De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis

Part 9

Chapter 93,930 wordsPublic domain

In de stralen der morgenzon, die luistervol uit de kimmen opsteeg, had het landschap een inderdaad betooverend aanzien bekomen. De natuur was om zoo te zeggen met nieuw leven bezield, en in plaats van den somberen aanblik der stille eenzaamheid van het vroegere tooneel, hadden zij thans een schouwspel voor zich van de rijkste afwisseling.

Uit de poorten der stad, die reeds geopend waren, kwamen eenige troepen Indianen, zoo te paard als te voet, te voorschijn en verspreiden zich in alle rigtingen onder vrolijk gelach en gejuich. Talrijke praauwen verschenen op de rivier, de velden bevolkten zich met kudden schapen en paarden, die door de Indianen met lange stokken gewapend, uit den omtrek naar de stad werden gedreven. Wonderlijk gekleede vrouwen droegen groote, met vleesch, ooft of groenten gevulde korven, op het hoofd en stapten met kloeken tred naar de markt, onder druk vrolijk gekout en met dat afgebroken kort schelklinkend gelach, dat der Indiaansche bevolking eigen is en zich nergens beter bij laat vergelijken dan bij het rammelen van keisteentjes in een koperen schotel.

Onze twee jonge meisjes en hun gids mengden zich weldra onder den bonten hoop, in welken zij spoedig verdwenen waren.

Don Miguel slaakte een bitteren zucht.

--Laat ons vertrekken, mompelde hij met eene doffe stem.

Zij keerden dus naar het bosch terug en eenige minuten later waren zij weder op weg.

Nadat zij het bosch in de breedte waren doorgetrokken, zeide don Miguel: Hier zullen wij scheiden, ik moet naar Tubac terug.

--En ik, antwoordde de jager, ik ga een kleine dienst bewijzen aan een Indiaansch hoofdman van mijne kennis.

--Gij denkt steeds aan anderen en nooit aan u zelve, brave vriend Loer-Vogel, riep don Miguel; moet gij dan altijd bezig zijn om anderen te dienen?

--Elk heeft zijne roeping in deze wereld, don Miguel, het schijnt wel dat dit de mijne is.

--Ja, ja, zoo is het, antwoordde de jongman met eene gedrukte stem.--Vaarwel, vervolgde hij een oogenblik later, denk om onze volgende bijeenkomst.

--Wees daar gerust op; over veertien dagen kom ik aan het veer del Rubio bij u; dat is afgesproken.

--Vergeef mij mijn stilzwijgen gedurende de laatste dagen die wij zamen doorbragten, zei don Miguel, het geheim behoort niet aan mij alleen, ik had er geen vrijheid toe om het ruchtbaar te maken, zelfs niet aan zulk een beproefd vriend als gij zijt.

--Bewaar uw geheim, vriend, ik ben in 't minst niet nieuwsgierig om het te weten; intusschen blijft het bij onze oude afspraak, dat wij elkander niet kennen, niet waar?

--Ja, dat is van het meeste belang.

--Welaan dan, adieu.

--Adieu.

Na elkander de hand te hebben gedrukt namen de twee ruiters afscheid en verwijderden zich in tegenovergestelde rigting en in vollen galop.

XI.

HET VEER DEL RUBIO.

Het was een donkere nacht, geen ster blonk aan den hemel; de wind blies met kracht door de digte takken van het eeuwenheugend woud, en liet dat treurig en eentoonig geraas hooren, dat den naderenden storm aankondigt; de wolken hingen laag en hunne bijzonder zwarte kleur bewees duidelijk genoeg, dat zij sterk met electriciteit waren bezwangerd; zij dreven snel door het luchtruim en bedekten onophoudelijk de flaauwe halve maan, wier koude stralen nu en dan de duisternis schenen te tergen; de dampkring was drukkend, en allerlei naamlooze geluiden, die als het rommelen van den donder in de verte weergalmden, verhieven zich uit het diepst der onbekende moerassen en kreupelbosschen in de prairie; het wild gedierte huilde naargeestig op de toonen van het ontstemde natuurorgel, terwijl de nachtvogels, door het ongewone gebulder uit den slaap gewekt, hunne raauwe en wanluidende kreten aanhieven.

In het kamp der Gambucinos was alles rustig; de schildwachten waakten, op hunne buksen geleund, of nedergehurkt bij het smeulende vuur, dat weldra geheel zou uitgaan. Te midden van het kamp zaten twee mannen hunne Indiaansche pijp te rooken en zacht zamen te keuvelen.

Deze twee mannen waren Vrij-Kogel en Loer-Vogel. Eindelijk klopte Vrij-Kogel zijn pijp uit, stak haar in zijn gordel, smoorde een onwillekeurig geeuwen, en stond op, vadzig de armen en beenen uitstrekkende om er den bloedsomloop te herstellen.

--Wat gaat gij doen? vroeg Loer-Vogel terwijl hij zich in achtelooze houding half naar hem toewendde.

--Een weinig slapen, antwoordde de jager.

--Slapen?

--Waarom niet? het is reeds diep in den nacht, wij zijn zeker de eenigen die nog waken; het is meer dan waarschijnlijk dat wij don Miguel niet zien zullen eer de zon opkomt; het is dus beter, voor het oogenblik althans, dat wij een poosje gaan slapen, zoo gij er ten minste niets tegen hebt.

Loer-Vogel hield zich den voorvinger voor den mond, om zijn vriend te beduiden dat hij op zijne hoede moest zijn.

--Het is reeds diep in den nacht, zeide hij met eene gesmoorde stem, er broeit een geducht onweder. Waar of don Miguel toch blijft? Zijn lange afwezigheid maakt mij ik weet niet hoe ongerust: hij is de man niet om zijne kameraden anders dan om gewigtige redenen in 't onzekere te laten, het zou wel kunnen zijn....

Hier zweeg de jager met een bedenkelijk hoofdschudden.

--Ga voort, zei Vrij-Kogel, zeg ronduit wat gij denkt.

--Welnu, ik vrees maar al te zeer dat hem een ongeluk overkomen is.

--O, ho! zoudt gij dat denken? Die don Miguel is toch, ten minste naar hetgeen ik van hem gehoord heb, een hombre de a caballa, een man van beproefden moed en buitengewone kracht.

--Dat alles kan wel waar zijn, antwoordde Loer-Vogel nog even bezorgd.

--Wel, denkt gij dan dat iemand die zoo goed gewapend is en het leven der prairie zoo door en door kent, niet in staat zou zijn om zich te redden, welk gevaar hem ook bedreigen mogt?

--Ja, wanneer hij met een eerlijken vijand te doen had, die hem stout onder de oogen zag en een strijd op gelijke kans met hem aanging.

--Welk ander gevaar zou hij kunnen loopen?

--Vrij-Kogel! Vrij-Kogel! riep de jager neêrslagtig, gij hebt u te lang in de kantoren der pelterij-handelaars van de Missouri opgehouden.

--Daar wilt gij mede zeggen?.... vroeg de Canadees min of meer gepikeerd.

--Nu, goede vriend, maak u toch niet boos om hetgeen ik zeg; ik zie maar al te duidelijk dat gij de gebruiken der woestijn grootendeels vergeten zijt.

--Hm! dat is geen onverschillige zaak voor een jager, hervatte Vrij-Kogel; en waarin dan, als ik u vragen mag, ben ik die vergeten?

--Pardi! daarin, dat gij niet meer schijnt te weten, vriend, dat op het terrein waar wij ons bevinden, ieder wapen voor geoorloofd wordt gehouden, als het er op aankomt om zich van een vijand te ontslaan.

--Nu, dat weet ik even goed als gij, vriend, even goed als ik weet dat er geen geduchter wapens zijn dan die zich in de duisternis verschuilen.

--Sluipmoord namelijk.

De Canadees huiverde onwillekeurig.

--Vreest gij inderdaad voor sluipmoord? vroeg hij.

--Waar zou ik anders voor vreezen?

--'t Is waar, prevelde de jager, terwijl hij het hoofd liet hangen; maar een oogenblik later vervolgde hij: Wat kunnen wij voor hem doen?

--Dat is juist wat mij in verlegenheid brengt; ik kan echter onmogelijk langer hier blijven; het mag gaan zoo het wil, ik moet zien wat er van is.

--Maar hoe zult gij dat zien?

--Ik weet het niet, God zal het mij ingeven.

--Gij hebt toch zeker het een of andere plan?

--Ja, dat wel.

--Wat dan?

--Gij zult het hooren; ik reken er zelfs op, dat gij het mij zult helpen uitvoeren.

Vrij-Kogel drukte hem met warmte de hand.

--Gij kunt op mij rekenen; verklaar uw plan.

--Het is eenvoudig genoeg: wij zullen dadelijk het kamp verlaten, en het terrein aan den rivierkant in alle rigtingen afloopen.

--Goed; maar ik moet u doen opmerken dat het onweder niet lang zal uitblijven; het regent reeds met groote droppels.

--Een reden te meer om ons te haasten.

--Gij hebt gelijk.

--Vergezelt gij mij dan?

--Mijn hemel! twijfelt gij daar nog aan?

--Ik ben een domkop; vergeef mij, broeder, ik zeg u dank voor uwe goedheid.

--Waarom dat? integendeel, ik ben u dank schuldig.

--Hoe zoo?

--Wel! gij geeft mij gelegenheid om een schoone wandeling te maken.

Loer-Vogel antwoordde niet; de komische toon van den Canadees strookte te weinig met de sombere gemoedsstemming waarin hij zich op dit oogenblik bevond.

Zij zadelden terstond hunne paarden, en na hunne wapens te hebben nagezien, met al de naauwkeurigheid van mannen die er zich weldra van meenden te bedienen, stegen zij te paard en reden stapvoets naar den uitgang van het kamp.

De twee schildwachten die bij den slagboom op post stonden en streng wacht hielden, stelden zich onmiddelijk voor de beide ruiters.

Deze waren in 't minst niet voornemens om stil weg te sluipen, daar zij geen reden hadden om hun togt geheim te houden.

--Gaat gij vertrekken? vroeg een der schildwachten.

--Neen; wij gaan slechts op verkenning uit in den omtrek.

--Op dit uur?

--Waarom niet?

--Drommels! mij dunkt dat het in zulk weêr beter is om te slapen dan de prairie af te loopen.

--In uw oog schijnt het verkeerd, kameraad, hernam Loer-Vogel op een toon van gezag, maar onthoud dit: ik ben aan niemand rekenschap van mijne daden schuldig; als ik op dit uur, bij zulk een dreigend onweder uitga, is het wel waarschijnlijk dat ik er mijne goede redenen voor heb; die redenen kan en behoef ik u niet te zeggen; wilt gij mij dus doorlaten, ja of neen? maar weet dan vooraf dat ik u verantwoordelijk stel voor de vertraging die gij in het volvoeren mijner plannen veroorzaakt.

De ferme toon dien de jager aansloeg, scheen de twee schildwachten te treffen; zij raadpleegden zamen eenige minuten in stilte; eindelijk schenen zij het eens te zijn geworden en wendde de laatste woordvoerder zich weder tot de beide ruiters, die bedaard den uitslag van hunne overweging stonden af te wachten.

--Passeert, zeide hij; het staat u vrij om te gaan waar gij goedvindt; ik heb mijn pligt gedaan met u te ondervragen, God geef dat gij den uwen doet met op deze wijs uit te gaan.

--Gij zult het spoedig genoeg weten. Nog een woord.

--Ik luister.

--Onze afwezigheid, zoo God wil, zal van korten duur zijn; zoo niet, dan komen wij toch stellig tegen zonsopgang terug; intusschen heb ik u een ding aan te bevelen: wanneer gij driemaal, bij regelmatige tusschenpoozen, een jaguar hoort huilen, stijg dan te paard en kom in der ijl op ons af, en niet alleen gij, maar een tiental van uwe kameraden; want als gij dat sein hoort, is uw kapitein in groot gevaar. Hebt gij mij goed begrepen?

--Zeer goed.

--En zult gij doen, wat ik u aanbeveel?

--Ik zal het doen, omdat ik weet dat gij de gids zijt dien wij verwachten, en omdat ik van uw kant geen verraad kan veronderstellen.

--Goed, tot wederziens!

--Goed geluk!

De jagers reden den slagboom door, die onmiddelijk achter hen gesloten werd.

Naauwelijks kwamen zij in de prairie, of het onweder, dat sedert zonsondergang gedreigd had, barstte met ontzettend geweld los.

Een schitterende bliksemstraal schoot door het luchtruim, bijna onmiddelijk gevolgd door een klaterenden donderslag; de boomen bogen zich onder het geweld van den wind en den regen, die met stroomen begon te vallen.

Onder dezen strijd der woedende elementen hadden de avonturiers veel moeite om verder te komen; hunne paarden, door het flikkeren des bliksems en het geloei van den storm verschrikt, stampvoetten en steigerden bij iederen tred. De duisternis nam dermate toe dat de twee ruiters, ofschoon naast elkander rijdende, elkander naauwelijks konden onderscheiden. De boomen, door het geblaas van den stormwind geslingerd, zwiepten, kraakten en huilden als geteisterde Titans, en stemden in ontzettende harmonie zamen met het brullen der verschrikte roofdieren, het ratelen der donderslagen en het bulderen der hooggezwollen rivier, wier schuimende golven klotsten en braken tegen den zandigen oever.

Vrij-Kogel en Loer-Vogel, onder de ontzettingen der woestijn grijs geworden, schudden moedig het hoofd bij iederen rukwind die hun als een vurige sirocco tegenwoei, en vervolgden ongestoord hun togt. Met strakken blik de duisternis doorborend en met gespitste ooren de sombere geluiden beluisterend, die de naderende echoos elkander vertienvoudigd toekaatsten, bereikten zij, zonder een woord gewisseld te hebben, het veer del Rubio. Daar, als bezielde hen ééne gedachte, bleven beiden plotseling staan.

De Rubio, een verloren en onbekende bijstroom van de groote Rio Colorado, in welke hij zich na een moeijelijken loop van naauwelijks twintig mijlen uitstort, is op gewone tijden slechts een smalle watersprank, die de Indiaansche praauwen met moeite bevaren maar de paarden des te gemakkelijker doorwaden, daar het water hun naauwelijks tot aan den buik komt. Op dit oogenblik nogtans was de stille beek op eens in een kokenden vloed veranderd, die met bulderend geruisch in zijne bedding voortgestuwd, op zijne onstuimige wateren ontwortelde boomstammen en zelfs veenblokken en rotsklompen medesleepte.

Om in deze oogenblikken de Rubio te willen oversteken zou het werk van een krankzinnige geweest zijn; wie het had durven wagen zou in weinige minuten door den bruisenden stroom zijn weggesleept, welks drabbige geele watermassa van minuut tot minuut breeder werd.

De jagers stonden eene poos onbewegelijk onder den stortregen die hen overstelpte, en staarden met peinzende blikken naar het aanwassende water, terwijl zij ter naauwernood hunne paarden inhielden, die gedurig begonnen te steigeren, met dof en angstig gebriesch.

De menschelijke geest alleen scheen ongedeerd te midden van het woeden der elementen. Twee bronzen standbeelden gelijk, stonden daar die twee mannen, roerloos en onverschrokken, als bespeurden zij niets van den vreeselijken storm die rondom hen huilde, en even kalm van ziel, als zaten zij in een of ander ontoegankelijken schuilhoek, bij een vrolijk-knappend en koesterend takkenvuur.

Zij hadden slechts ééne gedachte, namelijk hulp toe te brengen, aan iemand dien zij vreesden dat op dit oogenblik in dreigend gevaar verkeerde.

Eensklaps sidderden zij, hieven beiden tegelijk het hoofd op, en vestigden hunne vlammende blikken strak voor zich uit; maar de duisternis was te dik, zij konden onmogelijk iets onderscheiden.

Onder de duizend geluiden der natuur, had een enkele kreet beider oor getroffen.

Die kreet was een laatste noodgeschrei, een scherpe, doordringende, langdurige angstkreet, zoo als de sterke mensch, door het nog sterker noodlot overwonnen uitstoot, wanneer hij gedwongen wordt te erkennen dat hij onmagtig is, dat alles hem ontzinkt en dat hij geen andere toevlugt heeft dan God alleen. De beide mannen bogen driftig voorwaarts, hielden de handen aan den mond in den vorm van een roeper en slaakten op hunne beurt een doorborenden en langdurigen kreet.

Omtrent een minuut later klonk er een tweede noodkreet door het luchtruim, nog doordringender en wanhopiger dan de eerste.

--O! hoort gij dat? riep Loer-Vogel terwijl hij zich hoog in de stijgbeugels oprigtte en de vuisten krampachtig zamenkneep, daar is een mensch in doodsgevaar.

--Wie het ook wezen mag, wij moeten hem redden! antwoordde Vrij-Kogel.

Zij hadden elkander begrepen.

Maar hoe zouden zij dien man kunnen redden? Waar was hij? Welk gevaar bedreigde hem? Wie was in staat al deze vragen, die zich onwillekeurig aan hun verstand opdrongen, te beantwoorden?

Voor hen uit lag het onmogelijke.

Op gevaar af van door den stroom te worden medegesleept, dwongen de jagers hunne paarden om in de rivier af te dalen, en schier tot op den hals hunner edele maar angstige dieren gebogen, raadpleegden zij den stand der wateren.

Maar wij hebben reeds gezegd dat de duisternis te dik was om iets te kunnen onderscheiden.

--'t Is of de hel ons tegen houdt! riep Loer-Vogel wanhopig. Mijn God! zullen wij dien man moeten laten omkomen zonder hem te hulp te snellen?

Op dit oogenblik schoot er een schitterende bliksemschicht door het zwerk.

Bij dit kortstondige licht zagen de jagers een ruiter hopeloos met den stroom worstelen.

--Moed! moed! houd moed! riepen zij.

--Help! antwoordde de onbekende met eene gesmoorde stem.

Er viel hier niet te weifelen, iedere sekonde was zoo goed als een eeuw. De onbekende ruiter kampte tegen de overmoedige golven die hem wegsleepten. Oogenblikkelijk hadden de jagers hun besluit genomen. Zij gaven elkander stilzwijgend de hand en drukten gelijktijdig hunne paarden de sporen diep in de flanken; de paarden steigerden met onwillig gebriesch; maar gedwongen om den ijzeren wil en de onverbiddelijke hand van den mensch te gehoorzamen, sprongen zij snuivend en sidderend in de rivier.

Plotseling vielen er twee geweerschoten, een kogel floot tusschen de beide jagers door, en een smartelijke noodkreet verhief zich uit het midden der golven.

De man die zij ter hulp kwamen was getroffen.

Het onweder was nog altijd klimmende, de bliksemflitsen volgden elkander met ongemeene snelheid. De jagers zagen duidelijk dat de onbekende zich aan de teugels van zijn paard vastklemde en zich door hetzelve in het water liet voortsleepen.

Tevens bespeurden zij aan den anderen oever een man voorovergebogen, met de buks aan den schouder, en gereed om op nieuw vuur te geven.

--Ieder zijn werk! riep Loer-Vogel lakoniek.

--Goed! was het niet minder korte antwoord van Vrij-Kogel.

De Canadees nam den lasso die aan zijn zadelknop hing, vierde hem in de hand, liet hem over zijn hoofd zwaaijen en wachtte den eerstvolgenden bliksemslag af om hem uit te werpen.

Hij behoefde niet lang te wachten, en hoe snel het licht ook voorbij ging, Vrij-Kogel wist zijn oogenblik waar te nemen: het werptouw snorde door de lucht en de loopende knoop slingerde zich om den hals van het zwemmende paard, dat zoo moedig met den stroom kampte.

--Courage! juichte Vrij-Kogel, hier heen, Loer-Vogel, hierzoo!

Thans zijn eigen paard met kracht omwendende, deed hij het op de achterbeenen volte maken, juist op het oogenblik toen het grond dreigde te verliezen en dreef het met vaste hand naar den oever terug.

--Hier ben ik! antwoordde Loer-Vogel, die de eerste gelegenheid afwachtte om vuur te geven. Heb even geduld! ik kom.

Een nieuwe bliksemvlam flikkerde.

Gelijktijdig drukte hij af, het schot viel, en van den anderen oever klonk den jagers een kreet van woede en smart in de ooren.

--Ik heb hem geraakt! riep Loer-Vogel; morgen zal ik weten wie de kerel is, en hiermede zijn buks achter den rug werpende, wendde hij zijn paard naar Vrij-Kogel.

Zoodra het paard van den onbekende dat door den Canadees gelasseerd was zich voelde ondersteunen en naar den oever slepen, verdubbelde het met instinctmatige schranderheid de pogingen die men aanwendde om het te redden.

De beide jagers hadden zich, om zoo te zeggen, voor den lasso gespannen. Door de vereenigde krachten hunner paarden met die van het gelasseerde paard, gelukte het hun den stroom te breken, en na eene moedige worsteling van eenige minuten bereikten zij eindelijk den oever. Naauwelijks waren zij behouden aan wal, of de Canadezen stegen af en ijlden naar het paard van den onbekende.

Zoodra het moedige dier voelde dat het vasten grond onder de voeten had, bleef het staan, als scheen het te begrijpen, dat het door verder voort te gaan, gevaar liep zijn meester--die ofschoon geheel bewusteloos, nog altijd de teugels in de gesloten vuist vastklemde,--tegen de rotsklompen te verpletteren. De jagers sneden thans de teugels los, namen den man dien zij zoo wonderbaar gered hadden in hunne armen en droegen hem eenige passen van den rivierkant onder een boom, waar zij hem zacht nederlegden. Beiden bleven met gespannen aandacht bij dan gewonden drenkeling gebukt, den eersten lichtstraal afwachten, die hun gelegenheid zou geven om het lijk te herkennen.

--O! riep Loer-Vogel op eens opstaande met een kreet van smart en verschrikking, het is don Miguel Ortega!

XII.

DON STEFANO COHECHO.

Zoo als wij aan het slot van ons IIIde hoofdstuk gezien hebben, was don Stefano, nadat hij Vrij-Kogel verlaten had, naar het kamp der Gambucinos teruggekeerd zonder door iemand te worden opgemerkt.

Eenmaal binnen de verschansing zijnde, had de Mexicaan niets meer te vreezen; hij ging dus weder naar het vuur, in welks nabijheid hij zijn paard had vastgemaakt, het edele dier stak den kop op en spitste de ooren toen het zijn meester zag naderen, hij streelde het met de hand, vlijde zich toen bedaard op den grond neder, wikkelde zich in zijn deken en sliep in, met de gerustheid van iemand die overtuigd was dat alle dingen in volkomen orde waren.

Er verliepen verscheidene uren, zonder dat de in het kamp heerschende stilte door het minste gedruisch gestoord werd.

Op eens ontwaakte don Stefano, hij sloeg de oogen op, een behoedzame hand was zacht op zijn schouder gelegd.

De Mexicaan staarde den man aan die zijn slaap gestoord had; in het schemerlicht der reeds verbleekende sterren herkende hij Domingo. Don Stefano stond op en volgde zwijgend den Gambucino, die hem tot de verschansing leidde, waarschijnlijk met oogmerk om te kunnen praten zonder door onbescheiden ooren gehoord te worden.

--Welnu, wat hebt gij mij te vertellen? vroeg don Stefano, toen de mesties hem een wenk gaf dat hij vrij spreken kon.

Domingo, op bekomen order van Vrij-Kogel, deelde hem thans beknoptelijk alles mede wat er in de prairie was voorgevallen. Toen don Stefano vernam dat het den Canadees eindelijk gelukt was Loer-Vogel te vinden, popelde hij van vreugde en luisterde hij met klimmende belangstelling naar het verslag van den mesties. Nadat deze geëindigd had, of ten minste eenige oogenblikken zweeg, vroeg hij hem:

--Is dat alles?

--Alles, antwoordde Domingo.

Don Stefano haalde zijne beurs voor den dag en nam er eenige goudstukken uit, die hij den Gambucino ter hand stelde; deze ontving ze met blijkbare gretigheid.

--Heeft Vrij-Kogel u niet gelast om mij nog iets te zeggen? vroeg de Mexicaan.

Domingo bedacht zich een oogenblik.

--Ja, wacht! dat zou ik bijna vergeten, zeide hij, de jager heeft mij gelast u te zeggen, Senor, dat gij het kamp niet moest verlaten.

--Weet gij ook de rede van die waarschuwing?

--O, ja, hij heeft plan om zich heden avond weder bij de karavaan te voegen, aan het veer del Rubio.

Op dit berigt fronste de Mexicaan de wenkbraauwen.

--Weet gij dat zeker? vroeg hij.

--Hij heeft mij zoo gezegd.

Er volgden eenige sekonden stilte.

--Goed, zeide don Stefano een oogenblik later; heeft de jager u niets anders gezegd?

--Niets.

--Zoo! bromde de Mexicaan, enfin, dat maakt weinig uit; thans den Gambucino met kracht de hand op den schouder leggende, keek hij hem strak in de oogen.

--Nu dan, vervolgde hij met nadruk op ieder woord, onthoud dit: Gij kent mij niet, maar wat er ook gebeure, laat u geen woord ontsnappen over hetgeen er tusschen ons in de prairie is voorgevallen.

--Gij kunt er op rekenen, Senor.

--Ik reken er op, hoor! herhaalde de Mexicaan met eene stem die Domingo, hoe dapper hij ook wezen mogt, inwendig deed sidderen; denk aan den eed dien gij mij gezworen en de verpligting die gij jegens mij hebt op u genomen.

--Ik zal er aan denken.

--Zoo gij uw woord houdt en mij getrouw blijft, zal ik zorgen dat gij voor uw gansche leven gedekt zijt; zoo niet, wees dan op uwe hoede!

De Gambucino haalde minachtend de schouders op en antwoordde min of meer gebelgd:

--Gij behoeft mij niet te dreigen, Senor, wat gezegd is is gezegd, en wat ik beloofd heb, heb ik beloofd.

--Dat zullen wij zien.

--Als gij mij niets anders meer hebt aan te bevelen, geloof ik dat wij wel zullen doen met van elkander te gaan. Het begint reeds dag te worden, mijne kameraden zullen spoedig ontwaken, en ik twijfel of het u erg bevallen zou dat zij ons hier zamen vonden.

--Gij hebt gelijk.

Met dit woord gingen zij van elkander; don Stefano keerde naar zijne plaats bij het vuur terug; Domingo strekte zich uit op de eerste plaats te beste, en weldra waren beiden in slaap, of veinsden althans te slapen.