De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis

Part 4

Chapter 43,887 wordsPublic domain

Door welken vreemden zamenloop van omstandigheden kwam het, dat Loer-Vogel, de man die de listen der Indianen het best kende en wiens roem van behendigheid en moed algemeen onder de jagers en strikkenzetters van het Westen verspreid was, zich in zulk eene gevaarlijke positie bevond, te midden van dertig à veertig Apachen, de geslependste, verraderlijkste en wildste Indianen-stam van allen die in de woestijn rondzwierven? Dit was een raadsel, dat de eerlijke jager niet kon oplossen en hem geheel in verwarring bragt.

Op gevaar af van hetgeen er zou kunnen volgen, besloot hij om zijn vriend van zijne tegenwoordigheid te verwittigen, door een signaal dat tusschen hen sedert lang was afgesproken, om hem te waarschuwen, dat er in geval van nood, een vriend voor hem waakte. Dit was het zuchtend gefluit geweest, dat, gelijk wij straks gezien hebben, den benarden jager van vreugde had doen sidderen. Maar het signaal had nog iets anders ten gevolge, dat Vrij-Kogel wel verre was van te verwachten; de takken namelijk, van den boom waartegen hij geleund stond, werden schier onmerkbaar uiteengeschoven, en een man die er met beide armen aanhing, viel op eens, geen twee passen van hem verwijderd op den grond, maar zoo zacht en stil, dat de schok niet het minste gedruisch maakte.

Op het eerste oogenblik reeds had Vrij-Kogel den man, die als uit de lucht scheen te vallen, herkend; en hij had het enkel aan zijne volkomene zelfbeheersching te danken, dat hij de verwondering, welke deze onverwachte verschijning hem baarde, niet met een schreeuw te kennen gaf. De jager zette zijn buks met de kolf op den grond, en zei tegen den Indiaan, terwijl hij hem met een glimlach groette:

--Nu! hoofdman, dat noem ik een zonderling idee, om zoo laat in den nacht op de boomen te wandelen.

--De Vliegende-Arend bespiedt de Apachen, antwoordde de Indiaan fluisterend; had mijn broeder niet gedacht mij te zien?

--In de prairie moet men op alles bedacht zijn, hoofdman; ik wil u wel zeggen dat weinig ontmoetingen mij zoo aangenaam zijn als de uwe, vooral in deze oogenblikken.

--Is mijn broeder ook op het spoor der Antilope-Apachen?

--Ik zweer u op mijn woord, hoofdman, dat ik naauwelijks een uur geleden niet wist dat ik zoo digt bij hen was; als ik u niet had hooren schieten, lag ik waarschijnlijk op dit oogenblik gerust te slapen in mijn kampement.

--Ja, mijn broeder heeft zeker de buks van een vriend hooren fluiten en is daarom hier gekomen.

--Juist geraden, hoofdman. Maar verklaar u intusschen nader, en zeg mij wat er van is, want ik weet waarlijk van niets.

--Heeft mijn blanke broeder dan den Rooden-Wolf niet gehoord?

--Woord voor woord, hoofdman; is er anders niets?

--Niets; de Vliegende-Arend heeft zijne vrouw weggevoerd, de Apachen hebben hem als lafhartige coyotes vervolgd, en dezen nacht hem overrompeld bij zijn vuur.

--Voortreffelijk! is de Wilde-Roos in veiligheid?

--De Wilde-Roos is eene dochter der Comanchen; zij kent geene vrees.

--Dat weet ik, het is een goed schepsel; doch daarover zullen wij thans niet spreken; wat denkt gij te doen?

--Het gunstig oogenblik afwachten, mijn aanvalskreet aanheffen en deze honden overrompelen.

--Hm! Uw plan is een weinig voorbarig; met uw verlof zal ik er iets aan veranderen.

--De wijsheid spreekt uit den mond van den blanken jager; de Vliegende-Arend is nog jong; hij zal hem gehoorzamen.

--Goed, en des te meer, daar ik alleen in uw eigen belang zal te werk gaan; maar vergun mij thans te luisteren, het gesprek daar ginds schijnt mij toe eene voor ons zeer belangrijke wending te nemen.

De Indiaan maakte eene buiging, en Vrij-Kogel verplaatste zich een weinig, om beter te kunnen hooren wat er gesproken werd.

Na verloop van een paar minuten hield de jager het waarschijnlijk voor raadzaam om tusschenbeide te komen, daar hij zich weder tot den Vliegenden-Arend wendde, en hem iets in het oor fluisterde, even als zij gedurende hun vorige zamenspraak steeds gedaan hadden.

--Laat mijn broeder mij vergunnen deze zaak alleen af te doen, zeide hij; zijne tegenwoordigheid zou thans meer schade dan voordeel aanbrengen; wij kunnen niet zoo vermetel zijn om ons met zulk een groot aantal vijanden te meten, de voorzigtigheid vordert dat wij liever list te baat nemen.

--De Apachen zijn honden, mompelde de Comanch bitter.

--Dat ben ik met u eens; maar voor het tegenwoordige moeten wij doen als of wij beter over hen denken. Geloof mij, wij zullen spoedig gelegenheid hebben om ons te wreken; buitendien blijft het voordeel aan ons, daar wij hen misleiden.

De Vliegende-Arend liet het hoofd hangen.

--Belooft het opperhoofd mij, dat hij zich niet zal verroeren, voor dat ik hem een sein geef? hervatte de jager met nadruk.

--De Vliegende-Arend is een Sachem, hij heeft reeds gezegd dat hij het Grijze-Hoofd zal gehoorzamen.

--Goed, let nu maar wèl op, gij zult niet lang behoeven te wachten.

Nadat hij hem deze woorden, op den gemengden toon van half bittere, half zoetsappige scherts, die hem eigen was, had ingefluisterd, baande de oude jager zich stoutmoedig een weg door de struiken en stapte met vasten tred het kampement binnen, gevolgd door zijne twee kameraden.

Wij hebben reeds gezegd welk eene opschudding hunne onverwachte komst onder de Apachen te weeg bragt.

De Vliegende-Arend nam zijne schuilplaats boven in den boom weder in, dien hij slechts verlaten had om eenige woorden met den jager te wisselen en hem de hoogst noodige raad en teregtwijzing te geven. Vrij-Kogel stond nu reeds bij Loer-Vogel.

--Vriend, zeide hij in 't Spaansch, welke taal de meeste Indianen verstaan, uw bevel is ten uitvoer gebragt, de Vliegende-Arend en zijne vrouw zijn thans in het kamp der Gambucinos.

--Goed, antwoordde Loer-Vogel, die met een half woord voldoende begreep wat er van was; wie zijn die twee mannen die gij daar bij u hebt?

--Twee jagers, die het opperhoofd der Gachupines mij heeft medegegeven, ondanks mijne verzekering dat gij u te midden uwer vrienden bevondt; hij zelf komt terstond hier met een dertigtal ruiters.

--Keer tot hem terug en zeg hem dat hij zich om mij niet verder behoeft te bekommeren, en de moeite kan sparen... of neen, ik zal liever zelf bij hem gaan, om alle misverstand te voorkomen.

Deze woorden, op ongedwongen toon en zonder drift uitgesproken, door een man dien de aanwezige Indianen menigmaal op den waren prijs hadden leeren schatten, maakten op al de aanwezigen een onbeschrijfelijken indruk.

Wij hebben in onze vroegere verhalen reeds meer dan eens gezegd, dat de Roodhuiden aan de dolzinnigste vermetelheid steeds de grootste voorzigtigheid paren en nooit eene onderneming zullen wagen, zonder vooraf al de kansen op welslagen die zij aanbiedt te hebben berekend; en zoodra deze kansen verdwijnen om voor een vermoedelijk nadeelige uitkomst plaats te maken, zullen zij zich niet schamen er van af te zien, om de eenvoudige reden, dat bij hen de eer, zoo als wij die in Europa begrijpen, slechts eene ondergeschikte plaats inneemt, en eerst in aanmerking komt, als de goede uitslag verzekerd is.

De Roode-Wolf was ongetwijfeld een dapper man; in menig gevecht had hij hiervan afdoende proeven gegeven; intusschen aarzelde hij niet om voor het algemeen belang te wijken en zijne innigste wenschen op te offeren, en hierin gaf hij, naar ons gevoelen, een sprekend bewijs van dien aangeboren maatschappelijken zin en vaderlandsliefde, die de grootste kracht der Indianen uitmaakt. Hoe geslepen hij ook wezen mogt, liet hij zich thans geheel om den tuin leiden door Vrij-Kogel, wiens onverwachte tusschenkomst en onweerstaanbaar overwigt voldoende zouden zijn geweest om zelfs de inzigten van een schranderder man van 't spoor te helpen, dan den onbeschaafden Indiaan, met wien hij hier te doen had. De Roode-Wolf koos dadelijk en onvoorwaardelijk partij.

--Mijn broeder, het Grijze-Hoofd, is welkom aan mijn haard, mijn hart verheugt zich hem als vriend te mogen ontvangen; zijne medgezellen kunnen nevens hem plaats nemen rondom het vuur van den raad, waar de rietpijp van het opperhoofd hun onverwijld zal worden aangeboden.

--De Roode-Wolf is een groot opperhoofd, antwoordde Vrij-Kogel; ik reken mij gelukkig door de gevoelens van welwillendheid die hij mij betoont, en ik zou zijn aanbod met het meeste genoegen aannemen, zoo dringende redenen mij niet verpligtten om zoo spoedig mogelijk naar mijne blanke broeders terug te keeren, die mij reeds wachten op korten afstand van het kamp der Antilope-Apachen.

--Ik hoop niet dat er eene wolk is opgekomen tusschen het Grijze-Hoofd en zijn broeder den Rooden-Wolf, hervatte de arglistige Indiaan; twee krijgslieden moeten elkander wederkeerig hoogachten.

--Zoo denk ik er ook over, hoofdman, en daarom ben ik vrij en vrank in uw kamp verschenen, terwijl ik mij gemakkelijk door een talrijk geleide van krijgslieden had kunnen doen vergezellen.

Vrij-Kogel wist zeer goed dat de Apachen de Spaansche taal verstonden, en dat dus niets van hetgeen door hem aan Loer-Vogel gezegd was hun ontgaan kon; maar het was zijn belang en dat van zijn vriend, om te veinzen dat zij er niets van begrepen, en om de arglistige uitnoodigingen van hun opperhoofd voor goede munt te laten gelden.

--Zijn die blanke vrienden van u zoo digt in onze nabijheid gelegerd? hervatte de Roode-Wolf.

--Ja, antwoordde Vrij-Kogel, niet verder dan vier of vijf boogschoten op zijn best genomen, in westelijke rigting.

--Ooah! dat spijt mij, zeide de Indiaan, ik zou mijne broeders anders gaarne tot aan hun kamp hebben verzeld.

--En wat zou u beletten om toch met ons mede te gaan? vroeg de oude jager even rond als politiek; vreest gij misschien slecht ontvangen te zullen worden?

--Ooah! wie zou den Rooden-Wolf durven ontvangen zonder hem de verschuldigde achting te bewijzen? hernam de Apach hoogmoedig.

--Niemand, voorzeker.

De Roode-Wolf wendde zich ongemerkt naar een opperhoofd van minderen rang en fluisterde hem eenige woorden in 't oor; deze stond op en verliet het kamp. De jagers zagen deze manoeuvre niet zonder ongerustheid en wisselden een blik die zooveel te kennen gaf als: Laten wij op onze hoede zijn! Ongedwongen deden zij thans eenige stappen achterwaarts en sloten zich digter aan elkander, om bij het minste teeken van onraad gereed te zijn; zij kenden de trouweloosheid der lieden met welke zij te doen hadden, en waren van hun kant op alles verdacht. De Indiaan dien het opperhoofd had weggezonden, kwam spoedig terug; hij was naauwelijks tien minuten weg geweest.

--Wel? vroeg hem de Roode-Wolf.

--Nilijti--het is waar--antwoordde de Indiaan laconisch.

Het gelaat van den Sachem betrok merkbaar. Hij hield zich thans vast overtuigd dat Vrij-Kogel hem niet bedrogen had; want de man, door hem buiten het kamp gezonden, was belast geweest om zich te vergewissen of er werkelijk op korten afstand wachtvuren der blanken in 't gezigt waren; het antwoord van zijn veldontdekker bewees, dat het hoogst ongeraden zou zijn den schelm te spelen, en dat hij moest volhouden met de beste gezindheden te veinzen, om op een geschikten voet van zijne lastige gasten af te komen, die hij anders op eene gansch andere manier zou hebben behandeld.

Op zijn bevel werden nu de paarden ontkoppeld en stegen zijne ruiters in den zadel.

--De dag is nabij, zeide hij; de maan is in den grooten berg weggezonken; ik ga met mijne jongelieden op marsch; moge de Wakondah mijne blanke broeders beschermen!

--Ik dank u, hoofdman, antwoordde Loer-Vogel; maar gaat gij dan niet met ons mede?

--Wij moeten den anderen kant uit, antwoordde de Sachem droogjes, terwijl hij zijn paard den teugel vierde en wegreed.

--Dat laat zich begrijpen, verwenschte hond, bromde Vrij-Kogel tusschen de tanden.

De gansche bende vertrok met den meesten spoed en verdween in de duisternis; weldra werd het gedruisch van hun draf minder hoorbaar, en smolt in de verte zamen met die duizend geheimzinnige geluiden zonder blijkbare oorzaak, die de statige stilte der woestijn onophoudelijk verstoren.

De jagers waren alleen gebleven. Even als de wigchelaars van het oude Rome, die elkander niet zonder lagchen konden aanzien, weerhielden zij zich naauwelijks om in een bespottelijk geschater los te barsten over het haastig vertrek der Apachen, die zij zoo fijn hadden beet genomen. Op een sein van Loer-Vogel, voegden de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos zich bij hunne vrienden, die reeds weder onbekommerd bij het vuur zaten, daar zij hunne vijanden zoo behendig van hadden weten te verdrijven.

--Hm! meesmuilde Vrij-Kogel terwijl hij zijn pijp stopte, over die grap zal ik lang moeten lagchen, zij is bijna zoo fijn als die ik de Pawnies speelde, in 1827, in Opper-Arkansas; ik was toen nog jong, en had naauwelijks eenige jaren in de prairiën rondgezworven, en ik was nog niet zoo goed als thans, met al de streken en grollen der Indianen bekend; maar ik herinner mij wel...

--Maar zeg mij toch door welk toeval ik u hier ontmoet heb, Vrij-Kogel? vroeg zijn vriend, hem met drift in de rede vallende.

Loer-Vogel wist maar al te goed, wanneer Vrij-Kogel iets begon te vertellen, dat er niet veel kans bestond om hem in zijn verhaal te stuiten; de eerzame jager had in den loop van zijn lang en avontuurlijk leven, zoo vele buitengewone zaken gezien en gedaan, dat hem bijna niets overkomen kon, of hij herinnerde zich terstond een of ander geval uit zijn vroegere loopbaan, dat hem aanleiding gaf tot eindelooze verhalen; zijne vrienden, bekend met dit zwak, ontzagen zich nooit om hem stout in de rede te vallen en zoodoende aan zijne wijdloopige vertelzucht te ontsnappen; evenwel moeten wij tot eer van Vrij-Kogel zeggen, dat hij deze stoornis niet kwalijk nam; met dien verstande echter, dat hij geen tien minuten daarna den draad van zijn verhaal weder opvatte of een ander begon, zoodat zijne vrienden hem op nieuw moesten storen, maar zonder hem ooit boos te kunnen maken.

Op de plotselinge vraag van Loer-Vogel antwoordde hij:

--Wij zullen gaan zien; en ik zal het u vertellen. Daarop zich tot Domingo wendende, zeide hij: Ik zeg u dank voor de hulp die gij ons bewezen hebt; ga naar uw kamp terug en denk om uwe belofte, maar verzuim vooral niet om van hetgeen gij gezien hebt verslag te geven aan, gij weet wel wie.

--Dat is afgesproken, oude klemmenzetter. Wees maar gerust. Vaarwel!

--Goed fortuin!

Domingo wierp zijn buks over den schouder, stak zijn pijp aan, en keerde met haastigen tred naar het kamp terug, dat trouwens niet veraf lag en waar hij een uur later binnen kwam.

--Zie zoo, zei Loer-Vogel, nu geloof ik dat u niets meer belet op mijne vraag te antwoorden.

--Ja toch, vriend, een ding nog.

--En dat is?

--Zoo als gij ziet, is de nacht voorbij: hij is voor ons allen ruw genoeg geweest, zoodat ik meen dat twee of drie uurtjes slaap wel niet onmisbaar, maar toch hoog noodig zullen zijn; daarbij, wij hebben volstrekt geen haast.

--Zeg mij maar een woord, en ik laat u slapen zoolang gij wilt.

--En wat zal dat woord zijn?

--Hoe kwaamt gij hier toch zoo prompt op het terrein om ons te helpen?

--Te duivel! dat is juist wat ik gevreesd had; uwe vraag verpligt mij om in bijzonderheden te treden die veel te omslagtig zijn om u op dit oogenblik te kunnen voldoen.

--Ik moet u zeggen, vriend, hoe hartelijk ik ook verlangen zou om eenige dagen bij u te vertoeven, ben ik genoodzaakt om u reeds met zonsopgang te verlaten.

--Komaan, dat is immers onmogelijk?

--Met uw verlof, ja; ik moet!

--Maar wat dringt u dan zoo?

--Ik heb mij verbonden als gids bij een karavaan, die ik morgen om twee uren in den namiddag zal ontmoeten aan het veer del Rubio; die ontmoeting is reeds voor meer dan twee maanden afgesproken. En gij weet, voor ons jagers, is iedere afspraak heilig, gij zult mij dus niet willen verleiden om mijn woord te breken.

--Bij al de bisonshuiden die ieder jaar in de prairie gedood worden niet! Naar welke streek van het Verre-Westen moet gij die menschen den weg wijzen?

--Dat zal ik morgen hooren.

--En met welk soort van lieden hebt gij te doen? Zijn het Spanjaarden of Gringos?

--Weet ik het?.. Mexicanen denk ik; hun kapitein noemde zich, als ik het wel onthouden heb, don Miguel Ortega, of zoo iets; enfin, dat zal zich wel vinden.

--He! riep Vrij-Kogel uit, terwijl hij opsprong van verrassing; hoe zegt gij ook weer?

--Don Miguel Ortega, herhaalde de spoorzoeker; ik durf er intusschen niet op zweren, het kan zijn dat ik mij vergis, maar ik denk het niet.

--Dat's vreemd! mompelde de oude jager half in zich zelven.

--Ik zie er niets vreemds in! die naam komt mij zelfs zeer gewoon voor.

--Voor u, dat kan zijn; en hebt gij met hem accoord gemaakt?

--Op den besten voet.

--Als spoorzoeker.

--Ja, duizendmaal ja! antwoordde Loer-Vogel met drift.

--Nu, stel u gerust, vriend, en blijf bedaard, wij denken nog langer zamen te leven.

--Zoudt gij onder zijne bende willen gaan?

--God bewaar mij!

--Dan begrijp ik er niets meer van.

Vrij-Kogel scheen eenige oogenblikken ernstig na te denken; zich toen weder tot zijn vriend wendende, zeide hij:

--Hoor eens, Loer-Vogel, zoo waar als gij een oud vriend van mij zijt, zou ik u niet gaarne uit luchthartigheid van het regte spoor zien dwalen; ik heb u zekere onmisbare teregtwijzingen mede te deelen, om u in staat te stellen de door u aangenomen taak behoorlijk te volbrengen; ik zie wel dat wij dezen nacht niet slapen zullen, luister derhalve met aandacht toe; wat gij hooren zult is meer dan de moeite waard.

Loer-Vogel was ten hoogste verbaasd over den plegtigen toon dien de oude jager aannam, en zag hem ongerust aan:

--Spreek, zeide hij.

Vrij-Kogel dacht een oogenblik na en scheen zijne herinneringen in orde te schikken; daarop nam hij het woord en begon eene lange geschiedenis die door de aanwezigen met klimmende aandacht en belangstelling werd aangehoord; nog nooit in hun leven hadden zij zulke buitengewone en vreemdsoortige gebeurtenissen gehoord of gezien.

De zon was reeds ver boven de kimmen gerezen, toen de oude jager nog sprak.

VI.

EENE DUISTERE GESCHIEDENIS.

Wij geven hier, ontdaan van alle min of meer juiste aanmerkingen, waarmede de wijdloopige spreker haar geliefde op te sieren, de buitengewone geschiedenis die de Canadees aan zijne toehoorders vertelde, en die zoo innig met ons verhaal zamenhangt, dat wij ons genoodzaakt zien haar tot in de kleinste bijzonderheden mede te deelen.

Slechts weinige steden hebben zulk een bekoorlijk aanzien als Mexico; deze aloude hoofdstad van het rijk der Azteken strekt zich, als eene mollige Creoolsche matrone op haar divan, weelderig en traag uit op een zacht golvenden bodem, half omsluijerd door een digt gordijn van statige cipressen, die de kanalen en wegen in haren omtrek omzoomen. Op gelijkmatigen afstand tusschen twee oceanen gebouwd, 2280 meters boven hun waterspiegel, d. i. ongeveer op dezelfde hoogte als het bekende hospitaal der monniken op den St. Bernard, geniet deze stad eene gematigde en verkwikkelijke temperatuur, onder een helderen hemel, tusschen twee prachtige bergen, de Popocatepetl--een rookende vulkaan--en de Iztaczehuatl, of de "Witte Vrouw," welks grijze met eeuwige sneeuw bedekte kruin zich in de wolken verliest. De vreemdeling, wanneer hij met zonsondergang Mexico nadert, langs den oostelijken straatweg,--een der vier groote wegen langs welke men den alouden zetel der Azteken bereikt, die zich eenzaam en statig verheft te midden van het meer Tezcuco, aan welks wateren zij gebouwd is--ondervindt bij den aanblik dezer stad een wonderbaren indruk van welken hij zich geen rekenschap kan geven. De Moorsche bouwtrant der paleizen, de schitterende met lichte kleuren beschilderde muren, de dommen en koepels der tallooze kerken en kloosters, die hoog boven de azotea's (platte huisdaken) uitsteken, en de gansche stad, om zoo te zeggen, met hunne groote geele, blaauwe of roode parasols overdekken, besprenkeld met het goud der dalende westerzon en gekust door de laauwe, met geuren bezwangerde avondkoelte, die van de bergen aanwaait en met het digte loof der bosschen speelt: alles vereenigt zich om aan Mexico het aanzien te geven eener geheel oostersche stad, die onze starende blikken aantrekt en tegelijk verbaast. Het eerste Mexico, in der tijd door Fernando Cortez verbrand, werd door dezen veroveraar op hare oude grondslagen herbouwd: al hare straten snijden zich regthoekig, en loopen uit op de Plaza Major, in vijf hoofdaderen, namelijk de calle de Tacuba, de Monterilla, de Santo Domingo, de Moneda en de San-Francisco.

De Spaansche steden der Nieuwe Wereld zijn alle volgens eenerlei grondplan gebouwd, en hebben dit met elkander gemeen, dat het hoofdplein op dezelfde wijs is aangelegd. Zoo heeft de Plaza Major ook te Mexico aan een van hare zijden de kathedraal, en de Sagrario (de heilige kapel); daar tegenover ligt het paleis van den president der republiek, dat de vier ministeriën, de kazernen, de gevangenis enz. bevat; aan de derde zijde heeft men de Ayuntamiento (stadhuis); eindelijk aan de vierde zijde bevinden zich twee bazars of groote verkoophuizen--de Parian en de Portal de las Flores.

Op den 10 Julij 1834, omstreeks tien ure des avonds, nadat eene brandende zonnehitte de inwoners dien geheelen dag genoodzaakt had zich in hunne huizen op te sluiten, verhief zich een frissche togt van de bergen, die de lucht merkelijk afkoelde. Iedereen begaf zich op de met bloemen bedekte, naar hangende tuinen gelijkende azotea's, om er het verkwikkende luchtbad van den amerikaanschen nacht te genieten, dat als door het heldere blaauw des hemels heen, van de sterren op aarde schijnt af te dalen. Ook de straten en pleinen waren met wandelaars opgevuld, allerwege heerschte een gonzend gehommel, een ondoordringbaar gewemel van voetgangers en ruiters, zoo vrouwen als mannen, Indianen zoowel als Spanjaarden, creolen, mestiezen, zwarten en blanken; gescheurde kleeren en lompen, mengden zich op de zonderlingste wijs met zijden, fluweelen en gouden stoffen, onder het geklater van roepstemmen, kwinkslagen of schaterend gelach; kortom, als een betooverde stad uit de duizend en een Arabische Nachtvertellingen, scheen Mexico op het gebengel der klok van het oracion eensklaps als uit een eeuwenlangen slaap gewekt, zoo vrolijk straalden er de aangezigten van genot, en zoo gelukkig waren allen dat zij de reine avondlucht met volle teugen konden inademen. Op dit oogenblik kwam er uit de calle San-Francisco een onderofficier--gemakkelijk te herkennen aan den druivenstok [3] dien hij als kenteeken van zijn rang in de hand had--en mengde zich onder de woelige schaar op de Plaza Major, met dien balanceerenden trippelgang en dat air van onbezorgde schalkerij, dat den militairen lanterfant in alle wereldstreken eigen schijnt. De hier door ons bedoelde was een jong mensch van trotsch uitzigt, fieren blik en een paar fijn gewaste, koket opgestreken knevels. Na twee of drie keeren het plein te zijn rond geweest, knipoogend tegen de jonge meisjes, en met de ellebogen stootend tegen de mannen, naderde hij, altoos in de zelfde onverschillige houding, een winkeltje, dat tegen een der portalen was aangebouwd en waarin een oud man, met een gezigt als een marmot en met loensche blikken, bij het licht van een smerige lamp, bezig was een stapeltje papier, pennen, enveloppen, ouwels, kortom alle noodige schrijfbehoeften weg te bergen, in de lade van zijne met duizend inktvlakken bezoedelde tafel; werkelijk was de oude schobbejak rekest- en briefschrijver van beroep, zooals het bordje boven de deur van zijn pothuis aanduidde, waarop met witte letters op een zwarten grond gelezen werd: "Juan Bautisto Leporella, Evangelista." De onderofficier loerde eerst eenige oogenblikken door het glazen raampje, dat met allerlei soort van geschreven stukken pronkte; en zonder twijfel voldaan over hetgeen hij gezien had, gaf hij met zijn druivenstok drie ferme slagen op de deur.