, elfen, groen en wit, Met held’re waslichtkroontjes op het hoofd En ratels in de hand. Zoodra wij beiden Tot Falstaff zijn genaderd, stormen zij Woest, plotsling, uit een zaagkuil op ons af Met een verward gezang; op dit gezicht Ontvlieden wij verschrikt, in grooten angst; Doch zij omringen fluks den wulpschen ridder En knijpen hem op elfenwijs, en vragen, Hoe hij op ’t uur van de’ elfendans het waagt, Hij, ongewijde, in zulk een spookgestalte Hun heil’ge plek te naad’ren.
JUFFROUW FORD. En totdat hij Heeft opgebiecht, wat hij daar doen kwam, gaan De schijnbare elfen voort met hem te knijpen, En branden hem met hunne lichten.
JUFFROUW PAGE. Heeft Hij zoo bekend, dan snellen we allen toe, Onthoornen ’t spook en brengen hem met hoon Naar Windsor weer.
FORD. De kind’ren moeten goed Geoefend zijn, of doen het niet naar eisch.
EVANS. Ik wil tie kinderen hunne chetragingen leeren, en ik wil self een Hans Aap sijn en ten ridder pranten met mijn licht.
FORD. Voortreff’lijk; ik zal hun de maskers koopen.
JUFFROUW PAGE. Mijn Anna zal dan Elfenkoningin, En fraai gekleed zijn in een wit gewaad.
PAGE. Daarvoor koop ik de zijde;—(Ter zijde.) en onderwijl Moet master Slapperman mijn Anna schaken En haar in Eton trouwen.—Zend terstond Op Falstaff iemand af.
FORD. O, ik ga als heer Beek hem weer bezoeken, En dan vertelt hij wis mij, wat hij doet; Hij komt wel zeker.
JUFFROUW PAGE. Twijfel daar niet aan; Zorg maar voor maskers en de verd’re dingen, Die voor het elfenspel benoodigd zijn.
EVANS. Aan ’t werk! Tit sijn ferwonderlijke chenoechens, en recht teuchtsame schelmerijen.
(Page, Ford en Evans af.)
JUFFROUW PAGE. Ga, juffrouw Ford, zend op Sir John vrouw Haastig Fluks af, opdat wij weten, of hij komt.
(Juffrouw Ford af.)
En ik ga naar den dokter, die mijn woord heeft, Dat hij, geen ander, trouwt met Anna Page. Die Slapperman heeft land, maar is een ezel; En toch, mijn man trekt hem aan allen voor; De dokter heeft goed geld en groote vrienden Ten hove; hij, geen ander, moge slagen, Schoon twintigduizend beet’ren om haar vragen.
(Juffrouw Page af.)
VIJFDE TOONEEL.
Een kamer in de herberg de Kouseband.
De Waard en Simpel komen op.
WAARD. Waar naar toe, boer? wat wilt gij, dikhuid? Spreek, geef geluid, deel mee, kort, bondig, vlug, snel!
SIMPEL. Wel, heer, ik kom van den heer Slapperman, en moet Sir John Falstaff spreken.
WAARD. Daar, boven, is zijn vertrek, zijn huizing, zijn kasteel, zijn staatsiebed en zijn veldbed. ’t Is rondom beschilderd met de geschiedenis van den Verloren Zoon, versch en nagelnieuw. Ga, klop aan en treed binnen; hij zal met u spreken als een anthropophagianer; klop aan, zeg ik.
SIMPEL. Daar even is een oude vrouw, een dikke vrouw, op zijn kamer gegaan. Ik zal zoo vrij zijn, heer, van te wachten, tot zij beneden komt, want ik heb eigenlijk met die vrouw te spreken.
WAARD. Wat, een dikke vrouw? de ridder kon wel eens bestolen worden. Ik wil hem roepen.—IJzerridder! Sir IJzer-John! ontlaad uw martiale longen! zijt gij daar? het is uw waard, uw Ephesiër, die u roept.
FALSTAFF (van boven). Wat is er, mijn waard?
WAARD. Hier is een Boheemsche Tartaar, die er op wacht, dat uw dikke vrouw beneden komt. Laat haar beneden komen, mijn ijzerman; laat haar beneden komen; mijn kamers zijn fatsoenlijke kamers; foei, heimelijkheden, foei!
(Falstaff komt op.)
FALSTAFF. Ja, goede waard, er was daar even een oude dikke vrouw bij mij, maar zij is al weer weg.
SIMPEL. Ik bid u, Sir, was het niet de waarzegster uit Brentford?
FALSTAFF. Ja zeker, gapermossel. Wat wilt gij van haar?
SIMPEL. Mijn meester, Sir, mijnheer Slapperman, zag haar over de straat gaan en heeft mij naar haar toe gestuurd, om te hooren, Sir, of een zekere Nym, Sir, die hem een ketting heeft afgezet, den ketting heeft of niet.
FALSTAFF. Ik heb met de oude vrouw daarover gesproken.
SIMPEL. En wat zegt zij, Sir, als ik vragen mag?
FALSTAFF. Wel, zij zegt, dat die eigen man, die den heer Slapperman zijn ketting heeft afgezet, hem die ontfutseld heeft. 39
SIMPEL. Ik wenschte, dat ik met de vrouw zelve eens had kunnen spreken, ik had over nog iets anders met haar te spreken, ook van zijnentwege.
FALSTAFF. En wat dan? laat hooren.
WAARD. Ja, kom, vlug!
SIMPEL. Ik mag het niet verzwijgen, Sir.
FALSTAFF. Verzwijg het, en gij zijt des doods.
SIMPEL. Nu, Sir, het is verder niets dan van juffer Anna Page, om te weten, of het een geluk is voor mijn meester, als hij haar krijgt of niet.
FALSTAFF. ’t Is zoo, ’t is een geluk voor hem.
SIMPEL. Wat, Sir?
FALSTAFF. Als hij haar krijgt of niet. Ga en zeg maar, dat de vrouw mij dat gezegd heeft.
SIMPEL. Mag ik zoo vrij zijn, dat te zeggen, Sir?
FALSTAFF. Ja, knaap, zoo vrij als gij maar wilt.
SIMPEL. Ik dank uw edelheid. Ik zal mijn meester blij maken met deze tijding.
(Simpel af.)
WAARD. Gij zijt een geleerde, gij zijt een geleerde, Sir John. Was er daar een wijze vrouw bij u?
FALSTAFF. Ja zeker was er, mijn goede waard, een die mij meer wijsheid geleerd heeft, dan ik ooit te voren in mijn leven leerde; en bovendien had ik geen leergeld te betalen, maar kreeg zelf mijn leergeld in klinkende munt uitbetaald.
(Bardolf komt op.)
BARDOLF. Ach God, heer, afzetterij! zuivere afzetterij!
WAARD. Waar zijn mijn paarden? geef er mij goede tijding van, kerlino!
BARDOLF. Op den loop met de spitsboeven, want nauwelijks hadden wij Eton achter den rug, of zij wierpen mij, die achter een van hen zat, in een modderpoel, en gaven den paarden de sporen, en gingen er van door als drie Duitsche duivels, drie doctor Faustussen.
WAARD. Zij zijn doorgegaan, hun hertog te gemoet, schurk. Zeg niet, dat zij aan den haal zijn; Duitschers zijn eerlijke lui.
(Sir Hugo Evans komt op.)
EVANS. Waar is onze waard?
WAARD. Wat is er, Sir?
EVANS. Cheef acht op uw opnemingen. Er is een friend van mij chekomen in de stad, en die segt mij van drie Duitsche spitsboeven, die al te waarten van Readings, fan Maidenhead, fan Coleprook heeft afcheset, fan paarden en cheld. Ik seg u uit een choed hart, kijk toe; chij sijt een verstandig man en fol chrappen en spotpetoelingen, en het past niet foor u, dat chij petrogen wordt. Faar chij wel.
(Evans af.)
(Dokter Cajus komt op.)
CAJUS. Waar is mijn waard de la Jartière?
WAARD. Hier, heer dokter, in perplexiteit en een twijfelachtig dilemma. 86
CAJUS. Ik niet kan sek wat het is, maar ’et is mij kewees kezek, dat gij maak groote préparation voor een duc d’ Allemagne; op mijn eer, daar is geen duc, dat de ’of weet te koom. Ik u dat zeg van goed ’art. Adieu.
(Dokter Cajus af.)
WAARD. Houd den dief! schreeuw, schurk, loop!—Help mij, ridder, ik ben verloren!—Vlieg, loop, houd den dief! schreeuw, schurk! Ik ben verloren!
(De Waard met Bardolf af.)
FALSTAFF. Ik wenschte, dat de geheele wereld bedrogen was, want ik ben bedrogen, en op stokslagen onthaald er bij. Als het ter oore kwam van het hof, hoe ik getransformeerd ben geweest en hoe mijn transformatie gewasschen en geknuppeld is geworden, dan zouden zij al mijn vet uit mij uitsmelten, drup voor drup, en visscherslaarzen met mij insmeren; ik wed, dat zij mij met hun kwinkslagen zouden geeselen, tot ik ingeschrompeld was als een gedroogde peer. Ik heb geen geluk ter wereld meer gehad, sinds ik dien valschen eed deed bij het primero-spelen. Waarachtig, als ik niet te kortademig was om gebeden op te zeggen, zou ik boete gaan doen.
(Vrouw Haastig komt op.)
Nu, wie stuurt u weer hier?
VROUW HAASTIG. Wel, om de waarheid te zeggen, alle twee de partijen.
FALSTAFF. De duivel haal’ de eene partij, en zijn moer de andere! dan zijn zij alle twee verzorgd.—Ik heb om harentwille meer uitgestaan, dan de booze onbestendigheid van ’s menschen natuur vermag te dragen.
VROUW HAASTIG. En hebben zij dan niets uitgestaan? Ja, wel, dat verzeker ik u, en spacieel een van de twee; juffrouw Ford, de goede ziel, is zoo bont en blauw geslagen, dat er geen blank plekje meer aan haar te bekennen is.
FALSTAFF. Wat praat gij van bont en blauw? Ik ben geslagen tot alle kleuren van den regenboog; en ik ben op het punt geweest van opgepakt te worden als de heks van Brentford; want zonder mijn bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest en mijn slag om de bewegingen van een oude vrouw na te bootsen, zou een schoft van een gerechtsdienaar mij in het krot, in het gemeene krot, als een heks, geplakt hebben.
VROUW HAASTIG. Sir, laat mij eens op uw kamer met u praten; dan zult gij hooren, hoe de zaak loopt, en, ik verzeker u, gij zult op uw dreef zijn. Hier is een brief, die u iets vertellen zal. Goede zielen, wat is dat een gedoe, u bij elkander te brengen! Dit is zeker, een van u leidt geen godzalig leven, dat de hemel u zoo dwarsboomt.
FALSTAFF. Kom mede op mijn kamer.
(Beiden af).
ZESDE TOONEEL.
Een ander vertrek in de herberg de Kouseband.
Fenton en de Waard komen op.
WAARD. Master Fenton, spreek mij van niets; ik ben door en door neerslachtig; ik wil nergens meer van weten.
FENTON. Neen, hoor mij aan en help mij bij mijn plan; Ik geef in goud, ja, op mijn aad’lijk woord, Een honderd pond u meer, dan gij verloort.
WAARD. Nu dan, ik wil luisteren, master Fenton; en ik wil ten minste uw geheim bewaren.
FENTON. ’k Heb u van tijd tot tijd ontdekt, wat liefde Ik koester voor de schoone juffer Page, Die ook naar wensch mijn teederheid beantwoordt, Zoo ver zij voor zichzelve kiezen kan. En nu heb ik een brief van haar ontvangen, Welks inhoud u gewis verbazen zal; Zij spreekt daar van een grap, die met mijn zaak Zoo innig samenhangt, dat geen van beiden Alleen te ontvouwen is, maar slechts als de and’re Ook wordt gemeld. De dikke Falstaff speelt Een groote rol er in. Het plan der grap Wil ik u thans geheel ontvouwen. Luister, Mijn goede waard: van nacht, bij de’ eik van Hoorne, Speelt tusschen twaalf en een mijn dierbare Anna Voor Elfenkoningin; ’t waarom staat hier. In die vermomming,—terwijl and’re grappen In vollen gang en allerdolst zijn,—moet— Zoo wil ’t haar vader,—zij door Slapperman Zich laten schaken en terstond in Eton Met hem gaan trouwen; zij heeft toegestemd. Maar, vriend, Haar moeder, tegen dezen echt gekant, En zeer voor dokter Cajus, heeft beslist, Dat die, als and’re grappen allen boeien Haar eveneens zal schaken en terstond In de kapel, waar dan een priester wacht, Haar huwen; hierop nu heeft zij, haar moeder In schijn gehoorzaam, aan den dokter ook Haar woord gegeven.—Hoor nu verder nog: Haar vader meent, dat zij in ’t wit zal zijn, En in die dracht met Slapperman,—als die Den tijd gekomen ziet en bij de hand Haar vat en haar verzoekt hem te verzellen,— Zal medegaan;—haar moeder echter wil, Opdat de dokter beter haar herkenne,— Want alles moet vermomd zijn en gemaskerd,— Dat zij in groen en los gewaad verschijnt Met lange linten, wapp’rend om haar hoofd; En ziet de dokter dan zijn kansen schoon, Dan knijpt hij haar de hand, en op dit teeken Beloofde ’t meisje met hem mee te gaan.
WAARD. En fopt zij dan haar vader of haar moeder?
FENTON. Die beiden, beste waard; zij gaat met mij. Nu is mijn wensch, dat gij den priester zoekt, Die tusschen twaalf en eenen in de kerk Gereed sta, om door ’t plechtig echtverbond ’t Verbond van onze harten te bezeeg’len.
WAARD. Sla gij uw slag, den geest’lijke bestel ik; Breng gij de bruid, de priester zal er zijn.
FENTON. Nu dan, voorwaar, blijf ik u immer dankbaar, En loon u bovendien terstond den dienst.
(Beiden af.)
VIJFDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Een vertrek in de herberg de Kouseband.
Falstaff en vrouw Haastig komen op.
FALSTAFF. Kom, kom, geen praatjes meer; ga maar; ik houd woord. Dit is de derde keer; ik hoop, dat oneven getallen geluk brengen. Ga nu, ga! Het zeggen is, dat een oneven getal een heilig getal is, voor de geboorte, voor de wisselvalligheden van ’t leven, en voor den dood.—Ga nu heen.
VROUW HAASTIG. Een ketting zal ik u bezorgen en ik zal mijn uiterste best doen om u een paar horens te verschaffen.
FALSTAFF. Ga heen, zeg ik; de tijd vervliegt; kin op en dribbel weg.
(Vrouw Haastig af.)
(Ford komt op.)
Gij daar, heer Beek? Mijnheer Beek, de zaak komt nu van nacht, of nimmer in orde. Kom tegen middernacht in het park, bij den eik van Hoorne, en gij zult wonderen zien. 13
FORD. Zijt gij dan gisteren niet bij haar geweest, Sir, zooals gij mij gezegd hebt, dat de afspraak was?
FALSTAFF. Ik ben naar haar toe gegaan, heer Beek, zooals gij mij hier ziet, als een arm oud man, maar van haar teruggekomen, heer Beek, als een arme oude vrouw. Diezelfde schurk van een Ford, haar man, heeft den sluwsten jaloerschen duivel in zijn lijf, heer Beek, die ooit een dolkop regeerde. Ik wil het u vertellen: ik heb erbarmelijk slaag van hem gekregen, in de gedaante van een vrouw; want in mansgedaante, heer Beek, vrees ik zelfs Goliath niet met zijn weversboom, omdat ik ook weet, dat het leven een weversspoel is. Ik heb haast, ga een eind weg met mij mee; ik wil u alles vertellen, mijnheer Beek. Sinds ik aan ganzen de veeren uittrok, spijbelde en drijftollen ranselde, wist ik niet meer wat slaag krijgen is, dan nu pas. Ga mede; ik zal u vreemde dingen vertellen van dien schurk van een Ford, op wien ik mij van nacht wil wreken, en ik zal zijn vrouw in uw handen leveren.—Ga mede; ongehoorde dingen zijn er op handen, mijnheer Beek; ga mede.
(Beiden af.)
TWEEDE TOONEEL.
Het park van Windsor.
Page, Zielig en Slapperman komen op.
PAGE. Komt, komt, wij willen ons in de slotgracht verbergen, tot wij de lichten van onze elfen zien. Denk nu maar, zoon Slapperman, aan mijn dochter.
SLAPPERMAN. Ja zeker, wij hebben samen gesproken, en wij hebben een wachtwoord om elkander te herkennen. Ik kom tot haar, die in het wit is, en roep: „Pst!” en dan roept zij „Sst!” en daaraan kennen wij elkander.
ZIELIG. Ook goed; maar wat behoeft uw „Pst!” of haar „Sst!”? Het witte kleed zal haar duidelijk genoeg kenbaar maken.—Het is tien geslagen.
PAGE. De nacht is donker, als gemaakt voor lichten en spoken. De hemel begunstige onze grap! Niemand heeft kwaad in den zin dan de duivel, en dien zullen wij kennen aan zijn horens. Laat ons gaan; volgt mij!
(Alle drie af.)
DERDE TOONEEL.
Een straat in Windsor.
Juffrouw Page, juffrouw Ford en dokter Cajus komen op.
JUFFROUW PAGE. Heer dokter, mijn dochter is in het groen; als gij uw tijd gunstig ziet, neem haar dan bij de hand, voort met haar naar de kapel, en terstond de zaak beklonken! Ga maar vooruit, het park in. Wij tweeën moeten er samen naar toe gaan.
CAJUS. Ik weet, wat ik ’eb te doen. Adieu.
JUFFROUW PAGE. Het ga u wel, heer. (Cajus af.)—Mijn man zal zich niet half zoo verheugen in de tuchtiging van Falstaff, als hij zal razen over het huwelijk van den dokter met mijn dochter. Maar dat doet er niet toe; beter een weinig gekijf dan een groot harteleed.
JUFFROUW FORD. Waar is Anna nu, met haar elfenschaar en den Walliser duivel Hugo?
JUFFROUW PAGE. Zij zitten allen in een kuil vlak bij den eik van Hoorne, met gedekte lichten, die zij op het oogenblik van onze samenkomst met Falstaff allen op eens door de nacht zullen laten stralen.
JUFFROUW FORD. Dit kan niet anders dan hem schrik aanjagen.
JUFFROUW PAGE. En als hij ook al niet schrikt, dan wordt hij toch er door bespot; en jaagt het hem schrik aan, dan wordt hij op alle manieren bespottelijk.
JUFFROUW FORD. Zoo wordt hij wel terdeeg door ons geplaagd!
JUFFROUW PAGE. Op zulk een klant, die vrouwen zoo belaagt, Zij iedere aanslag, elk bedrog gewaagd!
JUFFROUW FORD. Het uur nadert; naar den eik! naar den eik!
(Beiden af.)
VIERDE TOONEEL.
Het park van Windsor.
Sir Hugo Evans komt op met de Elfen.
EVANS. Trip, trap, elfen! komt, en onthoudt uw rollen goed. Stoutmoedig, pit ik u; folg mij in ten kuil; en als ik de wachtwoorden cheef, doet zooals ik u pefeel. Komt, Komt! trippe trap!
(Allen af.)
VIJFDE TOONEEL.
Een ander gedeelte van het park.
Falstaff komt op, vermomd, met een hertsgewei op het hoofd.
FALSTAFF. De klok van Windsor heeft twaalf geslagen; het oogenblik nadert. Nu, gij goden met verhit bloed, staat mij allen bij!—Herinner u, Jupiter, gij werdt voor uw Europa een stier; de liefde zette u uw horens op.—O machtige liefde! die in sommige opzichten van een dier een mensch maakt, in sommige andere een mensch tot beest!—Zoo werdt gij ook een zwaan, o Jupiter, uit liefde tot Leda;—o, almachtige liefde, wat kwam een god daar een gans in gedaante nabij! Eerst een misstap, begaan in de gedaante van een viervoetig beest; o Jupiter, een beestachtige misstap! En dan een tweede misstap in de gelijkenis van een vogel; o denk eens, Jupiter, welk een lichtvaardige misstap!—Als goden het warm onder hun baadje hebben, wat moet dan de arme menschheid doen? Wat mij betreft, ik ben hier nu een Windsorhert, en het zwaarste, denk ik, in het gansche bosch. Zend mij een koelen bronsttijd, Jupiter, of wie kan het mij euvel duiden, als ik mijn vet verwater?—Wie komt daar? mijn hinde?
(Juffrouw Ford en juffrouw Page komen op.)
JUFFROUW FORD. Sir John zijt gij daar, mijn diertje, mijn hertebok?
FALSTAFF. Mijn hinde met de zwarte pluim?—Laat nu de hemel pataten regenen, laat het donderen op de zangwijze van „Juffer Groenmouw”, laat het nu geurige suikertjes hagelen en eryngiën sneeuwen; laat er een storm van liefdeprikkels losbreken, hier heb ik mijn toevluchtsoord.
(Hij omhelst haar.)
JUFFROUW FORD. Mistress Page is met mij medegekomen, mijn hartedief!
FALSTAFF. Deelt mij als een gestroopt hert, elk een ham; mijn lenden wil ik voor mijzelf houden, de schouders aan den jachtopziener geven; en mijn horens vermaak ik aan uw mannen. Ben ik niet een echte Nimrod? spreek ik niet als Hoorne de jager?—Ha, nu is eindelijk Cupido een kind met een geweten; hij verleent schadeloosstelling! Zoo waar ik een eerlijk spook ben, weest welkom! 33
(Gedruisch achter het tooneel.)
JUFFROUW PAGE. O God, welk een gedruisch!
JUFFROUW FORD. De hemel vergeve onze zonden!
JUFFROUW PAGE. Wat zou dat wezen?
JUFFROUW FORD EN JUFFROUW PAGE. Weg! weg!
(Zij loopen weg.)
FALSTAFF. Ik geloof, dat de duivel mij niet verdoemd wil zien en bang is, dat mijn vet de hel in brand zou steken; anders zou hij mij nooit zoo dwarsboomen.
(Sir Hugo Evans komt op, als Satyr vermomd, Vrouw Haastig, als Elfenkoningin, Anna Page en anderen, als Elfen uitgedost met waskaarsen op het hoofd, daarbij een heraut, Hobgoblin.)
ELFENKONINGIN. Gij, Elfen, zwart, groen, grauw of wit getooid, Nachtschimmen, die bij ’t maanlicht rinkelrooit, En aardsche wichten, volgens ’t lot geroofd, Volbrengt uw elfenplichten, hoofd voor hoofd!— Heraut Hobgoblin, roep uw „Oyez” uit!
HOBGOBLIN. Stil, Elfen, zwijgt! luchtgeesten, geen geluid! Gij, Krekel, hup naar Windsors haarden ras; Is ’t vuur verzuimd, de haardplaat vol van asch, Zoo knijp de meid er bont en blauw, en dien Zoo uw vorstin, die niets onreins wil zien.
FALSTAFF. ’t Zijn elfen; niemand mag hun doen bespiên; ’k Val neêr, sluit de oogen, om den dood te ontvliên.
(Hij werpt zich neder, met het gelaat op den grond.)
SATYR. Tauwtrupje, cha, en treft ge een meisje aan, Tat triemaal knielt en pidt voor ’t slapen chaan, Bedwing haar phantasie, die onrust mint, Haar slaap zij soet, als van een sorgloos kind; Maar wie sich sondig neerlegt en niet pidt, Knijp die in arm, peen, porst, in ieder lid!
ELFENKONINGIN. Op, elfen, op! van hier! Dat thans uw schare Windsors slot doorzwier’! Strooit goed geluk in elke heil’ge zaal, Dat die tot de’ oordeelsdag in luister praal’; ’t Slot zij door duur en koningspracht vermaard, Het huis den heer, de heer de huizing waard! Schuurt de ordezetels glad, verhoogt hun pracht Door balsemsap en fijner bloemen kracht; Elk nieuwe ridderstoel, blazoen, helmet, Blijve eeuwig door uw zegen vrij van smet! Sluit, weidenelfen, nacht op nacht uw kring; Vormt, evenals de kouseband, een ring; Die blijve op ’t gras steeds welig, jeugdig, frisch, Meer dan in ’t gansche veld het groen ooit is; Dat „Honi soit qui mal y pense” er prijk’ Met bloemen, purper, wit en blauw, gelijk Saffier en parels fonk’len aan den band, Die rijk des eed’len ridders knie omspant; Want schrift met bloemen is der elfen trant. Van hier! doch tot één uur na middernacht Zij onze dans om Hoorne’s eik volbracht; Dat nooit die oude dans vergeten zij! 80
SATYR. Juist! hand in hand, flug! schikt u tot een rij! Chlimwormen, twintig, spreiten bij ten tans, Pefeel ik, als lantarens sachten chlans! Maar stil, maar stil, ik ruik een aarteling!
FALSTAFF. De hemel beware mij voor dien Walliser elf, dat hij mij niet in een stukje kaas verander’!
HOBGOBLIN. Gij worm, bij uw geboort’ reeds aterling!
ELFENKONINGIN. De vuurproef op zijn vingertoppen, vlug! Want is hij rein, dan wijkt de vlam terug, En schroomt hem leed te doen; doch toont hij smart, Dan tuigt zijn vleesch van een verdorven hart.
HOBGOBLIN. De vuurproef, kom!
SATYR. Siet, of tit plok wil pranten!
(De Elfen branden Falstaff met de lichten.)
FALSTAFF. O! O! O!
ELFENKONINGIN. Verdorven, boos, in merg en ingewanden! Komt, elfen, met een spotlied om hem heen, En knijpt hem op de dansmaat een voor een.
ALLEN (zingend en dansend).
Weg met snoode fantasie! Dat aan wellust recht geschiê! Wellust is een vuur in ’t bloed, Eerst ontglimd in ’t wulpsch gemoed, Dan in ’t harte staâg gevoed; Hoog en hooger stijgt de gloed, Door gedachten aangeblazen, Tot de vlammen loeien, razen. Knijpt hem, elfen, naar de rij, Knijpt hem voor zijn schelmerij; Knijpt hem en brandt hem en wentelt hem om. Tot kaarsen- en sterren- en maanlicht verglom.
(Gedurende dit lied knijpen de Elfen Falstaff. Dokter Cajus, Slapperman en Fenton komen aansluiten van verschillende kanten; de eerste schaakt een groene, de tweede een witte Elf, en Fenton Anna Page.—Jachtgedruisch achter het tooneel; al de Elfen loopen weg. Falstaff werpt zijn hertsgewei van zich en rijst op. Page, Ford, juffrouw Page en juffrouw Ford komen op; Sir Hugo Evans voegt zich bij hen. Zij houden Falstaff vast.)
PAGE. Neen, loop niet weg; wij hebben u betrapt; Was nu de jager Hoorne uw laatste troost?
JUFFROUW PAGE. Ik bid u, zet de grap niet verder voort.— Sir John, wat zegt ge wel van Windsors vrouwtjes?— Man, zie eens, staat dit fraaie hoofdsieraad Niet beter in het woud dan in de stad?
FORD. Wel, Sir, wie is nu de hoorndrager?—Mijnheer Beek, Falstaff is een schelm, een hoorndragende schelm; daar zijn zijn horens, mijnheer Beek; en mijnheer Beek, hij heeft niets van Ford genoten dan zijn waschmand, zijn knuppel en twintig pond in goud, die aan den heer Beek moeten terugbetaald worden; zijn paarden zijn er voor in beslag genomen, mijnheer Beek. 119
JUFFROUW FORD. Sir John, wij hebben het recht ongelukkig getroffen; wij konden maar geen samenkomst hebben. Ik zal u nooit meer tot hartelief nemen; maar mijn hert, dat blijft gij altijd.
FALSTAFF. Ik begin te gelooven, dat men een ezel van mij gemaakt heeft.
FORD. Ja, en een os ook; van beide zijn de bewijzen voorhanden.