De stille kracht

Part 7

Chapter 73,944 wordsPublic domain

Mevrouw Van Oudijck had beloofd nog een paar dagen te Patjaram te blijven, en zij zag hier eigenlijk tegen op, niet geheel thuis in dit element van ouderwetsche Indieschheid. Maar toen Addy verscheen, bezon zij zich. In het diepste geheim van zichzelve eerediende deze vrouw hare zinnelijkheid als in den tempel van haar egoïsme, offerde deze melkblanke kreole al het intieme van hare roze verbeelding, van haar onbluschbaar verlangen en in die eeredienst was zij als gekomen tot een kunst, een kennis, een wetenschap: die van met een enkelen blik vast te stellen, voor zich, wat haar aantrok in den man, die haar naderde; in den man, die haar voorbijging. In den eene was het zijn houding, was het zijn stem; in den andere was het de lijn van zijn nek op zijn schouders; in een derde was het zijn hand op zijn knie; maar wat het ook was, zij zag het dadelijk, met een enkelen blik; zij wist het oogenblikkelijk in een enkele seconde, zij had den voorbijganger geoordeeld in een ondeelbaar oogenblik, en zij wist dadelijk wien zij verwierp—en dat waren de meesten—en wien zij waardig keurde,—en dat waren er velen. En wien zij verwierp in dat ondeelbare oogenblik van haar opperste gerecht, met dien enkelen blik, in die enkele seconde, behoefde ook nooit te hopen: zij, priesteres, liet hem niet toe in den tempel. Voor de anderen was de tempel open, maar alleen achter het gordijn van hare correctheid. Hoe brutaal ook, zij was altijd correct, de liefde was altijd geheim; voor de wereld was zij niet anders dan de innemend glimlachende rezidentsvrouw, een beetje indolent; en die iedereen overwon met haar glimlach. Zag men haar niet, dan sprak men kwaad van haar; zag men haar, dan had zij dadelijk overwonnen. Tusschen allen, met wie zij het geheim van hare liefde deelde, was als een vrijmetselarij, als een mysterie van eeredienst: nauwlijks, even met elkaâr, fluisterden zij een paar woorden, bij eene zelfde herinnering. En glimlachend, melkblank, rustig, kon Léonie zitten in een grooten cirkel, om een marmeren tafel, met minstens twee, drie mannen, die wisten van het geheim. Het verstoorde niet hare rust en het bedierf niet haar glimlach. Zij glimlachte tot vervelens toe. Nauwlijks gleed haar blik van den een naar den ander, en oordeelde zij nog eens even na, met haar onfeilbare kennis van oordeel. Nauwlijks wolkten bij haar op de herinneringen aan de verleden uren, nauwlijks gedacht zij de afspraak voor den volgenden dag. Het was het geheim, dat alleen bestond in het mysterie van het samen-zijn, en dat immers nooit werd gesproken voor de profane wereld. Zocht in den cirkel een voet den hare, zij trok den hare terug. Zij flirtte nooit, zij was zelfs wel eens een beetje vervelend, stijf, correct, glimlachend. In de vrijmetselarij tusschen de geïnitieerden en haar gaf zij het mysterie bloot, maar voor de wereld, in de cirkels om de marmeren tafels, gaf zij zelfs geen blik, geen handdruk, zweemde haar japon zelfs geen broekspijp aan.

Zij had zich die dagen verveeld te Patjaram, waar zij de invitatie voor het maal-feest had aangenomen, omdat zij vroegere jaren al geweigerd had, maar nu zij Addy zag naderen, verveelde zij zich niet meer. Natuurlijk kende zij hem al jaren lang en had zij hem zien opgroeien van kind tot jongen, tot man, en had zij hem als jongen zelfs wel eens gezoend. Al lang had zij hem geoordeeld, den verleider. Maar nu, terwijl hij kwam in den aureool van den zonneschijn, oordeelde zij hem nog eenmaal: zijn mooie, slanke dierlijkheid en het gloeien van zijn verleidersoogen in het schaduw-bruin van zijn jonge Moorengezicht, de krullende zwelling van zijn zoenlippen met het jonge dons van zijn knevel; het tijgersterke en lenige van zijn Don-Juanleden: het vlamde haar alles tegen, zoodat zij de oogen knipte. Terwijl hij groette, zich zette, een vroolijkheid van woorden rondgooide in dien cirkel vol loome spraak en sluimerende gedachten,—alsof hij een handvol van zijn zonneschijn, van het stofgoud zijner verleiding rondsmeet over allen, alle die vrouwen: moeder en zusters en nichtjes en Doddy en Léonie,—zag Léonie hem aan, zooals zij hem allen aanzagen, en haar blik gleed naar zijn handen. Zij had die handen kunnen zoenen, zij verliefde in eens op dien vorm van vingers, op die bruine tijgerkracht van palm; zij verliefde in eens op geheel het jonge wilde-dierachtige, dat als een geur van mannelijkheid wademde uit geheel dien jongen. Zij voelde haar bloed kloppen, nauwlijks betoombaar, trots hare groote kunst zich koel en correct te houden, in de cirkels om de marmeren tafels. Maar zij verveelde zich niet meer. Zij had een doel voor de volgende dagen. Alleen... zoo klopte haar bloed, dat Theo haar blos had gezien en de trilling van hare oogleden. Verliefd als hij op haar was, had zijn oog haar ziel doordrongen. En toen zij opstonden om te rijsttafelen, in de achtergalerij, waar de baboe’s al hurkten om in steenen potjes met stampers ieders verschillende oelèk [31] te wrijven, beet hij haar alleen dit woord toe:

—Pas op!!

Zij schrikte; zij voelde, dat hij haar dreigde. Dat was nooit gebeurd; allen, die gedeeld hadden in het mysterie, hadden haar altijd ontzien. Zij schrikte zoo, zij was zóo verontwaardigd om dat aanraken van het tempelgordijn—in een galerij vol menschen—dat het borrelde in hare rustige onverschilligheid, en dat zij tot opstand werd gewekt in hare altijd onbezorgde zelfkalmte. Maar zij zag hem aan, en zij zag hem blond, breed, groot, haar man in het jong, zijn Indische bloed alleen zichtbaar in de zinnelijkheid van zijn mond, en zij wilde hem niet verliezen: zij wilde zijn type hebben naast het type van den Moorschen verleider. Zij wilde hen beiden; zij wilde proeven het verschil van hun beider manne-bekoring; dat even ver-Indo’schte Hollandsche blond-en-blanke, en het wilde-dierachtige van Addy. Haar ziel trilde, haar bloed trilde, terwijl de lange rei der schotels plechtstatig rondging. Zij was zoo in opstand, als zij nog nooit was geweest. Het ontwaken uit hare placide onverschilligheid was als een wedergeboorte, als een onbekende emotie. Zij was verwonderd dertig te zijn, en dit voor het eerst te voelen. Een koortsachtige slechtheid bloeide in haar op, als met bedwelmende roode bloemen. Zij zag naar Doddy, zij zat naast Addy; zij kon bijna niet eten, het arme kind, gloeiende van liefde.... O, de Verleider, die maar had te verschijnen...! En Léonie, in die koorts van slechtheid, jubelde te zijn de mededingster van hare zooveel jongere stiefdochter.... Zij zoû voor haar passen, zij zoû zelfs Van Oudijck waarschuwen. Zoû het ooit tot een huwelijk komen? Wat kon het haar schelen: wat deerde haar, Léonie, huwelijk?! O, de Verleider! Nooit had zij hem, den oppersten, zoo gedroomd in haar roze uren van siësta! Dat was geen charme van cherubijntjes; dat was de sterke lucht van een tijgerbekoring: het goudgevonkel van zijn oogen, de spierlenigheid van zijn sluipende klauw.... En zij glimlachte tegen Theo, met éen blik van zich-geven: gróote zeldzaamheid in den cirkel van rijst-etende menschen. Zij gaf zich anders nooit, in publiek. Nu gaf zij zich even, blij om zijn jalouzie. Zij hield ook razend van hem. Zij vond het heerlijk, dat hij bleek en boos zag, van ijverzucht. En om haar heen was de zonnemiddag éen gloed en de sambal prikkelde haar droog verhemelte. Een licht zweet parelde aan hare slapen, hare borst perelde onder de kant der kabaai. En zij had tegelijk henbeiden willen omhelzen, Theo en Addy, in eene omhelzing, in éene mengeling van verschillende lust, ze beiden drukkende tegen haar lijf aan van liefdevrouw....

III.

Die nacht was als een dons van fluweel, loom neêrzevende uit de luchten. De maan, in haar eerste kwartier, vertoonde een heel smalle sikkel, horizontaal, als een Turksche halve-maan, aan wier punten het onverlichte gedeelte der schijf zich naïf uitstippelde tegen den nacht. Een lange laan van tjemara’s strekte zich uit voor het landhuis, de stammen recht, het loover als uitgeplozen pluche en gerafeld fluweel, watte-achtig gedot tegen de wolken aan, die laag drijvende al een maand te voren de naderende regenmoesson aankondigden. Woudduiven kirden soms en een tokkè sloeg, eerst met twee rammelende voorslagen, als bereidde hij zich; dan met zijn vier-, vijfmaal herhaalden roep van:

—Tokkè, tokkè....! eerst krachtig, dan buigende en verzwakkende....

De gardoè [32] in zijn huisje vóor aan den grooten weg, waaraan de slapende passer [33] nu zijn leêge stalletjes plekte, sloeg elf houten slagen op zijn tong-tong [34], en toen nog een heel laat karretje ging voorbij, riep hij met een schorre stem:

—Werr-da!

De nacht was als een dons van fluweel, loom neêrzevende uit de luchten, als een omwemelende geheimzinnigheid, als een beklemmende aandreiging van toekomst. Maar in die geheimzinnigheid, onder de geplozen zwarte watten, het gerafelde pluche der tjemara’s, was als een onontkoombare verlokking tot liefde, in den windloozen nacht, als een fluisteren om dit uur niet te laten voorbijgaan.... Wel als een spotgeest sarde de tokkè, droog komiek doende, en de gardoè met zijn: werda! deed schrikken, maar zachtjes kirden de woudduiven en geheel de nacht was als éen dons van fluweel, als éen groote alkoof, die het pluche der tjemara’s gordijnden, terwijl de zwoelte der verre regenwolken—die geheele maand aan den einder—omduizelde met een drukkenden toover. Geheimzinnigheid en betoovering dreven in den donzenden nacht, zeefden neêr in de alkoof, die schemerde, versmeltende alle denken en ziel en warm vizioenende voor de zinnen....

De tokkè zweeg, de gardoè dommelde in: de donzen nacht heerschte, als een tooveres, gekroond met de sikkel der maan. Zij liepen zacht aan, twee gestalten van jeugd, de armen om elkaârs middel, mond zoekende mond in het dwingen van de betoovering. Zij schaduwden aan onder het geplozen fluweel der tjemara’s, en zacht, in hun witte kleêren, blankten zij aan, als het paar van liefde, dat eeuwig is, en zich altijd herhaalt, overal. En hier vooral was het paar van liefde als onvermijdelijk in den toovernacht, was het als éen met den nacht, opgeroepen door de tooveres, die heerschte—; hier was het fataal, opgebloeid als een dubbele bloem van noodlotliefde, in het donzen mysterie der dwingende luchten.

En de Verleider scheen te zijn de zoon van dien nacht, de zoon van die onontkoombare koningin van den nacht, die het meisje, zwak, voerde meê. In hare ooren scheen de nacht te zingen met zijn stem en hare kleine ziel smolt vol van hare zwakte, in de magische machten. Zij liep-aan tegen zijn zijde, voelende zijne lijfswarmte dringen door hare verlangende maagdelijkheid heen, en haar blik zwom naar hem op, met de smachtingen van haar vonkel-iris, die op-diamantte in haar pupil. Hij, dronken door de macht van den nacht, de tooveres, die was als zijn moeder, dacht haar eerst verder te voeren, aan geen werkelijkheid meer denkende, zonder ontzag meer voor haar, zonder vrees meer voor wie ook—dacht haar verder te voeren, voorbij de gardoè, die dommelde, over den grooten weg, in de kampong, die daar school tusschen de statie-vederbossen der klapperboomen, als het baldakijn hunner liefde—haar te voeren naar een schuilplaats, een huis, dat hij kende, een bamboehut, die men voor hem zoû openen.

Toen zij eensklaps stilhield en schrikte.

En zijn arm omklemde en zich nog dichter drukte tegen hem aan en hem bezwoer van neen, dat zij bang was....

—Waarom? vroeg hij zacht, met zijn stem van fluweel, even donzig diep als geheel de nacht was, waarom dan niet, van nacht, van nacht eindelijk, zonder gevaar zoû het zijn....

Maar zij, ze rilde, ze sidderde en ze smeekte:

—Addy, Addy, neen... neen... ik durf niet verder... ik ben bang, dat de gardoè ons ziet, en dan... daar loopt... een hadji... met een witten tulband op...

Hij zag uit naar den weg; aan den overkant wachtte de kampong onder het baldakijn van de klapperboomen, met de bamboehut, die men zoû openen....

—Een hadji....? Waar Doddy? Ik zie niemand....

—Hij ging over den weg, hij keek naar ons om, hij zag ons, ik zag zijn oogen schitteren en hij is gegaan achter die boomen, in de kampong....

—Lieveling, ik heb niets gezien....

—Jawel, jawel, ik durf niet, Addy: o toe, laat ons teruggaan!!

Zijn mooi Moorsch gezicht verduisterde: hij zag al het hutje zich openen door de oude vrouw, die hij kende, die hem aanbad als iedere vrouw hem aanbad, van zijn moeder af tot zijn kleine nichtjes.

En nog eens poogde hij haar over te halen, maar zij wilde niet, zij bleef staan, zij klampte zich op hare voetjes. Toen keerden zij terug, en zwoeler waren de wolken, laag aan den horizon, en dichter was het dons van den nacht, als een warme sneeuw; voller, zwarter was het gerafel van de tjemara’s. Het landhuis schemerde op, onverlicht, diep in slaap. En hij smeekte haar, hij bezwoer haar hem dien nacht niet te verlaten, dat hij sterven zoû, dien nacht, zonder haar.... Al gaf zij toe, beloofde, hare armen om zijn hals.... toen zij weêr schrikte en weêr uitriep:

—Addy.... Addy.... daar, alweêr.... die witte figuur....

—Je schijnt overal hadji’s te zien! spotte hij.

—Daar dan, kijk....

Hij keek, hij zag waarlijk nu in de donkere voorgalerij een witte figuur hen naderen. Maar het was een vrouw...

—Mama! schrikte Doddy.

Het was werkelijk Léonie en ze kwam langzaam naar hen toe.

—Doddy, zeide zij zacht. Ik heb overal naar je gezocht. Ik ben zoo bang geweest. Ik wist niet waar je was. Waarom ga je zoo laat nog wandelen? Addy.... ging zij zacht voort, lief moederlijkjes als tegen twee kinderen. Hoe kan je zoo doen, en zoo laat nog met Doddy wandelen. Je moet het heusch nooit meer doen, hoor! Ik weet wel, dat het niets is, maar als iemand het zag! Je moet me belooven het nooit meer te doen?!

Zij smeekte het liefjes, innemend verwijtend, doende of zij hen wel begreep, of zij wel wist, dat zij voor elkaâr blaakten in den donzenden toovernacht, in hare woorden hen dadelijk vergevend. Zij zag er uit als een engel, met haar ronde, blanke gezicht in het loshangende golvende blonde haar; in de witte zijden kimono, die in soupele plooien om haar hing. En zij trok Doddy naar zich toe, en zoende het kind, en Doddy’s tranen wischte zij af. En toen, zachtkens, duwde zij Doddy weg, naar hare kamer in de bijgebouwen, waar zij veilig sliep tusschen zoovele andere kamers vol dochters en vol kleinkinderen van de oude mevrouw de Luce. En terwijl Doddy zacht weenend ging, naar de eenzaamheid van die kamer, sprak Léonie nog tegen Addy, zacht verwijtend, liefjes waarschuwend als een zuster nu, terwijl hij, mooi Moorsch bruin, met een verlegen blague voor haar stond. Zij waren in den schemer der donkere voorgalerij en buiten wierookte de nacht de onontkoombare walmen van weelde, van liefde, van donzend mysterie. En zij verweet en zij waarschuwde, en zij zeide, dat Doddy een kind was, en dat hij geen misbruik mocht maken.... Hij haalde zijn schouders op, hij verdedigde zich, met zijn blague: als stofgoud vielen zijn woorden op haar, terwijl als van een tijger zijn oogen vonkelden. Hem overredende toch voortaan arme Doddy te sparen, vatte zij zijne hand—zijn hand, waarop zij verliefd was—zijn vingers, zijn palm, die zij dien morgen, in hare verwarring, had kunnen kussen—en zij drukte die hand en zij weende bijna, en zij smeekte hem genade voor Doddy.... Hij merkte het eensklaps, hij zag haar aan met den bliksem van zijn wilde-dieren-blik en hij vond haar mooi, hij vond haar vrouw, melkblank, en hij wist haar priesteres vol geheime kennis.... En ook over Doddy sprak hij, haar dichter naderende, haar aanvoelende, drukkende tusschen zijn handen hare beide handen, haar doende begrijpen, dat hij begreep. En nog weenende doende en smeekende, leidde zij hem voort en zij opende hare kamer. Hij zag een flauw licht en haar meid, Oerip, die zich door de buitendeur verwijderde, en zich daar te slapen legde, als een trouw dier, op een matje. Toen lachte zij hem tegemoet, en hij, verleider, was verbaasd over den gloed van den lach van die blanke en blonde verleideres, die hare zijden kimono afwierp en als een beeld voor hem stond, naakt, hare armen breidende open....

Oerip, buiten, luisterde even. En zij wilde, glimlachende, zich leggen te slapen, droomende van de mooie sarongs, die de Kandjeng haar morgen zoû geven, toen zij even schrikte en over het erf zag loopen, en verdwijnen in den nacht, een hadji met witten tulband...

IV.

Dien dag zoû de Regent van Ngadjiwa, de jongere broeder van Soenario, op Patjaram een bezoek komen brengen, omdat mevrouw Van Oudijck den volgenden dag vertrok. Men wachtte hem af in de voorgalerij, schommelend om de marmeren tafel, toen zijn rijtuig de lange avenue der tjemara’s binnenratelde. Zij stonden allen op. En nu vooral bleek het hoe hoog de oude Raden-Ajoe, de douairière, in aanzien was, hoe nauw verwant zij was aan den Soesoehoenan zelven, want de Regent stapte uit, en zonder een stap verder te doen, hurkte hij neêr op de eerste trap van de voorgalerij, en maakte eerbiedig de semba, terwijl, achter zijn rug, een volgeling, die de gesloten goud-en-witten pajong als een dichtgestraalde zon ophield, zich nog kleiner maakte en kromp in-een van vernietiging. En de oude vrouw, de Solosche prinses, die weêr de Dalem voor haar oogen zag schitteren, naderde hem, heette den Regent welkom in de hoffelijkheid van het paleis-Javaansch—de taal tusschen vorstelijke gelijken—tot de Regent oprees, en, achter haar, den familiekring naderde. En de wijze, waarop hij toen eerst groette de vrouw van zijn rezident, hoe beleefd ook, was bijna neêrbuigend, vergeleken bij zijn kruiperigheid van zoo even.... Hij zette zich toen tusschen mevrouw de Luce en mevrouw Van Oudijck, en een slepend gesprek begon. De Regent van Ngadjiwa was een ander type dan zijn broeder Soenario: grooter, grover, zonder dat levende wajang-poppige, van dezen: hoewel jonger, zag hij er ouder uit, zijn trekken verstard van hartstocht, zijn oogen verbrand van hartstocht: hartstocht voor vrouwen, voor wijn, hartstocht voor opium, hartstocht vooral voor spel. En een stille gedachte scheen op te vonkelen in dat slepende loome gesprek, zonder idee en de woorden zoo weinig, telkens gescandeerd door het hoffelijke: saja, saja, waarachtig zij allen verborgen hun geheime verlangen.... Men sprak Maleisch, omdat mevrouw Van Oudijck niet Javaansch dorst praten: de fijne, moeilijke taal, vol tinten van etiquette, waaraan nauwlijks een enkele Hollander zich waagt tegenover Javanen van rang. Zij spraken weinig, zij schommelden zacht; een vage glimlach van hoffelijkheid duidde aan, dat ieder meê deed met het gesprek, ook al wisselden alleen mevrouw de Luce en de Regent nu en dan een enkel woord.... Tot zij eindelijk, de de Luce’s, de oude mama, de zoon Roger, de bruine schoondochters, zich niet inhouden konden, zelfs niet voor mevrouw Van Oudijck en verlegen lachten, terwijl dranken en koek werden rondgediend; tot zij, trots hunne hoffelijkheid, elkaâr snel raadpleegden met een paar woorden Javaansch, over Léonie heen, en de oude mama eindelijk haar vroeg, zich niet meester meer, of zij het kwalijk zoû nemen, als zij een oogenblikje speelden. En zij zagen haar allen aan, de vrouw van den rezident, de vrouw van den gezagsman, die, zij wisten het, haatte hun dobbelspel: hun verderf, waarin verongelukte de hoogheid der Javaansche geslachten, die hij hoog wilde houden, trots henzelve. Maar zij, te onverschillig, dacht er niet aan met een enkel woord van tactvolle scherts hen te weêrhouden, haar man te wille: zij, de slavin van haar eigen hartstocht, liet hen slaven zijn van den hunne, in de wellust van hun slavernij. Zij glimlachte alleen, en duldde gaarne, dat in den schemer van de wijde vierkante binnengalerij zich de spelers trokken terug; de dames, nu begeerig tellende haar geld in haar zakdoek, wisselende bij de heeren, tot zij zich zetten dicht bij elkaâr, en, de oogen op de kaarten, de oogen spiedende in elkanders oogen, speelden en speelden eindeloos door, winnende, verliezende, betalende of opstrijkende, den zakdoek met geld even open en weêr dicht, zonder woorden, alleen met het klein vierkant gedwarrel der kaarten, in den schemer van het binnenvertrek. Speelden zij slikoer of „stooteren”? Léonie wist het niet, onverschillig, ver van die passie en blij, dat Addy naast haar bleef en Theo jaloersch hem aanzag. Wist hij wat, vermoedde hij iets; zoû Oerip altijd zwijgen? Zij genoot in de emotie en zij wilde hen beiden, zij wilde blank en bruin beide, en dat Doddy zat aan de andere zijde van Addy en, bijna verkwijnd, schommelde, deed haar een acuut en slecht pleizier. Wat was er anders in het leven, dan zich te laten gaan naar den drang van zijn weelde-verlangen? Zij had geen ambitie, onverschillig voor het hooge van hare pozitie; zij, de eerste vrouw der rezidentie, die al haar verplichting schoof op Eva Eldersma, wie het geen aandoening gaf, dat honderden op de receptie’s te Laboewangi, te Ngadjiwa en elders haar begroetten met eene plichtpleging, die zweemde naar vorstelijk eerbetoon,—die stilletjes, in haar roze pervers gedroom—een roman van Mendès in de handen—lachte om die overdrijving der binnenlanden, waarin de rezidentsvrouw een koningin kan zijn. Zij had geene andere ambitie dan den man te hebben, dien zij waardig koos; geen ander zieleleven dan de eeredienst van haar lichaam, als een Afrodite, die priesteres van zichzelve zoû zijn. Wat kon het haar schelen of zij daar speelden, of de Regent van Ngadjiwa zich verwoestte! Zij vond het integendeel belangrijk op zijn verteerd gezicht die verwoesting gade te slaan en zij zoû zorgen zichzelve nog meer dan gewoonlijk te verzorgen, zich door Oerip te laten masseeren haar gelaat en haar leden, door Oerip nog meer te laten bereiden de blanke liquide bedak, de wondercrême, tooverzalf, waarvan Oerip wist het geheim en die het vleesch hield hard en rimpelloos en blank als een mangistan. Zij vond het belangwekkend den Regent van Ngadjiwa te zien opbranden als een kaars, dom, versuft van vrouwen, wijn, opium, kaarten, misschien van kaarten het meest, van het versuffende turen op kaarten, dobbelende, de kans berekenend, die niet te berekenen was, bijgeloovig berekenend, uittellende volgens de wetenschap der petangans [35] den dag, het uur, dat hij spelen moest om te winnen, het aantal van de medespelers, de hoeveelheid van zijn inzet... Nu en dan zag zij ter sluiks naar de gezichten der spelers, in de binnengalerij verdonkerd in schemer en winzicht, en zij bedacht, wat Van Oudijck zoû zeggen, hoe boos hij zoû zijn, als zij hem hiervan vertelde.... Wat deerde het hem of die Regentenfamilie zich ruïneerde? Wat deerde haar zijn politiek, de geheele Hollandsche politiek, die zoo gaarne in waardig aanzien houdt den Javaanschen adel, door welken zij de bevolking regeert? Wat deerde haar of Van Oudijck, denkende aan den ouden nobelen Pangéran, weemoed voelde om den zichtbaren ondergang zijner kinderen? Haar deerde het alles niets, haar deerde nu alleen zichzelve, en Addy, en Theo. Zij zoû dien middag haar stiefzoon, haar blonde, toch zeggen, niet zoo jaloersch te zijn. Het werd zichtbaar, zij was zeker, dat Doddy het zag. Had zij gisteren het arme kind niet gered? Maar hoe lang zoû dat smachten duren? Zoû zij Van Oudijck liever niet waarschuwen, als een goede, voorzichtige moeder...? Hare gedachten dwaalden loom; de morgen was broeiend, in die laatste zengende dagen der Oostmoesson, wanneer klamheid op de leden parelt. Dan trilde haar lichaam. En Doddy latende met Addy, troonde zij Theo meê, en berispte hem, dat hij zoo jaloersch keek van machtelooze woede. Zij maakte zich een beetje boos en vroeg wat of hij wilde....

Zij waren terzijde van het huis gegaan, in de lange zijgalerij; daar waren apen in een kooi, pisangschillen er om heen gestrooid, van de vruchten, die de beesten gegeten hadden, door de kleinkinderen gevoed.