De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis

Part 28

Chapter 283,864 wordsPublic domain

De Wilde-Roos sprak niet, maar hield zich den vinger voor den mond en zag daarbij den jager veelbeteekenend aan; deze wikkelde zich in zijn bisonsmantel en zei toen tegen de vrouw van Atoyac:

--Ik zou mijne zuster niet gaarne storen terwijl de opperhoofden naar den raad zijn: ik zal mij dus deze gelegenheid ten nutte maken om eene wandeling in de stad te doen en met meer aandacht den prachtigen tempel te beschouwen, dien ik bij mijne aankomst herwaarts maar even in 't voorbijgaan gezien heb.

--Mijn vader heeft gelijk, antwoordde Huitlotl, te meer daar ik op mijne beurt met de Wilde-Roos uit moet, en het ons spijten zou onzen gast alleen in de calli te laten.

De Wilde-Roos lachte minzaam, schudde haar bevallig hoofd en gaf den jager een veelbeduidenden wenk.

Deze vermoedde terstond dat de vrouw van den Vliegenden-Arend, onder het gesprek met hare vriendin, reeds ontdekt zou hebben waar de jonge meisjes zich bevonden, en dat hare begeerte om hem van huis te verwijderen geen ander oogmerk had, dan dienaangaande nog meerdere inlichtingen op te doen; hij maakte dus geen zwarigheid om heen te gaan, trad langzaam de calli uit, en de straat op, met al het gewigt en de majesteit van den hoogwijzen persoon dien hij voorstelde.

Overigens was de Canadees er niet rouwig om, dat hij eenigen tijd alleen kon zijn, ten einde over de meest geschikte middelen na te denken om met de Spaansche dames in betrekking te komen, eene onderneming die hem alles behalve gemakkelijk scheen. Aan den anderen kant, meende hij zich van de hem gegeven vrijheid te bedienen, om eene wandeling door de stad te maken, ten einde de vereischte plaatselijke kennis te verzamelen, die hij voor zijn doel noodig achtte.

Niet wetende hoe het met zijn verblijf in de stad kon afloopen en op welke wijze hij er weder uit zou komen, beijverde hij zich, om op goed geluk af, de best mogelijke aanwijzingen omtrent de rigting der straten en de ligging der voornaamste gebouwen op te doen, in het dubbele vooruitzigt op een aanval of een veiligen aftogt.

De jager wist zijn aangezigt met zulk een ondoordringbaar masker van onverschilligheid en zelfgenoegzaamheid te bedekken, zijne vragen werden daarbij zoo rustig en onbewimpeld gedaan, dat het bij niemand, tot wien hij zich wendde, opkwam om hem een oogenblik te verdenken, en zoo kreeg hij, dank zij zijne behendigheid, de meest naauwkeurige berigten aangaande de zwakke punten der stad; bijv. hoe men na het sluiten der poorten, naar buiten en weder binnen kon komen, zonder gezien te worden en meer andere even onschatbare inlichtingen, die de jager zorgvuldig in zijn geheugen bewaarde, en die hij zich in stilte voornam, om op het geschikte oogenblik tot zijn voordeel te gebruiken.

Te Quiepa-Tani, even als in iedere groote stad, was een aantal lediggangers, die hun leven versleten met van den eenen hoek naar den anderen te slenteren om hunne verveling te verdrijven.

Het was inzonderheid deze soort van lieden, die Loer-Vogel op zijne langdurige wandeling door de stad aanklampte, en wier omslagtige meestal weinig beduidende vertelsels hij beluisterde, om er zijn voordeel mede te doen; wanneer hij dan begreep alles gehoord te hebben wat hij van hen te weten kon komen, liet hij hen aan zich zelven over, om een eind verder dezelfde taktiek met anderen te hervatten.

Loer-Vogel was bijna drie uren uit geweest, toen hij de calli weder binnen trad. Atoyac en de Vliegende-Arend waren nog niet terug; maar de beide vrouwen zaten, op matten nedergehurkt, vertrouwelijk en met zekere geestdrift zamen te keuvelen.

Zoodra de Wilde-Roos hem gewaar werd, wierp zij hem een verstandhoudenden blik toe.

De jager vlijde zich op een butacca neder, nam de calumet uit zijn gordel, vulde haar met gewijden tabak en begon te rooken.

Intusschen hadden de vrouwen, na den gewaanden geneesheer stilzwijgend gegroet te hebben, haar gesprek hervat.

--Worden dan de gevangenen, die men op de blanken maakt, altijd hier heen gebragt? vroeg de Wilde-Roos.

--Ja, antwoordde de Duif.

--Dat verwondert mij toch, vervolgde de jonge vrouw; want als het nu een van hen gelukte te ontsnappen, zou de verborgen ligging en juiste inrigting der stad aan de Gachupines bekend worden, en dan zou men deze zonder twijfel spoedig in de vlakte zien verschijnen.

--Dat is zoo; maar mijne zuster vergeet, dat men uit Quiepa-Tani niet ontsnappen kan.

De Wilde-Roos schudde bedenkelijk het hoofd.

--O, zeide zij, de blanken zijn zoo slim, meer dan gij denkt; maar hoe dit ook wezen mag, de jonge meisjes, die wij zoo even gezien hebben, zullen zeker niet ontsnappen, daartoe worden zij te streng bewaakt; ik weet niet waarom, maar ik gevoel diep medelijden met haar.

--Zoo gaat het mij ook, zuster. Die arme kinderen, zoo jong, zoo lief, en zoo voor altijd verwijderd van allen die haar dierbaar zijn; haar lot is treurig.

--Ja wel treurig! Maar wat kunnen wij er aan doen? Zij zijn het eigendom van Addick; dat opperhoofd zal haar nooit weder in vrijheid willen stellen.

--Wij zullen ze nog eens gaan zien, niet waar zuster?

--Wanneer?

--Morgen, zoo gij wilt.

--Dank u, zuster; dat zal mij gelukkig maken, ik verzeker u.

Deze laatsten gezegden vooral troffen den jager.

Bij de plotselinge opheldering die hij bekwam, had hij al zijne zelfbeheersching noodig om zijne ontroering te verbergen en te zorgen dat de Duif niets van zijne onrust bemerkte.

Op dat oogenblik kwamen juist Atoyac en de Vliegende-Arend terug; zij zagen er zeer gejaagd uit en schenen aan een gramschap ten prooi, die, hoezeer door Indiaansche deftigheid in toom gehouden, daarom niet minder verschrikkelijk was.

Atoyac kwam regt op den jager af, die intusschen reeds opstond om hem te ontvangen.

Toen Loer-Vogel de verbolgenheid zag, die op het gelaat van den Sachem lag uitgedrukt, vreesde hij dat er welligt iets ten zijnen opzigte was ruchtbaar geworden; hij wachtte dus met pijnlijk ongeduld de mededeeling af, die zijn gastheer hem scheen te willen doen.

--Mijn vader is immers wel een ingewijde in de groote geneeskunst? vroeg Atoyac, terwijl hij hem met een uitvorschenden blik gadesloeg.

--Heb ik dat niet aan mijn broeder gezegd? was de wedervraag van den jager, die reeds meende dat hij ernstig bedreigd werd en den Vliegenden-Arend een twijfelmoedigen wenk gaf.

Laatstgenoemde glimlachte.

Dit stelde den Canadees aanvankelijk gerust; het was toch niet denkbaar dat de Comanch, als er eenig gevaar had bestaan, zoo kalm zou zijn gebleven.

--Laat mijn broeder dan terstond met mij gaan, en zijne heelkundige instrumenten medenemen, riep Atoyac tamelijk barsch.

Het zou weinig takt hebben verraden, als hij dit verzoek, hoe onstuimig ook gedaan, had willen weigeren; overigens bewees het hem dat zijn gastheer geen booze voornemens met hem had.

Hij nam het dus aan.

--Dat mijn broeder mij voorga, en ik zal hem volgen, was al wat hij er op antwoordde.

--Spreekt mijn vader de taal der barbaarsche Gachupines? vroeg Atoyac.

--Mijn volk woont aan de oevers van het onbegrensde zoute meer; de bleekgezigten zijn onze naaste buren, ik versta en spreek dus min of meer hunne taal, zei Loer-Vogel.

--Zooveel te beter.

--Zal ik dan een blanke moeten genezen? vroeg de Canadees, die gaarne vooraf verlangde te weten wat men van hem vorderde.

--Neen, antwoordde Atoyac; maar een van de grootste opperhoofden der Apachen heeft eenige manen geleden twee jonge blanke vrouwen hier gebragt; die vrouwen zijn ziek; de booze geest heeft zich van haar meester gemaakt, en op dit oogenblik zweeft de dood reeds boven hare legerstede.

Loer-Vogel sidderde inwendig bij dit onverwachte nieuws, zijn hart dreigde hem te ontzinken, eene onwillekeurige huivering liep hem over het lijf; hij had schier bovenmenschelijke kracht noodig om de diepe ontroering te beteugelen die in zijn hart kookte, en om met eene bedaarde stem te kunnen zeggen:

--Ik ben tot mijns broeders dienst, zoo ver mijn pligt dit vereischt.

--Vertrekken wij dan, antwoordde de Indiaan.

Loer-Vogel kreeg zijn medicijnen-kist, nam haar zorgvuldig onder den arm, ging met den Sachem de calli uit, en beiden begaven zich met haastige stappen naar het paleis der Zonnemaagden, verzeld, of liever op eenigen afstand bewaakt door den Vliegenden-Arend, die hun op de hielen volgde en hen geen oogenblik uit het oog verloor.

XXXIII.

OPHELDERINGEN.

Wij zijn weder verpligt eenige stappen in ons verhaal terug te treden, tot toelichting van sommige feiten en bijzonderheden, die wij opzettelijk in de schaduw hadden gelaten, maar die thans dringend vorderen door onze lezers te worden gekend.

In een vorig hoofdstuk hebben wij gezien hoe gemakkelijk don Estevan, Addick en de Roode-Wolf zich met elkander hadden verstaan, om gezamenlijk wraak te oefenen.

Doch zoo als het gewoonlijk met dergelijke verbindtenissen gaat, had ieder voor zich reeds dadelijk zijn eigen belang in het oog gehouden, en was don Estevan ongelukkig degene onder de drie, die van dit verbond de minste voordeelen zou trekken.

Slechts weinige blanken kunnen, wat geslepenheid in het onderhandelen betreft, zich met de Roodhuiden meten.

De Indianen, even als alle overwonnen volken sinds eeuwen onder een vernederend juk gebogen, hebben slechts een wapen in hun bereik, een doodelijk wapen nogtans, waarmede zij meestal met goed gevolg hunne gelukkiger vijanden weten te bestrijden,

Dit wapen is de list: het wapen der lafhartigen of der zwakken, de verdediging van den slaaf tegen zijn meester.

De voorwaarden door de twee Indianen-hoofden aan don Estevan gesteld, waren eenvoudig en duidelijk omschreven. De opperhoofden zouden door middel van gewapende krijgslieden, onder hunne aanvoering, den Mexicaan in staat stellen zijne vijanden in handen te krijgen en zich aan hen te wreken: daarentegen zag don Estevan er van af om zijne nicht en het andere meisje, beiden te Quiepa-Tani gevangen, weder te zien en gaf hij deze in vollen eigendom over aan de twee opperhoofden, die dan met haar konden handelen naar goedvinden, zonder dat hij, don Estevan, op eenige manier, hoe het ook met de gevangenen gaan mogt, trachten zou ten haren behoeve tusschenbeide te treden.

Deze voorwaarden werden wederzijds gaaf en goed aangenomen, en de Indiaansche opperhoofden maakten zich gereed om de bepalingen van het verdrag zoo spoedig mogelijk ten uitvoer te brengen.

De Roode-Wolf koesterde sedert lang tegen de beide jagers en don Miguel een doodelijken haat, omdat hij in zijne verschillende ontmoetingen met deze drie mannen steeds het onderspit had gedolven. Hij greep met ijver de gelegenheid aan die zich thans opdeed om zich te wreken, en meende voor ditmaal van zijne zaak zeker te zijn, en zijnen vervloekten vijanden al de vernederingen en al het kwaad dat zij hem hadden doen ondergaan met woeker terug te zullen betalen.

In minder dan drie dagen tijds waren Addick en de Roode-Wolf er in geslaagd om een troep van honderd vijftig uitgelezene ruiters te verzamelen, allen verbitterde vijanden der blanken, voor welke dus de beraamde onderneming, om het zoo eens te noemen, een ware pleiziertogt zou zijn.

Toen don Estevan zag dat hij zich aan het hoofd van zulk een talrijke en onverschrokken bende kon stellen, sprong zijn hart op van vreugde en achtte hij zich reeds zeker van den goeden uitslag der onderneming.

Wat toch zou don Miguel tegen hem kunnen beproeven of uitrigten, met de weinige mannen waarover hij te beschikken had? de weg om naar Quiepa-Tani te komen, was lang en bijna onbruikbaar; hij moest over steile rotsheuvels door ontoegankelijke wouden, en onmetelijke wildernissen; en gesteld al eens dat het den avonturier met zijne Gambucinos gelukte om al deze hindernissen te overwinnen en de stad te bereiken, wat zouden zij er kunnen doen?

Konden zij er aan denken om haar te veroveren? Zouden zij het wagen om met een dertigtal mannen eene stad te bestormen die meer dan twintig duizend zielen bevatte, bovendien versterkt was door hechte poorten en muren, omgeven door een breede gracht en verdedigd door een uitgelezen garnizoen van drie duizend der beroemdste krijgslieden, die uit al de Indiaansche stammen bijeengebragt, bijzonder belast waren met het bewaken der heilige stad, en vast besloten hadden om haar tot den laatsten man te verdedigen, liever dan zich over te geven?

Zoo iets te onderstellen viel buiten alle berekening en was inderdaad zoo dwaas, dat don Estevan er geen minuut lang bij zou hebben stilgestaan.

De eerste zorg der Indiaansche opperhoofden, was dus, te onderzoeken waar zich hunne vijanden bevonden. Ongelukkig echter hadden de jagers hunne maatregelen zoo behendig weten te kiezen, dat de Roodhuiden genoodzaakt waren hunne vijanden langs drie verschillende sporen te volgen en dus hunne bende in even zoo vele afdeelingen te splitsen, om de Gambucinos van alle zijden in 't oog te houden.

In deze omstandigheid openbaarde zich het eerste bezwaar tusschen de drie zaamverbondenen.

Addick en de Roode-Wolf, toen het er op aankwam om hunne krachten te verdeelen, wilden natuurlijk elk het kommando over een afzonderlijk corps op zich nemen, eene regeling die don Estevan reeds dadelijk minder beviel en waaraan hij stellig weigerde toe te geven, door hun niet zonder reden te doen opmerken: dat in de tegenwoordige onderneming alles van de overeenstemming der opperhoofden afhing; dat de krijgslieden daarom niets anders te doen hadden dan de beweging des vijands in 't oog te houden, terwijl de drie opperhoofden bij elkander behoorden te blijven en de noodige wijzigingen in hunne oorlogsplannen gezamentlijk te overwegen, om bij de eerste gunstige gelegenheid die zich aanbood met kracht te kunnen handelen.

De ware grond van deze eigenzinnigheid was, dat don Estevan, ofschoon door de omstandigheden gedwongen zich met de twee Sachems te vereenigen, in deze geëerde bondgenooten geen het minste vertrouwen stelde; hij verachtte hen evenzeer, als hij op zijne beurt door hen veracht werd, en meende zich verzekerd te moeten houden dat, wanneer hij hun om welke reden ook vergunde, zich van hem te scheiden, hij hen nooit weder zou zien, en dat zij hem zonder het minste bezwaar in den steek zouden laten om hem zijne zaken in de Prairie alleen te laten afdoen.

De Indianen begrepen zeer goed wat hun bondgenoot bedoelde en hoe hij over de zaak dacht; maar te leep om hem te laten blijken dat zij zijne bedoelingen doorgrondden, hielden zij zich alsof zij de redenen die hij hun opgaf goedkeurden en er al het gepaste van erkenden.

De drie bevelhebbers bleven dus vereenigd en trokken met hun staf, een twintigtal mannen sterk, voorwaarts, na de overigen in twee troepen te hebben gesplitst om de Gambucinos te bewaken.

Don Estevan maakte allen spoed om Quiepa-Tani te bereiken, ten einde de twee jonge dames in de stad op te ligten en in handen te krijgen, om door hare tegenwoordigheid den ijver zijner bondgenooten aan te vuren.

Zij trokken op weg.

Bij deze gelegenheid had er eene zeer zonderlinge verwikkeling plaats, namelijk dat zes verschillende detachementen krijgslieden elkander op het spoor zaten, en elke troep gedurende meer dan eene maand lang, met gelijke drift en naauwkeurigheid, afzonderlijk voortrukte in de voetstappen van de troep die haar vooruit was, terwijl geen van haar wist dat zij op hare beurt werd nagezet door een troep die haar volgde.

Zoo liepen de zaken zonder tot eene ontmoeting te leiden, voor dien nacht toen Domingo in het woud verdween.

Hoe dit kwam, willen wij thans nader doen zien.

Loer-Vogel hield den Gambucino niet zonder reden verdacht van den schelm te spelen. Daarom had hij hem niet van zich willen laten om hem des te beter in 't oog te kunnen houden.

Ongelukkig echter was er, ondanks Loer-Vogels onafgebroken waakzaamheid, sedert hun vertrek van het veer del Rubio, meer dan eene maand lang, niets gebeurd dat den jager in zijne vermoedens kon versterken. Domingo had niet de minste slinksche beweging gemaakt en zoo het scheen stipt en getrouw zijn pligt gedaan. Als er gekampeerd werd, en de kleine beschikkingen voor den nacht waren gemaakt, en de maaltijd geëindigd was, was Domingo altijd een der eersten die zich in zijn zarapé wikkelde, op den grond uitstrekte en onder voorwending van vermoeidheid insliep.

Kortom, de bandiet had zijn gedrag zoodanig weten in te rigten, dat de jager, hoe slim hij ook wezen mogt, zich door hem liet verschalken. Van lieverlede begon dus zijne achterdocht te verminderen en zijne waakzaamheid te verslappen, en ofschoon hij den Gambucino niet ligt een post van belang zou hebben toevertrouwd, hield hij hem echter minder scherp in het oog dan gedurende de eerste dagen. Zoo waren zij meer dan eene maand lang op weg geweest en bevonden zich de avonturiers op een geheel onbekend terrein; het scheen bijna onmogelijk dat Domingo, die weinig van het leven in de wildernis wist, zijne kameraden zou durven verlaten en zich alleen in de woestijn zou wagen; waar hij waarschijnlijk spoedig verdwalen en na verloop van weinige kommervolle dagen van honger en gebrek zou moeten omkomen.

Deze nalatigheid van Loer-Vogel bewees slechts eene zaak, namelijk dat de jager zijn man niet goed kende, en niet volkomen op de hoogte was van de hardnekkigheid waarmede de Mexicaansche mestiezen een eenmaal opgevat plan volhouden.

Domingo haatte den jager uit grond van zijn hart, omdat deze hem eenmaal ontmaskerd had, en wachtte met al het geduld dat het bastaardras waartoe hij behoorde kenmerkt, het oogenblik af om zich aan hem te wreken, wel wetende, dat in de tegenwoordige omstandigheden, de gelegenheid daartoe den een of anderen dag zeker komen zou.

Intusschen wachtte, loerde en luisterde hij. Niemand verborg iets voor hem of ontzag zich om in zijn bijzijn vrijuit over de zaken te spreken, om de eenvoudige reden, dat Loer-Vogel zijne kameraden niet voor den mesties had willen waarschuwen daar dit te zeer met het loyaal karakter van den jager in strijd was. Door deze vertrouwelijkheid werd Domingo in de gelegenheid gesteld om aangaande de onderneming, van welke hij tegen zijn zin deel uitmaakte, vele bijzonderheden te vernemen die hij anders nooit zou zijn te weten gekomen, en die hij zorgvuldig verzamelde om ze later tot eigen voordeel, zoo duur mogelijk aan de lieden die er belang bij hadden te verkoopen, zoodra het toeval hen in zijne tegenwoordigheid zou brengen.

Op denzelfden avond toen Loer-Vogel het spoor ontdekte dat hem zooveel belang inboezemde, had de Gambucino, die op zijne beurt almede rondsnuffelde, te midden van een kreupelboschje eene vondst gedaan, die hij zich wel wachtte aan zijne kameraden mede te deelen.

Deze vondst bestond in een tabakszak, klein van omvang, maar rijk met goud geborduurd, zooals de groote heeren in Mexico gewoon zijn te dragen.

Domingo herinnerde zich zeer wel dien vroeger in handen van don Estevan te hebben gezien.

Dit zakje moest derhalve door hem verloren zijn. Hij stak het voorloopig in zijne borst, zich voorbehoudende om het later nader te onderzoeken, wanneer hij geen gevaar liep van door zijne makkers te worden overvallen.

De Vliegende-Arend, zoo als wij vroeger gezien hebben, was dien avond op verkenning uitgegaan, en zijne vrienden, na een vuur ontstoken, hun maal bereid en eenige mondvollen er van gegeten te hebben, zaten op zijne terugkomst te wachten.

Het was dien dag afmattend heet geweest. De Indiaan liet zich bijzonder lang wachten; Loer-Vogel en don Mariano, na een geruime poos met elkander te hebben zitten praten, voelden hunne oogleden bezwaard, zij begonnen te knikkebollen, kortom, zij bezweken voor de vermoeijenis, lieten zich op den molligen bodem afglijden en waren weldra in een diepen slaap gedompeld; wat Domingo betreft, deze had naar het scheen reeds sedert een uur zoo vast geslapen alsof hij nooit weder moest ontwaken.

Intusschen gebeurde er iets zeer zonderlings; naauwelijks toch hadden Loer-Vogel en don Mariano hunne oogen gesloten of Domingo opende de zijne, en dat wel zoo gezwind en zoo juist van pas, dat men niet anders kon veronderstellen of hij had slechts geveinsd te slapen, ja was nooit beter wakker geweest dan toen hij deed alsof hij sliep.

Eerst wierp hij een bespiedenden blik om zich heen en hield zich onbewegelijk stil; maar na verloop van een paar minuten door de diepe en geregelde ademhaling zijner kameraden gerust gesteld, kwam hij zacht overeind. Hij aarzelde nog eenige minuten, en haalde toen uit zijne borst den tabakszak te voorschijn, om hem in het schijnsel der brandende takkebosschen te bezigtigen.

Het zakje had op zich zelve niets buitengewoons, alleen merkte de slimme mesties er eene kleine bijzonderheid aan, het was namelijk ongeveer half met tabak gevuld--en die tabak was versch.

Het kon dus onmogelijk lang geleden zijn dat don Estevan het verloren had, ja welligt een paar uren slechts; zoo dit waar was, gelijk hij alle reden had om te gelooven, kon de eigenaar niet ver verwijderd zijn, en moest hij zich niet veel meer dan een paar mijlen van het jagerskamp bevinden.

Deze redenering was logisch; ook trok de mesties er dit gevolg uit, dat de gelegenheid die hij sedert zoo lang had te gemoet gezien, eindelijk gekomen was, en dat hij, het kostte wat het wilde, er zijn voordeel mede moest doen.

Toen hij dit besluit eenmaal had vastgesteld, liet het overige zich gemakkelijk berekenen.

De Gambucino stond op, sloop als een adder door de struiken, en schoot als een verloren post in de duisternis om don Estevan te zoeken.

Het toeval dat de wereldsche zaken beheerscht en in de regeling der menschelijke handelingen, vooral van schurken en intriganten vaak zulk eene gewigtige rol speelt, schijnt er soms behagen in te vinden om door een wonderlijken zamenloop van omstandigheden, tegen alle waarschijnlijkheid aan, de boosaardigste plannen te doen gelukken; dit bleek ook hier weder het geval te zijn.

Naauwelijks had de Gambucino een vol uur in het bosch rondgezworven, en in de duisternis, die hem omgaf als een lijkkleed, zoo goed mogelijk zijn weg gezocht, of op een oogenblik toen hij zulks het minst verwachtte zag hij aan den uitersten rand van het woud een vuur branden.

Hij stapte onmiddelijk naar den lichtenden gloed, die hem tot baken diende, bij instinct overtuigd dat hij er den man zou vinden dien hij sedert een uur zocht.

Zijne vermoedens hadden hem niet bedrogen: het bereikte kamp was werkelijk dat van don Estevan en zijne medegenooten, die zeker niet wisten dat zij zich zoo digt bij hunne vijanden bevonden, anders zouden zij zonder twijfel de gewone in de woestijn gebruikelijke voorzorgen wel hebben in acht genomen om hunne tegenwoordigheid te verbergen.

De plotselinge verschijning van den mesties binnen den lichtkring van het helder brandende vuur, maakte om zoo te zeggen een waar theater-effect.

De Indianen en zelfs don Estevan waren zoo weinig verdacht op de komst van dezen man, dat er oogenblikkelijk een vreesselijk tumult door ontstond, gedurende hetwelk de Gambucino gevat, op den grond geworpen en gekneveld werd, eer hij nog een woord tot zelfverdediging had kunnen uitbrengen.

De krijgslieden grepen hunne wapenen en verspreidden zich in den omtrek, om zich te verzekeren of het individu dat in hunne handen was gevallen alleen was, dan of men nog anderen te vreezen had.

Eindelijk begon deze opschudding een weinig te bedaren, en kwamen de gemoederen in zoo verre tot rust, dat men den gevangene in 't verhoor kon nemen. Deze verlangde niets liever, en dit was juist wat hij sedert het oogenblik zijner overrompeling dringend had verzocht.

Men bragt hem dus voor de drie opperhoofden, en daar--wij behoeven het naauwelijks te zeggen--werd hij door don Estevan dadelijk herkend.

--Ha! meesmuilde de Mexicaan, dat is onze oude vriend Domingo. Hoe duivel komt gij hier, mijn brave kameraad?