De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis

Part 26

Chapter 263,963 wordsPublic domain

--Te duivel! neen, dat beken ik; wij dachten allerminst dat gij zoo digt in onze nabijheid waart.

--Dat is waar, zeide don Miguel; maar nu wij weten waar wij zijn, is de zaak zoo duister toch niet.

--Goed; maar dat verklaart ons nog niet hoe de Sachem ons hier zoo knap heeft kunnen vinden.

--Wij hadden uw spoor ontdekt, antwoordde de Vliegende-Arend, op den weg dien wij volgen.

--Dat kan zijn; en toen hebt gij ons willen verkennen?

Het opperhoofd knikte toestemmend.

--Zijn onze vrienden ver van hier gelegerd? vroeg de jager.

--Neen, antwoordde de Indiaan; ik denk nu dadelijk naar hen terug te keeren, om hun te vertellen welke lieden ik hier gevonden heb. Ik ben reeds vrij lang uitgeweest; de bleekgezigten zullen zich wel ongerust maken. Ik ga vertrekken.

--Een oogenblik nog, riep Vrij-Kogel. Daar het toeval ons zoo wel bij elkander bragt, moesten wij dunkt mij niet weder scheiden; wij zullen elkander welligt spoedig noodig hebben.

--Inderdaad, hoofdman, zei don Miguel, hoe denkt gij er over? zou het beter zijn dat wij ons in het kamp bij u voegden, of komt gij liever bij ons?

--Wij zullen hier komen.

--Haast u dan, want ik brand van verlangen om te weten, wat er gebeurd is sedert onze scheiding aan het veer del Rubio.

--De Vliegende-Arend is een goed payatzin--looper,--antwoordde het opperhoofd, maar hij heeft slechts de beenen van een mensch.

--Dat is waar; waarom kwaamt gij niet liever te paard?

--Wij hebben onze paarden in het kamp aan de groote rivier gelaten; een spoor laat zich beter volgen te voet.

--Dat is ligt te verhelpen. Met u hoevelen zijt gij?

--Met ons vieren.

--Hoe! vier? Er zijn er toch meer geweest, dunkt mij.

--Ja, maar de bleeke jager zal u wel vertellen, waarom twee onzer kameraden ons verlaten hebben.

--Goed, dan ga ik met u mede.

Don Leo gaf onmiddelijk bevel om vier paarden gereed te maken, droeg aan Vrij-Kogel de taak op om gedurende zijne afwezigheid voor het kamp te waken, zette zich toen in den zadel, welk voorbeeld terstond door den Sachem gevolgd werd, en beiden reden weg, de twee andere paarden bij den teugel aan, de hand met zich voerende.

De beide ruiters hadden naauwelijks twintig minuten noodig om den weg af te leggen, waarmede de Vliegende-Arend een vol uur had doorgebragt, uit hoofde der voorzorgen die hij had moeten nemen, om het onzekere spoor niet uit het oog te verliezen, dat hem even goed naar een troep vijanden als naar een troep vrienden had kunnen voeren.

Zij vonden don Mariano en Loer-Vogel met gevelde buksen, en in volle waakzaamheid op den uitkijk. Door het lang wegblijven van den Vliegenden-Arend, waren zij een poos geleden in slaap geraakt; maar het getrappel der paarden had hen weder doen ontwaken, en niet wetende wat het wezen kon, hielden zij zich gereed op zelfverdediging.

Bij hun ontwaken wachtte hen echter eene onaangename verrassing; in plaats van drie waren zij slechts met hun tweeën.

Domingo was verdwenen.

Zoodra zij nu don Miguel en den Indiaan hadden herkend, riep Loer-Vogel met drift:

--Stijgt af, stijgt af! caballeros, wij moeten allen op de jagt!

--Hoedat! op de jagt, en op dit uur? vroeg don Miguel; zijt gij gek, oude jager?

--Ik ben alles behalve gek, antwoordde de Canadees schielijk; maar ik zeg u nogmaals, stijg af en op de jagt! wij zijn verraden.

--Hoedat verraden! riep don Miguel, verwonderd opkijkende, en door wie, in 's hemels naam?

--Door Domingo! de schelm is gevlugt terwijl wij even sliepen. Ja, ik heb dat koperen gezigt niet zonder reden zoo vaak gewantrouwd.

--Domingo gevlugt? hij een verrader? Gij bedriegt u.

--Ik bedrieg mij niet. Wij moeten hem nazetten, zeg ik u; in naam van haar die gij gezworen hebt te redden, bezweer ik het u.

Meer was er niet noodig om den jongman uitzinnig te maken, hij sprong oogenblikkelijk van zijn paard, en greep zijn geweer.

--Wat moet er gedaan worden? vroeg hij.

--Laten wij het terrein tusschen ons vieren verdeelen, antwoordde de jager schielijk; gaan wij ieder een anderen kant uit, en moge God onze nasporingen bekroonen, wij hebben reeds te veel kostbaren tijd verloren.

Zonder verder een woord te wisselen, trokken de vier mannen langs vier verschillende wegen het bosch in.

Maar de duisternis was te sterk; onder het geboomte dat op den vollen dag naauwelijks de zonnestralen doorliet, kon men in zulk een donkeren nacht, daar de maan nog niet op was, geen twee passen ver om zich heen zien; zoo dus de Gambucino, in plaats van te vlugten, zich misschien zekerheidshalve hier of daar in den omtrek verscholen had, zouden de jagers hem waarschijnlijk onopgemerkt voorbijgaan. Hunne nasporingen werden lang genoeg voortgezet, daar de jagers begrepen van hoeveel belang het voor hen was om den vlugteling terug te vinden. In weerwil echter van hunne behendigheid, bleven al hunne pogingen vergeefs en zagen zij niets. Loer-Vogel, don Mariano en don Miguel waren reeds sinds eenige minuten terug en zaten weder bij hun haardvuur, tamelijk ontmoedigd elkander den ongunstigen uitslag van hun onderzoek mede te deelen, toen er op eens een schitterend licht in het bosch gezien en een geweerschot gehoord werd, bijna onmiddelijk, door een tweede gevolgd.

--Daar moeten wij op af, Loer-Vogel! De Vliegende-Arend heeft zeker den schelm in den val gekregen; nooit heeft een speurhond beter zijn wild nagezeten dan hij.

De drie mannen vlogen op en liepen andermaal het bosch in, in de rigting waar zij de schoten hadden hooren vallen. Terwijl zij er digter bij kwamen, voorzagen zij een hardnekkigen kamp; de bekende oorlogskreet der Comanchen, door den Vliegenden-Arend met donderende stem aangeheven, liet deswegens geen twijfel meer over. Eindelijk bereikten zij het tooneel van den strijd.

De Vliegende-Arend, met den voet op de borst van een man, die voor hem op den grond als een slang lag te kronkelen, om zich aan den benaauwenden druk te ontwringen, stond met den rug tegen een eikenstam geleund en verdedigde zich met zijn strijdbijl, als een woedende leeuw, tegen vijf of zes Indianen die hem tegelijk aanvielen.

De drie blanken grepen terstond hunne geweren bij de trompen en sloegen er met de kolven als beukhamers op in, onder gevaarlijk geschreeuw zich mengende in den hagchelijken kamp.

Het onmiddelijk gevolg dezer afleiding was beslissend. De roodhuiden zetten het terstond op een loopen en verstrooiden zich in alle rigtingen als een drom zwarte spoken.

--Zet hen na! zet hen na! brulde don Miguel voortijlende.

--Houd op! schreeuwde Loer-Vogel, hem bij den arm terughoudende; wie zou een wolk naloopen die de wind wegdrijft? Laat die ellendelingen vrij ontsnappen, wij zullen ze later wel vinden, daar sta ik u borg voor.

De jongman begreep nu dat op dit oogenblik eene vervolging in de duisternis, aan de Roodhuiden, die waarschijnlijk sterker in getal, en daarbij beter dan hij met de plaatselijke gesteldheid bekend waren, een ongelijk voordeel zou geven; hij bleef dus staan, met een zucht van teleurstelling.

De Sachem werd thans met zijne schoone verdediging geluk gewenscht. Hij ontving dit kompliment met zijne gewone nederigheid en kalmte.

--Ooah! antwoordde hij, die Apachen zijn lafhartige oude vrouwen; één krijgsman der Comanchen is genoeg om er zesmaal tien van te dooden, en nog twintig bovendien.

Intusschen was het geluk den dapperen Indiaan zoo wonderbaar gunstig geweest, dat hij er slechts met een paar onbeduidende schrammen was afgekomen, die hij ondanks al den aandrang zijner vrienden, niet anders wilde verplegen dan ze met een weinig koud water af te wasschen.

--Maar, riep Loer-Vogel op eens, terwijl hij bukte en naar den grond wees, wat hebben we daar? Ha ha! onze vlugteling, als ik het wel heb.

Werkelijk was het Domingo. De arme duivel lag met een gebroken dij; en daar hij wel begreep welk lot hij na het gepleegde verraad te wachten had--huilde hij van pijn, zonder verder een woord te willen antwoorden.

--Het zou een weldaad voor hem zijn, zei don Mariano, als wij dien ellendeling een kogel door den kop jaagden, om hem op eens uit zijn lijden te helpen.

--Niet al te voortvarend, opperde de onverbiddelijke jager, alles op zijn tijd; laat de Vliegende-Arend ons eerst uitleggen hoe hij aan hem gekomen is.

--Ja, dat is van het hoogste belang, stemde don Miguel hem toe.

--De Wacondah zelf heeft dien man in mijne handen geleverd, antwoordde het opperhoofd met nadruk. Ik had het bosch zoo zorgvuldig doorzocht als de duisternis mij toeliet; vermoeid door bijna twee uren van vergeefsche nasporingen, wilde ik reeds naar u terugkeeren, toen ik juist op een oogenblik dat ik er het minste op verdacht was, door meer dan tien Apachen werd aangevallen. Deze man hier was aan het hoofd der bende; hij schoot zijn eruhpa--geweer--op mij af, doch hij raakte mij gelukkig niet; ik beantwoordde hem op dezelfde wijze, en het gelukte mij beter, want hij viel; ik zette hem onmiddelijk den voet op de borst, uit vrees dat hij mij nog ontsnappen zou, en verdedigde mij zoo goed ik kon tegen mijne vijanden, om u gelegenheid te geven mij te hulp te komen. Zoo is het gebeurd. Ik heb gezegd.

--Bij den hemel! dat moet gezegd worden, riep de jager vol geestdrift uit, gij zijt een dapper krijgsman! wat gij gedaan hebt is schoon! Die ellendeling heeft zich zeker, nadat hij ons verlaten had, met een troep van die wilde roofvogels vereenigd en kwam zonder twijfel terug met oogmerk om ons te overvallen terwijl wij sliepen.

--Het zij zoo 't wil, zeide don Mariano, hij is nu weder terug gevonden, en alles is goed afgeloopen.

De gewonde deed eene hopelooze poging om zich op te rigten, en, zooveel mogelijk op zijne regterhand geleund, riep hij met een akeligen grijns:

--Ja, ja, ik weet dat ik sterven zal; maar ik zal niet ongewroken blijven.

--Wat zegt gij daar, ellendige? riep don Mariano.

--Ik zeg dat uw broeder alles weet, oude heer, en dat hij uwe plannen zal weten te verijdelen.

--Monster! wat heb ik u gedaan, dat gij mij aldus behandelt.

--Gij hebt mij niets gedaan, antwoordde Domingo met een duivelschen lach; maar die kerel daar! volgde hij, naar don Miguel wijzende, hem haat ik sedert lang.

--Welaan, sterf dan, booswicht! riep de jongman woedend, terwijl hij hem de kille tromp van zijn buks op het voorhoofd zette.

De Vliegende-Arend keerde het wapen af.

--Die man behoort mij, broeder, zeide hij.

Don Miguel trok langzaam zijne buks terug en zich thans tot den Sachem wendende, zeide hij:

--Dat stem ik u toe, maar op voorwaarde dat hij sterven zal.

Een sombere, onheilspellende glimlach deed de dunne lippen van den Indiaan een oogenblik trillen.

--Ja, was zijn antwoord, maar hij sterve den dood van een Apache.

Daarop, zonder verder een woord te spreken, ontspande hij den boog die naast zijn pantervellen pijlkoker over zijn schouder hing, sloeg het koord om den schedel van den Gambucino, stak er een pijl door en draaide het stevig digt: hem toen de knie tusschen de schouders zettende, greep hij zijn hoofdhaar met de regterhand, trok het hem met huid en al af, en skalpeerde hem dus op de meest folterende wijze die men zich verbeelden kan, daar hij, in plaats van eerst met zijn mes eene insnijding te maken, de huid letterlijk met het koord afschilde. De bandiet, met zijn bloedigen schedel, en misvormde gelaatstrekken, vouwde de handen stuipachtig zamen en brulde met eene onbeschrijfelijke stem:

--Dood mij! O, uit medelijden, dood mij!

De Comanch boog zich met een woest gezicht over den bandiet.

--Men doodt geen schurken, mompelde hij; en hem bij de keel grijpende, stak hij hem zijn jagtmes tusschen de tanden, brak hem den mond open en rukte er de tong uit, die hij met afschuw weg wierp..

--Sterf als een hond, zeide hij ten slotte; uw leugensprekende tong zal niemand meer verraden.

Domingo stiet zulk een vreeselijken folterkreet uit, dat al de omstanders er van sidderden, en tuimelde toen bewusteloos op den grond [16].

De Vliegende-Arend schopte den zieltogenden bandiet verachtelijk met den voet en wendde zich naar zijne kameraden:

--Laten wij vertrekken, zeide hij.

De anderen volgden hem stilzwijgend, geheel ter neergeslagen en overstelpt van afgrijzen, door het barbaarsch tooneel, waarvan zij getuigen waren geweest en waarbij zij den Indiaan in al zijne woestheid gezien hadden.

Een uur later kwamen zij bij Vrij-Kogel in het kamp terug.

Met het opgaan der zon trad de Vliegende-Arend naar Loer-Vogel en drukte hem zacht met de hand op den schouder.

--Wat wilt gij? vroeg de jager ontwakende.

--De Sachem gaat de Wilde-Roos te gemoet, antwoordde de Indiaan kortaf.

En hij ging terstond heen.

--Er is toch iets zonderlings in die ruwe natuurmenschen, mompelde de jager, terwijl hij hem naoogde.

XXXI.

DE TLACATEOTZIN [17].

Twee uren na zonsopgang, kwam de Vliegende-Arend in het kamp terug, vergezeld van de Wilde-Roos.

Er werd onmiddelijk raad belegd, om het nieuws te vernemen.

De jonge Indiaansche had niet veel te vertellen. Alles kwam op het volgende neder:

De twee Mexicaansche dames bevonden zich nog in de stad. Addick was afwezig, maar werd met ieder oogenblik terug verwacht.

Dit nieuws, hoe kort het ook wezen mogt, was echter gunstig; want ofschoon de bijzonderheden ontbraken, wisten de jagers nu toch dat hunne vijanden nog geen tijd hadden gehad om tot een besluit te komen. Het kwam er dus op aan om hen voor te zijn, en de jonge meisjes op te ligten, eer de Indianen in staat waren, er zich tegen te verzetten.

Maar, om de jonge meisjes op te ligten en weg te voeren, zou men de stad moeten binnendringen, daar lag het grootste bezwaar!

Een bezwaar, dat voorshands onoverkomelijk scheen.

In deze moeijelijke omstandigheid wendde zich aller oog naar den Vliegenden-Arend. Het opperhoofd glimlachte.

Aan de angstige uitdrukking die op aller gelaat te lezen was, kon de Indiaan ligtelijk gissen wat men van hem verwachtte.

Het uur is gekomen, zeide hij; mijn blanke broeders eischen van mij de grootste opoffering die men van een Sachem zou kunnen vorderen, namelijk dat hij hun de poorten zal openen van een der laatste bolwerken der Indiaansche Zonnedienst, het voornaamste heiligdom waar de wet van Ilhuicamitl [18] den grootsten, den magtigsten, en den ongelukkigsten van al de vorsten, die immer het land van Hanahuca [19] beheerschten, nog ongeschonden bewaard wordt. Evenwel, om mijne bleeke broeders te bewijzen, hoe eerlijk en trouw het roode bloed in mijne aderen vloeit, en hoe zuiver en onbewolkt mijn hart is, zal ik voor hen doen wat ik hun beloofd heb.

Op deze verzekering van den Vliegenden-Arend, wiens plegtig gegeven woord niet kon worden in twijfel getrokken, helderde aller aangezigt op.

Het opperhoofd vervolgde:

--De Vliegende-Arend heeft geen dubbele tong: wat hij zegt doet hij; hij zal den grooten jager der blanken in Quiepa-Tani binnenleiden, onder eene voorwaarde echter, namelijk: mijne broeders moeten vergeten dat zij krijgslieden en dapperen zijn; de list alleen kan hen doen triomferen. Heeft de groote jager der bleekgezigten de woorden van het opperhoofd begrepen? Is hij bereid zich op diens beleid en ondervinding te verlaten?

--Ik zal alleen handelen op uwe aanwijzing, hoofdman, antwoordde Loer-Vogel, die wel begreep dat de Comanch hem bedoeld had; ik beloof u dat ik mij geheel door u zal laten leiden.

--Ooah! hervatte de Indiaan glimlagchend, dan is alles in orde; over twee uren is mijn broeder in Quiepa-Tani.

--God geve dat het zoo zijn mag, en dat mijn kind gered worde! mompelde don Mariano.

--Ik ben sinds lang gewoon om de Indianen met list te bestrijden, antwoordde de jager; tot hiertoe heb ik mij, Gode zij dank, altoos wel genoeg in mijne ontmoetingen met hen weten te redden; ook ditmaal hoop ik goed te zullen slagen.

--Wij zullen ons gereed houden, om u te hulp te komen zoo het noodig mogt zijn, zeide don Miguel.

--Draag vooral zorg dat uw spoor verborgen blijve; gij weet dat de verrader Domingo uwe vijanden reeds heeft wakker gemaakt.

--Laat dat gerust aan mij over, Loer-Vogel, zeide Vrij-Kogel; ik weet wat het zegt met de Indianen schuilevinkje te spelen; het is niet voor de eerste maal dat mij zoo iets overkomt, en ik herinner mij wel dat ik in het jaar 1845, toen ik nog....

--Dat weet ik, dat weet ik, viel de Canadees hem in de rede, gij zijt de man niet om u te laten overrompelen, vriend, en dat is voor mij genoeg; alleenlijk wees op uwe hoede en zorg dat gij op het eerste signaal gereed zijt.

--En welk signaal zal dat zijn? vroeg de jager; want wij moeten goed afspreken, om ieder noodlottig misverstand voor te komen, dat in de tegenwoordige omstandigheden ernstige en treurige gevolgen zou kunnen na zich slepen.

--Gij hebt gelijk; zoodra gij dus het geschreeuw van den watersperwer driemaal, met gelijkmatige tusschenpoozen zult hooren herhalen, moet gij terstond krachtdadig te hulp schieten.

--Begrepen, antwoordde Vrij-Kogel, gij kunt op ons rekenen.

--Ik ben gereed, zei Loer-Vogel tegen het opperhoofd; wat heb ik nu te doen?

--Vooreerst moet gij u kleeden, antwoordde de Vliegende-Arend.

--Hoe dat! mij kleeden? riep de jager met een blik van verwondering op zijn eigen persoon.

--Ooah! denkt mijn broeder dan dat hij Quiepa-Tani kan binnentreden in het gewaad van een blanke?

--Gij hebt gelijk; vermomd als een Indiaan is volstrekt noodig; wacht maar even.

De gedaanteverwisseling kostte niet veel tijd.

De Wilde-Roos had zich intusschen uit zedigheid in een floripondio-boschje teruggetrokken, om den jager niet te storen in het maken van zijn nieuw toilet.

Binnen weinige minuten had Loer-Vogel met een scheermes zich knevels en baard afgeschoren. Inmiddels was de Indiaan zekere kruiden gaan verzamelen, die overvloedig in het bosch groeiden. Na er het sap uitgeperst te hebben, hielp de Vliegende-Arend den Canadees, die zich geheel had ontkleed, zijn ligchaam en vooral zijn aangezigt te verwen; vervolgens schilderde hij hem zoo goed mogelijk een ayotl of gewijden schildpad op de borst, verzeld van eenige symbolische figuren, die niets oorlogszuchtigs hadden, en welke hij tevens op zijn aangezigt herhaalde. Toen kleurde hij de haren van den jager, die nog bijna geheel zwart waren, met een wit poeder, om hem een hoog bejaard voorkomen te geven, daar men weet dat de Roodhuiden niet vroeg grijs worden; hij bond die in een bos achter op het hoofd zamen, op de manier der Yumas, de meest rondzwervende Roodhuiden die men kent, en om hem des te meer het uitzigt van een vreedzaam man te geven, stak hij er aan den linker kant een papagallo-veêr in, in plaats van midden op de kuif, zoo als de krijgslieden gewoonlijk doen.

Deze toebereidselen eindelijk afgeloopen zijnde, vroeg de Vliegende-Arend aan de Europeanen, die met gespannen nieuwsgierigheid de verschillende trappen der gedaanteverwisseling hadden nagegaan, hoe zij vonden dat hun kameraad er thans uitzag.

--Op mijn woord, riep Vrij-Kogel naïef, als ik deze herschepping niet met eigen oogen had bijgewoond, zou ik hem niet meer herkennen; en om u de waarheid te zeggen, herinner ik mij een dergelijk zeer zonderling geval, dat mij gebeurde in het jaar 1836. Verbeeld u....

--En wat zegt gij er van? hervatte de Indiaan, terwijl hij den Canadees onbarmhartig het woord ontnam en zich tot don Miguel wendde.

Deze kon zijn lach naauwelijks bedwingen toen hij den jager aankeek.

--Mijn hemel! riep hij, ik vind hem afschuwelijk; hij gelijkt zoo volmaakt op een leelijken Roodhuid, dat hij gerust den togt wagen kan.

--Ooah! de Indianen zijn zoo geslepen, mompelde het opperhoofd; maar evenwel, op deze wijze vermomd, geloof ik dat mijn broeder, als hij zich in den geest van den persoon dien hij voorstelt maar goed weet te verplaatsen, van dien kant niets te vreezen heeft.

--Ik verlang niets beter; alleen moet ik u aanmerken, hoofdman, dat ik nog niet weet welke persoon gij wilt dat ik zal voorstellen.

--Mijn broeder zal een tlacateotzin zijn, een groote Yumeesche doctor.

--Weergaasch! dat is een kapitaal idee: in die rol kan ik overal toegang krijgen.

De Comanch begon te lagchen en boog toestemmend.

--Ik zou al zeer onhandig moeten zijn, als ik niet slaag, vervolgde de jager; maar terwijl ik een dokter ben, moet ik niet vergeten geneesmiddelen mede te nemen.

Loer-Vogel grabbelde thans in zijn weitasch, en haalde er alles uit wat hem zou kunnen verraden, er niets anders in latende dan zijn reisfoudraal en een kleine doos met medicijnen, die hij steeds bij zich droeg, en van welke onschatbare bagaadje hij bij menige gelegenheid goede dienst had gehad. Daarop maakte hij zijn knapzak weder digt, slingerde hem over zijn rug en wendde zich tot het opperhoofd.

--Ik ben gereed, zeide hij.

--Goed; de Wilde-Roos en ik zullen vooruitgaan, om u den toegang gemakkelijk te maken.

De Tlacateotzin boog toestemmend.

De Indiaan riep zijne vrouw; beiden namen afscheid van de avonturiers en verwijderden zich.

Zoodra het opperhoofd verdwenen was zeide ook Loer-Vogel zijne vrienden vaarwel. Het was welligt voor het laatst dat hij hen zag. Wie toch kon het lot vooruitzien dat hem verbeidde, te midden der woeste Indianen, aan wier handen hij zich zonder verdediging ging toevertrouwen?

--Ik zal met u gaan tot aan den rand van het bosch, zeide don Miguel, om te zien welke maatregelen ik zal moeten nemen om u op het eerste sein te hulp te snellen.

--Kom, antwoordde de jager kortaf.

Zij gingen heen, gevolgd door de goede wenschen van al hunne kameraden, die Loer-Vogel niet zonder leedwezen en met een onuitsprekelijk gevoel van angst en bezorgdheid zagen vertrekken.

De beide mannen stapten nevens elkander voort, zonder een woord te wisselen; de Canadees was in diepe gepeinzen verzonken; don Miguel zelf scheen ten prooi aan eene ontroering die hij niet kon onderdrukken. Zoo kwamen zij tot aan de laatste boomen van het woud.

De jager bleef staan.

--Hier moeten wij elkander verlaten, zeide hij.

--Dat is waar, murmelde de jongman, terwijl hij treurig rondkeek; verder sprak hij niet.

De Canadees wachtte een oogenblik, en toen hij zag dat don Miguel bleef zwijgen, zei de hij:

--Hebt gij mij niets te zeggen?

--Waarom vraagt gij mij dat? antwoordde de jongman met eene onwillekeurige huivering.

--Omdat ik niet geloof, dat gij enkel om mij nog een poos langer gezelschap te houden zijt mede gegaan, don Leo; gij moet mij zeker iets te zeggen hebben.

--Ja, 't is waar, zeide hij met blijkbare inspanning, uw vermoeden is juist; ik heb u nog iets te zeggen; maar ik weet niet hoe het komt, 't is alsof mij de keel wordt toegenepen, ik kan geene woorden vinden om uit te spreken wat ik gevoel. O, als ik uwe ondervinding en uwe kennis van de taal der Indianen had, Loer-Vogel, ik verzeker u, niemand anders zou naar Quiepa-Tani gegaan zijn dan ik.

--Ja, dat begrijpt zich, dat kan niet anders zijn, prevelde de jager, meer in zich zelven, dan in antwoord op hetgeen zijn vriend gezegd had; en waarom zou het ook anders zijn? vervolgde hij; de liefde is de zonneglans der jeugd, alles bemint in deze wereld; waarom zouden twee schoone, welgemaakte jonge menschen, de eenige schepsels op aarde zijn, die voor elkander ongevoelig en zonder liefde bleven?

--Wat wilt gij dat ik haar voor u zeg? liet hij er driftig op volgen.

--O! riep de jongman. Weet gij dan dat ik haar bemin? Dit geheim, dat ik naauwelijks voor mij zelven durfde bekennen, is dus in uwe hand!

--Heb daarom maar geen vrees, goede vriend, dat geheim is even veilig in mijn hart als in het uwe.

--Helaas, vriend, de woorden die ik haar te zeggen heb, zou ik alleen kunnen uitspreken, wanneer ik hoop had dat zij hare ooren konden bereiken. Zeg haar liever niets van mij, dat zal beter zijn; verzeker haar slechts, wat gij weet, dat ik hier ben om voor haar behoud te waken en dat ik mijn leven veil heb, haar in de armen haars vaders terug te voeren.

--Dat alles zal ik haar zeggen, mijn vriend.