Part 4
Dan zeide zijn vrouw, Eva: mijn man is geen mensch meer, mijn man is geen man meer: mijn man is ambtenaar. Het jonge vrouwtje, zeer Europeesch, vroeger nooit in Indië geweest, nu al een paar jaar te Laboewangi, had nooit geweten, dat men zóo kon werken als haar man deed, in een land zoo warm als Laboewangi was in de Oostmousson. Zij had er zich eerst tegen verzet, zij had eerst hare rechten op hem willen doen gelden, maar toen zij waarlijk zag, dat hij geen minuut te veel had, zag zij van hare rechten af. Zij had dadelijk ingezien, dat haar man niet met haar zoû meêleven, en zij niet met haar man, niet omdat hij geen goede man was, die veel van zijn vrouw hield, maar alleen omdat de post iederen dag tweehonderd brieven en stukken aanbracht. Zij had dadelijk gezien, dat zij in Laboewangi—waar niets was—haar troost moest vinden in haar huis, en later, in haar kind. Zij richtte haar huis in als een tempel van kunst en gezelligheid, en zij brak zich het hoofd over de opvoeding van haar kleinen jongen. Zij was een artistiek ontwikkelde vrouw, en zij kwam uit een artistiek milieu. Haar vader was Van Hove, onze beroemde landschapschilder; hare moeder was Stella Couberg, onze beroemde concertzangeres. Eva, opgevoed in een tehuis van kunst en muziek, en die ze geademd had van af klein kindje uit hare prenteboekjes, en in hare kinderliedjes—Eva had een Oost-Indisch ambtenaar getrouwd, en was hem gevolgd naar Laboewangi. Zij hield van haar man, een flinke Friesche kerel, en iemand, genoeg ontwikkeld om belang te stellen in veel. En zij was gegaan, gelukkig om haar liefde, en met groote illuzie over Indië, over al het oriëntalische der tropen. En zij had hare illuzie willen behouden, hoe men haar ook gewaarschuwd had. Reeds in Singapore had haar getroffen de bronzen beeldkleur der naakte Maleiërs en het bonte oriëntalisme der Chineesche en Arabische wijken; de Chrysanthème-poezie der Japansche theehuizen, die zij voorbijreed.... Maar spoedig al, in Batavia, was eene teleurstelling grijs neêrgezeefd over hare verwachtingen, om overal in Indië iets moois te zien, een sprookje, de Duizend-en-Een-Nacht. De zeden van het kleine, het gewone leven van iederen dag dempten al hare frissche lust tot bewonderen, en zij zag in eens al het belachelijke, nog vóor zij het mooie verder zien kon. In haar hôtel de heeren in nachtbroek en kabaai, uitgestrekt op de lange stoelen, de luie beenen op de uitgeslagen latten, de voeten—hoewel zeer verzorgd—bloot, en de teenen rustig bewegende in een gemoedelijk spel van groote en kleine teen, zelfs terwijl zij voorbijging.... De dames in sarong, kabaai—de eenige praktische morgendracht, die men vlug verwisselt, twee-, driemaal in den morgen,—maar wat zoo weinigen goed staat, en waarvan de rechte slooplijn van achteren vooral rechthoekig en leelijk is, hoe elegant en kostbaar men het ook draagt. De banaliteit der huizen met al hun kalk en hun teer en leelijke rissen bloempotten; het dorre verschroeide van de natuur, het viezige van den inlander... In het Europeesche leven al de kleine belachelijkheidjes: het sinjo-accent met de uitroepjes, de kleinsteedsche deftigheidjes der ambtenaren—de Raden van Indië alléen dragende een hoogen hoed... De streng afgemeten etiquettetjes: op een receptie vertrekt het eerst de hoogst geplaatste ambtenaar, en de anderen volgen na... En de kleine eigenaardigheidjes van tropische praktijk: de Devoe-kisten en blikken van petroleum gebruikt voor alles en nog wat: het hout voor ramen van winkels, voor vuilnisbakken en eigengemaakte meubeltjes; de blikken voor dakgoten en gieters en allerlei huiselijk instrument.... Het jonge, zeer ontwikkelde vrouwtje, met hare illuzies van den Duizend-en-Een-Nacht, bij die eerste indrukken niet onderscheidende het kolonialistische,—de praktijk van den Europeaan, die zich inburgert in een land, vijandig aan zijn bloed—van het waarlijk poëtische, echt Indische, zuiver Oostersche, louter Javaansche—het jonge vrouwtje had om al die belachelijkheidjes, en om meerdere nog, dadelijk gevoeld hare teleurstelling, als een ieder, artistiek aangelegd, ze voelt in het koloniale Indië, dat in het geheel niet artistiek en poëtisch is, en waar men om de rozen in witte potten, nauwgezet, zooveel paardevijgen maar mogelijk stapelt als mest, zoodat bij een bries de rozengeur zich vermengt met een frisch besproeiden meststank. En zij was onrechtvaardig geworden—als een ieder—echt Hollandsch, echt baar—het wordt voor het mooie land, dat hij zien wil volgens zijn voorbedachte vizie van litteratuur, en dat hem het eerst treft in zijn belachelijke kantjes van kolonialisme. En zij vergat, dat het land zelve, het oorspronkelijk zoo heel mooie land geen schuld had aan die belachelijkheid.
Zij had een paar jaren doorgemaakt, en zij had zich verwonderd, was nu eens geschrikt, dan weêr geschokt, had nu eens gelachen, zich dan weêr geërgerd, en had zich eindelijk, met de redelijkheid van hare natuur,—en praktische weêrzijde van hare kunstziel,—gewend. Zij had zich gewend aan het spel der teenen, aan de mest om de rozen; zij had zich gewend aan haar man, die geen mensch en geen man meer was, maar ambtenaar. Zij had veel geleden, zij had wanhopige brieven geschreven, zij had van heimwee gesmacht naar het huis harer ouders, zij was op het punt geweest plotseling te vertrekken—maar zij had het niet gedaan, om haar man niet in eenzaamheid achter te laten, en zij had zich gewend, en zij had zich geschikt. Zij had behalve de ziel van een artist—haar pianospel was buitengewoon—het hart van een dapper vrouwtje. Zij was haar man lief blijven hebben en zij wist, dat zij hem toch een gezellig huis gaf. Zij dacht heel ernstig over de opvoeding van haar kind. En toen zij zich had gewend, werd zij rechtvaardiger en zag zij eensklaps veel van het mooie van Indië, waardeerde zij de statieuze gratie van een klapperboom, de exquize paradijssmaak van Indische vruchten, de pracht der bloeiende boomen, en had zij, in de binnenlanden, gezien den grootschen adeldom van die natuur, de harmonieën der berggolvingen, de sprokewouden van reuzevarens, de dreigende ravijnen der kraters, de spiegeltrapterrassen der liquide sawah’s, met het teedere groen der jonge padi, en, als een openbaring van artistieke vizie was haar geweest het karakter van den Javaan: zijne sierlijkheid, zijn gratie, zijn groet en zijn dans, zijn voorname aristocratie, zoo duidelijk dikwijls afstammeling van edel geslacht, van een oer-ouden adel, en zich modernizeerend tot diplomatische lenigheid, van nature aanbiddend het gezag, en noodlottig gerezigneerd onder het juk van die heerschers, wier gouden galonnen zijn ingeboren eerbied verwekken.
Om zich had Eva altijd gezien, in haar vaders huis, de eeredienst van het artistieke en van het schoone, zelfs tot decadentie toe; rondom haar had men haar altijd gewezen, in een omgeving van louter mooie dingen, in mooie woorden, in muziek, op de gratie-lijn van het leven, en misschien te uitsluitend op die gratie-lijn alleen. En nu was zij te veel getraind in deze school der schoonheid om te blijven in hare teleurstelling en alleen te zien de kalk en het teer der huizen, de kleine aanstellerijen der ambtenaren, de Devoe-kisten en de paardenvijgen. Haar litteraire geest zag nu het paleis-achtige van die huizen, het typische van dien ambtenaarshoogmoed, die bijna niet anders zoû kunnen zijn, en al die détails zag zij nauwkeuriger, in geheel die Indische wereld zag zij ruimer, tot het haar openbaring bij openbaring werd. Alleen bleef zij voelen iets vreemds, iets, dat zij niet kon analyzeeren, iets van mysterie, en donker geheim, dat zij voelde aandonzen in de nachten.... Maar zij dacht, dat was niet meer dan stemming van duister en heel dicht loof, dat was als heel stille muziek van heel vreemde snaarinstrumenten, een mineur harpgeruisch in de verte, een vage stem van waarschuwing.... Een geruisch in den nacht, meer niet, en waarover zij poëtizeerde.
Te Laboewangi—kleine binnenlandsche hoofdplaats—verbaasde zij dikwijls de verbinnenlandschte elementen, omdat zij had iets opgewondens, omdat zij was enthouziast, spontaan, blij te leven—zelfs in Indië—blij om de schoonheid van het leven, omdat zij had een gezonde natuur, zacht getemperd en weggedoezeld in een bekoorlijke aanstellerij van niets te willen dan het mooie, de mooie lijn, de mooie kleur, de kunstgedachte. Zij was aan die haar kenden, of antipathiek, of zeer sympathisch: weinigen voelden onverschilligheid voor haar. Zij had zich in Indië verworven een reputatie van bizonderheid: haar huis was bizonder, hare kleeding bizonder, de opvoeding van haar kind bizonder, hare ideeën waren bizonder, en alleen gewoon was haar Friesche man, bijna te gewoon in die omgeving, die geknipt scheen uit een tijdschrift voor kunst. Daar zij hield van gezelligheid, verzamelde zij om zich heen zooveel Europeesch element als maar mogelijk, dat wel zelden artistiek was, maar waarin zij toch bracht een prettigen toon, iets dat allen aan Holland deed denken. Dat clubje, die groep bewonderde haar, en volgde van zelve den toon, dien zij aangaf. Door hare meerdere ontwikkeling heerschte zij, zonderdat zij de heerschersnatuur had. Maar dat alles vond een ieder niet goed, en de anderen noemden haar excentriek. De club echter, de groep, bleef haar trouw, in de zachte loomheid van het Indische leven opgewekt door haar tot concerten, tot ideeën, tot levenslust.
Zoo had zij om zich heen den dokter en zijn vrouw, den hoofd-ingenieur en zijn vrouw, den controleur-kotta en zijn vrouw, en soms, van buiten-af, een paar controleurs, een paar jonge employé’s van de suikerfabrieken. Dat was om haar heen een vroolijk troepje, waarin zij heerschte, met wie zij comedie speelde, pic-nics arrangeerde, en dat zij bekoorde door haar huis, en haar japonnen, en de epicuristische kunstlijn van haar leven. Zij vergaven haar alles wat zij niet begrepen—haar levens-esthetiek, haar muziek van Wagner—omdat zij hun vroolijkheid gaf, wat levenslust en gezelligheid in de doodschheid van hunne ver-Indisching. Daarvoor waren zij haar innig dankbaar. En zoo was het gekomen, dat haar huis eigenlijk middelpunt van het sociale leven van Laboewangi was geworden, terwijl het rezidentie-huis, er tegenover, zich in zijn waringin-schaduw met deftigheid terugtrok. Léonie van Oudijck was er niet ijverzuchtig om. Zij hield van hare rust, en zij liet dolgraag alles over aan Eva Eldersma. En zoo bemoeide Léonie zich met niets, niet met feesten, niet met muziek- en komedie-gezelschap, niet met liefdadigheid, en al de sociale plichten, die een rezidentsvrouw anders op zich voelt rusten, droeg zij op Eva over. Léonie had eens in de maand hare receptie, sprak iedereen aan, glimlachte tegen iedereen en gaf op Nieuwjaar haar jaarlijksch bal. Daarbij bepaalde zich het sociale leven in het rezidentie-huis. Zij leefde er verder in haar egoïsme, in de behagelijkheid, die zij egoïstisch voor zich om zich heen schiep, in haar roze gedroom van engeltjes en in wat zij er oogsten kon van liefde. Soms, periodiek, had zij behoefte aan Batavia en ging zij er een paar maanden heen. En zoo leefde zij, als rezidentsvrouw, haar eigen leven, en Eva deed alles, en Eva gaf den toon aan. Het gaf soms kleine naijver, bijvoorbeeld tusschen haar en de vrouw van den inspecteur van financiën, die vond, dat haar de eerste plaats toekwam na mevrouw Van Oudijck, en niet aan de vrouw van den secretaris. Dan was het een geharrewar met de Indische ambtenaars-etiquette en verhalen, praatjes deden de ronde, vergroot, verergerd, tot in de verst gelegen suikerfabriek van de rezidentie. Maar Eva stoorde zich niet aan de praatjes en zorgde liever voor wat gezelligheid in Laboewangi. En om iets goeds tot stand te brengen, heerschte zij, met haar clubje. Men had haar gekozen tot prezidente van het tooneelgezelschap Thalia, en zij nam aan, maar op voorwaarde, dat het reglement zoû worden afgeschaft. Zij wilde wel koningin zijn, maar zonder grondwet. Men zeide haar algemeen, dat dit toch niet ging: er was altijd een reglement geweest. Maar Eva antwoordde, dat zij met een reglement niet wilde prezideeren. Dan zoû zij liever alleen meêspelen. Men gaf toe: de grondwet van Thalia werd afgeschaft, Eva heerschte er absoluut, koos de stukken uit, verdeelde de rollen. En het was de bloeitijd van het gezelschap—men speelde, gedrild door haar, zoo goed, dat men van Soerabaia kwam om de voorstellingen in Concordia bij te wonen. De stukken, die men speelde, waren van een gehalte, als nimmer in Concordia was gespeeld.
Het maakte haar weêr bemind, of in het geheel niet bemind. Maar zij ging door en zorgde voor wat Europeesche beschaving, om niet al te veel te „beschimmelen” in Laboewangi. En men deed laagheden om toch maar geïnviteerd te worden op hare dinertjes, die waren beroemd en berucht. Want zij eischte, dat hare heeren in rok kwamen en niet in hun Singaporesche jasjes, zonder hemd. Zij stelde rok en witte das in, en zij was onverbiddelijk. De dames waren als altijd gedecolleteerd, voor de koelte en vonden dat heerlijk. Maar hare arme heeren stribbelden tegen, pufden de eerste maal, kregen congestie in hun hoogen boord; de dokter beweerde, het was ongezond; de oudgasten beweerden, het was dolligheid en breken met alle goeie, oude, Indische gewoonten...
Maar toen men eerst een paar maal gepufd had in dien rok en dien hoogen boord, vond iedereen de dinertjes van mevrouw Eldersma verrukkelijk, juist omdat ze zoo Europeesch werden gehouden.
II.
Eva ontving om de veertien dagen.
—Hoor, rezident, het is geen receptie, verdedigde zij zich altijd tegen Van Oudijck. Ik weet heel goed, dat niemand mag recepieeren, in het binnenland, dan de rezident en de rezidente. Het is heusch geen receptie, rezident. Ik zoû niet durven het zoo te noemen. Ik hoû alleen maar open huis, om de veertien dagen, en ik vind het gezellig, als de kennissen dan komen... Het mag toch wel, niet waar, rezident, als het geen receptie is?
Van Oudijck lachte dan vroolijk met zijn jovialen, militairen snorlach, en vroeg of mevrouwtje Eldersma hem voor den gek hield. Zij mocht alles, als zij maar voortging te zorgen voor wat gezelligheid, voor wat komedie, voor wat muziek, voor wat prettig sociaal samenleven. Dat was nu eenmaal de plicht, die op haar rustte: te zorgen voor het mondaine element in Laboewangi.
Hare ontvangdagen hadden niets Indiesch. In het rezidentie-huis bij voorbeeld waren de recepties geregeld volgens het oud-Indiesch binnenlandsche gebruik: op de stoelen langs de wanden zaten al de dames naast elkaâr, en mevrouw Van Oudijck liep ze langs, praatte met ieder een oogenblik, staande, terwijl de dames bleven zitten; in een andere galerij onderhield zich de rezident met de heeren. Het mannelijke element mengde zich niet met het vrouwelijke. Bitter, port en ijswater werden rondgediend.
Bij Eva liep men, wandelde men door de galerijen, zette zich hier, daar; men sprak met iedereen. Er heerschte niet de statigheid als in het rezidentie-huis, maar er was de chic van een Franschen salon, met een artistieke tint. En het was een gewoonte geworden, dat de dames zich meer kleedden voor Eva’s dagen dan voor de receptie’s bij den rezident; zij hadden bij Eva hoeden op, symbool van uiterste elegance in Indië. Gelukkig kon het Léonie niet schelen, het liet haar totaal onverschillig.
In de middengalerij nu, op een divan, zat Léonie en bleef er zitten met de Raden-Ajoe, de vrouw van den Regent. Zij vond die oude gewoonte gemakkelijk; ieder kwam naar haar toe. Zij had op hare eigen receptie’s al zooveel te loopen, langs de rei dames aan den wand... Nu nam zij haar rust, bleef zitten, glimlachte tegen wie haar zijn compliment kwam maken. Maar verder was het een woelige beweging van gasten. Eva was overal.
—Vindt u het hier mooi? vroeg mevrouw Van Does aan Léonie, met een blik over de middengalerij en haar oog gleed verwonderd langs de matte arabesken, als fresco, met calcarium op den zacht grijzen wand geverfd, langs de djati-houten lambrizeering, door handige Chineesche meubelmakers gesculpteerd volgens een teekening uit de Studio, langs de bronzen Japansche vazen op djati-houten piedestals, en waarin bamboetakken en boeketten van reuzebloemen zacht overschaduwden tot aan het plafond toe.
—Vreemd... maar heel lief! Eigenaardig..., murmelde Léonie, wie Eva’s smaak steeds een raadsel was. In zich teruggetrokken als in een tempel van egoïsme, kon haar wat een ander deed en voelde, niet schelen, en ook niet hoe een ander zijn huis arrangeerde. Maar zij had hier niet kunnen wonen. Zij hield meer van hare lithogravure’s—Veronese, en Shakespeare, en Tasso—zij vond die deftig—dan van de mooie bruine fotografieën naar Italiaansche meesters, die Eva hier en daar op ezels had staan. Het meest hield zij van haar bonbon-doos, en de parfumerie-reclame met de engeltjes.
—Vindt u die japon mooi? vroeg mevrouw Van Does weêr aan Léonie.
—Jawel, glimlachte Léonie lief. Eva is heel knap; ze heeft die blauwe irissen zelve geschilderd op Chineesche zij....
Zij zeide nooit iets anders dan lieve, glimlachende dingen. Zij sprak nooit kwaad; het was haar onverschillig. En zij wendde zich nu tot de Raden-Ajoe, en bedankte haar met lieve, slepende zinnen voor vruchten, die deze gezonden had. De Regent kwam haar aanspreken, en zij informeerde naar zijn beide zoontjes. Zij sprak in het Hollandsch, en de Regent en de Raden-Ajoe antwoordden in het Maleisch. De Regent van Laboewangi, Raden Adipati Soerio Soenario was nog jong, even dertig jaar, een fijn Javaansch gezicht als van een laatdunkende wajangpop, met een klein kneveltje, waaraan zorgvuldige puntjes gedraaid, en vooral een staarblik, die trof: een blik als in een voortdurende transe, een blik als peilende door de zichtbare werkelijkheid en ziende door ze heen, een blik uit oogen als kolen, soms dof en moê, soms opgloeiende als vonken van extaze en fanatisme. Hij had bij de bevolking—bijna slaafsch gehecht aan hunne Regentenfamilie—een faam van heiligheid en geheimzinnigheid, zonderdat men er ooit het ware van hoorde. Hier, in Eva’s galerij, maakte hij alleen een indruk van popperigheid, van voornamen Indischen prins: alleen zijn transe-oogen verbaasden. De sarong, glad om zijn heupen, viel van voren lang neêr in een bundel van platte, regelmatige plooien, die openwaaierden; hij droeg een wit gesteven hemd met diamanten knoopen, en een klein blauw dasje; daarover een blauw laken uniformbuis met gouden uniformknoopen, waarop de gekroonde W.; aan zijn bloote voeten staken zwart verlakte van voren opgepunte muilen; de hoofddoek, zorgvuldig met kleine plooien gekapt om zijn hoofd, gaf aan zijn fijne gezicht iets vrouwelijks, maar de zwarte oogen, nu en dan moê, vonkten telkens op in transe, extaze. In zijn blauw-en-gouden gordel, geheel van achteren, midden op den rug, stak de gouden kris; aan zijn kleine, slanke hand schitterde een groote steen en uit de zak van zijn buis wipte een cigarettekoker van gouden vlechtwerk. Hij zeide niet veel—soms keek hij of hij slaap had, dan weêr gloeiden-op zijn vreemde oogen—en op wat Léonie zeide, antwoordde hij bijna uitsluitend alleen met een kort en hakkerig:
—Saja....
Hij sprak de beide lettergrepen uit met een hard en sissend beleefdheidsaccent, op iedere silbe evenveel toon van nadruk. Hij vergezelde zijn beleefdheidswoordje met een kort, automatisch hoofdknikje. Ook de Raden-Ajoe, gezeten naast Léonie, antwoordde zoo:
—Saja....
Maar zij lachte telkens even na, zacht verlegen. Zij was nog heel jong, misschien even achttien jaar. Zij was een Solosche prinses, en Van Oudijck kon haar niet uitstaan, omdat zij Solosche manieren, Solosche zeggingen invoerde te Laboewangi, in haar laatdunkenden hoogmoed of niets zoo voornaam en zuiver aristocratisch zoû zijn als wat gewoonte was en gezegd werd aan het hof van Solo. Zij gebruikte hofwoorden, die de bevolking te Laboewangi niet begreep, zij had den Regent opgedrongen een koetsier van Solo, met de Solosche galadracht: de pruik en den valschen knevelbaard, waarnaar de bevolking tuurde met open oogen. Hare gele tint was nog lichter opgeblankt door een lichte laag van bedak, vochtig opgelegd, de wenkbrauwen waren even opgebogen met een streekje zwart; in hare glanzende kondé staken juweelen spelden en in het midden, een kenanga-bloem. Zij droeg op een kainpandjang [12], die naar Solosche hofdracht lang sleepte voor hare voeten, een kabaai van rood brokaat, met galon afgezet, en met drie groote juweelen gesloten. Twee fabelsteenen trokken, zwaar in zilver gezet, hare ooren neêr. Zij droeg lichte à-jour kousen en gouden sonket- [13]muilen. Hare kleine, dunne vingertjes waren stijf van ringen, als gezet in brillant, en zij had een waaier van wit pluimendons in de hand.
—Saja.... saja.... antwoordde zij hoffelijk, met haar verlegen lachje.
Léonie zweeg even, moê van alleen te praten. Als zij den Regent en de Raden-Ajoe gesproken had over hun zonen, wist zij niet veel meer te zeggen. Van Oudijck, die eerst door Eva was rondgeleid door hare galerijen—want er was altijd weêr iets nieuws te bewonderen,—naderde zijn vrouw; de Regent rees op.
—En Regent, vroeg hij, in het Hollandsch—; hoe gaat het met de Raden-Ajoe Pangéran?
Hij informeerde naar de weduwe van den ouden Regent, de moeder van Soenario.
—Heel goed.... dank u.... murmelde de Regent in het Maleisch; maar mama is niet meêgekomen.... al zoo oud.... gauw moê.
—Ik heb u even te spreken, Regent.
De Regent volgde Van Oudijck in de voorgalerij, waar niemand was.
—Het spijt mij, u te moeten zeggen, dat ik zoo pas weêr slechte tijding heb van uw broêr, de Regent van Ngadjiwa.... Men heeft mij geïnformeerd, dat hij dezer dagen weêr gedobbeld en groote sommen heeft verloren. Weet u daar iets van?
De Regent sloot zich als op in zijn popperige strakheid, en bleef zwijgen. Alleen zijn oogen staarden, als zag hij verre dingen, door Van Oudijck heen.
—Weet u daar iets van, Regent?
—Tida....
—U, als hoofd van uw familie, draag ik op daarnaar te informeeren en op uw broeder te letten. Hij dobbelt, hij drinkt, hij doet uw naam geen eer aan, Regent. Als de oude Pangéran ooit had kunnen vermoeden, dat zijn tweede zoon zich zoo vergooide, zoû hij groot verdriet gehad hebben. Hij droeg zijn naam hoog. Hij was een der verstandigste en edelste Regenten, die het Gouvernement ooit op Java heeft gehad, en u weet, hoe het Gouvernement den Pangéran waardeerde. Al in den tijd der Compagnie is Holland veel verschuldigd geweest aan uw geslacht, dat haar altijd trouw was. Maar de tijden schijnen te veranderen.... Het is zeer treurig, Regent, dat een oude Javaansche familie van zoo hooge traditie als de uwe, niet meer getrouw weet te blijven aan die traditie....
Raden Adipati Soerio Soenario werd olijfbleek. Zijn transe-oogen doorstaken den rezident, maar hij zag, dat deze ook kookte van woede. En hij doofde den vreemden vonk van zijn blik in een slaperige moêheid.
—Ik dacht, rezident, dat u altijd liefde gevoeld had voor mijn huis, murmelde hij, bijna klagend.
—En u heeft goed gedacht, Regent. Ik had den Pangéran lief. Ik heb altijd uw huis bewonderd, en ik heb het altijd hoog willen houden. Ik wil het ook nu hoog houden, met u samen, Regent, hopende, dat u niet alleen ziet—als uw faam gaat—de dingen der andere wereld, maar ook de werkelijkheid rondom u heen. Maar het is uw broeder, Regent, dien ik niet liefheb en onmogelijk kan hoogachten. Men heeft mij gezegd—en die het mij zeiden, kan ik vertrouwen,—dat de Regent van Ngadjiwa niet alleen heeft gedobbeld.... maar ook, dat deze maand de traktementen der hoofden te Ngadjiwa niet door hem zijn uitbetaald....
Zij zagen elkaâr strak aan, en de kalme, flinke blik van Van Oudijck ontmoette den transe-vonk van den Regent.
—De personen, die u inlichten, kunnen zich vergissen...