De stille kracht

Part 19

Chapter 194,034 wordsPublic domain

In Batavia, tusschen de praatjes op de receptie’s, hoorde Eva hierover. En toen zij vroeg naar Van Oudijck, waar hij logeerde, of hij spoedig naar Europa zoû gaan, na zijn zoo onverwachts genomen ontslag—iets, dat de geheele ambtenaarswereld had verbaasd, wist men niet goed, vroeg men elkander of hij dan niet meer was in het hôtel Wisse, waar men hem toch enkele weken had zien wonen, in zijn voorgalerijtje onbewegelijk liggende in zijn stoel, de beenen op de latten, onbewegelijk als starende naar éen punt.... Hij was bijna niet uitgegaan, hij at daar, kwam niet aan de table-d’hôte, als was hij—de man, die steeds met honderde menschen had moeten omgaan—menschenschuw geworden. En eindelijk hoorde Eva, dat Van Oudijck te Bandong woonde. Daar zij er eenige afscheidsvisites te maken had, ging zij naar den Preanger. Maar te Bandong was hij niet te vinden: de hôtelhouder wist haar wel te zeggen, dat de rezident Van Oudijck enkele dagen ten zijnent verbleven was, maar hij was gegaan, en hij wist niet waarheen. Tot eindelijk, bij toeval, zij van een heer aan tafel hoorde, dat Van Oudijck dichtbij Garoet woonde. Zij ging naar Garoet, blijde hem op het spoor te zijn. En daar, in het hôtel, wist men haar te beduiden, waar hij woonde. Zij wist niet, of zij hem eerst schrijven zoû en aankondigen haar bezoek. Het was of zij iets voorried, dat hij zich dan excuzeeren zoû en zij hem niet meer zoû zien. En zij, op het punt Java te verlaten, verlangde hem te zien, uit sympathie, en uit nieuwsgierigheid, beiden. Zij verlangde zelve te zien, hoe hij geworden was, hem te doordringen, waarom hij zoo plotseling zijn ontslag had genomen, en zich had uitgewischt zijne zoo benijdbare plaats in het leven: plaats, oogenblikkelijk ingenomen, door wien achter hem aandrong, in het gretig dringen naar promotie. Den volgenden morgen dus, heel vroeg, zonder iets te hebben gemeld, reed zij in een rijtuig van het hôtel weg; de hôtelhouder had den koetsier uitgeduid, waar hij heen moest. En zij reed heel lang, langs het meer van Lellès, waarop de koetsier haar opmerkzaam maakte: het heilige, sombere meer, waarin op twee eilanden liggen de aloude graven van heiligen, terwijl er boven zweefde, als een donkere wolk van doodschheid, een altijd ronddraaiende zwerm van heel groote kalongs, zwarte reuzevleêrmuizen, klapwiekende hunne demonische vlerken en krijschende hun wanhoopzege-schreeuw, onophoudelijk omcirkelend: rouw-zwarte duizeling tegen de eindeloos diepe blauwe lucht van den dag aan, of zij, de eens zoo dagschuwe demonen, gezegevierd hebben en niet meer schuwen het licht, omdat zij het met de schaduw van hun funèbre vlucht tòch verduisteren. En het was zoo iets beklemmends: het heilige meer, de heilige graven en daarboven een zwerm als van zwarte duivels in den diepen blauwen ether, omdat het was of iets van het mysterie van Indië er zich plotseling openbaarde, zich niet meer verbergende in vage verdonzing, maar zichtbaar werkelijk in de zon, ontstelling wekkend met zijn dreigende zege.... Eva huiverde, en terwijl zij angstig naar boven keek, was het haar of de zwarte zwerm van schermwieken naar beneden zoû slaan. Op haar.... Maar de schaduw van dood tusschen haar en de zon cirkelde alleen als een duizeling, hoog boven haar hoofd, en wanhoopschreeuwde alleen zijn triomf.... Zij reed verder, en de vlakte van Lellès breidde zich groen en lachend voor haar uit. En de seconde van openbaring was al voorbij getikt: er was niets meer dan de groene en blauwe weelde van Java’s natuur: het mysterie school al weêr weg tusschen de fijne, wuivende bamboe’s, loste op in den azuuroceaan van de lucht.

De koetsier reed langzaam een stijgenden weg op. De liquide sawah’s traptraden als spiegelterrassen naar boven, ijl groen van de voorzichtig geplante padi-halmpjes; toen, plotseling, was het als een varen-allee; reuzevarens, die hoogopwaaierden, en groote fabelkapellen fladderden rond. En tusschen de ijlte der bamboe’s werd zichtbaar een kleine woning, half steen, half bamboe-vlechtwerk, met een tuintje er om, waarin enkele witte potten met rozen. Een heel jonge vrouw in sarong en kabaai, zachtjes goudglanzend de wangen, nieuwsgierig spiedend de koolzwarte oogen, zag uit naar de verrassing van het rijtuig, dat heel langzaam aankwam en vluchtte naar binnen. Eva steeg uit, en kuchte. En om een schutsel in het middengalerijtje zag zij eensklaps iets van het gezicht van Van Oudijck, gluren. Hij verdween dadelijk.

—Rezident! riep zij, en maakte hare stem lief.

Maar niemand kwam, en zij werd verlegen. Zij dorst niet gaan zitten en toch wilde zij ook niet weêr gaan. Maar om het huisje, buiten, gluurde een gezichtje, twee bruine gezichtjes, van heel jonge nonna-meisjes, en verdwenen weêr, gichelend. In het huisje hoorde Eva fluisteren, als iets van een groote emotie, heel zenuwachtig. Sidin! Sidin! hoorde zij roepen en fluisteren. Zij glimlachte, wat moediger en bleef en liep wat in het voorgalerijtje. En eindelijk kwam een oude vrouw, misschien niet zoo heel oud van jaren, maar al oud van rimpelig vel en uitgedoofde oogen, in een gekleurde chitsen kabaai en slepend haar sloffen, en met een beetje Hollandsch en toen toch maar Maleisch, glimlachend, beleefd, vroeg zij Eva te gaan zitten, en zei, dat de rezident dadelijk zoû komen. Zij zette zich ook, glimlachte, wist niet te spreken, wist niet te antwoorden, toen Eva haar iets vroeg over het meer, over den weg. Zij liet maar liever stroop brengen, en ijswater, en oublie-tjes, en praatte niet, maar glimlachte en verzorgde hare gast. Als de jonge nonna-gezichtjes gluurden om het huisje, stampte de oude vrouw boos met de slof en schold ze een plotseling woord toe, en dan verdwenen ze gichelend en liepen hard weg op hoorbaar klinkende bloote voetjes. Dan glimlachte weêr de oude met haar altijd glimlachenden rimpelmond en zag als verlegen naar de dame, als vroeg zij haar excuus. En heel lang duurde het, tot Van Oudijck eindelijk aankwam. Met effuzie begroette hij Eva, verontschuldigde zich haar te hebben laten wachten. Klaarblijkelijk had hij zich vlug geschoren, een frisch wit pak aangetrokken. En hij was zichtbaar verheugd haar te zien. De oude vrouw, met haar eeuwigen glimlach van verontschuldiging, vertrok. In die eerste opgewektheid scheen Van Oudijck aan Eva geheel de zelfde toe, maar toen hij, kalmer, zat en haar vroeg of zij tijding van Eldersma had, wanneer zijzelve ging naar Europa, zag zij, dat hij oud was geworden, een oude man. Het was niet in zijn figuur, dat, in zijn goed gesteven witte pak, nog altijd iets breed militairs had behouden, iets forsch gehouwens, den rug alleen wat meer krommende als onder een last. Maar het was in zijn gezicht, in den doffen, belangeloozen blik, in de zware groeven van het bijna pijnlijke voorhoofd, de tint van de huid geel en dor, terwijl zijn breede snor, waarom de joviale trek nog eens speelde, geheel grijs was. Een zenuwachtige trilling was in zijne handen. En hij hoorde haar uit, wat men te Laboewangi had gezegd, nog even nieuwsgierig naar de menschen van daarginds, naar iets van zijn eens zoo dierbaar gewest.... Zij sprak er vaag over heen, vergoêlijkend en verbloemend, en hem vooral niets zeggende, van de praatjes: dat hij met de noorderzon was vertrokken, dat hij gevlucht was, waarvoor, men wist het zelve niet.

—En u, rezident, vroeg zij; gaat u ook gauw naar Europa?

Hij staarde voor zich uit, toen lachte hij pijnlijk voor hij antwoordde. En hij zeide eindelijk, bijna verlegen:

—Neen mevrouwtje, ik ga maar niet meer terug. Ziet u eens, hier in Indië ben ik wat geweest, daar zoû ik niets zijn. Ik ben nu ook niets meer, maar ik voel toch, dat Indië mijn land is geworden. Het land heeft zich van mij meester gemaakt en ik behoor het nu toe. Aan Holland behoor ik niet meer, en niets en niemand in Holland behoort mij. Ik ben, wel is waar, uitgevuurd, maar ik sleep toch nog liever mijn bestaan hier een poosje voort, dan daar. In Holland zoû ik niet meer kunnen tegen het klimaat en niet meer tegen de menschen. Hier is het klimaat mij sympathiek en van de menschen heb ik mij teruggetrokken. Theo heb ik nog voor het laatst geholpen, en Doddy is getrouwd. En de beide jongens gaan naar Europa, voor hun opvoeding....

Hij boog zich in eens naar haar over, en, met een andere stem, fluisterde hij bijna, als wilde hij komen tot een bekentenis:

—Ziet u.... als alles gewoon was gegaan.... dan.... dan had ik niet gehandeld als ik gedaan heb. Ik ben altijd geweest een man van de praktijk en daarop was ik trotsch en ik was trotsch op het gewone leven: mijn eigen leven, dat ik leidde volgens principes, die ik goed dacht, naar een hoog punt onder de menschen. Zoo ben ik altijd geweest, en zoo ging het goed. Alles ging mij voor den wind. Als anderen tobden over promotie, sprong ik er vijf tegelijk over den kop. Het was alles glad voor mij uit, ten minste in mijn carrière. In mijn huiselijk leven ben ik niet gelukkig geweest, maar ik zoû nooit week genoeg zijn om daar onder weg te teeren van verdriet. Er is zoo veel voor een man buiten zijn huiselijk leven. En toch hield ik altijd veel van mijn huiselijken kring. Ik geloof niet, dat het mijn schuld geweest is, dat alles zoo is geloopen. Ik hield van mijn vrouw, ik hield van mijn kinderen, ik hield van mijn huis: mijn huiselijkheid, waarin ik man en vader was. Maar dat gevoel in mij is nooit tot zijn recht kunnen komen. Mijn eerste vrouw was een nonna, die ik trouwde omdat ik verliefd op haar was. Omdat zij mij er niet onder kreeg met haar nukjes, ging het na eenige jaren niet meer. Op mijn tweede vrouw was ik misschien nog verliefder dan op mijn eerste: ik ben in die dingen eenvoudig aangelegd.... Maar ik heb het nooit mogen hebben: een lieven huiselijken kring: een lieve vrouw, kinderen, die op je schoot kruipen, die je lief ziet opgroeien tot menschen, menschen, die aan jou verschuldigd zijn hun leven, hun bestaan, eigenlijk alles wat zij hebben en zijn.... Dat zoû ik gaarne gehad hebben.... Maar zooals ik zeg, al miste ik het, het had mij toch nooit ten onder gebracht....

Hij zweeg even, toen ging hij voort, geheimzinniger, fluisterender nog:

—Maar dàt, ziet u,... dàt, wat gebeurd is.... dat heb ik nooit begrepen.... en dat heeft mij gebracht.... tot hier.... Dat, dat alles, wat streed, wat indruischte tegen leven en praktijk en logica.... al die—hij sloeg met de vuist op de tafel—al die verdomde nonsens, en die toch.... die toch maar gebeurde.... dat heeft het hem gedaan. Ik was er wel sterk tegen in, maar mijn kracht hielp er niet tegen. Het was iets, waartegen niets hielp.... Ik weet het wel: het was de Regent. Toen ik hem gedreigd heb, is het opgehouden.... Maar, mijn God, mevrouwtje, zeg mij, wàt was het?? Weet u het? Neen, niet waar, niemand, niemand wist het, niemand weet het. Die vreeslijke nachten, die onverklaarbare geluiden boven mijn hoofd; die nacht in de badkamer met den majoor en de andere officieren.... Het was toch geen zinsbegoocheling: wij zagen het, wij hoorden het, wij voelden het: het viel op ons, het spoog op ons: de heele badkamer was er vol van!! Andere menschen, die het niet ondervonden hebben, kunnen het gemakkelijk ontkennen. Maar ik—wij allen—wij hebben het toch gezien, gehoord, gevoeld.... En wij wisten geen van allen wat het was.... En sedert heb ik het altijd gevoeld. Het was om mij, in de lucht, onder mijn voeten.... Ziet u, dat.... en dat alleen—fluisterde hij heel zacht—dat heeft het gedaan. Dat heeft gemaakt, dat ik daar niet meer blijven kon. Dat heeft gemaakt, dat ik als met stomheid, met idiotisme geslagen werd—in het gewone leven, in al mijn praktijk en logica, die mij op eens toescheen als een foutief opgebouwd levensstelsel, als de meest abstracte bespiegeling—omdat er dwars door heen dingen gebeurden van een andere wereld, dingen, die mij ontsnapten, mij en aan iedereen. Dat, dat alleen heeft het gedaan. Ik was mezelf niet meer. Ik wist niet meer wat ik dacht, wat ik deed, wat ik gedaan had. Alles heeft in mij gewankeld. Die ellendeling in de kampong.... hij is mijn kind niet: ik verwed er mijn leven om. En ik.... ik heb het geloofd. Ik heb hem geld doen toekomen. Zeg mij, begrijpt u mij? Zeker niet? Het is niet te begrijpen, dat vreemde, dat oneigenlijke, als men het niet ondervonden heeft, in zijn vleesch en in zijn bloed, totdat het doordrong in je merg....

—Ik geloof wel, dat ik het ook wel eens gevoeld heb, fluisterde zij nu. Als ik met Van Helderen wandelde langs de zee, en de lucht was zoo ver, de nacht zoo diep, of de regens van zoo heel ver aanruischten en dan neêrvielen.... of als de nachten, doodstil en toch zoo overvol van geluid, om je heen trilden, altijd met een muziek, die als niet was te vatten en nauwlijks te hooren.... Of eenvoudig, als ik zag in de oogen van een Javaan, als ik sprak met mijn baboe en het was of niets van wat ik zeide, drong tot haar door, en of wat zij mij antwoordde haar eigenlijk geheime antwoord verborg....

—Dat is weêr anders, zeide hij; dat begrijp ik niet: ik voor mij, ik kende wel den Javaan. Maar misschien voelt elke Europeaan dàt op een andere manier, volgens zijn aanleg, en zijn natuur. Voor den een is het misschien de antipathie, die hij van den beginne voelt in dit land, dat hem in de zwakte van zijn materialisme aanvalt en blijft bestrijden.... terwijl het land zelve toch zoo vol poëzie is en.... mystiek.... zoû ik bijna zeggen. Voor een ander is het het klimaat, of het karakter van den inboorling, of wat ook, dat hem vijandig is en onbegrijpelijk. Voor mij.... waren het feiten, die ik niet begreep. En tot nog toe had ik een feit altijd kunnen begrijpen.... ten minste, dat kwam mij zoo voor. Nu werd het mij of ik niets meer begreep.... Zoo werd ik slecht ambtenaar, en toen begreep ik, dat het gedaan was. Ik ben er toen rustig meê uitgescheiden. En nu ben ik hier, en nu blijf ik maar hier. En weet u, wat het vreemde is? Hier heb ik mijn huiselijken kring.... misschien eindelijk gevonden....

De bruine gezichtjes gluurden om den hoek. En hij riep ze, hij lokte ze, vriendelijk, met een breed vaderlijk gebaar. Maar hoorbaar op bloote voetjes, stampten zij weêr weg. Hij lachte.

—Ze zijn heel verlegen, die kleine apen, zeide hij. Het zijn de zusjes van Lena, en die u zooeven gezien heeft, is haar moeder.

Hij zweeg even, eenvoudig weg, als zoû zij wel begrijpen wie Lena was: de heel jonge vrouw met de goudgewaasde wangen en de koolzwarte oogen, die zij even in een flits had gezien.

—En dan zijn er broêrtjes, die moeten leeren in Garoet. Ziet u, dat is nu mijn huiselijke kring. Toen ik met Lena kennis maakte, heb ik de heele familie er maar bijgenomen. Het kost me wel veel geld, want ik heb mijn eerste vrouw te Batavia, mijn tweede te Parijs, René en Ricus in Holland. Dat kost me allemaal geld. En nu hier mijn nieuwe „huiselijke kring”. Maar ik hèb nu ten minste mijn kring.... Het is me wel een Indische boel zal u zeggen: dat Indische-huwelijk met een dochter van een koffie-opziener, en daarbij nog op den koop toe de oude vrouw en de broêrtjes en zusjes. Maar ik doe er nog iets goeds meê. De menschen hadden geen cent, ik help ze. En Lena is een lief kind, en de troost van mijn ouden dag. Ik kan niet leven zonder vrouw, en zoo is het van zelf zoo gekomen... En zoo is het heel goed: ik vegeteer nu hier, en drink lekkere koffie en ze zorgen goed voor den ouden man...

Hij zweeg even, en toen:

—En u... u gaat naar Europa? Arme Eldersma, ik hoop, dat hij spoedig herstelt... Het is alles mijn schuld, niet waar: ik liet hem maar te veel werken. Maar zoo is het in Indië, mevrouw. Wij werken hier allemaal hard. Tot dat wij niet meer werken. En u gaat... al over een week? Wat zal u blij zijn uw ouders te zien, en mooie muziek te hooren. Ik ben u nog altijd dankbaar. U heeft veel voor ons gedaan, u was de poëzie in Laboewangi. Arm Indië.... wat schelden ze er niet op. Het land kan het toch niet helpen, dat er Kaninefaten op zijn grond zijn gekomen, barbaarsche veroveraars, die maar rijk willen worden en weg... En als ze dan niet rijk worden.... dan schelden ze: op de warmte, die God het van den beginne gegeven heeft.... op het gemis aan voedsel voor ziel en geest... ziel en geest van den Kaninefaat. Het arme land, waarop zoo gescholden is, zal wel denken: Was weggebleven! En u... u hield ook niet van Indië.

—Ik heb geprobeerd er de poëzie van te vatten. En nu en dan vatte ik ook die poëzie. Verder... is alles mijn schuld, rezident, en niet de schuld van dit mooie land. Evenals uw Kaninefaat.... had ik hier niet moeten komen. Al mijn spleen, al mijn melancholie... hier geleden in dit mooie land van mysterie... is mijn schuld. Ik scheld niet op Indië, rezident.

Hij vatte haar bij de hand, en bijna met ontroering, bijna met een vochtglans in zijn oog.

—Ik dank u ervoor, zeide hij zacht. Dat woord is van u: uw eigen woord, het woord van een verstandige, ontwikkelde vrouw, die niet als een stomme Hollander er maar op los trekt, omdat hij niet precies hier gevonden heeft wat aan zijn ideaaltje beantwoordde. Ik weet het: uw natuur heeft hier veel geleden. Het kan niet anders. Maar... het was niet de schuld van het land.

—Het was mijn eigen schuld, rezident, herhaalde zij, met haar zachte stem en haar glimlach.

Hij vond haar aanbiddelijk. Dat zij niet uitvoer in imprecaties, niet losbarstte in heerlijkheid omdat zij over een paar dagen Java verliet, deed hem weldadig aan. En toen zij opstond, zeggende, dat het haar tijd werd, voelde hij een zwaren weemoed.

—En ik zie u dus nooit meer terug?

—Ik geloof niet, dat wij zullen terugkomen.

—Het is dus een afscheid voor altijd?

—Misschien zien wij u nog, in Europa....

Hij weerde af met de hand.

—Ik ben u innig dankbaar, dat u den ouden man eens is komen opzoeken. Ik rijd met u meê naar Garoet...

Hij riep het naar binnen, waar de vrouwen, onzichtbaar, scholen, waar de kleine zusjes gichelden. En hij steeg met haar in het rijtuigje. Zij reden de varen-allee uit en plotseling zagen zij het heilige meer van Lellès, oversomberd door de cirkelende duizeling der altijd rondvlerkende kalongs.

—Rezident, fluisterde zij; ik voel het hier....

Hij glimlachte.

—Dat zijn maar kalongs, zeide hij.

—Maar in Laboewangi.... daar was het misschien maar een rat...

Hij fronste even de brauwen; toen glimlachte hij weêr,—den jovialen trek om zijn breeden snor—en nieuwsgierig zag hij naar boven.

—Hè, zeide hij zacht. Heusch? Voelt u het hier?

—Ja.

—Neen, ik niet.... Het is bij een ieder iets anders.

De reuzenvleêrmuizen wanhoopschreeuwden schril hun triumf. Het rijtuigje reed voorbij, en ging langs een kleine spoorweghalte. En in de anders zoo eenzame landstreek was het vreemd, dat eene geheele bevolking, een zwerm van bonte Soendaneezen, samenstroomde aan het kleine station, gretig uitziende naar een langzame trein, die, tusschen de bamboes zwartrookend, naderde. Aller oogen waren als dol open gesperd, als verwachtten zij het heil van den eersten aanblik, als zoû een schat voor hun ziel zijn de eerste indruk, dien zij zouden ontvangen.

—Dat is een trein met nieuwe hadji’s, zei Van Oudijck. Allemaal versche Mekka-gangers....

De trein hield stil, en uit de lange wagens der derde klasse, plechtig, langzaam, vol wijding en bewust van hunne waarde, stegen de hadji’s uit, rijk geel en wit getulband het hoofd, waarin trotsch de oogen glansden, laatdunkend de lippen zich dicht trokken, in nieuwe glanzende jassen, goudgele en purperen samaren, die vielen aanzienlijk bijna neêr tot de voeten. En, gonzend van verrukking, soms met een opstijgenden kreet van onderdrukte extaze, drong nader de uitziende menigte, bestormde de nauwe uitgangen van de lange wagons.... De hadji’s, plechtig, stegen uit. En hun broeders en hun vrienden grepen om strijd hunne handen, de zoomen van hunne goudgele en purperen samaren, en kusten die heilige hand, dat heilig gewaad, omdat het hun bracht iets van het heilige Mekka. Zij vochten, zij verdrongen elkaâr om de hadji’s, om het allereerst den kus te geven. En de hadji’s, laatdunkend, zelfbewust, schenen den strijd niet te zijn, waren als voornaam rustig en plechtig aanzienlijk te midden van den strijd, te midden van de golvende en gonzende menigte, en overlieten hun hand, overlieten hun tabbaardzoom aan den dweepkus van al wie hen nakwam.

En vreemd was het in dit land van diep geheimzinnig sluimerend mysterie, in dit volk van Java, dat zich als altijd verborg in het geheim van zijn ondoordringbare ziel—wel onderdrukt maar toch zichtbaar, te zien rijzen eene extaze, te zien oogstaren een dronkene dweping, te zien zich openbaren een deel van die ondoordringbare ziel in hare vergoddelijking van wie het graf des Profeten had gezien, te hooren zacht gonzen een godsdienstverrukking, te hooren optrillen, plotseling onverwacht, een niet te onderdrukken kreet van glorie, die weêr dadelijk verzonk, versmolt in het gegons, als angstig om zichzelven, omdat het heilige tijdstip nog niet daar was....

En Van Oudijck en Eva, op den weg, achter het station, langzaam voortrijdend om de drukke menigte, die gonzende altijd de hadji’s omringde, hun dragende eerbiedig hun reisgoed, hun vleierig aanbiedend hunne karretjes, zagen plotseling elkander aan, en ofschoon zij het geen van beiden wilden zeggen met woorden, zeiden zij elkaâr met een blik van begrijpen, dat zij Hèt, Dàt, voelden—beiden—beiden tegelijkertijd nu, daar te midden van het dwepen dier menigte....

Zij voelden het beiden, het onuitzegbare: dat wat schuilt in den grond, wat sist onder de vulkanen, wat aandonst met de verre winden meê, wat aanruischt met den regen, wat aandavert met den zwaar rollenden donder, wat aanzweeft van wijd uit den horizon over de eindelooze zee, dat wat blikt uit het zwarte geheimoog van den zielgeslotenen inboorling, wat neêrkruipt in zijn hart en neêrhurkt in zijn nederige hormat, dat wat knaagt als een gift en een vijandschap aan lichaam, ziel, leven van den Europeaan, wat stil bestrijdt den overwinnaar en hem sloopt en laat kwijnen en versterven, heel langzaam aan sloopt, jaren laat kwijnen, en hem ten laatste doet versterven, zoo nog niet dadelijk tragisch dood gaan: zij voelden het beiden, het Onuitzegbare....

En in het voelen ervan, tegelijk met den weemoed van hun afscheid, dat zoo dadelijk dreigde, zagen zij niet, te midden der golvende, deinende, gonzende menigte, die als eerbiediglijk voortstuwde de gele en purperen voornaamheden der uit Mekka terugkeerende hadji’s—zagen zij niet dien éenen grooten witten, rijzen boven de menigte uit en kijken met zijn grijnslach naar den man, die hoe hij ook zijn leven geademd had in Java, zwakker was geweest dan Dàt....

Passaroean-Batavia, Oct. ’99–Febr. 1900.

AANTEEKENINGEN

[1] Dispensier, hofmeester.

[2] Neen!

[3] Diamanten.

[4] Naaister.

[5] Gesp.

[6] Eekhoorn, klapperrot.

[7] Blaaspijp.

[8] Gebrande boontjes.

[9] Binnenlandsch Bestuur.

[10] Poudre-de-riz.

[11] Schrijvers, klerken.

[12] Lang, gebatikt kleed.

[13] Chineesch goudborduursel.

[14] Woning van den Regent.

[15] Provizie-kamer.

[16] Latta, een nerveuze ziekte van oogenblikkelijk gesuggereerde imitatie, met ook plotselinge herstellingen.

[17] Gooi neêr!

[18] Draagblad.

[19] Naar buiten!

[20] Vergeving!

[21] Spaansche peper.

[22] Paleis.

[23] Wierook.

[24] Groente-sausen.

[25] Kip.

[26] Vijzel.

[27] Gordijn.

[28] Rund.

[29] Rietvezels.

[30] Zaad.

[31] Sambal van Spaansche peper.

[32] Nachtwacht.

[33] Markt.

[34] Hol houtblok.

[35] Heilige noodlotsberekeningen.

[36] Binnenlandsch hôtel, ten dienste der ambtenaren.

[37] Sjerp, shawl.

[38] Vorstelijke danseressen.

[39] Rijksbestierder, volgende in rang op den Regent.

[40] Inlandsche geneeskundige.

[41] Talisman.

[42] Avond-markt.

[43] Plein voor de Regentswoning.

[44] Maleische schouwburg.

[45] Maandelijksche bestuursvergadering.

[46] Overdekte vierkante ruimte, vóor de Regentswoning, voor vergaderingen en feesten.

[47] Soda-water.

[48] Mat.

[49] Rijksdaalder.

[50] Wilde kat.

[51] Spoken.

[52] Onheil.