De stille kracht

Part 6

Chapter 63,811 wordsPublic domain

—Zoo zoo, zei Frans van Helderen. Ik geloof niet, dat het goed voor haar is het weêr te doen. Zij werd telkens wakker met een schrik, ze viel me om den hals en vroeg vergeving, ik weet niet waarom.

—Het heeft mij heelemaal niet nerveus gemaakt, zei Eva. Hoewel ik er niets van begrijp....

Zij opende de goedang, zij riep hare kokkie, bedisselde met deze het eten. De kokkie was latta [16], en Eva had er pleizier in de oude meid te plagen.

—La.... la-illa-lala! riep zij en de kokkie schrikte en riep terug, herstelde zich oogenblikkelijk, vergiffenis smeekend.

—Boeang, kokkie, boeang! [17] riep Eva en de kokkie, gesuggereerd, gooide een tetampa [18] met ramboetans en mangistans neêr, dadelijk zich herstellende, smeekende, de verspreide vruchten oprapend—en haar hoofd schuddende en smakkende met de tong.

—Kom, ga meê! zei Eva tot Frans. Anders breekt ze me straks mijn eieren. Ajo, kokkie, kloear! [19]

—Ajo, kloear! herhaalde de latta kokkie. Alla, njonja, minta ampon [20], njonja, alla soeda njonja!

—Kom nog even zitten, vroeg Eva.

Hij volgde haar.

—U is zoo vroolijk, zeide hij.

—U niet?

—Neen, ik ben melancholiek, den laatsten tijd.

—Ik ook. Dat zei ik je gisteren. Het ligt in de lucht van Laboewangi. Wij moeten maar alles van onzen tafeldans verwachten.

Zij zetten zich in de achtergalerij. Hij zuchtte.

—Wat is er? vroeg zij.

—Ik kan het niet helpen, zeide hij. Ik hoû van je, ik heb je lief.

Zij zweeg even.

—Alweêr, zeide zij verwijtend.

Hij antwoordde niet.

—Ik heb je gezegd, ik heb geen liefdenatuur. Ik ben koud. Ik hoû van mijn man, van mijn kind. Laat ons vrienden zijn, Van Helderen.

—Ik strijd er tegen: het geeft niets.

—Ik hoû van Ida, ik zoû haar voor niets ter wereld ongelukkig willen maken.

—Ik geloof niet, dat ik ooit van haar gehouden heb.

—Van Helderen....

—Misschien alleen van haar mooie gezichtje. Maar hoe blank ook, zij is een nonna. Met haar kuurtjes, haar kinderachtige tragiekjes. Ik heb dat vroeger zoo niet ingezien. Nu zie ik het in. Ik heb wel voor u Europeesche vrouwen ontmoet. Maar u is mij een openbaring geweest, van al het bekoorlijke, gratieuze, artistieke in een vrouw.... Wat in u exotisch is, sympathizeert aan mijn exotisme.

—Ik stel je vriendschap op hoogen prijs. Laat dat zoo blijven.

—Soms ben ik net gek, soms droom ik.... dat wij samen in Europa reizen, in Italië, in Parijs zijn. Soms zie ik ons zamen, in een dichte kamer, bij een vuur, u pratende over kunst en ik over het modern-sociale van dezen tijd. Maar daarna zie ik ons intiemer.

—Van Helderen....

—Het geeft mij niet meer of u mij waarschuwt. Ik heb je lief, Eva, Eva....

—Ik geloof, dat in geen land zooveel lief wordt gehad als in Indië. Het is zeker door de warmte...

—Verpletter me niet onder je sarcasme. Geen vrouw heeft ooit zoo tot mijn geheele ziel en lichaam gesproken als jij, Eva....

Zij haalde de schouders op.

—Wees niet boos, Van Helderen, maar ik kàn niet tegen die banaliteiten. Laat ons verstandig zijn. Ik heb een charmante man, jij een lief vrouwtje. Wij zijn onderling goede, gezellige vrienden.

—Je bent zoo koel.

—Ik wil ons geluk van vriendschap niet bederven.

—Vriendschap!

—Vriendschap. Er is niets wat ik buiten het geluk in mijn huis zoo hoog waardeer. Ik zoû zonder vrienden niet kunnen leven. Gelukkig met mijn man, met mijn kind, heb ik daarna vrienden het eerst noodig.

—Om je te bewonderen, om over ze te heerschen, zei hij boos.

Zij zag hem aan.

—Misschien, zeide zij koel. Ik heb misschien behoefte bewonderd te worden en te heerschen. Wij hebben allen onze zwakheden.

—Ik heb de mijne, sprak hij bitter.

—Kom, sprak zij, liever. Laat ons goede vrienden blijven.

—Ik voel mij diep ongelukkig, zeide hij dof. Het is of ik alles gemist heb in mijn leven. Ik ben nooit van Java afgeweest, en ik voel iets onvolkomens in mij, omdat ik nooit sneeuw en ijs heb gezien. Sneeuw... dat is mij iets als een vreemde, onbekende zuiverheid. Waarheen ik verlang, kom ik zelfs nooit langs. Wanneer zie ik Europa? Wanneer dweep ik niet meer met den Trouvère en ben ik eens te Bayreuth? Wanneer bereik ik jou, Eva. Ik strek naar alles voelhorens uit, als een insect zonder vleugels... Wat is verder mijn leven. Met Ida, met drie kinderen, in wie ik hun moeder voorzie, jaren lang controleur blijven, dan—misschien, assistent-rezident worden... en het blijven. En dan eindelijk ontslag krijgen, of vragen, en te Soekaboemi gaan wonen, vegeteerende op een klein pensioen. Ik voel in mij alles verlangen naar het ledige...

—Je hebt toch je werk lief, je bent een goed ambtenaar. Eldersma zegt het altijd: wie in Indië niet werkt en zijn werk niet liefheeft, is verloren....

—Jij hebt geen natuur van liefde, en ik heb er geen van werken, van niets dan werken. Ik kan werken voor een doel, dat ik mooi voor mij zie, maar ik kan niet werken... om te werken en de leêgte van mijn leven te vullen.

—Je doel is Indië...

Hij haalde de schouders op.

—Een groot woord, zeide hij. Dat kan zijn voor iemand als de rezident, wien het meêloopt in zijn carrière, die nooit heeft zitten turen op ranglijsten en heeft zitten speculeeren, op den een zijn ziekte en den ander zijn dood.... om promotie. Voor iemand als Van Oudijck, die waarlijk, in volle idealistische eerlijkheid meent, dat zijn doel Indië is, niet voor Holland, maar voor Indië zelf; voor den Javaan, dien hij, ambtenaar, beschermt tegen de willekeur van landheeren en planters. Ik ben cynischer aangelegd....

—Maar wees niet lauw over Indië. Het is geen groot woord: ik voel het zoo. Indië is geheel onze grootheid, van ons, Hollanders. Hoor vreemdelingen spreken over Indië, zij zijn allen verrukt over de glorie ervan, over onze wijze van kolonizeeren.... Doe niet meê met onzen ellendigen Hollandschen geest in Holland, die niets van Indië weet, die altijd een woord van spot heeft voor Indië, in hun kleine, stijve, burgerlijke engdenkendheid....

—Ik wist niet, dat u zoo met Indië dweepte. Gisteren nog voelde u hier angst, en verdedigde ik mijn land....

—O, ik voel er de huivering van, de geheimzinnigheid in den avond, waarin iets schijnt aan te dreigen, ik weet niet wat: een bange toekomst, een gevaar voor ons, voor ons.... Ik voel, dat ik—persoonlijk—ver van Indië af blijf staan, al wil ik het niet.... Dat ik hier mis kunst, dat, waarin ik werd opgevoed. Dat ik hier mis in het leven van de menschen de mooie lijn, waarop mijn beide ouders mij altijd wezen.... Maar onrechtvaardig ben ik niet. En Indië, als onze kolonie, vind ik groot; ons, in onze kolonie, vind ik groot....

—Vroeger misschien, nu verongelukt alles, nu zijn wij niet groot meer. U is een artistieke natuur: u zoekt, niettegenstaande u ze zelden vindt, tòch altijd de artistieke lijn in Indië. En dan komt dat groote, die glorie u voor den geest. Dat is de poëzie. Het proza is: een reusachtige maar uitgeputte kolonie, steeds uit Holland bestuurd met éen idee: winstbejag. De werkelijkheid is niet: de overheerscher groot in Indië, maar de overheerscher kleine armzielige uitzuiger; het land uitgezogen, en de werkelijke bevolking—niet de Hollander, die zijn Indiesch geld opmaakt in Den Haag; maar de bevolking, de Indosche bevolking, verknocht aan den Indischen grond,—neêrgedrukt in de minachting van den overheerscher, die éens die bevolking uit zijn eigen bloed verwekte—maar nú dreigende op te staan uit dien druk en die minachting.... U, artistiek, voelt het gevaar naderen, vaag, als een wolk, in de lucht, in den Indischen nacht; ik zie het gevaar al heel werkelijk oprijzen—voor Holland—zoo niet van Amerika en van Japan uit, dan uit Indië’s eigen grond.

Zij glimlachte.

—Ik hoû ervan als je zoo praat, zeide zij. Ik zoû je eindelijk gelijk geven.

—Als ik met praten zoovéel bereiken kon! lachte hij bitter, opstaande. Mijn half uur is om: de rezident wacht mij en hij houdt er niet van een enkele minuut te wachten. Adieu, vergeef mij.

—Zeg mij, zeide zij; ben ik coquet?

—Neen, antwoordde hij. U is die u is. En ik kan niet anders, ik heb u lief.... Ik strek mijn arme voelhorens uit, altijd. Dat is mijn noodlot....

—Ik zal u helpen mij te vergeten, zeide zij, met een lieve overtuiging.

Hij lachte even, groette, ging. Zij zag hem oversteken den weg naar het rezidentie-erf, waar een oppasser hem tegemoet kwam....

—Eigenlijk is het leven toch éen zelfbedrog, éen dwalen in illuzie, dacht zij droef, melancholiek. Een groot doel, een werelddoel.... of een klein doel voor zichzelf, voor zijn eigen lijf en ziel.... o God, wat is alles weinig! En wat dwalen wij rond, zonder iets te weten. En elk zoekt zich zijn doeletje, zijn illuzie. Gelukkig is alleen een exceptie, als Léonie van Oudijck, die leeft niet meer dan een mooie bloem, een mooi beest.

Haar kindje dribbelde naar haar toe, een aardige, dikke, blonde jongen.

—Kind! dacht zij. Wat zal het jou zijn? Wat zal jouw beurt je geven? Ach, misschien niets nieuws. Misschien een herhaling van wat al zooveel malen geweest is. Het leven is een roman, die zich telkens herhaalt.... O, als men zich zoo voelt, dan drukt Indië!

Zij omhelsde haar jongen, hare tranen dropen in zijn blonde krulletjes.

—Van Oudijck zijn rezidentie; ik mijn kringetje van.... bewondering en heerschen;... Frans zijn liefde... voor mij... wij hebben allen ons speelgoed, zooals mijn kleine Onno met zijn paardje speelt. Wat zijn wij weinig, wat zijn wij weinig...! Ons geheele leven lang stellen wij ons aan, verbeelden ons van alles, denken lijn en richting en doel te geven aan ons arme dwaalleventje. O, hoe kom ik zoo, mijn kind? Mijn kind, en wat, wat zal het jou zijn??

DERDE HOOFDSTUK.

I.

Vijftien paal van Laboewangi, dertien paal van Ngadjiwa lag de suikerfabriek Patjaram, van de familie de Luce—half Indosch, half Solosch—vroeger millionair, door de laatste suikercrizis niet zoo rijk meer, maar toch nog een talrijk huisgezin onderhoudend. In deze familie, die zich steeds bij elkander hield—een oude moeder en grootmoeder, Solosche prinses; de oudste zoon, administrateur; drie dochters getrouwd en met haar mannen—employé’s—levende in de schaduw der fabriek; drie jongere zonen, werkzaam op de fabriek; de talrijke kleinkinderen, spelende om en bij de fabriek; de achterkleinkinderen kiemende om en bij de fabriek—in deze familie waren de oude Indische tradities bewaard, die—vroeger algemeen—tegenwoordig zeldzamer worden door een drukker Europeesch verkeer. De moeder-en-grootmoeder was een dochter van een Soloschen prins, getrouwd met een jongen, energieken avonturier en bohémien, van een adellijke Fransche familie uit Mauritius, Ferdinand de Luce, die, na eenige jaren zwerven en zoeken zijn plaats in de wereld, als hofmeester op een boot naar Indië was getogen, na allerlei levensverwisseling gestrand was te Solo en er beroemd was geworden om een gerecht van tomaten, en een van gefarceerde lomboks! [21] Door zijn recepten verschafte Ferdinand de Luce zich toegang tot den Soloschen prins, wiens dochter hij later huwde, en zelfs tot den ouden Soesoehoenan. Na zijn huwelijk was hij grondbezitter geworden, volgens den Soloschen adat vazal van den Soesoehoenan, wien hij iederen dag rijst en vruchten voor de huishouding der Dalem [22] zond. Toen had hij zich gelanceerd in de suiker, radende de millioenen, die een goedgunstig lot voor hem verborgen hield. Hij was gestorven vóor de crizis, in allen rijkdom en eer.

De oude grootmoeder, in wie niets meer de jonge prinses herinnerde, die Ferdinand de Luce getrouwd had om vooruit te komen, werd door de bedienden en het Javaansche personeel van de fabriek nooit anders dan met een kruipenden eerbied genaderd, en ieder gaf haar den titel van Raden-Ajoe Pangéran. Zij sprak geen woord Hollandsch. Gerimpeld als een verschrompelde vrucht, met hare verdoofde oogen en hare verlepte sirih-mond, leefde zij rustig hare laatste jaren voort, altijd in een donkeren zijden kabaai, met juweelen gesloten aan hals en nauwe mouwen, vóor hare getaanden blik het vizioen van haar vroegere Dalem-grootheid, door haar verlaten uit liefde voor dien Franschen edelman-kok, die haar vader verlekkerd had met zijn recepten; in haar gedoofd gehoor het aanhoudend geruisch der centrifuges—als van stoombootschroeven—gedurende den maandenlangen maal-tijd—om zich heen haar kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen; de zonen en dochteren door de bedienden genoemd Raden en Raden-Adjeng, allen nog altijd omgeven door den bleeken aureool van hunne Solosche afkomst. De oudste dochter was gehuwd met een volbloed, blonden Hollander; de zoon, die op haar volgde, met een Armeniaansch meisje; de twee andere dochters waren gehuwd met Indo’s, beiden bruin, hunne kinderen, bruin,—getrouwd, en ook kinderen hebbend—zich mengende met de blonde familie der oudste dochter; en de glorie der geheele familie was de jongste zoon-en-broeder, Adrien of Addy, die Doddy van Oudijck het hof maakte, en, trots de drukte van den maal-tijd, telkens te Laboewangi was.

In deze familie waren bewaard gebleven traditie’s, die al uitgestorven zijn,—zooals men zich ze herinnert bij Indische familie’s van jaren her. Hier vond men nog, op het erf, in de achtergalerij de tallooze baboe’s, van wie er eene alleen bedak fijn wrijft, een andere voor doepa [23] zorgt, een derde sambal stampt, allen met droomende oogen, met lenige, spelende vingers. Hier was het nog, dat de rei der schotels aan de rijsttafel geen einde nam; dat een lange rei bedienden—de een na den ander—weêr een andere sajoer, weêr een andere lodèh [24], weêr een andere ajam [25] plechtig ronddiende, terwijl, achter de dames gehurkt, de baboe’s in een aarden tjobè [26] sambal wreven naar de verschillende smaken en eischen der verwende verhemeltetjes. Hier was het nog de gewoonte, dat, als de familie de races bijwoonde te Ngadjiwa, elk der dames verscheen met een baboe achter zich, langzaam, lenig, plechtig; de eene baboe met een bedak-potje, de andere met een pepermunt-bonbonnière—een binocle—een waaier—een flacon, als een hofstoet met rijks-insignieën. Hier vond men ook nog de gastvrijheid van vroeger; de rei logeerkamers open voor wie aanklopte; hier kon men blijven zoolang men wilde; niemand vroeg naar reisdoel, naar datum van vertrek. Een groote eenvoud van ziel, een alomvattende hartelijkheid, gedachteloos en ingeboren, heerschte hier met een grenzelooze verveling en matheid, de ideeën geene, de woorden weinige, de zachte glimlach vergoedende idee en woord; het materieele leven zat-vol, den geheelen dag rondgedien van koele dranken en kwee-kwee’s en roedjak, drie baboe’s apart aangewezen om roedjak te maken en kwee-kwee. Tal van dieren over het erf: een kooi vol apen, eenige lorre’s, honden, katten, tamme badjings, en een kantjil: een klein exquis hertje, dat vrij rondliep. Het huis, gebouwd aan de fabriek, in den maal-tijd dreunende van het machine-gedruisch—het stoomboot-schroefgeluid—was ruim en met de oude, ouderwetsche meubels gemeubeleerd: de lage houten bedden met vier gesculpteerde klamboestijlen [27], de tafels met dikke pooten, de wipstoelen met bizonder ronde ruggen,—alles zooals men het niet meer zoû kunnen koopen, alles zonder éen moderne tint, behalve—alleen gedurende den maal-tijd—het electrische licht in de voorgalerij! De bewoners, altijd ongekleed, de heeren in het wit of blauw-gestreept; de dames in sarong en kabaai, zich bezig houdende met aap of lorre of kantjil, in eenvoud van ziel, met altijd de zelfde lieve aardigheid, langzaam en slepend, en het zelfde zachte lachje. De hartstochten, die er wel waren, sluimerden in, in dien zachten glimlach. Dan, de maal-tijd voorbij, alle drukte voorbij—als de rissen der suikerkarren, getrokken door de prachtige sappi’s [28], met glanzende bruine huiden, altijd en altijd meer riet aangebracht hadden over den met ampas [29] bedekten weg, die vernield was door de breede karresporen—; de bibit [30] voor het volgende jaar gekocht, de machines stil—plotselinge herademing uit den stagen arbeid, de zoo lange, lange Zondag, de rust van maanden, de behoefte aan feest en pret: het groote diner bij de landvrouw, met een bal en tableaux-vivants; het geheele huis vol gasten, die bleven en bleven, bekend en onbekend: de oude, gerimpelde grootmama, de landvrouw, de Raden-Ajoe, mevrouw de Luce, hoe men haar ook noemen wilde—beminnelijk met hare doffe oogen en haar sirih-mond, beminnelijk tegen iedereen, achter zich steeds een anak-mas, een „gouden kindje,” een opgenomen, arm prinsesje, dat haar, de groote prinses uit Solo, een gouden sirih-doos achterna droeg: een klein slank vrouwtje van acht jaar, het voorhaar met een franje geknipt, met natte bedak het voorhoofd geblankt, al ronde borstjes onder het roze zijden kabaaitje en de gouden miniatuur-sarong om de smalle heupjes, als een poppetje, een speelgoed voor de Raden-Ajoe, mevrouw de Luce, douairière de Luce. En voor de kampongs de volksfeesten, een al-oude mildheid, waarin geheel Patjaram deelde: volgens de traditie der millioenentijd, die altijd werd nagekomen, trots crizis en malaise.

Het was nu na den maal-tijd en na de feesten een betrekkelijke rust in huis, en eene slepende Indische kalmte was ingetreden. Maar voor de feesten waren overgekomen mevrouw Van Oudijck, Theo en Doddy en zij logeerden gedurende enkele dagen nog te Patjaram. Om de ronde marmeren tafel, waarop glazen stroop, limonade, whiskey-soda zat een groote cirkel van menschen: zij spraken niet veel, zij schommelden behagelijk op en neêr, nu en dan wisselend een enkel woord. Mevrouw de Luce en mevrouw Van Oudijck spraken Maleisch, maar niet veel: een zachte, goedmoedige verveling zeefde neêr op zoo vele schommelende menschen. Vreemd was het te zien die verschillende types; de mooie melkblanke Léonie naast de geel gerimpelde Raden-Ajoe-douairière; Theo, Hollandsch blank en blond met zijn volle lippen van sensualiteit, die hij van zijne nonna-moeder had; Doddy, als een rijpe roos al met hare vonkel-irissen in de zwarte pupillen; de zoon-administrateur, Achille de Luce,—groot, forsch, bruin,—wiens gedachte alleen ging over zijn machinerieën en zijn bibit; de tweede zoon, Roger,—klein, mager, bruin,—boekhouder, wiens gedachte alleen ging over de winst van dat jaar, met zijn Armeniaansche vrouwtje; de oudste dochter, al oud,—dom leelijk, bruin,—met haar volbloed Hollandschen man, die er uitzag als een boer; de andere zonen en dochteren, in alle nuances van bruin, en niet dadelijk uit elkaâr te kennen; om hen heen de kinderen, de kleinkinderen, de baboe’s, de kleine gouden pleegkinderen, de lorre’s en de kantjil—en over al deze menschen en kinderen en beesten als uitgeschud éene goedhartigheid van samenleving, maar ook over alle de menschen éen trots op hun Solosche stammoeder, die achter hun aller hoofden een bleeken aureool van Javaansche aristocratie deed glimmen, waarop niet het minst fier waren de Armeniaansche schoondochter en de boersch Hollandsche schoonzoon.

Het levendigst van al deze, door lang patriarchaal samenleven in elkaâr versmeltende elementen, was de jongste zoon, Adrien de Luce, Addy, in wien het bloed van de Solosche prinses en dat van den Franschen avonturier zich harmonieus vermengd hadden, menging, die hem wel geen hersenen had gegeven, maar een mooiheid van jongen sinjo, met iets van een Moor, iets verleidelijk zuidelijks, iets Spaansch,—alsof in dit laatste kind de beide zoo vreemde elementen van ras zich voor het eerst harmonieus hadden gepaard, voor het eerst zich hadden gehuwd in volkomen bekendheid met elkaâr—alsof in hem, dit laatste kind na zoovele kinderen, avonturier en prinses voor het eerst zich in harmonie hadden ontmoet. Iets van verbeelding of intellect scheen Addy niet te hebben, onmachtig twee denkbeelden te vereenigen tot éen groep van gedachte; voelen deed hij alleen met de vage goedhartigheid, die neêrgezeefd was over de héele familie, en verder was hij als een mooi dier, in zijn ziel en zijn hersenen ontaard, maar ontaard tot niets, tot éen groot niets, tot éene groote leêgheid, terwijl zijn lichaam geworden was als een wedergeboorte van ras, vol kracht en mooiheid, terwijl zijn merg en zijn bloed en zijn vleesch en zijn spieren geworden waren tot éene harmonie van fyzieke verleidelijkheid, zoo louter dom mooi zinnelijk, dat de harmonie dadelijk sprak tot een vrouw. Deze jongen had maar te verschijnen, als een mooie, zuidelijke god, of alle vrouwen zagen naar hem, en namen hem op in het diepe van hare verbeelding, om hem zich later weêr te roepen voor haar geest; deze jongen behoefde maar op een race-bal te Ngadjiwa te komen, of alle jonge meisjes waren op hem verliefd. Hij plukte de liefde, waar hij ze vond, volop in de kampongs van Patjaram. En alles wat vrouw was, was op hem verliefd, van af zijn moeder tot zijn kleine nichtjes. Doddy van Oudijck was smoorlijk op hem. Verliefd was zij van kindje van zeven al honderde malen geweest, op wien maar voorbijging voor den blik harer vonkel-irissen, maar zooals op Addy nog nooit. Het straalde zoo uit haar wezen, dat het was als een vlam, dat een ieder het zag, en glimlachte. Het maal-feest was haar geweest éene verrukking—als zij danste met hem; éene marteling—als hij danste met een ander. Hij had haar niet gevraagd, maar zij dacht hèm te vragen ten huwelijk, en te sterven als hij niet wilde. Zij wist, de rezident, haar vader, wilde niet; hij hield niet van die de Luce’s, van die Solosche-Fransche boel, als hij zeide, maar als Addy wilde, zoû haar vader toegeven, omdat zij, Doddy, anders zoû sterven. Voor dat kind van liefde was die jongen van liefde de wereld, het heelal, het leven. Hij maakte haar het hof, hij zoende haar stilletjes op den mond, maar niet meer dan hij, gedachteloos, andere deed; hij zoende andere meisjes ook. En kon hij, dan ging hij verder, natuurlijk weg, als een verzengende jonge god, een god zonder gedachte. Maar voor de dochter van den rezident had hij nog eenig ontzag. Hij had noch moed, noch brutaliteit, zonder veel passie van keuze, vindende een vrouw een vrouw, en zoo zat van overwinning, dat hinderpalen hem niet prikkelden. Zijn tuin was vol van bloemen, die zich alle hieven naar hem toe; hij strekte de hand uit, bijna zonder te zien: hij plukte maar.

Terwijl zij schommelden om de tafel, zagen zij hem door den tuin aankomen en alle de oogen van die vrouwen gingen naar hem toe, als naar een jongen Verleider, die kwam in den zonneschijn, als een stralenkrans om hem heen. De Raden-Ajoe-douairière glimlachte en zag naar haar jongsten zoon, verliefd op haar kind, haar lieveling; achter haar, op den grond gehurkt, gluurde met groote oogen het gouden pleegkindje uit; de zusters keken uit, de nichtjes keken uit, en Doddy werd bleek, en Léonie van Oudijcks blanke melktint tintte zich met een rozen weêrschijn, die weggleed in den glans van haar glimlach. Werktuigelijk zag zij Theo aan; hunne oogen ontmoetten elkaâr. En deze zielen van liefde-alleen, van liefde der oogen, der monden, van liefde van het gloeiende vleesch, begrepen elkaâr, en Theo’s jalouzie gloeide zoo fel Léonie tegen, dat de roze weêrschijn bestierf, dat zij bleek werd en bang: een plotseling onberedeneerde angst, die door hare gewone onverschilligheid heenhuiverde, terwijl de Verleider, in zijn stralenkrans van zonneschijn, nader kwam en nader...

II.