De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis

Part 25

Chapter 253,994 wordsPublic domain

--Omdat ik mijn broeder heb willen doen gevoelen, dat de eene vriend niets voor den anderen verborgen mag houden, vooral niet, wanneer die vriend sinds jaren lang beproefd en getrouw bevonden is, en als men weet dat men op hem zoo goed als op zich zelven zou kunnen rekenen.

De jager begon even te lagchen, maar herstelde zich dadelijk:

--Ik dank u voor de les die gij mij geeft, hoofdman, zeide hij, hem hartelijk de hand toestekende; ik heb die verdiend, door mijn gebrek aan vertrouwen; de dienst die ik van u verwacht is zoo gewigtig, dat ik van dag tot dag verschoven heb er u om te verzoeken, en ondanks mij zelven bekennen moet, dat ik er waarschijnlijk niet voor het laatste oogenblik toe zou besloten hebben.

--Ik weet het, antwoordde de Comanch op een toon van goedwilligheid, die Loer-Vogel geheel geruststelde.

--Intusschen, hervatte de jager, hoezeer gij mij verzekert mijne plannen te kennen, zal het toch beter zijn dat ik u met eenige bijzonderheden bekend maak, die gij waarschijnlijk niet weet.

--Ik herhaal mijn bleeken broeder, dat ik alles weet; de Vliegende-Arend is een der eerste Sachems van zijn stam, hij heeft een fijn oor en een doordringend oog: het is nu bijna twee manen reeds dat hij den grooten jager der blanken ter zijde staat; gedurende dat tijdsverloop zijn er vele dingen gebeurd, en vele woorden in zijne tegenwoordigheid gesproken; het opperhoofd heeft alles gehoord en gezien, en alles staat hem zoo klaar voor den geest, als waren deze dingen in een van die colliers--boeken--geschreven, die de blanken zoo goed weten te maken, en die ik wel eens in handen van de hoofden des gebeds heb gezien.

--Hoe scherp ook uw doorzigt wezen mag, hoofdman, hervatte de jager met nadruk, kan ik mij toch moeijelijk voorstellen dat gij zoo juist van mijne ontwerpen zijt ingelicht als gij misschien denkt.

--Niet alzoo. Ik ken niet alleen de ontwerpen mijns broeders, maar ik weet welke dienst hij van mij verwacht.

--Te weerga! hoofdman, meesmuilde de jager, dan zal het mij aangenaam zijn dit uit uw eigen mond te vernemen; niet dat ik een oogenblik aan uw doorzigt twijfel, want de Roodhuiden zijn wegens hunne scherpzinnigheid beroemd, maar dit komt mij zoo buitengewoon voor, dat ik er gaarne de bijzonderheden van zou willen hooren, al was het slechts om er mij persoonlijk van te overtuigen en tevens ieder die ons hier aanhoort te bewijzen, hoezeer wij, blanken, ons vergissen, door ons te verbeelden dat wij u in schranderheid overtreffen, terwijl wij integendeel ver bij u ten achter zijn.

--Hm! mompelde Domingo, wat gij daar zegt is wel een beetje kras, oude jager; het is maar al te bekend dat de Indianen lompe beesten zijn.

--Dat ben ik niet met u eens, merkte don Mariano hierop aan; ofschoon ik de Roodhuiden slechts weinig ken en voor de laatste maand nooit met hen in aanraking ben geweest, heb ik hen sedert mijne komst in deze streek zulke verbazende dingen zien volbrengen, dat het mij geenszins verwonderen zou of de hoofdman is, zoo als hij verzekert, volkomen met uwe plannen bekend.

--Dat geloof ik ook, hernam de jager. Maar hoe dit wezen mag, wij zullen het weldra zien. Spreek op, hoofdman, laten wij zoo spoedig mogelijk hooren wat er is van dat doorzigt waarop gij u zoozeer durft beroemen.

--De Vliegende-Arend is geen pochhans of klapachtige oude vrouw, dat hij zich zou willen beroemen op iets dat hij niet bezit, hij is een Sachem die zijne woorden en daden wel overweegt; hij vermeet zich niet verstandiger te willen zijn dan zijne broeders de bleekgezigten; alleen de ervaring die hij heeft opgedaan is zijne wijsheid en helpt hem verklaren wat hij ziet of hoort.

--Het is genoeg, hoofdman, ik weet dat gij een dapper en beroemd krijgsman zijt; onze ooren staan geheel open, wij zijn gereed u aan te hooren met al de aandacht die gij verdient.

--Welnu, luister dan: Mijn broeder de groote jager der blanken wil zich naar Quiepa-Tani begeven, waar twee jonge blanke vrouwen zijn heen gevlugt, een van welke de dochter is van het opperhoofd met den grijzen baard; die twee jonge vrouwen werden gesteld onder opzigt van een hoofdman der Apachen met name Addick; mijn broeder de jager verlangt zoo spoedig mogelijk naar Quiepa-Tani te komen, daar hij vreest door het opperhoofd der Apachen verraden te zijn, en niet zonder reden vermoedt dat deze zich met een ander man verbonden heeft--denzelfden die onlangs door de bleekgezigten gevonnist werd--en nu met hem de twee vrouwen wil opligten en uit den weg ruimen. Ik heb gezegd. Heb ik de plannen van mijn broeder goed begrepen? of heb ik mij hierin bedrogen?

De toehoorders staarden elkander verbaasd aan; de Vliegende-Arend genoot eenige oogenblikken zijn triomf, maar begon weldra op nieuw:

--Thans zal ik u zeggen welke dienst de jager van zijn broeder den Sachem der Comanchen verlangt.

--Bij God! hoofdman, riep Loer-Vogel, ik moet bekennen dat alles wat gij gezegd hebt waarheid is! Maar hoe zijt gij dat te weten gekomen? Ik begrijp het niet, ofschoon er, strikt genomen, over die zaken genoeg in uw bijzijn gesproken is om er eindelijk iets van te kunnen raden; maar wat de dienst aangaat die ik van u verlang, zoo gij mij dat kunt zeggen, dan beschouw ik u waarachtig als den grootsten...

--Dat mijn broeder zich niet te ver uitlate, viel het opperhoofd hem glimlagchend in de rede, alsof hij mij voor een ingewijde hield in de groote geneeskunst--een toovenaar.--

--Hm! mompelde de jager ernstig, ik zou niet durven zweeren dat er niets van aan was.

--Ooah! dat mijn broeder oordeele. Geen der bleekgezigten was het tot hiertoe vergund om Quiepa-Tani binnen te treden; intusschen verlangt mijn broeder er tot iederen prijs binnen te dringen, ten einde zekere narigten te erlangen aangaande de twee jonge blanke meisjes. Ongelukkigerwijs echter ziet mijn broeder geen kans om zijn plan ten uitvoer te brengen, noch hoe hij het aan zal leggen om de jonge maagden te redden, wanneer zij in gevaar verkeerden. Ziedaar de reden die hem aan den Vliegenden-Arend deed denken. Hij overwoog bij zich zelven dat zijn roode broeder een Sachem was, dat hij zeker te Quiepa-Tani vrienden of bloedverwanten moest hebben, en dat de poort der Tzinco--stad,--wier toegang hem als blanke ontzegd is, dit niet zijn zou voor een Sachem der Comanchen, en dat dus de narigten die hij zelf niet zou kunnen inwinnen, gemakkelijk konden verkregen worden door tusschenkomst van zijn broeder den Vliegenden-Arend.

--Ja; juist zoo heb ik gedacht, hoofdman; waarom zou ik het u nog verbergen? Heb ik mij in u bedrogen? Zoudt gij dat niet voor mij willen doen?

--Ik zal meer doen, en beter dan dat, antwoordde de Indiaan; dat mijn broeder slechts luistere. De Wilde-Roos is eene vrouw, niemand zal acht op haar geven; zij zal de Tzinco ongemerkt binnenkomen en, veel beter dan ik, in staat zijn om de noodige bijzonderheden te vernemen die mijn broeder verlangt; wanneer later het oogenblik van handelen komt, zal het opperhoofd den jager helpen.

--Gij hebt waarachtig gelijk, hoofdman, uw plan is beter dan het mijne; het is in allen opzigte verkieslijker dat de Wilde-Roos op verkenning uitgaat, eene vrouw kan geen argwaan verwekken en, wat meer zegt, zij zal ons de beste berigten brengen. Gaan wij dus dadelijk op marsch, zoodra wij het bosch door zijn, komen wij aan de stad.

De Vliegende-Arend schudde het hoofd en hield den jager bij den arm terug, daar hij reeds was opgestaan om zich voor den afmarsch gereed te maken.

--Mijn broeder is te driftig, zeide hij; dat hij mij vergunne, hem nog een paar woorden te zeggen.

--Laat hooren!

--De Wilde-Roos moet vooruit gaan, en mijn broeder zal des te eer berigt ontvangen.

Don Mariano stond op, en drukte den Comanch met warmte de hand.

--Ik zeg u dank voor het gelukkige plan dat gij voor ons hebt uitgedacht, hoofdman, zeide hij, gij bezit fijn overleg en kieschheid, uw hart is edel, gij begrijpt wat het zegt vadersmart te gevoelen; ik zeg u nogmaals dank. De Indiaan wendde zich af om de ligte sporen van aandoening te verbergen, die onwillekeurig op zijn gelaat zigtbaar werden, want in zijne schatting was het beneden de waardigheid van een opperhoofd om, onder welke omstandigheden ook, zijne kalmte te verliezen.

--Inderdaad, hervatte Loer-Vogel, wat de Sachem voorstelt, zal ons een kostbaren tijd doen uitwinnen; zijn idee is uitmuntend.

De Vliegende-Arend gaf de Wilde-Roos een gebiedenden wenk om te naderen.

De jonge vrouw gehoorzaamde.

Nu verklaarde haar de Sachem in zijne eigene taal wat zij te doen had, terwijl zij bedeesd voor hem stonden hem met bevallige gedweeheid aanhoorde.

Toen hij haar zijne bestellingen tot in de kleinste bijzonderheden had medegedeeld en zij in allen deele van hare taak doordrongen was, wendde zij zich met zekere natuurlijke gratie naar don Mariano en Loer-Vogel, en zeide hun met een zoeten lach en eene welluidende stem:

--De Wilde-Roos zal het weten.

Deze weinige woorden vervulden het hart van den treurenden vader met vreugde en hoop.

--Wees gezegend, jonge vrouw, zeide hij, wees gezegend! om de weldaad die gij mij op dit oogenblik bewijst, en om die welke gij voornemens zijt mij te bewijzen.

Het afscheid tusschen man en vrouw was zoo als het van Indianen te verwachten was, namelijk ernstig en koel; hoe veel liefde de Vliegende-Arend zijne wederhelft ook toedroeg, zou hij zich toch in het bijzijn van vreemden, en vooral van blanken, geschaamd hebben, om er zelfs het minste van te laten blijken.

Na eene buiging voor don Mariano en Loer-Vogel, als laatste teeken van afscheid, verwijderde de Wilde-Roos zich snel, met dien elastieken en verheven tred, die den Indianen eigen is en hen tot de beste wandelaars van de wereld maakt. Wat den Sachem betreft, hoe groot zijne stoïcynsche koelheid ook wezen mogt, volgde hij zijne jeugdige vrouw met de oogen, tot zij eindelijk tusschen het geboomte verdween.

Daar de avonturiers thans zooveel haast niet meer behoefden te maken, lieten zij de grootste hitte van den dag eerst voorbijgaan, en begaven zij zich niet op weg voordat de zon reeds ver in het westen was gedaald, en als een vuurroode bal gloeide in den opkomenden avondnevel, gereed om aan den uitersten gezigteinder weg te zinken. Hun togt ging langzaam genoeg, door de tallooze bezwaren die zij te overwinnen hadden, om zich in het digte kreupelbosch en de warrige slingergewassen een pad te banen, daar zij er zich soms met de bijl in de hand stap voor stap doorheen moesten werken.

Eindelijk, na een togt van vier dagen en ongehoorde vermoeijenissen, zagen zij het geboomte voor hen uit ijler worden, de grond was nu minder met laag hout bezet, en tusschen het hoog geboomte bespeurden zij van tijd tot tijd een lagen en geheel open horizont.

Ofschoon de avonturiers zich in een zoogenaamd ongerept natuurbosch bevonden, en dus naar alle waarschijnlijkheid op hun togt geen sterveling zouden ontmoeten, verzuimden zij toch geen enkele voorzorg en trokken zij met de grootste omzigtigheid voort, de Indiaansche linie in acht nemende, met de hand aan het slot van hunne buks, en met open oog en oor; want zoo digt in de nabijheid der heilige Indiaansche steden, waren zij, vooral na de heftige schermutseling van eenige dagen vroeger, niet zonder reden beducht dat er spionnen in het rond zouden loeren om op hunne bewegingen te letten.

Tegen den avond van den vierden dag, op het oogenblik toen zij zich gereed maakten om voor den nacht te kamperen, op een vrij ruim open veld aan den oever van eene beek zonder naam, zooals men er ontelbaar veel in deze bosschen ontmoet, hield Loer-Vogel, die de voorste was, eensklaps stil en ging plat op den bodem liggen, onder allerlei teekenen van onrust en verbazing.

--Wat is er, vroeg don Mariano oogenblikkelijk.

De jager antwoordde niet, maar wendde zich tot den Indiaan en zeide hem met zekere ongerustheid:

--Zie gij zelf eens, hoofdman, hier is iets dat mij onbegrijpelijk voorkomt.

De Vliegende-Arend bukte op zijne beurt digt bij den grond, en beschouwde vrij lang en met aandacht de sporen die den ouden jager zooveel belang inboezemden.

Eindelijk stond hij weder op.

--Wel? vroeg hem Loer-Vogel.

--Hier moet een troep ruiters gepasseerd zijn, nog op dezen dag, was zijn antwoord.

--Ja, prevelde de jager; maar wat zijn dat voor ruiters? waar komen zij van daan? Dat zou ik gaarne weten.

De Indiaan hervatte zijn onderzoek, met nog meer naauwkeurigheid dan te voren.

--Het zijn bleekgezigten, zeide hij.

--Wat! bleekgezigten! riep de jager, terwijl hij zijne stem voorzigtigheidshalve merkelijk liet dalen, dat is onmogelijk; bedenk waar we zijn; geen blanke, behalve ik, is tot hiertoe in deze streek doorgedrongen.

--Het zijn bleekgezigten, herhaalde de Vliegende-Arend. Zie slechts: hier heeft er een stil gehouden. Hij is van zijn paard afgestegen; kijk maar, daar is het spoor van zijne stappen, hier heeft zijn voet het gras gekneusd, en hier heeft een der spijkers van zijn schoen een zwarte kras op dezen steen achtergelaten.

--Het is waar, mompelde Loer-Vogel, de Indianen dragen geen schoenen met spijkers, hunne mocksens laten zulke indrukken niet achter. Maar wie kunnen deze mannen zijn? Hoe kwamen ze hier? Welke rigting zijn zij gevolgd om herwaarts te komen?

Terwijl de jager zich deze reeks van vragen voorstelde en te vergeefs naar de oplossing zocht van iets dat hem onverklaarbaar scheen, was de Vliegende-Arend eenige stappen verder gegaan, om de voetsporen te volgen die hier en daar in het gras zigtbaar waren.

--Wel, hoofdman? vroeg de jager toen hij hem zag terugkomen, hebt gij iets gevonden dat ons nader op weg kan helpen?

--Ooah! riep de Indiaan hoofdschuddend, het spoor is nog versch, de ruiters kunnen niet veraf zijn.

--Weet gij dit zeker, hoofdman? Bedenk van hoeveel belang het voor ons is te weten welke lieden wij in onze nabuurschap hebben.

De Comanch zweeg een poos en verdiepte zich blijkbaar in ernstige beschouwingen; toen het hoofd schielijk opheffende, zeide hij:

--De Vliegende-Arend zal zijn broeder trachten te voldoen. Laat de bleekgezigten hier blijven tot hij terugkomt; de hoofdman zal het ontdekte spoor volgen, weldra zal hij den jager weten te zeggen of die mannen vrienden of vijanden zijn.

--Sakkerloot! ik ga met u, hoofdman, riep Loer-Vogel met drift; men moet nooit kunnen zeggen dat wij om ons zelven te dienen, u aan ernstig gevaar hebben blootgesteld, zonder u een vriend mede te geven die u in geval van nood had kunnen bijstaan.

--Neen, zeide de Indiaan, mijn broeder moet hier blijven, één krijgsman is genoeg.

De jager wist wel, dat wanneer het opperhoofd eenmaal iets besloten had, men hem niet van zijn plan kon afbrengen; hij drong er dus niet verder op aan.

--Ga dan, zeide hij, en handel naar welgevallen; ik weet dat hetgeen gij doet wel gedaan zal zijn.

De Comanch wierp zijn geweer over schouder, ging op knieën en ellebogen liggen en kroop als een slang de struiken in, waar hij weldra verdween.

--En wij nu, vroeg don Mariano, wat moeten wij doen?

--Wachten tot de Sachem terugkomt, zeide Loer-Vogel, en intusschen ons avondmaal gereed maken, waarnaar gij, dunkt mij, even als ik, wel zeer verlangen zult.

De avonturiers kampeerden zich zoo goed of zoo kwaad zij konden op het kleine, maar welgelegen grasperk, en maakten, zoo als de jager gezegd had, hun souper klaar, tegen dat de veldontdekker terug zoude zijn, die intusschen veel langer wegbleef dan zij verwacht hadden, want de nacht was reeds een geruime poos gedaald en nog was hij niet terug.

XXX.

HET TWEEDE DETACHEMENT.

Gelijk wij in ons vorige hoofdstuk gezien hebben, was de Vliegende-Arend er op uitgegaan, om het spoor der ruiters te volgen dat Loer-Vogel het eerst ontdekt had.

De Indiaan was inderdaad een der geslepenste spoorzoekers van zijn stam; want ofschoon de nacht hem snel overviel en weldra belette om de indruksels te herkennen, die hem in zijn onderzoek moesten leiden, vervolgde hij desniettemin zijn pad even zeker en gerust als bevond hij zich op een der groote wegen, die gedurende de Spaansche heerschappij werden aangelegd, en welker overblijfsels nog hier en daar in de nabijheid der groote Spaansch-Amerikaansche steden te zien zijn.

Ongeveer tien minuten nadat hij zijne kameraden verlaten had, was het opperhoofd weder opgestaan, zonder, zoo het scheen, verder acht te geven op de sporen in het gras, en had hij zijn weg vervolgd, zich vergenoegende met nu en dan een blik te werpen op de heesters en struiken in het rond.

Zoo stapte de Vliegende-Arend ruim een uur lang voort, zonder te aarzelen of te verpoozen, tot hij eindelijk aan een plek kwam, waar het geboomte dunner werd en een ruimen doortogt vormde; blijkbaar kruisten zich hier een aantal sporen van wilde beesten.

Het opperhoofd bleef een oogenblik staan. Hij wierp een scherp toezienden blik in het rond, greep naar zijn buks, die tot dusver achteloos op zijn rug had gehangen, keek naar het percussieslot en zich nu een weinig voorover buigende, zoodat zijn schouder met de koppen van het hooge gras gelijk kwam, stapte hij langzaam en voorzigtig naar een digt kreupelboschje, welks takken hij zacht uiteenboog en waarin hij weldra verdween.

Zoodra hij zich in dit warbosch van takken en struiken geheel verborgen zag, ging de Canadees op de eene knie liggen, opende langzamerhand het digte bladgordijn dat hem het uitzigt belette, en keek rond. Op eens, als werd hij door een electrieken schok opgeschrikt, rees hij overeind, bragt zijn geweer in rust, dat hij weder achter zich hing, en verliet ijlings met een glimlach om de lippen het kreupelhout.

Wat had hij ontdekt?

In het midden van een ruim grasveld, door drie of vier houtvuren verlicht, was een twintigtal mannen gekampeerd, die schilderachtig rondom hunne vuren zaten en met ijver bezig waren om hun avondmaal te bereiden, terwijl hunne paarden half onttuigd en gekluisterd, hunnen voorraad erwten verorberden of hier en daar aan de jonge struiken knabbelden.

De Vliegende-Arend had de ruiters bij den eersten oogopslag herkend. Het waren don Leo de Torrès, Vrij-Kogel en de Gambucinos, sedert veertien dagen op weg om don Estevan te zoeken. De Indiaan naderde het vuur, waar don Leo en de jager zich bevonden, en bleef voor hen staan.

--Dat de Wacondah mijne broeders bescherme, zeide hij met een statigen groet; een vriend komt hen bezoeken.

--Hij zij ons welkom, antwoordde don Miguel beleefd, hem de hand toestekende.

--Ja gewis, voegde Vrij-Kogel er bij, duizendmaal welkom! Zijne tegenwoordigheid te dezer plaatse is ons eene aangename verrassing.

De Sachem boog en nam plaats tusschen de beide blanken.

--Hoe komt het, dat wij u hier zoo ontmoeten? vroeg de jager.

--Ik maakte mij juist gereed om mijn broeder dezelfde vraag te doen, antwoordde de Indiaan.

--Hoe dat? vroeg don Leo.

--Mijn broeder schijnt dan niet te weten, waar hij zich op dit oogenblik bevindt? hernam de Vliegende-Arend.

--In geenen deele; sedert wij van elkander gingen, zijn wij steeds het spoor van onzen vijand gevolgd, zonder hem ooit te kunnen achterhalen; dat spoor heeft ons door streken gevoerd die zelfs aan Vrij-Kogel onbekend waren.

--Dat moet ik bekennen, riep de jager met drift; het is nu de tweede maal dat mij zoo iets gebeurt, en dat wel nagenoeg onder dezelfde omstandigheden; de eerste keer, als ik mij wel herinner, was in het jaar 1843, ik was toen te . . . .

--Maar, viel de Vliegende-Arend hem stout in de rede, al is mijn broeder de jager met dit oord niet bekend, dan zal toch mijn broeder de krijgsman het wel kennen.

--Ik? riep don Leo, in het minst niet, hoofdman; ik kan u verzekeren dat ik thans voor het eerst in deze streek kom.

--Mijn broeder vergist zich, zei de Indiaan; hij is er reeds geweest; maar, zoo als het met alle blanke mannen gaat, het geheugen van mijn broeder is kort, hij is het vergeten.

--Neen, neen, hoofdman; ik ben te zeer met de wildernis vertrouwd, om niet op het eerste gezigt eene plaats te herkennen, waar ik reeds eenmaal geweest ben.

De Indiaan begon te lagchen bij deze voorbarige bewering van don Leo.

--Dat is intusschen thans met mijn broeder het geval, zeide hij, ofschoon er op zijn langst drie manen verloopen zijn, sedert hij met den blanken jager, onzen vriend Loer-Vogel, deze streek bezocht.

De avonturier rigtte zich zelf half overeind, blijkbaar was hij op het levendigst getroffen.

--Wat wilt gij mij zeggen, in 's hemels naam! Roodhuid? riep hij heftig ontroerd.

--Ik wil u zeggen, dat Quiepa-Tani daar ginder ligt, hernam de Indiaan, zijn arm in zuidwestelijke rigting uitstrekkende; wij zijn er niet verder af dan een halven dag-marsch.

--Is het mogelijk? riep don Leo.

--Een Sachem liegt nooit.

--O! riep de jongman met kracht terwijl hij schielijk opstond, bij den hemel! ik dank u, hoofdman, voor dat goede nieuws.

--Wat gaat gij doen? vroeg hem Vrij-Kogel.

--Wat ik doen ga? kunt gij dat nog vragen? Zijn dan zij, die wij moeten redden, niet op weinig uren afstands van ons?

--Ik vraag het u alleen uit vrees, dat gij door uwe onstuimige drift het welgelukken onzer onderneming in de waagschaal zoudt stellen.

--Wat gij zegt is hard, oude jager, zei don Leo; maar ik vergeef het u, omdat gij niet begrijpt wat ik op dit oogenblik gevoel.

--Misschien wel, misschien niet, caballero; maar geloof mij, in eene zaak als de onze, kan ons niets anders baten dan list.

--Naar den duivel met list en al wie ze mij aanraadt! riep de jongman met drift. Ik moet de arme meisjes redden, die ik door mijn dwaze vertrouwen in dezen vosseval heb gebragt.

--En die gij nu door eene tweede dwaasheid voor altijd in het verderf wilt storten; geloof toch aan de ondervinding van iemand, die tienmaal zoo veel jaren in de woestijn heeft geleefd als gij maanden. Zijt gij dan vergeten dat, sedert wij don Estevan op het spoor zijn, een sterke bende Indianen zich bij hem gevoegd heeft? Ziet gij kans om op twee mijlen afstands van eene sterk bevolkte heilige stad, met uwe vijftien Gambucinos tegen eenige duizende dappere en geoefende Roodhuiden te vechten? Het zou een aardige grap zijn om zich in koelen bloede en zonder nut te laten vermoorden. Dat don Estevan zich naar deze streek heeft gerigt, blijkt duidelijk genoeg en bewijst thans dat hij, even goed als gij, weet dat de jonge dames zich in Quiepa-Tani bevinden. Laten wij toch niet onbesuisd te werk gaan, maar de bewegingen van onzen vijand zorgvuldig waarnemen, zonder onze tegenwoordigheid te verraden en hem te laten vermoeden, dat wij zoo digt in zijne nabijheid zijn. Van deze taktiek alleen hangt ons welslagen af, daar verbeur ik mijn hoofd onder.

De jongman had deze woorden met de meeste aandacht aangehoord. Toen Vrij-Kogel zweeg, drukte hij hem getroffen de hand en nam zijne vorige plaats nevens hem weder in.

--Ik zeg u dank, mijn oude vriend, zeide hij, ik dank u opregt voor de ruwe les die gij mij gaaft. Gij hebt mij weer tot bezinning gebragt, ik was dwaas. Maar, vervolgde hij bijna oogenblikkelijk, wat zullen wij dan doen? Hoe moeten wij die ongelukkige kinderen redden?

De Vliegende-Arend, die gedurende het voorgaande gesprek bedaard en zwijgend zijne calumet had zitten rooken, gevoelde, nu hij don Leo zoo hoorde spreken, dat het tijd werd om tusschenbeide te komen.

--Dat de blanke krijgsman moed houde, zeide hij; de Wilde-Roos-der-wouden is te Quiepa-Tani; morgen tegen de endit-ha--zonsopgang--zullen wij van de blanke maagden tijding ontvangen.

--O! o! riep de jongman verheugd. Zoodra als uwe vrouw uit dat duivelsnest terugkomt, hoofdman, beloof ik haar het schoonste paar armbanden, en de schoonste oorhangers, die ooit door eene Indiaansche cithuatl gedragen werden.

--De Wilde-Roos wacht geene belooning voor de dienst die zij aan goede vrienden bewijst.

--Dat weet ik, hoofdman, maar gij zult mij toch het genoegen niet weigeren om haar dit kleine bewijs mijner erkentenis te schenken?

--Mijn broeder is vrij.

--Maar zeg mij! opperde Vrij-Kogel op eens, welk toeval bragt u dezen avond toch in ons kampement?

--Begrijpt gij dat niet?