De stille kracht

Part 18

Chapter 183,421 wordsPublic domain

Neen, hij wist zelve niet of hij geloofde. Zijn vrouw had zoo rustig geantwoord, en nu, de eerste dagen van het engagement, was zij zoo kalm geweest, glimlachend als altijd.... Dat vreemde van haar, dat onkwetsbare, alsof niets haar kon deren, zag hij nu voor het eerst. Vermoedde hij achter die muur van onkwetsbaarheid het ironisch vrouwegeheim van haar stil gloeiend leven? Het was of hij in zijn latere nerveuze achterdocht, in zijn stemming van onrust, in zijn vaag van bijgeloovigheid en spiedend luisteren naar de stilte, die spookte, geleerd had dingen te zien om hem heen, waarvoor hij blind was geweest in zijn stoere kracht van heerschman en hooghartig hoofdambtenaar. En zijn verlangen om zeker te weten de geheimen, die hij raadde, werd zoo hevig in zijn ziekelijke geprikkeldheid, dat hij vriendelijker werd en vriendelijker tegen zijn zoon, maar nu niet meer uit spontanen vaderdrang, waarmeê hij Theo toch altijd had liefgehad, nu uit nieuwsgierigheid, om hem uit te hooren, en Theo te doen zeggen al wat hij wist. En Theo, die Léonie haatte, die zijn vader haatte, die Addy, die Doddy haatte, in zijn geheele haat van alle menschen om hem, die het leven haatte in zijn stijfkoppig idee van blonden sinjo, verlangend naar geld en mooie vrouwen, boos omdat de wereld, het leven, fortuin, geluk, zooals hij dat klein zich verbeeldde, niet naar hem toekwam en hem viel in de armen, hem viel om den hals—Theo, volgaarne, perste zijn enkele woorden uit, als droppelen alsem, stil genietende als hij zijn vader zag lijden. En hij liet Van Oudijck, heel langzaam-aan, raden, dat het tòch waar was: van mama en van Addy. Nog kon Van Oudijck het niet aannemen. In de intimiteit, die geboren werd tusschen vader en zoon uit achterdocht en haat, zeide Theo van dien broêr in de kampong, en dat hij wist, dat papa hem geld gaf, en dus erkende, dat het waar was.... En Van Oudijck, niet zeker meer, niet meer wetende de waarheid, gaf toe, dat het wel kon, gaf toe, dat het zoo was. Toen, denkende aan de anonieme brieven,—pas den laatsten tijd—sedert hij geld deed toekomen aan den halfbloed, die zich aanmatigde zijn naam—hem niet meer toegezonden,—dacht hij ook aan de besmeuringen, die hij er zoo dikwijls in had gelezen, en, toen, steeds als vuil van zich had afgeworpen: dacht hij aan die beide namen van zijn vrouw en Theo zelve, die er zoo vaak in werden gekoppeld. Als vlammen ziedden-op zijn wantrouwen en zijn achterdocht, als een brand nu onbedwingbaar, die in hem verzengde alle andere gevoel, gedachte. Tot hij zich ten laatste niet meer kon houden en er Theo ronduit over sprak. Theo’s verontwaardiging en ontkenning vertrouwde hij niet. En nu vertrouwde hij niets meer, en niemand. Hij wantrouwde zijn vrouw en zijn kinderen, zijn ambtenaren; hij wantrouwde zijn kok....

III.

Toen kwam als een donderslag door Laboewangi het gerucht varen, dat Van Oudijck en zijn vrouw zouden scheiden. Léonie ging naar Europa, heel plotseling, eigenlijk zonderdat iemand wist waarom en zonder van iemand afscheid te nemen. En het was in het stadje een groot schandaal, men sprak over niets anders, men sprak er zelfs over tot in Soerabaia, tot in Batavia. Alleen Van Oudijck zweeg er over, en, alleen wat dieper gebogen zijn rug, ging hij voort, werkte hij door, leefde hij zijn gewoon leven. Hij had, ontrouw aan zijn principe, Theo aan een betrekking geholpen, om hem kwijt te zijn. Hij had maar het liefst, dat Doddy logeerde op Patjaram, waar de dames de Luce haar zouden helpen met haar uitzet. Hij had maar het liefst, dat Doddy gauw trouwde, en trouwde te Patjaram. In zijn groot, leêg huis wilde hij nu maar de eenzaamheid, de immense ongezellige eenzaamheid. Hij liet niet meer voor zich dekken: men bracht hem maar een bordje rijst, een kop koffie, in zijn kantoor. En hij voelde zich ziek, zijn ijver verslapte: een onverschilligheid, dof, kankerde in hem vast. Op Eldersma drukte neêr al het werk, geheel het gewest, en toen Eldersma, na in weken niet te hebben geslapen, en dol van ontzenuwing, den rezident zeide, dat de dokter hem met een spoedcertificaat naar Europa wilde zenden, ontviel Van Oudijck alle moed. Hij zeide, ook hij voelde zich ziek, op. En hij vroeg verlof aan den Gouverneur-Generaal, hij ging naar Batavia. Hij zeide er niets van, maar hij was zeker te Laboewangi niet meer terug te keeren. En hij ging weg, stilletjes, zonder een blik naar achteren, naar zijn groot arbeidsveld, waar hij eens met zooveel liefde geschapen had een geheel. Het bestuur bleef in handen van den assistent-rezident te Ngadjiwa. Men dacht algemeen, dat Van Oudijck den Gouverneur-Generaal wilde spreken over eenige belangrijke kwestie’s, maar plotseling kwam het bericht, dat hij zijn ontslag wilde nemen. Men geloofde er eerst niet aan, maar het gerucht werd bevestigd. Van Oudijck kwam niet meer terug.

Hij was gegaan, zonder een blik naar achteren, in een vreemde onverschilligheid, een onverschilligheid, die langzaam had doorziekt zijn levensmerg van eerst zoo krachtigen en praktischen en altijd arbeidjeugdigen man. Hij voelde die onverschilligheid voor Laboewangi, dat hij eerst had gedacht nooit dan met het grootste heimwee te zullen moeten verlaten—zoo hij gepromoveerd werd tot rezident eerste-klasse: hij voelde die onverschilligheid voor zijn huiselijken kring, die niet meer bestond. Een zacht verwelken, verflauwen, wegsterven was in zijn ziel. Het was hem of al zijne krachten versmolten in de stilstaande lauwte van die onverschilligheid. In Batavia plante-leefde hij wat in een hôtel, en men dacht algemeen, dat hij naar Europa zoû gaan.

Eldersma was al weg, doodziek, en Eva, met den kleinen jongen, had hem niet kunnen vergezellen, omdat zij aan zware malaria-koortsen leed. Toen zij eenigszins herstellend was, hield zij vendutie, en zoû zij naar Batavia gaan, er een drie weken logeeren bij kennissen, vóor haar boot vertrok. Zij verliet Laboewangi met zeer gemengde gevoelens. Zij had er veel geleden, maar zij had er ook veel nagedacht, en zij had er een diep gevoel gekoesterd, voor Van Helderen—een zoo zuiver en glorieus gevoel—als zij dacht, dat maar éens straalde in een leven. Zij nam afscheid van hem als van een gewoon vriend, te midden van anderen, en het was niet anders dan een handdruk, dien zij hem gaf. Maar een zoo diepe melancholie was in haar, om dien handdruk, om dat banale woord van vaarwel, dat de snikken haar stegen in de keel. Dien avond, alleen, weende zij niet, maar in haar hôtelkamer staarde zij uren stilzwijgend voor zich uit. Haar man, ziek, weg.... zij wist niet hoe zij hem terug zoû zien, òf zij hem terug zoû zien. Europa, daarginds—na hare Indische jaren—breidde zijn kusten wel lachend voor haar uit, deed opdoemen zijn steden, zijne beschaving, zijn kunst—maar zij was bang voor Europa. Een stille angst, dat zij intellectueel zoû achteruit gegaan zijn, deed haar bijna vreezen, voor den kring in het huis harer ouders, waar zij over vier weken terug zoû zijn. Eene beving, dat men haar ver-Indiescht zoû vinden, in hare manieren en ideeën, in haar spraak en haar kleeding, in de opvoeding van haar kind, maakte haar van te voren verlegen, haar, met al hare bravoure, van elegante, artistieke vrouw. Zeer zeker was zij in haar pianospel achteruit gegaan: zij zoû in Den Haag niet meer durven spelen. En zij dacht, dat het goed zoû zijn een paar weken in Parijs te blijven, om zich wat te ontbolsteren, voor zij in Den Haag zich vertoonde....

Maar Eldersma was te ziek.... En haar man, hoe zoû men hèm vinden, veranderd—haar frissche, Friesche man, afgebeuld, uitgeput, geel als perkament, nonchalant in zijn uiterlijk, somber mopperend in al zijn uitingen.... Maar een zacht vizioen van frissche Duitsche natuur, van Zwitsersche sneeuw, van muziek te Bayreuth, van kunst in Italië, dauwde voor haar starenden blik, en zij zag zich met haar zieken man samen. Samen niet meer in liefde, maar samen onder het juk van het leven, dat zij nu eens samen hadden opgenomen.... Dan de opvoeding van haar kind! O haar kind te redden van Indië, voor Indië! En toch, hij, Van Helderen, hij was nooit uit Indië geweest. Maar hij, hij was, die hij was, en hij was een uitzondering.

Zij had hem vaarwel gezegd.... Zij moest hem vergeten. Europa wachtte haar, en haar man, en haar kind....

Een paar dagen later was zij te Batavia. Zij kende Batavia ternauwernood; jaren geleden was zij er enkele malen geweest, toen zij uitkwam. In Laboewangi, in den uithoek harer kleine rezidentie-plaats, was Batavia langzamerhand in hare verbeelding verheerlijkt tot de zeer Europeesch-oriëntalische hoofdplaats, centrum van Europeesch-oriëntalische beschaving: onduidelijk vizioen van majestueuze lanen en pleinen, waarom de groote villa’s zich rijk pilaarden, waarlangs de elegante equipages zich verdrongen... Zij had altijd zooveel gehoord van die luxe van Batavia. Zij logeerde er nu bij vrienden: hij, chef van een groot handelshuis, hun huis een der mooiste villa’s van het Koningsplein. En dadelijk had haar, heel vreemd, getroffen, het funèbre, de doodsche melancholie van die groote villa-stad, waar duizenderlei bestaan als in een zwijgen koortsachtig voortijlt naar een toekomst van geld en rust. Het was of al die huizen, somber, trots hunne witte zuilen, hunne façaden van grootschheid, als gezichten vol zorg fronsten met een beslommering, die zich verbergen wilde achter het voornaam doen van breede bladeren en palmgroepen. De huizen, hoe doorzichtig ook, tusschen hunne zuilen, hoe open ook, schijnbaar, bleven gesloten; de menschen waren steeds onzichtbaar. Alleen des morgens, boodschappen doende langs de winkels van Rijswijk en Molenvliet, die, met eenige Fransche namen, poogden den indruk te maken van zuidelijke winkelstad, van Europeesche elegance, zag Eva de exode der witte mannen naar de Stad: wit van gelaatskleur, wit van kleedij en als blank van blik, blank van zorgend peinzen, den verren blanken blik vol zorg en peinzing van een ieder gericht op die toekomst, die zij uitrekenden met enkele tientallen of vijftallen van jaren: op dat en dat jaar, zooveel binnen, en dan weg, uit Indië weg, naar Europa. Het was als een andere koorts dan de malaria, die hen sloopte, en die zij zóo slopen voelde hunne nooit geacclimatizeerde lichamen, hunne nooit geacclimatizeerde zielen, dat zij als dien dag voorbij hadden willen loopen naar den dag van morgen, den dag van overmorgen,—dagen, die hun iets dichter brachten hun doel, omdat zij in stilte angstig waren te sterven vóor dat doel was bereikt. De exode vulde de trammen met hare witte doodschheid: velen, vermogend al, maar nog niet rijk genoeg voor hun doel, reden in hunne mylords en buggy’s tot de Harmonie, namen daar den tram, om hun paarden niet te vermoeien.

En in de Oude Stad, in de oude notabele woningen der eerste Hollandsche kooplieden, nog gebouwd op de vaderlandsche wijze, met eikenhouten trappen naar verdiepingen, nu in de Oostmoesson, vol hangende van een dikke benauwende warmte, als een tastbaar element, dat niet te doorademen was, bogen zij zich over hun werk, ziende tusschen hun dorstigen blik en de witte woestijn hunne papieren, steeds de dauwende fata-morgana van die toekomst, de lavende oaze van hunne materialistische hersenschim: binnen zooveel tijd geld en dan weg, weg.... naar Europa.... En in de villastad rondom Koningsplein, langs de groene lanen, verscholen zich de vrouwen, bleven onzichtbaar de vrouwen, den heelen langen, langen dag. De warme dag ging voorbij, het uur van weldadige koelte kwam, het uur van halfzes tot zeven: de mannen, doodmoê, kwamen terug in hun huizen, en rustten er uit, en de vrouwen, moê van hare huishoudingen, hare kinderen en van niets, van het leven van niets, het leven zonder belang, moê van de doodschheid van haar bestaan, rustten er uit naast de mannen. In het uur van weldadige koelte was het de rust, de rust na het bad, in négligé, om het theeblad; de korte rust éen oogenblik, want angstig naderde het uur van zeven—wanneer het al donker werd—en wanneer men naar een receptie moest. Een receptie, dat was het zich warm aankleeden in Europeesch toilet, dat was het verschrikkelijke uur van Europeesch even meêdoen met salon-beschaving en wereldschheid, maar dat was toch ook ontmoeten die en die, en een pas verder pogen te komen, tot de fata-morgana van de toekomst: tot geld en tot eindelijke rust, in Europa. En nadat de villastad in de zon den geheelen dag was somber geweest, en doodsch, en als uitgestorven,—de mannen ginds in de oude stad, de vrouwen verborgen in hare huizen—kruisten nu in den donker om Koningsplein en langs de groene lanen zich enkele equipages, enkele Europeesch uitziende menschen, die gingen naar een receptie. Terwijl om Koningsplein en aan de groene lanen alle de andere villa’s bleven volharden in hare funèbre doodschheid en zich vol sombere duisternis vulden, glom het huis, waar receptie was, van lampen tusschen de palmen. En verder bleef de doodschheid overal, bleef alom de sombere peinzing liggen over de huizen, waarin zich verscholen de moede menschen: de mannen, afgebeuld van werk, de vrouwen, afgebeuld van niets....

—Wil je niet wat toeren, Eva? vroeg hare gastvrouw, mevrouw De Harteman, een Hollandsch vrouwtje, wit als was, en altijd moê van haar kinderen. Maar ik ga liever niet meê, als je het me niet kwalijk neemt: ik wacht liever op Harteman. Anders vindt hij zoo niemand thuis. Ga jij dus, met je kleinen jongen.

En Eva, met haar ventje, toerde in de „wagen” van De Harteman. Het was het koele uur van licht. Zij ontmoette twee, drie rijtuigen: dat waren mevrouw die en mevrouw die, van wie het bekend was, dat zij ’s middags toerden. Zij zag op het Koningsplein een heer en een dame wandelen: dat waren die en die: die wandelden altijd, dat was bekend in Batavia. Verder ontmoette zij niemand. Niemand. In het weldadige uur bleef de villa-stad doodsch als een stad van gestorvenheid, als een immens mauzoleum tusschen groen. En als een weldadigheid, na de verpletterende warmte, toch, breidde zich als een reuzeweide uit het Koningsplein, waar het verschroeide gras met de eerste regens begon te groenen, de huizen, zóo ver af, zóo ver verschietende in hun dichte tuinen, dat het was als buiten, als bosch en veld en weide, met die wijde lucht erboven, waarin de longen nu adem zwolgen, alsof zij voor het eerst, dien dag, zuurstof zogen en leven: die wijde lucht, iederen dag als een andere weelde van tinten, een overdaad van zonsondergang, een glorieus sterven van den blakenden dag, of de zon zelve stuk brak in vloeizeeën van goud tusschen lila dreigingen van regen. En het was zoo wijd en zoo heerlijk, het was zoo een immense weldadigheid, dat het waarlijk troostte voor dien dag.

Maar niemand, die het zag, dan de twee, drie menschen, van wie het bekend was, in Batavia, dat zij toerden of wandelden. Het schemerde paarsch, de nacht viel met een zware schaduw neêr, en de stad, die den geheelen dag doodsch was geweest, met haar frons van sombere peinzing, sliep moê in als een stad van zorg....

Het was vroeger anders, zei de oude mevrouw De Harteman, de schoonmoeder van Eva’s vriendin. Nu waren ze er niet meer, de gezellige huizen met hun Indische gastvrijheid, met hun open tafel, met hun oprechte hartelijkheid van ontvangst. Want het karakter van den kolonist was als veranderd, als versomberd door het omslaan der kansen, door de teleurstelling, dat hij niet spoedig zijn doel bereikte: zijn materialistisch doel van rijkdom. En in die bitterheid scheen het, dat zijne zenuwen zich ook vernijdigden; zooals zijn ziel versomberde, verslapte zijn lichaam en bood het geen weêrstand aan het vernietigende klimaat....

En Eva vond niet in Batavia de ideale stad van Europeesch-oriëntalische beschaving, die zij zich Batavia gedacht had in den Oosthoek. In dit groote centrum van zorg om geld, van verlangen naar geld, was alle spontaneiteit verdwenen en versufte het leven tot een zich eeuwig opsluiten in kantoor of in huis. Men zag elkaâr alleen op de receptie’s, en verder besprak men elkaâr door de telefoon. Het misbruik van de telefoon voor huiselijk gebruik doodde alle gezelligheid tusschen kennissen. Men zag elkaâr niet meer, men hoefde zich niet meer te kleeden en het rijtuig—de wagen—te laten inspannen, want men cauzeerde door de telefoon, in sarong en kabaai, in nachtbroek en kabaai, en zonder zich bijna te bewegen. De telefoon was vlak bij de hand en door de achtergalerij tjingelde telkens het belletje. Men belde elkaâr op om niets, alleen om het pleizier te bellen. De jonge mevrouw De Harteman had een intieme vriendin, die zij nooit zag en iederen dag, gedurende een half uur lang, besprak door de telefoon. Zij ging er bij zitten, zoo vermoeide het haar niet. En zij lachte en schertste met haar vriendin, zonder zich behoeven te kleeden en zonder zich te bewegen. Zoo deed zij met andere kennissen ook: zij maakte hare visite’s door de telefoon. Zij bestelde hare boodschappen door de telefoon. Eva, in Laboewangi niet gewend aan dat eeuwig getjingel en telefoongebel, dat alle conversatie doodde, dat in de achtergalerij—luid op—de helft van een gesprek—het antwoord onhoorbaar voor wie er verder zaten—klinken liet, als een onophoudelijk eenzijdig gerammel, werd er zenuwachtig om en ging naar hare kamer. En in de saaiheid van dit leven, vol zorg en inwendige peinzing, voor den man, waardoor rammelde de telefoon-causerie van zijn vrouw, was het voor Eva een verrassing in eens te hooren van een bizondere opwekking: een Fancy-fair, repetities voor een dilettanten-opera-voorstelling. Zij woonde er zelve een bij in die weken en het verbaasde haar: de waarlijk zeer goede uitvoering, als gedaan met een kracht der wanhoop dier muzikale dilettanten, om de verveling der Bataviasche avonden te verdrijven.... Want de Italiaansche opera was weg, en zij moest lachen om de rubriek: publieke vermakelijkheden, in de Javabode, onder welke vermakelijkheden meestal geen andere keuze was te doen dan uit drie, vier vergaderingen van aandeelhouders. Dat was vroeger ook anders, zeide dan de oude mevrouw De Harteman, die zich voor vijf-en-twintig jaren geleden wel herinnerde de uitstekende Fransche opera, die wel duizenden eischte, maar waarvoor de duizenden altijd beschikbaar waren. Neen, de menschen hadden geen geld meer om zich ’s avonds te amuzeeren: zij gaven soms een heel duur diner, of zij gingen naar een vergadering van aandeelhouders. Waarlijk, Eva vond het te Laboewangi toch nog veel gezelliger. Het is waar, zij had er zelve tot die gezelligheid veel meêgewerkt, terwijl Van Oudijck haar altijd had aangespoord, blij van zijn rezidentie-plaats een aardig, vroolijk stadje te maken. En zij kwam tot de concluzie, dat zij een kleine plaats in het binnenland, met enkele beschaafde, gezellige, Europeesche elementen—zoo zij harmonieerden en niet te veel kibbelden in hun nauwe samen-zijn—toch nog voortrok boven het pretentieuze, laatdunkende en sombere Batavia. Alleen in het militaire element was leven. Alleen de huizen van officieren waren des avonds verlicht. Verder doodschte de stad weg, den geheelen langen warmen dag, met hare fronsing van zorg, met hare onzichtbare bevolking van naar de toekomst uitziende menschen: de toekomst van geld, de toekomst misschien meer nog van rust, in Europa.

En zij verlangde weg te komen. Batavia beklemde haar den adem, trots haar iederendaagschen toer langs het wijde Koningsplein. Zij had alleen nog maar éen wensch van weemoed: afscheid te nemen van Van Oudijck. Hare natuur van elegante en artistieke vrouw, had, heel vreemd, oog gehad, bekoring gevoeld voor de zijne: die van simpel man van praktisch leven. Zij had misschien, éen enkel oogenblik slechts, iets voor hem gevoeld, heel diep in zich: een vriendschap, die was als het contrast van hare vriendschap voor Van Helderen: een waardeering meer van hoog menschelijke kwaliteiten dan van Platonisch zielegemeenschapsgevoel. Zij had sympathisch medeleed voor hem gevoeld in die vreemde dagen van mysterie, hij alleen in zijn immense huis, waar rondom hem heen de vreemde gebeurlijkheid gedonsd had. Zij had innig voor hem medelijden gevoeld, toen zijne vrouw, als wegschoppende haar zoo hooge pozitie, gegaan was in een drieste bui van schandaal verwekken, niemand wist precies waarom, zijne vrouw, eerst correct altijd, trots al hare verdorvenheid, maar langzamerhand door den kanker van het vreemde gebeuren zoo opgegeten, dat zij zich niet meer had weten in te binden, het geheimste van haar zondeziel blootwoelende in de meest cynische onverschilligheid. De roode sirih-spatten, gespookspuwd op haar bloote lichaam, hadden in haar geziekt, waren in haar merg gevreten, als een ontbinding van hare ziel, waarin zij misschien zoû ondergaan, heel langzaam weg. Wat men nu van haar vertelde,—hoe zij leefde in Parijs—was alleen te fluisteren, als een onuitzegbare verdorvenheid.