De stille kracht

Part 3

Chapter 33,666 wordsPublic domain

Zij hield van Theo, om zijn frissche jeugd. En hier op Laboewangi, was hij haar eenige ondeugd, een doortrekkende inspecteur en de roze engeltjes niet meêgerekend. Zij waren nu als stoute kinderen, zij lachten stil, in elkanders armen. Maar zij moesten voorzichtig zijn. Het was vier uur geworden en zij hoorden in den tuin de stemmen van René en Ricus. Zij namen het erf in bezit voor hunne vacantie. Dertien en veertien jaar, genoten zij van den grooten tuin. Zij liepen in een blauw gestreept katoenen buisje en broek, op bloote voeten en gingen naar de paarden, naar de duiven zien: ze plaagden Doddy’s kakatoe, die op het dak der bijgebouwen trippelde. Zij bezaten een tamme badjing [6]. Zij maakten jacht op tokkè’s, die zij schoten met een soempitan [7], tot groote ergernis der bedienden, omdat de tokkè’s geluk aanbrengen. Zij kochten aan het hek katjang-goreng [8], van een voorbijgaanden Chinees, en scholden hem daarna uit:

—Katja....àng golengan! Tjina mampoes! nadoende zijn accent van kè. Zij klommen in den flamboyant en wiegelden als apen aan de takken. Zij wierpen de katten met steenen; zij hitsten de honden der buren op tot zij zich heesch blaften en elkaâr de ooren stuk beten. Zij knoeiden met water bij den vijver, maakten zich ontoonbaar van modder en vuil en waagden het de Victoria Regia’s te plukken, dat zij volstrekt niet mochten doen. Zij onderzochten de stevigheid der groene vlakke Victoria-bladeren—als prezenteerbladen—en meenden er op te kunnen staan en zij dompelden onder... Dan namen zij leêge flesschen, plaatsten die op een rei en kegelden met keisteenen. Dan vischten zij uit de sloot terzijde van het huis met een bamboe allerlei naamlooze drijvende dingen op en smeten er elkaâr meê. Hunne fantazie in uitvindingen was onuitputtelijk, en het uur der siësta was hun uur. Zij hadden een tokkè gevangen en een kat en lieten ze vechten met elkaâr: de tokkè opende zijn muil van kleine krokodil en hypnotizeerde de kat, die afdroop, zich wegtrok uit den zwarten kraalblik,—met hoogen rug, de haren steil van angst. En daarna aten de jongens zich ziek aan onrijpe manga’s.

Léonie en Theo hadden door de jalouzie bespied het gevecht van kat en tokkè en zagen de jongens nu rustig in het gras de onrijpe manga’s eten. Maar het was het uur, dat de gestraften—een twaalftal—werkten op het erf, onder toezicht van een ouden, deftigen mandoor, met een rietje in de hand. Zij haalden water in tonnen en gieters van Devoe’s-petroleumblikken gemaakt, soms ook in petroleumblikken zelve, en zij begoten de planten, het gras, het grint. Zij veegden dan het erf schoon met een luid geruisch van lidi-bezems.

René en Ricus wierpen achter den mandoor, voor wien ze bang waren, de gestraften met afgeknabbelde manga’s en scholden ze uit en trokken grimassen en apentronie’s. Doddy kwam aan, uitgeslapen, spelende met haar kakatoe, dien zij droeg op de hand en die kaka! kaka! riep, en zijn gele kuif opzette met snelle nekbewegingen.

En Theo, nu, sloop achter het gordijn weg in het boudoir en, toen een oogenblik de jongens elkaâr naliepen in een bombardement van manga’s, en Doddy naar den vijver wandelde met haar sleeppas van heupwiegelende kreole, de kakatoe op hare hand,—kwam hij te voorschijn van achter de planten, rook aan de rozen en deed of hij in den tuin had gewandeld, vóor hij zijn bad ging nemen.

V.

Van Oudijck voelde zich aangenamer gestemd, dan hij zich in weken gevoeld had; in zijn huis scheen na die twee maanden saaie verveling weêr iets van familieleven te komen; hij vond het prettig zijn twee rakkers van jongens in den tuin te zien ravotten, ook al deden zij allerlei kwaad, en vooral was hij heel tevreden, dat zijn vrouw weêr terug was.

Zij zaten nu in den tuin, in négligé, thee te drinken, om half zes. Het was toch heel vreemd, maar Léonie vulde dadelijk het groote huis met een zekere comfortabelere gezelligheid, omdat zij er zelve van hield. Dronk Van Oudijck anders vlug een kop thee, dat Kario hem bracht in zijn slaapkamer, van daag al was die middagthee een prettig uur; er waren rieten stoelen en lange mail-stoelen vóor buiten gezet; op een rieten tafel stond het theeblad; er was pisang goreng gebakken, en Léonie, in een Japansche, roodzijden kimono, haar blonde haar los, lag in een rieten stoel en speelde met de kaka van Doddy en voerde den vogel met gebak. Het was dadelijk heel anders, vond Van Oudijck, zijn vrouw gezellig, lief, mooi, nu en dan iets vertellende van de kennissen te Batavia, van de races te Buitenzorg, van een bal bij den Gouverneur, van de Italiaansche opera; de jongens, vroolijk, gezond, jolig, hoe vies ook van hun spelen—en hij riep ze eens bij zich, en ravotte even met ze en vroeg naar het Gymnazium—zij zaten in de tweede klasse; en zelfs Doddy en Theo schenen hem anders toe, Doddy snoezig en zangerig rozen nu plukkende aan de bloempotten en Theo, spraakzaam, met mama, en zelfs met hèm. Een prettige trek speelde om Van Oudijcks snor. Hij zag er nog jong uit in zijn gezicht en nauwlijks scheen hij acht-en-veertig. Hij had een scherpen, levendigen blik van vlug opzien, van acuut doordringen. Hij was wat zwaar en had aanleg nog zwaarder te worden, maar toch had hij behouden iets vlug militairs, en op zijn tournées was hij onvermoeid; hij was een uitstekend ruiter. Groot en forsch, tevreden met zijn huis en zijn gezin, had hij iets prettigs van stevige mannelijkheid, en lachte om zijn snor de joviale trek. En zich latende gaan, zich uitstrekkende in zijn rieten stoel, drinkende zijn kopje thee, sprak hij uit de gedachten, die meestal in zulk een uur van tevredenheid bij hem opwolkten. Ja, het was toch maar een goed leven in Indië, bij het Binnenlandsch Bestuur. Ten minste voor hem was het altijd goed geweest, maar hij had ook een beetje gebofd. Nu was het wanhopig met de promotie; hij kende tal van assistent-rezidenten, die zijn tijdgenooten waren en die in jaren nog geen kans hadden rezident te zullen worden. En dat was zeker een wanhopige toestand, zoo lang te blijven in een betrekking van ondergeschiktheid aan een superieur, op dien leeftijd nog bevelen af te moeten wachten van een rezident. Hij had dat nooit kunnen uithouden, op zijn acht-en-veertigste jaar! Maar rezident zijn, zelf bevelen, zelf besturen een gewest, groot en belangrijk als Laboewangi, met zoo uitgebreide koffie-cultuur, zoo talrijke suikerfabrieken, met zóo vele erfpachtsperceelen—dat was een genot, dat was leven: een leven grootsch en ruim als geen ander, en waarmeê in Holland geen betrekking en leven te vergelijken was. Zijne groote verantwoordelijkheid was zijner heerschersnatuur een genot. Zijn werkkring was gevarieerd: kantoorwerk en tournée; de belangen van zijn werk waren gevarieerd: men sufte niet dood op zijn kantoorstoel: na het bureau was er de vrije natuur, en het was altijd afwisseling, altijd iets anders. Hij hoopte over anderhalf jaar rezident eerste-klasse te kunnen worden, als er een eerste-klasse gewest open kwam: Batavia, Semarang, Soerabaia, of een van de Vorstenlanden. En toch zoû het hem dan aan zijn hart gaan Laboewangi te moeten verlaten. Hij was gehecht aan zijn gewest, waarvoor hij vijf jaar al zooveel gedaan had, dat in die vijf jaar gekomen was tot zijn bloei, voor zooveel bloei mogelijk was in deze tijden van algemeene malaise: de koloniën arm, de bevolking verarmd, de koffiecultuur slechter dan ooit, de suiker misschien over twee jaar een hevige crizis gaande tegemoet.... Indië kwijnde, en zelfs in den nijveren Oosthoek begon te kankeren een loomheid en zwakte, maar toch voor Laboewangi had hij veel kunnen doen. Gedurende zijn bestuur was de bevolking in welvaart toegenomen; de irrigatie der rijstvelden was er uitstekend, nadat hij den ingenieur, eerst altijd in strijd met het B.B. [9] had weten te winnen door zijn tact. Talrijke stoomtrammen waren aangelegd. De secretaris, zijn assistent-rezidenten, zijn controleurs waren hem toegedaan, al was het zwaar werken onder zijn bestuur. Maar hij had ook een prettigen toon met ze, al was het werken zwaar. Hij kon joviaal vriendschappelijk zijn, al was hij de rezident. Hij was blij, dat zij allen, zijn controleurs, zijn assistent-rezidenten vertoonden dat gezonde, blijmoedige type van den ambtenaar van B.B., tevreden met hun leven en werk, al bestudeerden zij ook tegenwoordig veel meer dan vroeger den Regeeringsalmanak en de Ranglijst, voor hunne promotie. Het was dan Van Oudijcks stokpaardje zijne ambtenaren te vergelijken met de rechterlijke ambtenaren, die niet vertoonden dat opgewekte type: tusschen beide groepen was dan ook steeds lichte naijver, animoziteit.... Ja, het was een prettig leven, het was een prettige werkkring, alles was goed, alles was goed. Er ging niets boven B.B. Het speet hem alleen, dat zijn verhouding tot den Regent niet gemakkelijker was, niet aangenamer was. Maar het was niet zijn schuld. Hij had den Regent steeds zeer nauwgezet gegeven wat hem toekwam, hem gelaten in zijn rechten, hem hoog gehouden tegenover de Javaansche bevolking en zelfs tegenover de Europeesche ambtenaren. O, het speet hem zoo innig, dat gestorven was de oude Pangéran, de vader van den Regent, de oude Regent, een nobele ontwikkelde Javaan. Met dien had hij steeds gesympathizeerd, hem had hij dadelijk gewonnen door zijn tact. Had hij niet, nu vijf jaar geleden, toen hij aankwam te Laboewangi voor de bestuursovername den Pangéran—type van den echten Javaanschen edelman—geïnviteerd aan zijn zijde plaats te nemen in zijn eigen rijtuig—en niet, zooals gebruikelijk was, den Regent laten volgen in een tweede rijtuig achter het rezidentsrijtuig—; en had hij niet door deze beleefdheid tegenover den ouden prins alle Javaansche hoofden en ambtenaren dadelijk gewonnen en hen gestreeld in hun eerbied en liefde voor hun Regent: afstammeling van een der oudste Javaansche geslachten: de Adiningrats, vroeger, ten tijde der Compagnie, sultans van Madoera...? Maar Soenario, zijn zoon, de jonge Regent nu, hèm kon hij niet vatten, niet doorpeilen—dit bekende hij zich slechts stilzwijgend—; hem zag hij alleen raadselachtig, dien wajangpop, zooals hij hem noemde, altijd stijf, op een afstand tegenover hém, den rezident, alsof hij—prins—neêrzag op hem—Hollandschen burgerman; en daarbij fanatiek, zonder oog voor de belangen zijner Javaansche bevolking, en alleen maar verloren in allerlei bijgeloovige praktijken en fanatieke bespiegelingen. Hij zeide het niet ronduit, maar iets ontsnapte hem in den Regent. Hij kon die fijne figuur, met zijn strakke koolzwarte oogen, niet neêrzetten als mensch in het praktische leven, zooals hij steeds den ouden Pangéran had kunnen doen. Die was hem altijd geweest, volgens den leeftijd, zijn vaderlijke vriend; volgens de etiquette zijn „jongere broeder,” maar altijd medebestuurder van zijn gewest. Maar Soenario vond hij oneigenlijk, geen ambtenaar, geen Regent, alleen maar een fanatieke Javaan, die zich hulde in iets van geheim: allemaal nonsens, dacht Van Oudijck. Hij lachte om Soenario’s faam van hoogheiligheid, die de bevolking hem gaf. Hij vond hem onpractisch: een gedegenereerde Javaan, een gedetraqueerde Javaansche gommeux!

Maar zijn disharmonie met den Regent—disharmonie alleen van karakter, en nooit gekomen tot werkelijkheid van feit—hij draaide het mannetje immers om zijn vinger!—was de eenige groote moeilijkheid, die hem gedurende al die jaren wel eens had laten pikeren. En zijn rezidentsleven had hij niet willen ruilen voor welk ander leven. O, hij tobde nu al, wat hij later zoû doen als hij gepensioeneerd was. Het liefst zoû hij zoo lang mogelijk blijven in dienst; lid van den Raad van Indië, Vice-prezident... Wat hij niet zeide, maar stil ambieerde, was, in het verschiet, de troon van Buitenzorg. Maar men had tegenwoordig in Holland die vreemde manie om vreemden tot de hoogste betrekkingen te benoemen, Hollanders, baren, die totaal niets van Indië afwisten—in plaats van getrouw te blijven aan het principe oud-Indische gedienden te kiezen, die van aspirant-controleur waren opgeklommen en de geheele ambtelijke hiërarchie op hun duimpje kenden.... Ja, wat zoû hij doen, gepensioeneerd? In Nice wonen? Zonder geld? Want sparen, dat ging niet; het leven was ruim, maar duur, en in plaats van te sparen maakte hij beren. Nu ja, dat kwam er nu niet op aan, dat werd afbetaald, maar later, later.... De toekomst, de pensioeneering, was hem alles behalve een aangenaam vooruitzicht. Te vegeteeren in Den Haag, in een klein huis, met een bittertje in de Witte en in de Besogne-kamer—met de oude pruiken.... brr!! Hij rilde ervan. Hij zoû er niet aan denken; hij wilde aan de toekomst dan maar in het geheel niet denken: misschien was hij dood voor dien tijd. Maar nu was het heerlijk, zijn werkkring, zijn huis, Indië. Er was totaal niets bij te vergelijken.

Léonie had hem glimlachend aangehoord; zij kende zijne stille verrukkingen, zijn dwepen met zijn betrekking;—zooals zij het noemde; zijn aanbidding van B.B. Zij vond het goed, zij had er niets tegen. Zij ook waardeerde de luxe van het rezident-zijn. Het betrekkelijke izolement kon haar niet schelen, zij had meestal genoeg aan zichzelve... En zij antwoordde glimlachend terug, tevreden, beminnelijk, met haar teint van melk, dat nog blanker was onder de lichte bedak [10] tegen de roode zijde der kimono aan, en mooi in de omgolving van haar blonde haren.

Dien morgen, een oogenblik, was zij ontstemd geweest, had Laboewangi, na Batavia, op haar gedrukt, met zijn verveling van binnenlandsche hoofdplaats. Maar sinds had zij gekregen een grooten brillant; sinds had zij Theo terug.... Zijn kamer was vlak bij de hare. En hij zoû nog wel in langen tijd geen betrekking kunnen krijgen.

Dat waren hare gedachten, terwijl haar man, na zijn pretige ontboezeming, nog zalig lag na te denken. Dieper dacht zij niet, iets als wroeging zoû haar ten zeerste hebben verbaasd, had zij er iets van kunnen voelen.... Het begon zachtjes aan te donkeren, de maan steeg al lichtend omhoog, en achter de fluweel-mollige waringins, achter de even op en neêr wuivende pluimen der klapperboomen, die als statiebossen van donkere struisveêren hoog feestelijk staken in de lucht, doezelde het laatste licht van de zon een dofgouden weêrschijn, waartegen de molligheid der waringins, de statie van de klappers afstaken als zwart geëtst.

In de verte klonken de enkeltonige klanken van den gamelan, weemoedig, als van een waterheldere glazen piano, met telkens er tusschen een diepe dissonant...

VI.

Van Oudijck, pleizierig om zijn vrouw en kinderen, wilde gaarne toeren, en de landauer werd ingespannen. Van Oudijck keek joviaal en prettig, van onder het breede goudgalon van zijn pet. Léonie, naast hem, had een nieuwe mauve mousseline japon aan, uit Batavia, en een hoed met mauve papavers. Een dameshoed in het binnenland is een luxe, iets van overgroote elegance, en Doddy, tegenover haar, maar op zijn binnenlandsch zonder hoed, was in stilte geërgerd en vond, dat mama haar toch wel had kunnen zeggen, dat zij een hoed zoû „gebruiken”, zooals Doddy’s taaleigen luidde. Nu stak zij zoo af bij mama, nu kon zij niet velen, die zacht wuivende papavers! Van de jongens was René meê, in een frisch wit pakje. De hoofdoppasser zat op den bok naast den koetsier en hield tegen zijn heup de groote gouden pajong, symbool van het gezag. Het was over zessen, het begon al te donkeren en over Laboewangi hing in dit uur die fluweelen geluideloosheid, die tragische geheimzinnigheid van den schemeratmosfeer der Oostmoussondagen. Soms blafte alleen een hond, kirde een woudduif en verbrak de oneigenlijkheid van het zwijgen, als van een onbewoonde stad. Maar nu ook ratelde er dwars door heen het rijtuig, trappelden de paarden de stilte in kleine flarden. Men kwam geen ander rijtuig tegen; een onbezielde menschenloosheid hield de tuinen en galerijen betooverd. Een paar jongelui in het wit wandelden, en namen den hoed af. Het rijtuig had de notabele lanen verlaten en reed de Chineesche kamp in, waar in de kleine winkels de lichtjes werden ontstoken. De negotie was zoo goed als gedaan: de Chineezen rustten uit, in allerlei slappe houdingen van beenen in de lucht en over elkaâr, de armen rondom het hoofd, de staarten los, of om het hoofd gebonden. Als het rijtuig naderde, stonden zij op, bleven eerbiedig staan. De Javanen, voor het meerendeel—de welopgevoeden, die manieren kenden—hurkten neêr. Langs den weg stonden nu, verlicht met kleine petroleumlampjes, de wandelkeukentjes gereid, de drankverkoopers, de gebakverkoopers. De kleur in de met tallooze lichtjes opgegloeide avondduisternis, was groezelig bont; de Chineesche winkeltjes overvol van koopwaren, en beteekend met roode en gouden karakters en beplakt met roode en gouden papiertjes met spreuken; op den achtergrond het huisaltaar met de heilige plaat: de witte god, gezeten, en achter hem de grijnzende zwarte god. Maar de straat verbreedde zich, veraanzienlijkte zich eensklaps; rijke Chineesche huizen, als witte villa’s, blankten zacht op; en vooral trof een blanke paleisvilla van een schatrijken ex-opiumpachter—rijk geworden in de dagen vóor de opium-régie—een blank paleis van sierlijk stucwerk met tallooze bijgebouwen, de poorten der voorgalerij in een monumentalen Chineeschen stijl van voorname elegance en zachte bonte goudkleur, in de diepte van het open huis het zeer groote huisaltaar, de plaat der goden pronkende in licht; de tuin aangelegd met gemaniëreerde krinkelpaden, maar mooi volgezet met vierkante potten en lange bloemvazen van donker blauw-en-groen glazuur, waarin kostbare dwergplanten—erfstuk van vader op zoon—en alles gehouden in een blinkende properheid, een verzorgde netheid van détail: de welvarende, kraakzindelijke luxe van een millionair opium-Chinees. Maar niet alle Chineesche woningen waren zoo pronkerig open, de meeste lagen verborgen in tuinen achter hooge muren, gesloten, en doken terug in het geheim van hun huiselijk leven. Eensklaps waren de huizen gedaan en langs een breeden weg strekten Chineesche graven zich uit, rijke graven, den grasheuvel met den gemetselden ingang—ingang van dood—opgehoogd in den symboolvorm van het vrouwelijk orgaan: uitkomst van leven,—ruim grasveld er om heen: de ergernis van Van Oudijck, die berekende hoeveel bouw wel voor kultuur verloren was door die begraafplaatsen der rijke Chineezen. En de Chineezen schenen te triomfeeren in leven en dood in de anders zoo stille stad van geheimzinnigheid, de Chineezen gaven er aan het eigenlijke karakter van drukke beweging, van handel, van rijk worden, van leven en sterven, want toen het rijtuig de Arabische wijk inreed—huizen als andere, maar somber, maar stijlloos, maar fortuin en existentie verborgen achter dichte deuren; in de voorgalerij wel stoelen, maar de heer des huizes somber gehurkt op den grond, onbewegelijk, met zwarten blik het rijtuig achtervolgende—scheen dit stadsgedeelte nog tragischer geheimzinnig dan het notabele Laboewangi en scheen het onuitzegbare mysterie uit te donzen als iets van den Islâm, dat zich verspreidde over de héele stad, of het de Islâm was, die de fatale melancholie van levensgelatenheid uitduisterde in den huiverenden, geluideloozen avond.... Zij voelden dat niet in hun ratelende rijtuig, van hun kinderjaren aan die atmosfeer gewoon en niet gevoelig meer voor het sombere geheim, dat was als het naderen van een zwarte macht, die hen—overheerschers met hun kreolenbloed—altijd en altijd had aangeademd, zoodat zij ze nooit zouden vermoeden. Misschien als Van Oudijck nu en dan in de couranten las over het pan-islâmisme, dat hem iets aanzweemde of de zwarte macht, het sombere geheim even opende voor zijne diepste gedachte. Maar zooals nu—toerende met vrouw en kinderen, in het geratel van zijn rijtuig, en het getrappel van zijn mooie Sydney-ers, den oppasser, met den gesloten pajong, die glinsterde als een dichtgestraalde zon, op den bok, voelde hij te veel zichzelven, zijn heerschers-, zijn overheerschersnatuur, om iets van het zwarte geheim te raden, iets van het zwarte gevaar te zien. En hij was vooral nu te prettig, om iets melancholieks te voelen, te zien. Hij zag, in zijn optimisme, zelfs niet het verval van zijne stad, die hij liefhad; ze troffen hem niet, nu zij doorreden, die immense zuilenvilla’s, getuigende van vroegere planterswelvaart—verlaten, verwaarloosd, in verwilderde erven; een ervan ingenomen door een hout-aankap-maatschappij, die er den opzichter liet wonen en in den voortuin de balken stapelde. Treurig blankten de verlaten huizen op, met portieken van pilaren, die in de woest vergroeide erven spookten in de maan, als tempels van onheil.... Maar zij zagen het zoo niet: genietende de wiegeling op de zachte rijtuigveeren, dommelde Léonie glimlachende, en Doddy spiedde, nu zij de Lange Laan weêr naderden, uit, of zij niet Addy zag....

TWEEDE HOOFDSTUK.

I.

De secretaris Onno Eldersma had het druk. De post bracht iederen dag aan het rezidentiebureau, waaraan twee kommiezen, zes klerken waren verbonden, tal van djoeroe-toelis en magangs [11], gemiddeld een paar honderd brieven en stukken en de rezident mopperde dadelijk zoodra er achterstallig werk was. Hij werkte zelve stevig aan, hij verlangde van zijn ambtenaren het zelfde. Maar soms was het een stortvloed van stukken, requesten, aanvragen. Eldersma was het type van den in zijn geschrijf opgaanden bureau-ambtenaar, en Eldersma had het altijd druk. Hij werkte ’s morgens, ’s middags, ’s avonds. Aan siësta deed hij niet. Hij rijsttafelde even om vier uur, en daarna rustte hij even uit. Gelukkig had hij een sterk gestel, frisch, Friesch, maar al zijn bloed, al zijn spieren, al zijn zenuwen waren hem noodig voor zijn werk. Het was niet wat schrijfwerk, wat paperassengedoe: het was handenarbeid van de pen, spierarbeid, zenuwarbeid, en altijd, altijd door. Hij brandde op, hij verteerde zichzelven, al schrijvende. Hij had geen andere ideeën meer, hij was niets meer dan ambtenaar, bureau-man. Hij had een lief huis, een allerliefste bizondere vrouw, een aardig kind, maar hij zag ze niet meer, al leefde hij, vaag, in zijn intérieur. Hij werkte maar, nauwgezet, afdoende wat hij kon. Soms zeide hij den rezident, dat het hem onmogelijk was meer te doen. Maar Van Oudijck, op dit punt, was onverbiddellijk, erbarmingloos. Hij was zelve gewestelijk secretaris geweest: hij wist wat het was. Het was werken, het was voortjakkeren als een karrepaard. Het was leven, eten, slapen, met de pen in de hand. Dan toonde Van Oudijck hem dat en dat werk, dat afgedaan moest worden. En Eldersma, die gezegd had, dat hij niet meer kon doen dan hij deed, deed het werk af, en deed dus altijd nog wat meer dan hij dacht te kunnen doen.