De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis
Part 36
Thans werd de strijd een verschrikkelijk bloedbad, eene slagting zonder naam. Te midden der Apachen, schenen Atoyac, Addick en don Estevan zich te vermenigvuldigen, zoo digt en snel vielen hunne slagen. Op den bovensten trap van het bordes, dat naar het inwendige van het huis geleidde, had don Mariano zich met eenige Gambucinos vereenigd en hield hij een wanhopigen strijd vol tegen de herhaalde aanvallen der Indianen. Op eens echter dekte als een bloedige nevel de starende blikken van don Miguel, die thans de poort binnenreed, en een koud zweet gudste hem van het aangezigt: de Apachen hadden den ingang overweldigd en stormden het huis in.
--Vooruit! vooruit! krijschte don Leo terwijl hij zich als een wanhopige in den strijd mengde.
--Vooruit! herhaalden Vrij-Kogel en Loer-Vogel.
Op dit oogenblik verschenen de jonge meisjes aan het venster, vervolgd door de Roodhuiden, die haar aangrepen en ondanks haar wanhopigen tegenstand wegdroegen. Alles was verloren!
Maar op dit laatste oogenblik, klonk de oorlogskreet der Comanchen en deed het luchtruim daveren --een wolk van krijgers, met den Vliegenden-Arend aan het hoofd, viel als een donderbui op de Apachen, die zich reeds overwinnaars waanden. Aan alle zijden omsingeld, waren dezen eindelijk genoodzaakt te wijken, en in een overhaasten aftogt hun behoud te zoeken.
De Mexicanen zagen zich gered, op het oogenblik toen zij dachten dat hun niets meer overbleef dan zich man voor man te laten afmaken, om hunnen vijanden niet levend in handen te vallen.
BESLUIT.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Twee uren later verbleekte het flaauwe maanlicht en bescheen de opgaande zon het akelige tooneel der hacienda, waar zulk een hardnekkige en bloedige worsteling had plaats gehad.
De avonturiers en de strijdhaftige Comanchen, die zoo gelukkig nog in tijds waren aangekomen om hun ondergang te verhoeden, hadden reeds zooveel mogelijk de sporen van het gevecht doen verdwijnen.
In een verwijderden hoek van het voorplein, lagen de verminkte lijken van hen die in den strijd waren gevallen, opeengehoopt en zoo goed mogelijk met stroo bedekt. De Comanchen hielden een twintigtal gevangen Apachen in bewaring, terwijl de avonturiers bezig waren, sommigen met hunne wonden te verbinden, anderen met groote kuilen te delven om er de dooden in te begraven.
Onder de verandah van het hoofdgebouw, op eenige bossen stroo met zarapes bedekt, lagen twee mannen en eene vrouw uitgestrekt. De vrouw was dood, het was dona Luisa. Het arme kind, wier gansche leven eene aaneenschakeling van opoffering en zelfverloochening geweest was, had zich vol moed laten dooden door don Estevan, op het oogenblik toen zij zelve Addick een kogel door het hoofd joeg, daar hij dona Laura wilde wegvoeren.
De twee mannen waren don Mariano en Vrij-Kogel.
Don Miguel en Laura zaten aan weerszijde van den grijsaard, en bewaakten in stilte het oogenblik wanneer hij de oogen weder zou openen.
Loer-Vogel, treurig en met een bleek gezigt, was bij zijn ouden vriend nedergehurkt, die welhaast sterven zou.
--Schep moed! mijn broeder, schep moed! zeide hij, het is niets.
De Canadees poogde nog te glimlagchen.
--Hm! mompelde hij met eene gebroken stem, ik weet wel hoe het met mij is; ik heb nog tien minuten te leven, op zijn langst, en dan, dan......
Hier zweeg hij een poos en scheen iets te bedenken.
--Zeg, Loer-Vogel, hervatte hij, zoudt gij denken dat God mij vergeven zal?
--Ja, ja, beste vriend, want gij waart altoos dapper en goed!
--Ik heb altijd gedaan wat ik dacht dat goed was, zei Vrij-Kogel; maar ik heb dikwijls gedwaald. Enfin, men zegt dat Gods barmhartigheid oneindig is; ik hoop op Zijne genade.
--Hoop vrij, vriend, hoop!
--Ja, ja, hervatte hij een oogenblik later: ik wist wel dat de Indianen mij niet dooden zouden, zooals gij ziet, het was don Estevan die mij trof; maar ik heb dien moordenaar van jonge meisjes den kop ingeslagen. Die ellendeling! Had ik hem maar in zijn kuil laten sterven, als een wolf in een knip.
Hier werd zijne stem zwakker en onduidelijker, zijn blik glasachtiger, zijn leven begon snel af te nemen.
--Vergeef hem ook; hij is dood en hij zal geen kwaad meer doen, zei Loer-Vogel.
--Is hij dood! Goddank, ik heb dien slang mogen verpletteren! Adieu, Loer-Vogel, mijn oude kameraad! wij zullen niet meer zamen jagen op herten of bisons in de prairie; wij zullen onzen oorlogskreet niet meer aanheffen tegen de Apachen... Waar is de Vliegende-Arend?
--Hij vervolgt de Roodhuiden.
--O! hij is een dappere ziel; ik heb hem als kind reeds gekend in 1845, ik herinner mij nog, ik kwam van...
Hij zweeg. Loer-Vogel, die zich over hem had gebogen om de laatste woorden, die al zwakker en onduidelijker werden, als uit zijn mond op te vangen, zag hem aan.
Hij was dood.
De eerzame jager had zijne ziel in Gods hand gegeven, zonder een langen doodstrijd te ondervinden. Zijn trouwe vriend drukte hem de oogen toe, knielde bij hem neer en het bleeke hoofd buigende, bad hij voor zijn ouden kameraad.
Intusschen lag don Mariano nog altijd in denzelfden staat van gevoelloosheid. De beide jongelieden, die elk een zijner handen hielden, voelden hem met bezorgdheid den pols. Terwijl zijne twee oude bedienden stil in een hoek van het vertrek zaten te weenen.
Op eens slaakte don Mariano een diepen zucht, een helder rood kleurde zijn aangezigt, hij opende de oogen; eenige sekonden poogde hij zijne gedachten te verzamelen, reeds verstrooid door den naderenden doodstrijd. Eindelijk overmande hij zich, kwam half op zijn leger overeind, en staarde beurtelings met eene uitdrukking van onbeschrijfelijke goedheid naar de beide jongelieden, die voor hem geknield lagen, trok hunne handen naar zich toe en vouwde die op zijn hart zamen.
--Don Miguel, zeide hij met eene luide stem: zorg voor haar! Laura, gij bemint hem, wees gelukkig! Ik zegen u, mijne kinderen!
O, God! vergeef naar uwe barmhartigheid hem, die de oorzaak was van al onze ongelukken. Hemelsche Vader! ontvang mij in uw schoot. Mijne kinderen, mijne kinderen! tot wederziens!
Thans werd zijn ligchaam krampachtig bewogen, zijne trekken veranderden zigtbaar, hij viel achterover met een laatsten snik.
Hij was dood!
Na zijn ouden kameraad de laatste eer bewezen te hebben, voegde Loer-Vogel zich bij den Vliegenden-Arend. Sedert dien tijd heeft men niets meer van hem gehoord.
De dood van Vrij-Kogel had het hart gebroken van dien man, zoo vol kracht, beleid, goeden wil en voortvarendheid. Misschien sleept hij het overschot van zijn kommervol bestaan nog voort te midden der Indianen, onder welke hij besloten had te leven en te sterven.
Alle pogingen, later door don Leo de Torres, na zijne huwelijksverbindtenis met dona Laura de Real del Monte aangewend om hem op te sporen, bleven vruchteloos; de jongman moest het tot zijn verdriet eindelijk opgeven, om den eenvoudigen en te gelijk grootmoedigen man weder te vinden, aan wien hij zooveel te danken had.
INHOUD.
Bladz.
I. De verrassing 1. II. De gast 7. III. De nachtelijke zamenspraak 13. IV. Indianen en jagers 20. V. Wederzijdsche ophelderingen 26. VI. Eene duistere geschiedenis 34. VII. Eene duistere geschiedenis (vervolg) 40. VIII. Eene duistere geschiedenis (slot) 48. IX. Vrij-Kogel en Loer-Vogel 56. X. Nieuwe personaadjen 63. XI. Het veer del Rubio 72. XII. Don Stefano Cohecho 79. XIII. De hinderlaag 85. XIV. De reizigers 93. XV. De herleving 100. XVI. Plaatselijk onderzoek 107. XVII. Don Mariano 113. XVIII. Wat de regtspleging voorafging 120. XIX. Het geregtelijk verhoor 127. XX. Het vonnis 135. XXI. Vrij-Kogel 144. XXII. Het kamp 152. XXIII. De Vliegende-Arend 161. XXIV. Quiepa-Tani 169. XXV. Een drietal schurken 176. XXVI. Eene jagt in de Prairiën 184. XXVII. Eene jagt in de Prairiën (vervolg) 194. XXVIII. Blank-huiden en Rood-huiden 201. XXIX. De raad 209. XXX. Het tweede detachement 217. XXXI. De Tlacateotzin 225. XXXII. Eerste ontdekkingen in de stad 234. XXXIII. Ophelderingen 241. XXXIV. Een gesprek 249. XXXV. De zamenkomst 257. XXXVI. Eene ontmoeting 265. XXXVII. Verwikkelingen 274. XXXVIII. Eene nachtelijke verkenning 283. XXXIX. Het groote geneesmiddel 290. XL. De laatste storm 300. Besluit 309.
NOTES
[1] Zie Vrij-Kogel, Leiden, van den Heuvell en van Santen.
[2] Indiaansche schoenen, van hartsleder, zonder zolen.
[3] Een rotting of zoogenaamde sixpence.
[4] Naam der huurrijtuigen te Mexico.
[5] Pulque is een bedwelmende drank uit het sap der maguey (agave americana, of aloë) bereid; de huizen waar men dien verkoopt heeten pulquerios.
[6] In de taal der Zapoteken letterlijk: quiepa hemel, tani berg, dus in 't Hollandsch: Hemelberg.
[7] Amerikaansche leeuw.
[8] Tijger.
[9] Wolf.
[10] Een soort van glas van vulkaanschen oorsprong.
[11] "Acht-slangen," van chicuh acht, en coatl slang.
[12] Zie Vrij-Kogel, pag. 123 (van denzelfden schrijver.)
[13] Van Aman, eene plaats waar eene rivier zich in verscheidene takken verdeelt.
[14] Letterlijk; rietland, van acatl, riet.
[15] Waterzon, van atl, water, en tonatiuh, zon.
[16] Het tooneel dezer strafoefening is letterlijk historisch, de schrijver heeft het door een Apache op een Noord-Amerikaan zien toepassen.
[17] Dit woord beteekent letterlijk Godsman, van tlacatl, man en teotl God. Dezen titel geven de Comanchen aan hen die de geneeskunst uitoefenen.
[18] Bijnaam van Moctecuzoma I; letterlijk: "die pijlen tot aan den hemel schiet," van Ilhuicatl, hemel, en mitl schicht; het hieroglyf van dezen koning is werkelijk een pijl die den hemel treft.
[19] Mexico.
[20] Ometochtli is zamengesteld uit om, twee, en tochtli, konijn.
[21] Axayacatl is zamengesteld uit atl, water, en axaya, vlak.
[22] Anahuac beteekent letterlijk: land tusschen de wateren, (de twee zeeën).
[23] De plaats waar de Mexicanen zeggen dat zij uit afkomstig zijn; deze naam komt van aztatl, reiger.
[24] Letterlijk "het Roode land", van tlapalli, rood.
[25] De beschaver van Mexico: zijn naam komt van quetzalli, veer, en coatl, slang; en beteekent "gevederde slang."
[26] Zie Vrij-Kogel, 3e druk, Leiden, van den Heuvell en van Santen, 1866, bladz. 152.
[27] De onbekende Godheid.