De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis

Part 27

Chapter 273,814 wordsPublic domain

--En dan, hervatte don Miguel, terwijl hij met min of meer bevende hand een stalen ketting, waaraan een klein zwart fluweelen zakje hing, van zijn hals deed en aan Loer-Vogel gaf, neem dit amulet;--het is alles wat ik van mijne moeder bezit, vervolgde hij met een zucht, het heeft aan mijn hals gehangen sedert den dag mijner geboorte; in dat zakje is eene heilige reliek--een splinter van het heilig kruis, gezegend door den Paus. Geef haar dat, en laat zij het zorgvuldig bewaren; dit amulet heeft mij reeds uit menig gevaar gered. 't Is het eenige dat ik op dit oogenblik voor haar doen kan. Ga, mijn vriend, red haar, daar ik mij gedoemd zie om niets dan onvruchtbare wenschen voor haar behoud te koesteren. Gij houdt van mij, Loer-Vogel, ik zal er geen woord meer bijvoegen, dan dit eene: van den uitslag uwer edele poging in dit uur hangt mijn leven af. Vaarwel! Vaarwel!

Met zenuwachtige drift greep hij de forsche hand van den jager en drukte die bij herhaling met kracht. Zich toen schielijk omkeerende, om zijne opwellende tranen niet te laten zien, trad hij met haastigen tred in het woud terug, waar hij spoedig verdween, nadat hij zijn vriend, die hem met verwondering naoogde, een laatsten groet met de hand had toegeworpen.

Toen don Miguel zich verwijderd had, stond de Canadees een poosje somber te peinzen, ten prooi aan eene onverklaarbare droefgeestigheid.

--Arme jongman, mompelde hij met een diepen zucht, is dit nu wat men verliefd noemt?

Maar terstond onderdrukte hij de zonderlinge vlaag van ontroering, die hem een oogenblik het hart had beklemd, en moedig het hoofd opheffende, zeide hij:

--Welaan! het lot is geworpen; voorwaarts!

Thans de kalme en onverschillige houding van een Indiaan aannemende, stapte hij met langzamen tred naar de vlakte, terwijl hij de blikken zorgvuldig liet rondgaan om het terrein zooveel mogelijk te verkennen.

In de schitterende stralen der zon, die helder en glansrijk was opgegaan, had het groene veld, dat de Canadees doortrok, een inderdaad aller bekoorlijkst aanzien. Even als toen hij voor de eerste maal deze landstreek in oogenschouw nam, was alles rondom hem in drukke beweging.

Dank zij zijn nieuw uitwendig voorkomen, kon hij alles wat er omging op zijn gemak opnemen, en beschouwde hij het levendig tooneel met belangstellende nieuwsgierigheid: maar wat reeds dadelijk zijne bijzondere aandacht trok, was een troep ruiters, gekleed of liever geschilderd in hun vollen oorlogsdosch en gewapend met die lange werpspiessen en pijlen met weerhaken, die de Indianen met zooveel behendigheid weten te gebruiken en welker wonden zoo gevaarlijk zijn. De meesten droegen bovendien nog een buks aan een band over den schouder en een reata, of lasso; aan den gordel. In geregelde orde en op matigen draf, reden zij naar de stad, van een tegenovergestelden kant komende als de jager.

De menigte voetgangers op het veld en langs den weg bleven staan om hen in oogenschouw te nemen; Loer-Vogel maakte van deze gelegenheid gebruik en versnelde zijn stap om zich onder den nieuwsgierigen hoop te mengen, in welks midden hij, zoo als hij verlangde, weldra verdween, terwijl niemand er aan dacht om bijzonder op hem te letten.

De ruiters trokken steeds in gelijken draf voort, zonder zich met de nieuwsgierige menigte te bemoeijen, tot op veertig passen van de hoofdpoort, waar zij halt maakten.

Op hetzelfde oogenblik zag men drie kavaleristen in galop uit de stad komen, en met een paar sprongen de houten brug oversteken, om de nieuw aangekomen troep te ontvangen.

Van deze laatsten zonderden zich thans mede drie ruiters af, en reden de vorige drie te gemoet.

Na eene korte woordenwisseling, voegden de zes ruiters zich nu gezamenlijk bij de troep, die onbewegelijk achteraf was blijven staan, stelden zich aan haar hoofd en trokken in geregelde orde de stad binnen.

Loer-Vogel, die hen van nabij was gevolgd, bereikte juist de brug toen de laatste ruiters in de stadspoort verdwenen.

De jager begreep wel dat thans het geschikte oogenblik daar was om een stouten stap te wagen; hij nam dus, ofschoon zijn hart bijna hoorbaar klopte, eene houding aan zoo onverschillig als mogelijk was, en meldde zich aan om op zijne beurt te worden binnen gelaten.

Op eenigen afstand had hij den Vliegenden-Arend en zijne vrouw opgemerkt, in gesprek met een Indiaan, die een zekeren rang scheen te bekleeden.

Dit gezigt verdubbelde den moed van den vermetelen Canadees.

Hij stapte stoutweg de brug over en kwam zoo het scheen ongehinderd aan de poort.

Hier echter werd er eene lans geveld, die hem den doortogt belette.

Op een wenk van den Vliegenden-Arend, verwijderde zich de Indiaan met wien hij gesproken had en rigtte zijne schreden naar de poort.

Het was een reeds bejaard krijgsman van hooge gestalte, wiens grijzende haren en sterk gerimpeld gelaat aan zijn voorkomen zekere mengeling gaven van zachtheid, schranderheid en majesteit. Hij sprak een paar woorden tot den schildwacht, die zich tegen het binnenkomen van Loer-Vogel had willen verzetten, maar nu terstond zijn lans ophief, en met eene eerbiedige buiging een paar passen terugtrad.

De oude Indiaan wenkte thans den Canadees dat hij binnen kon komen.

--Ik heet mijn broeder welkom te Quiepa-Tani, zeide hij terwijl hij den jager beleefd groette; mijn broeder heeft hier vrienden.

Door zijn veeljarig verblijf in de Prairiën en zijn gedurigen omgang met de Roodhuiden, sprak Loer-Vogel verscheidene Indiaansche dialecten met evenveel gemak als zijn eigen moedertaal. Op de toespraak van den ouden Indiaan, begreep hij dat men hem voorthielp; hij kreeg dus de noodige fermiteit om zijne rol goed te spelen, en vroeg:

--Is mijn broeder een opperhoofd?

--Ik ben een opperhoofd.

--Ooah! dat mijn broeder mij ondervrage, en Ometochtli zal antwoorden.

Daar de jager, om zoo te zeggen, zijne persoonlijkheid veranderd had, meende hij tevens een anderen naam te moeten aannemen; na eenige mislukte pogingen, had hij zich eindelijk bepaald bij dien van Ometochtli, als het best strookende met het karakter dat hij moest voorstellen; want hoe vervaarlijk dit woord in onze ooren ook klinken mag, beteekent het eenvoudig Twee-Konijnen, [20] zonder twijfel een zeer vreedzamen naam, en geheel in overeenstemming met de rol die de jager spelen zou.

--Ik heb mijn broeder niet te ondervragen, hernam het opperhoofd beleefd, daar ik weet van waar hij komt; mijn broeder is een der ingewijden in de groote geneeskunst van den wijzen stam der Yumas.

--De Sachem is goed onderrigt, antwoordde de jager; ik zie dat hij met den Vliegenden-Arend gesproken heeft.

--Is het reeds lang dat mijn broeder zijn volk verlaten heeft?

--Het zal zeven manen zijn, sedert het uitbotten der eerste bladeren, dat ik de mocksens aandeed om op reis te gaan.

--Ooah! hervatte de Sachem op zekeren toon van eerbied, waar liggen dan de jagtgronden van mijns broeders stam?

--Aan de oevers van het onbegrensde zoutmeer (de zee).

--Wenscht mijn broeder de groote geneeskunst te Quiepa-Tani uit te oefenen?

--Het is alleen met dat doel dat ik hier kom, en tevens om den Wacondah te aanbidden, in den heerlijken tempel dien het vrome Indiaansche volk hem in deze heilige stad heeft gesticht.

--Zeer goed; mijn broeder is een wijze; zijn volk is vreedzaam; maar ik, vervolgde hij, het hoofd verheffend en zich fier in zijne volle lengte oprigtende: ik ben een krijgsman en mijn naam is Atoyac.

Door een zonderlingen zamenloop van omstandigheden, was de eerste Indiaan met welken Loer-Vogel in betrekking kwam, dezelfde die ook Addick ontvangen had, en wiens vrouw door den opperpriester werd uitgekozen, om als vertolkster tusschen hem en de jonge meisjes te dienen; deze omstandigheden waren echter den jager geheel onbekend.

--Dan is mijn broeder een magtig opperhoofd, antwoordde hij op de grootspraak van den Indiaan.

Deze boog met statige zedigheid voor zulk een vleijend compliment.

--Ik ben een zoon van den heiligen stam aan welken de tempelwacht is opgedragen, zeide hij.

--Moge de Wacondah het geslacht van mijn broeder zegenen!

De Sachem raakte nu meer en meer opgewonden, door de vleijende komplimenten van den jager, die hem geheel als betooverden.

--Dat mijn broeder Twee-Konijnen mij gelieve te volgen; wij zullen eerst onze vrienden gaan zien, die ons reeds wachten; vervolgens begeven wij ons naar mijne calli (hut), die ik hem in het bezit geef zoolang hij zich te Quiepa-Tani bevindt.

Loer-Vogel maakte eene eerbiedige buiging.

--Mijn broeder is goed, zeide hij, ik ben niet waardig met het stof mijner mocksens zijn drempel te bezoedelen.

--De Wacondah zegent hen die de gastvrijheid beoefenen; mijn broeder Twee-Konijnen is de gast van het opperhoofd; dat hij mij dus volge.

--Ik zal mijn broeder volgen, omdat hij het verlangt.

En zonder verderen tegenstand stapte Loer-Vogel achter den Sachem de stad in, innig tevreden dat hij deze eerste proef zoo goed was doorgekomen. Gelijk wij vroeger gezien hebben, stonden de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos eenige passen verder in de poort, en sloten deze zich weldra bij hen aan.

Alle vier begaven zich nu, zonder een woord te spreken, gezamentlijk naar het huis van den ouden Sachem, dat aan het andere einde der stad gelegen was.

Op deze lange wandeling had de jager gelegenheid om de straten die hij doortrok te bezigtigen, en ofschoon oppervlakkig, met Quiepa-Tani kennis te maken.

Eindelijk hadden zij de calli van het opperhoofd bereikt. Huitlotl--de Duif--de vrouw van Atoyac, zat met de beenen onder zich gekruist, op een mat van maïs-stroo tortillas te bakken, waarschijnlijk bestemd voor het diner van haar echtgenoot. Niet ver van haar af zaten drie of vier slavinnen, behoorende tot dat ras van bastaard Indianen, dat wij boven reeds gelegenheid hadden te beschrijven, en waarop men met regt den titel van wilden mag toepassen.

Op het oogenblik dat de Sachem met zijne gasten binnentrad, sloegen de Duif en hare slavinnen nieuwsgierig de oogen op.

--Huitlotl, zeide Atoyac met deftige waardigheid, ik breng u deze vreemdelingen; de eerste is de grootste en beroemde Sachem der Comanchen, dien gij reeds kent, zoowel als zijne vrouw.

--De Vliegende-Arend en de Wilde-Roos zijn welkom in de calli van Atoyac, antwoordde zij.

De Comanch maakte eene ligte buiging, maar sprak niet.

--Deze man hier, vervolgde de Sachem, naar den jager wijzende, is een vermaarde tlacateotzin der Yumas, zijn naam is Twee-Konijnen; ook hij zal bij ons zijn intrek nemen.

--De woorden die ik aan den Sachem der Comanchen heb toegevoegd, herhaal ik voor den grooten medicijnmeester der Yumas, zeide zij met zekeren minzamen glimlach; de Duif is zijne slavin.

--Mijne moeder zal mij veroorlooven haar de voeten te kussen, antwoordde de Canadees zoo galant als een Indiaan.

--Mijn broeder zal mij op de wangen kussen, hervatte de wederhelft van Atoyac, terwijl zij de regterwang aan Loer-Vogel toekeerde, die hij eerbiedig met de lippen aanroerde.

--Mijne broeders zullen een beker pulque der welkomst drinken, vervolgde de Duif; de weg is lang en stofferig en de stralen der zon zijn heet.

--De pulque laaft de dorre lippen der dorstige reizigers, antwoordde Loer-Vogel voor zich en zijne gezellen.

Hiermede was de voorstelling afgeloopen.

De slavinnen bragten eenige butaccas (legbedden) waarop de reizigers zich uitstrekten; vervolgens eenige roodaarden kruiken, zeer gelijkende naar de Spaansche alcaforas, met pulque gevuld, het Indiaansche bier, dat de meesteres van het huis in hoornen bekers schonk, en den vreemdelingen aanbood, met die bevallige en gulle gastvrijheid die den Indianen zoo bijzonder eigen is, en waarvan zij alleen het geheim schijnen te bezitten.

XXXII.

EERSTE ONTDEKKINGEN IN DE STAD.

Terwijl hij deed alsof hij zich alleen bezig hield met de gulle beleefdheden van zijne gastvrouw te beantwoorden, beschouwde de Canadees aandachtig het inwendige der calli waar hij zich bevond, om zich op de hoogte te stellen van de andere woningen in de stad; daar hij met reden veronderstelde, dat de inrigting ten minste grootendeels met die der overigen zou overeenstemmen.

Het vertrek waar Atoyac zijne gasten had binnengelaten, was eene vrij groote vierkante kamer, welker witte, met kalk bestreken muren onder anderen met eenige menschelijke haarschedels en een aantal krijgswapenen pronkten, die allen bijzonder net en zindelijk werden gehouden.

Eenige stapels velden van tijgers en ocelotl (boschkatten) benevens mantels en fressadas, lagen in een soort van kribben, of groote bakken opgehoopt, waarschijnlijk om tot bedden te dienen.

Buttacas (rustbanken) en andere, houten, maar bijzonder lage stoelen meubelden dit vertrek; in het midden stond een plompe vierkante tafel van niet meer dan vier palmen hoogte boven den vloer.

Zoo als men ziet, was deze inboedel wel eenvoudig; overigens is hij in alle Indiaansche callis, die gewoonlijk uit zes vertrekken bestaan, genoegzaam dezelfde.

Het eerste vertrek, hierboven door ons beschreven, dient tot dagelijksche huiskamer voor het gezin.

Het tweede is bestemd voor de kinderen.

Het derde dient tot slaapkamer.

Het vierde bevat de getouwen om zarapes (mantels) te weven, waarin de Indianen onovertrefbaar zijn; de getouwen zijn van bamboes en met bewonderenswaardige eenvoudigheid zamengesteld.

Het vijfde vertrek bevat allerlei soort van levensmiddelen voor het regengetij, wanneer de jagt onmogelijk wordt.

Eindelijk het zesde vertrek, dat voor de slaven bestemd is.

Wat de keuken betreft, deze bestaat eigenlijk niet, daar zij hunne spijzen gewoonlijk in den coral, dat is in de open lucht bereiden.

Het gebruik van schoorsteenen is er geheel onbekend; bij nacht- of winterkoude brandt er in iedere kamer eene groote steenen test of komfoor.

De zorg voor de orde en zindelijkheid in de vertrekken is aan de slaven of slavinnen toevertrouwd, die onder opzigt van de vrouw des huizes arbeiden.

Deze slaven zijn niet allen zoogenaamde wilden; de Indianen betalen niet zelden met woeker de verongelijkingen terug die zij van de blanken ontvingen, en menig ongelukkige Spanjaard, hetzij in den oorlog krijgsgevangen gemaakt, of gevallen in de listige strikken en hinderlagen hem door de Roodhuiden gespannen, wordt hier tot harde slavernij gedoemd.

Het lot dezer ongelukkigen is nog treuriger dan dat van hunne roode medeslaven, daar zij het vooruitzigt missen van ooit hunne vrijheid terug te zullen bekomen; integendeel moeten zij zich niets anders voorstellen dan om eenmaal het slagtoffer te worden van den haat hunner wreede meesters, die zich onverbiddelijk aan hen wreken over de duizende kwellingen, door het tyranniek en vernederend regeringsstelsel der Spanjaarden in Mexico uitgeoefend.

Men kan dus op deze harde slavernij ten volle de treurige zinspreuk toepassen, die de vermaarde Dante Alighieri boven de poorten van zijne Hel schreef: Lasciate ogni speranza (Vaarwel, alle hoop).

Atoyac, bij wien het toeval den Canadees zoo goedgunstig had binnengeleid, was een der meest geëerbiedigde Sachems onder de krijgslieden van Quiepa-Tani. In zijne jeugd had hij lang onder de Europeanen gewoond, en de groote ondervinding, door hem gedurende zijne verre reizen opgedaan, had zijn verstand buitengewoon ontwikkeld, menig vooroordeel zijner kaste bij hem uitgewischt en hem veel gezelliger en beschaafder gemaakt dan de meeste zijner stamgenooten.

Terwijl hij met kleine teugjes zijn geliefkoosde pulque zat te lepperen, zoo als iedere echte fijnproever, die de waarde van zijn drank op prijs stelt, behoort te doen, praatte hij gedurig met den jager, en werd hij, hetzij door den verzachtenden invloed der pulque, hetzij door het vertrouwen dat de Canadees hem inboezemde, van lieverlede mededeelzamer en openhartiger. Gelijk het in zulke gevallen gewoonlijk gaat, begon hij zijne eigene zaken te vertellen en trad hij daarbij in al de bijzonderheden van zijne familie: hij verhaalde den jager dat hij vader was van vier zonen, allen beroemde krijgslieden, wier grootste genot was om invallen en strooptogten op Spaansch grondgebied te maken, om landhoeven te verbranden, oogsten te vernielen, en gevangenen op te ligten; verder sprak hij over de verre reizen die hij gedaan had, en scheen hij aan dokter Twee-Konijnen te willen bewijzen, dat zijne ondervinding en bekwaamheid als krijgsoverste hem geenszins beletten, om het nut en den edelen invloed der andere wetenschappen te waardeeren; hij gaf hem zelfs te kennen, dat hij, ofschoon een aanzienlijk Sachem, zich nu en dan verwaardigde zijne studiën aan de kruidkunde te wijden en de geheimen der groote geneeskunst na te sporen, met welke de Wacondah, in zijne hoogste goedheid, sommige uitstekende menschen zoo genadig begiftigd had, om de kwalen van het overige menschdom te verligten en te genezen.

Loer-Vogel hield zich als ware hij door de achting, die de magtige Sachem aan het beroep dat hij uitoefende toedroeg, levendig getroffen; en hij besloot van deze gelukkige stemming des opperhoofds zich te bedienen, om hem onder de hand te polsen over hetgeen hij zoo gaarne weten wilde, namelijk in welken toestand de jonge Spaansche meisjes zich bevonden en in welken hoek der stad zij opgesloten waren. Daar echter de argwaan der Indianen zoo ligt wakker wordt, was het hoog noodig hierin met de meeste omzigtigheid te werk te gaan, en liet de jager niets van zijne ware bedoelingen blijken, maar wachtte hij geduldig tot de Sachem hem zelf gelegenheid zou geven om hem hierover de noodige vragen te doen.

Het gesprek was intusschen nagenoeg algemeen geworden, en er was reeds meer dan een uur verloopen, zonder dat het den jager, ofschoon hierin door den Vliegenden-Arend getrouw bijgestaan, gelukt was om de vraag regtstreeks op het tapijt te brengen, toen zich op eens een Indiaan aan de deur der calli vertoonde.

--De Wacondah verheugt zich! zeide de nieuw aangekomene, met eene statige en eerbiedige buiging; ik heb een boodschap voor mijn vader.

--Mijn vriend is welkom, antwoordde het opperhoofd; mijne ooren zijn geopend.

--De groote raad der Sachems onzes volks is vergaderd, zeide de Indiaan; men wacht alleen op mijn vader Atoyac.

--Wat is er dan voor nieuws aan de hand?

--De Roode-Wolf is met zijne krijgslieden gekomen; zijn hart is vervuld met bitterheid, hij wenscht met den raad te spreken. Addick vergezelt hem.

De Vliegende-Arend en de jager wisselden een blik van verstandhouding.

--Zijn de Roode-Wolf en Addick terug? riep Atoyac met verwondering; dat is vreemd! wat heeft hen zoo spoedig, en vooral zoo gelijktijdig herwaarts kunnen brengen?

--Dat weet ik niet; maar zij zijn naauwelijks een uur geleden in de stad gekomen.

--Het was dus de Roode-Wolf, onder wiens bevel heden morgen die bende ruiters de stad is binnengerukt?

--Niemand anders dan hij. Mijn vader moet hem gezien hebben daar hij hem voorbij reed. Wat moet ik de opperhoofden antwoorden?

--Dat ik onmiddelijk in den raad kom.

De Indiaan boog en vertrok.

De grijsaard stond op met kwalijk verborgen ontroering en maakte zich gereed om heen te gaan.

De Vliegende-Arend weêrhield hem.

--Mijn vader schijnt ontsteld, een wolk bedekt zijn geest.

--Ja, antwoordde de Sachem onbewimpeld, ik ben treurig.

--Wat kan de reden zijn dat mijn vader treurig is?

--Broeder, zei de oude Sachem met bitterheid, er zijn zoovele manen verloopen, sedert gij voor het laatst Quiepa-Tani hebt bezocht.

--De mensch is de speelbal der gebeurtenissen, hij kan slechts zelden zijne plannen ongestoord uitvoeren.

--Dat is waar. Misschien zou het voor u en voor ons allen beter zijn geweest als gij niet zoo lang waart uitgebleven.

--Dikwijls, zeer dikwijls heb ik verlangd hier te komen, maar steeds heeft het noodlot mij dit belet.

--Ja, ja, dat moet wel zoo zijn; zonder dat zouden wij u zeker hebben gezien; en vele dingen, die thans zijn gebeurd, zouden dan misschien niet hebben plaats gehad.

--Wat wilt gij hiermede zeggen?

--Het zou te lang duren om u dat te verklaren, op dit oogenblik ontbreekt mij daartoe de tijd; ik moet onverwijld naar den raad, waar men op mij wacht; laat het u genoeg zijn te vernemen, dat sinds eenigen tijd een booze geest onder de Sachems van den grooten raad verdeeldheid heeft geblazen; twee mannen hebben beproefd, en het is hun maar al te zeer gelukt, om een heilloozen invloed op de beraadslagingen uit te oefenen en met hunne denkbeelden al de andere opperhoofden te beheerschen.

--En wie zijn die twee mannen?

--Gij kent hen maar al te goed.

--Hoe heeten zij dan?

--De Roode-Wolf en Addick.

--Ooah! riep de Vliegende-Arend, wees op uwe hoede; de eerzucht dezer twee mannen, zoo gij er geen acht op slaat, kan u groote onheilen berokkenen.

--Dat weet ik; maar kan ik mij daar tegen verzetten? Ben ik alleen sterk genoeg om hunnen invloed te keeren en de voorstellen te doen verwerpen, die zij aan den raad willen opdringen?

--Dat is zoo, antwoordde de Comanch peinzend; maar hoe zou men dat kunnen beletten?....

--Er zou misschien een middel op zijn, riep Atoyac op slependen toon, na een poosje zwijgens.

--Welk?

--Het is zeer eenvoudig. Gij zijt een der eerste en beroemdste Sachems van uw volk?

--Wat meer?

--Gij hebt als zoodanig, naar ik meen, het regt om in den raad zitting te nemen.

--Dat heb ik.

--Waarom zoudt gij er dan geen zitting in nemen?

De Vliegende-Arend wierp thans een vragenden blik naar den Canadees, die dit gesprek met een onverschillig gezigt had aangehoord, ofschoon zijn hart klopte van belangstelling; want met zijne gewone instinctmatige scherpzinnigheid vermoedde hij, dat de tegenwoordige in den raad hangende geschillen voor hem van het grootste gewigt waren. Op de stilzwijgende vraag van den Vliegenden-Arend, begreep hij, dat wanneer hij zich langer aan het gesprek bleef onttrekken, dit in de oogen van zijn gastheer ligt eene laakbare onverschilligheid voor de belangen der stad kon verraden, welke deze hem zeer ten kwade zou kunnen duiden. Hij nam dus het woord op en zeide:

--Als ik zulk een groot opperhoofd was als de Vliegende-Arend, zou ik niet aarzelen mij in den raad te vertoonen; het geldt hier toch niet de belangen van deze of gene natie in het bijzonder, maar veeleer de gewigtigste levensvragen voor het roode ras in 't algemeen; door zich in dergelijke omstandigheden aan de beraadslagingen te onttrekken zou men, naar mijn gevoelen, aan de vijanden der orde en rust in de stad een bewijs van zwakheid geven, dat dezen zonder twijfel zich zouden ten nutte maken, om hunne plannen door te drijven en regeringloosheid te bevorderen.

--Zoudt gij dat denken? vroeg de Vliegende-Arend, die zich hield alsof hij aarzelde.

--Mijn broeder Twee-Konijnen heeft goed gesproken, hervatte Atoyac met drift, hij is een verstandig man. Mijn broeder moet zijn raad volgen, en dat zooveel te meer, daar zijne tegenwoordigheid hier ter stede algemeen bekend is, en derhalve zijn wegblijven uit den raad zeer zeker een verkeerden indruk zou maken.

--Wanneer het er zoo mede gelegen is, antwoordde de Comanch, verzet ik mij niet verder tegen uw verlangen, maar ben ik gereed u aanstonds te volgen.

--Ja, voegde de jager er met voordacht bij, ga terstond naar den raad; welligt dat uwe onverwachte tegenwoordigheid genoeg zal zijn, om zekere verkeerde plannen omver te werpen en groote onheilen voor te komen.

--Ik zal mij derwijze gedragen, dat onze vijanden met schrik zullen terugdeinzen, antwoordde de Comanch schijnbaar verstrooid, en alsof hij het woord tegen zijn gastheer rigtte, maar eigenlijk ter geruststelling van den jager.

--Laat ons vertrekken, zei Atoyac.

De Vliegende-Arend boog stilzwijgend.

Zij gingen heen.

Loer-Vogel bleef alleen in de calli met de twee vrouwen.

De duif had gedurende de bovenvermelde redewisseling in stilte met de Wilde-Roos zitten praten; zoodra de krijgslieden vertrokken waren, stonden de beide vrouwen op en maakten zich gereed om heen te gaan.