De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis
Part 24
De toestand der laatstgenoemden werd echter onhoudbaar, er moest een einde aan worden gemaakt, en de jager, die scherp op de eerste gelegenheid loerde, om zijne vijanden eene geduchte les te geven, meende die weldra gevonden te hebben: eenige ellen van hem af, op den oever zag hij op zeker punt, in een floripondio-boschje, eene verdachte beweging; terstond legde hij zijn geweer aan, mikte op goed geluk en schoot.
Een vervaarlijke kreet verhief zich uit de digte struiken der floripondios, bamboezen, lianen en waterplanten, en een reusachtige Apache, woest als een gekwetste tijger, sprong te voorschijn om zich achter een ander boschje, dat een eind verder op het eiland gelegen was, in veiligheid te stellen; Loer-Vogel, die met allen spoed zijn buks weder geladen had, legde die voor de tweedemaal aan om den vlugteling op nieuw te treffen, maar hief haar terstond weder op.
De Apache viel reeds op het zand en wrong zich in zijn laatsten doodstuip.
Op hetzelfde oogenblik schoten er uit de omliggende boschjes een tiental Indianen te voorschijn, en snelden naar het lijk huns broeders, namen het in hunne armen, en verdwenen er mede als een troep spoken.
Nu volgde er een stilstand, en weldra waren de woeste kreten en gevaarlijke steenworpen, die eenige minuten te voren de lucht deden weergalmen en de blanken met ondergang dreigden, vervangen door de diepste kalmte en rust.
--De arme duivels! murmelde Loer-Vogel, terwijl hij zijn buks op den bodem der praauw nederlegde en een der pagaaijen greep, het spijt mij wel dat dit hier heeft moeten gebeuren, maar ik geloof dat zij er thans genoeg van hebben nu zij de kracht van mijn buks hebben leeren kennen, en ik denk dat zij ons voortaan met vrede zullen laten.
De oude jager had zich niet misrekend: werkelijk lieten de Roodhuiden niets meer van zich zien of hooren. Wat wij hier beschreven hebben, moet onze lezers niet te zeer verwonderen: ieder land heeft zijne eigene begrippen van eer en pligt. De Indiaan gaat van het beginsel uit, dat hij zich niet nutteloos aan gevaren moet bloot stellen. Voor hen kan het succes alleen hunne daden regtvaardigen; zoodra zij dus zien dat zij de sterksten niet zijn, deinzen zij zonder schaamte terug en laten met de meeste bereidwilligheid de plannen varen, die zij eenmaal opgevat en misschien weken vooraf hebben voorbereid.
De jagers kwamen eindelijk het eiland ongemoeid voorbij. De tweede vijandelijke praauw was thans reeds ver achter hen; wat de beide anderen betreft, die zij het eerste gezien hadden, deze geleken naauwelijks meer dan onmerkbare stippen aan den horizont. Toen de Roodhuiden der tweede praauw dus zagen dat de blanken een afstand op hen hadden gewonnen dien zij onmogelijk weder konden inhalen, en dat deze stellig aan hunne vervolging zouden ontsnappen, schoten zij al hunne geweren en bogen te gelijk op hen af, als om hun een laatste proef van hun moed achter na te zenden--eene magtelooze vertooning, die niemand kwetste, daar de kogels en pijlen op een aanzienlijken afstand van de blanken nedervielen; daarop wendden zij den steven, om zich bij hunne kameraden op het eiland te voegen, waar deze in het digte geboomte de wijk hadden genomen.
Loer-Vogel en de zijnen kwamen er behouden af.
Na nog omtrent een uur lang stroomafwaarts te hebben geroeid, om tusschen zich en de Apachen een onoverkomelijken afstand te laten, namen zij een poos rust, die zij wel noodig hadden, om zich te herstellen van den heftigen kamp en hunne wonden te wasschen, want sommigen hadden vrij ernstige kneuzingen bekomen door den steenregen die op hen was neergekomen; in het heetst van den strijd hadden zij dit minder bemerkt, maar nu het gevaar voorbij was begonnen zij er aan te lijden.
Het woud, dat des morgens, uit hoofde der veelvuldige krommingen der rivier, nog zoo ver van hen verwijderd lag, waren zij thans zeer nabij gekomen en zij hoopten het nog voor den avond te zullen bereiken. Na eene korte ontspanning, grepen zij dus weder de riemen en hervatten met nieuwen ijver hun togt. Tegen het ondergaan der zon, verdween de kleine praauw onder de sombere bladgewelven van het onmetelijk natuurwoud, dat zich als een statige dom boven hunne hoofden sloot en door den stroom in de schuinte doorsneden werd.
Zoodra de duisternis begon te vallen, ontwaakte de woestijn en liet het gehuil der wilde dieren, die zich naar de rivier begaven om te drinken, zich somber hooren in de diepte der ongerepte bosschen. Loer-Vogel achtte het ongeraden om zich op dit uur te wagen in de onbekende wildernis, die zonder twijfel gevaren van allerlei aard in haren schoot verborg. Nadat hij dus nog eenigen tijd had laten voortroeijen, om eene geschikte landingsplaats te vinden, gaf hij eindelijk bevel om op een verheven rotsmassa aan te houden, die in den stroom vooruit sprong en een soort van voorgebergte vormde waar men zonder veel moeite of gevaar zou kunnen aan wal stappen.
Naauwelijks waren zij aan land, of de Canadees deed een wandeling om de rots, daar hij de omstreken wilde opnemen om te weten in welk gedeelte van het woud zij zich bevonden.
Ditmaal diende het toeval den jager beter dan hij had durven hopen. Na met moeite en de uiterste voorzorg de struiken en slingergewassen te zijn doorgeworsteld, die hem overal den weg versperden, zag hij zich eensklaps en zonder nader onderzoek, aan den ingang van eene natuurlijke grot, waarschijnlijk gevormd door een dier vulkanische omkeeringen die in deze streken zoo veelvuldig zijn.
Bij deze ontdekking bleef hij staan, stak een ocote-fakkel aan, die hij niet verzuimd had met zich te nemen en trad stoutmoedig de spelonk binnen, gevolgd door zijne kameraden. De plotselinge verschijning der brandende toorts schrikte een grooten zwerm nachtvogels, uilen en vleermuizen op, die met luid geschreeuw fladderend wegvlogen en aan alle zijden zochten te ontsnappen.
De jager ging echter door, zonder zich om deze liefhebbers der duisternis te bekommeren, die hij zoo onverwachts in hunne sombere schuilhoeken gestoord had.
De spelonk was hoog, buitengewoon ruim en luchtig. Onder de omstandigheden waarin zich de jagers bevonden was dit voor hen eene allergelukkigste ontdekking, daar zij hun een genoegzaam veilig verblijf voor den nacht aanbood, even als voor de nasporingen der Apachen, die hen thans wel uit het oog hadden verloren, maar zeker niet zouden nalaten hen te vervolgen.
De avonturiers, na de grot in allen deele doorzocht en zich verzekerd te hebben dat er geen verscheurende dieren in schuilden, en wat meer zegt, dat zij twee uitgangen had, die de gelegenheid waarborgden om te kunnen vlugten, wanneer zij door een overmagtigen vijand mogten worden aangevallen, keerden naar de landingsplaats terug, haalden de boot uit het water, namen haar op de schouders en zetten haar achter in de grot. Vervolgens begonnen zij, met een geduld daar alleen de Indianen of de woudloopers in staat toe zijn, zorgvuldig de minste sporen en indruksels uit te wisschen die de plaats hunner ontscheping of den aftogt dien zij gekozen hadden zouden kunnen verraden. Alle openingen werden digtgemaakt, de gebogen riethalmen hersteld, de van een geschoven lianen en struiken weder bijeengevoegd, en na deze gepaste voorzorg zou niemand hebben kunnen vermoeden dat er een troep menschen was doorgegaan.
Daarop verzamelden zij een goeden voorraad dood hout om vuur te stoken, alsmede ocote-takken voor fakkels, en trokken de grot binnen met het vaste voornemen om eindelijk de rust te genieten daar zij zoo veel behoefte aan hadden.
Al deze toebereidsels hadden tijd gevorderd, en de nacht was reeds een goed eind heen, eer onze vrijbuiters, na het gebruik van een mageren, in der haast klaar gemaakten maaltijd, in hunne mantels gewikkeld zich op den grond uitstrekten, en met de voeten naar het vuur, het hoofd op een hoop dorre bladeren en de hand aan de buks, eindelijk insliepen. Niets stoorde dien nacht hunnen slaap, die nog aanhield toen de eerste stralen der zon den oostelijken gezigteinder reeds kleurden met een purperen gloed.
Loer-Vogel werd het eerst wakker en wekte terstond zijne kameraden.
De Vliegende-Arend was niet in de grot.
Zijne afwezigheid maakte den jager echter niet ongerust. Hij kende den Sachem te wel om van den eerlijken Comanch verraad te vreezen.
--Staat op! riep hij tegen de slapenden. De zon is al op: wij hebben lang genoeg geslapen, het wordt tijd om aan onzen arbeid te denken.
Oogenblikkelijk was ieder op de been.
De jager had zich in den Sachem niet bedrogen; naauwelijks was hij bezig met het vuur aan te leggen om het ontbijt gereed te maken, of de Vliegende-Arend verscheen. Hij droeg op zijne schouders een heerlijken eland, dien hij stilzwijgend op den grond wierp, en zich toen nevens de Wilde-Roos neerzette.
--Te duivel! hoofdman, zei Loer-Vogel verrast, gij zijt een man van de voorbaat, uwe jagtvangst is welkom, onze levensmiddelen begonnen mooi op te raken.
De Comanch grinnikte van pleizier over deze aanmerking, maar verder antwoordde hij niet; gelijk al de lieden van zijn stam, sprak de Indiaan alleen in geval van dringende noodzakelijkheid of wanneer het gesprek eene meer ernstige wending nam.
Op een wenk van den Canadees, begon Domingo, die een ervaren jager was, onmiddelijk den eland de huid af te stroopen.
De pemmican, de pueso, en het Indiaansche koren bleven onaangeroerd in de alforjas (knapzak), dank zij de sappige hertenbouten, die Domingo zoo behendig van het wildbraad had afgesneden, en die op den rooster gebraden aan allen een uitmuntend ontbijt verschaften; dit festijn werd bekroond met eenige droppels pulque, waaraan echter de Vliegende-Arend en zijne vrouw, volgens de wijs der Comanchen die geen sterken drank gebruiken, weigerden deel te nemen.
Daarna werden de pijpen en cigarettes opgestoken en ieder begon stilzwijgend te rooken.
Loer-Vogel overwoog bij zich zelven welk plan hij volgen zou, terwijl Domingo en Bermudez het noodige voor hun vertrek gereed maakten; toen zij hiermede gedaan hadden besloot hij eindelijk te spreken.
--Caballeros, zeide hij, wij zijn hier op de plaats waar onze togt eigenlijk begint, het wordt dus tijd om u te zeggen waar wij heengaan. Zoodra wij dit bosch door zijn, hetgeen niet lang duren zal, komen wij aan eene ruime vlakte, in welker midden eene stad ligt. Die stad, door de Indianen Quiepa-Tani genoemd, is een der geheimzinnige wijkplaatsen waar zich, sinds den inval der Spanjaarden, de aloude Mexicaansche beschaving heeft teruggetrokken. Welnu, naar die stad moeten wij heen, want daar bevinden zich twee jeugdige meisjes die wij geroepen zijn te redden. Maar dat zelfde Quiepa-Tani is tevens eene heilige stad: Wee den Europeaan of den blanke die in haren omtrek gezien wordt of het waagt haar te betreden! Ik mag u dus niet verbergen dat de gevaren die wij tot hiertoe trotseerden en gelukkig te boven kwamen, niets te beteekenen hebben, in vergelijking met die welke ons waarschijnlijk te wachten staan, eer wij het ons voorgestelde doel zullen bereiken. Er valt natuurlijk niet aan te denken dat wij allen die stad zouden kunnen binnentrekken; dit te willen ondernemen zou eene dwaasheid zijn die op een gruwzamen moord, zoo niet op ons onvermijdelijk verderf zou uitloopen. Daarentegen zal het noodig zijn dat wij hier getrouwe kameraden vinden, die ons in geval van tegenspoed of gevaar konden te hulp komen. Hoort daarom, caballeros, wat ik besloten heb: onze vriend Bermudez zal op onze stappen terugkeeren, dat is, naar de plek waar wij Juanito gelaten hebben; van daar zullen deze twee, tegelijk met onze paarden, zich naar de algemeene loopplaats begeven die wij onderling hebben afgesproken, ten einde zich daar met het detachement van Ruperto en Vrij-Kogel te vereenigen, en alsdan, zoo dit mogelijk is, gezamentlijk herwaarts te komen. Wat dunkt u hiervan, caballeros? Keurt gij dit plan goed?
--In allen opzigte, antwoordde don Mariano met eene toestemmende buiging.
--En gij, hoofdman, wat zegt gij?
--Mijn broeder is wijs, al wat hij zegt is goed, zei de Sachem.
--Maar hoe dat, moet ik u dan verlaten? mompelde Bermudez met een verlegen blik op zijn meester.
--'t Is noodig, vriend, antwoordde deze, maar het zal slechts voor kort zijn, zoo ik hoop.
--Herinner u goed langs welken weg wij gekomen zijn, om u niet te vergissen als gij terugkomt, zei de jager.
--Ik zal mijn best doen, prevelde Bermudez.
--Zeg, oude jager, riep Domingo meesmuilend, wat duivel! waarom zendt gij mij niet liever, dan dezen armen man, daar ik als woudlooper de prairie op mijn duimpje ken, terwijl ik bijna durf wedden dat hij zijn gebeente op den weg zal te bleeken leggen?
Loer-Vogel schoot den Gambucino een doorborenden blik toe, die hem de oogen neerslaan en beschaamd het hoofd deed buigen.
--Omdat ik, vriend Domingo, antwoordde hij met zonderlingen nadruk op ieder woord, omdat ik zooveel van u houd, dat ik u geen minuut lang uit het oog zou willen verliezen; gij begrijpt mij immers, niet waar?
--Zeer goed, zeer goed! stotterde de mesties, blijkbaar geraakt: maak u maar niet boos, oude jager, ik zal blijven; wat ik er van gezegd heb was alleen in uw belang, anders niet.
--Ik stel uwe belangeloosheid op prijs en waardeer uw aanbod naar verdienste, hernam de Canadees koddig, spreken wij er niet verder over. Zich daarop tot Bermudez wendende, vervolgde hij: Daar wij welligt spoedig hulp noodig hebben, zult gij weldoen, in het terug komen, zoo mogelijk, een korter weg te kiezen.
--Ik zal zien.
--Deze grot hier is een uitmuntend toevlugtsoord, zij is ruim genoeg om u allen te bergen; gij zult er verblijf houden met de paarden, en haar niet verlaten dan op mijne orders; is dat afgesproken?
--Ja, en begrepen ook, wees daar gerust op; ik ben te zeer van het gewigt der aanwijzingen die gij mij doet doordringen, om er mij niet naar te gedragen.
--Een laatste woord nog. Ik heb u gezegd, dat het voor het welslagen onzer moeijelijke onderneming volstrekt noodig was, dat wij hier in ieder geval een sterk detachement cordate mannen konden vinden; wil dus Ruperto dringend waarschuwen, dat hij zijne omzigtigheid verdubbelt, en zoo veel mogelijk, niet alleen ieder geschil met de Indianen, maar zelfs iedere ontmoeting met hen ontwijkt.
--Ik zal het hem zeggen.
--Brengen wij thans de praauw weder te water en dan goed geluk er meê.
--Geve God! dat gij het arme kind moogt redden, zei de oude huisbediende, op een toon die bewees dat hij zijn gevoel naauwelijks meester was, ik zou gewillig mijn leven voor haar opofferen.
--Ga gerust heen, vriend, antwoordde Loer-Vogel wederkeerig getroffen, het mijne heb ik reeds voor haar op het spel gezet.
Allen gingen de grot uit, maar niet zonder vooraf te hebben rond gezien of er ook eenig gevaar bestond. In het digt belommerde bosch heerschte de diepste stilte.
Thans namen zij de praauw op hunne schouders en droegen haar na den rivierkant, nadat zij er eerst eenige levensmiddelen voor hun kameraad in gelegd hadden.
Weldra schommelde de boot zachtkens op het water. Bermudez nam voor 't laatst afscheid van zijn meester; zich toen met moeite omwendende, sprong hij in de praauw, greep de riemen en stak van wal.
--Tot wederziens! riep don Mariano hem aangedaan na.
--Tot spoedig, zoo God wil, antwoordde Bermudez.
--Amen! mompelden allen blijkbaar getroffen.
Loer-Vogel volgde de wegvarende praauw een tijdlang met de oogen; zich toen plotseling tot zijne kameraden wendende, prevelde hij half in zich zelven:
--'t Is een trouwe ziel;--maar zou hij slagen?
--God zal hem behoeden, zei don Mariano.
--Dat is waar, hervatte de jager, terwijl hij zich de hand over het voorhoofd streek; ik ben inderdaad dwaas dat ik zoo spreek, ja wat meer is, ondankbaar jegens de Voorzienigheid, die tot hiertoe met zoo veel zorg over ons waakte.
--Goed gesproken, vriend, riep don Mariano; ik heb de beste verwachting dat wij slagen zullen.
--Ja, als ik het ronduit zeggen moet, zei de jager opgeruimd, ik heb er ook de beste verwachting van; voorwaarts dus.
De Vliegende-Arend legde hem thans de hand op den schouder:
--Eer wij vertrekken, broeder, zou ik met u verlangen raad te houden, de zaak is ernstig.
--Gij hebt gelijk, hoofdman; keeren wij naar de grot terug; onze maatregelen moeten met het meeste beleid overwogen en vastgesteld worden, om, wanneer het oogenblik van handelen daar is, geen fout te begaan die den uitslag van onze onderneming onherstelbaar zou bederven.
De Comanch boog toestemmend en ging zijne kameraden vooruit naar de grot. Het vuur was nog niet geheel uitgedoofd, maar smeulde onder de asch; in weinig oogenblikken vlamde het weder op; en de vier personen hurkten er met deftigen ernst omheen.
Nu nam het opperhoofd de calumet uit zijn gordel, stopte haar met gewijde tabak, stak haar aan, en gaf haar toen, na eerst zelf eenige trekjes gedaan te hebben, aan Loer-Vogel. Zoo ging de pijp eenige keeren rond, zonder dat er een woord gesproken werd, zoo lang tot de tabak geheel was opgebrand. Toen er niets meer overbleef dan de asch, klopte de Sachem haar uit in het fornuis, stak haar weder in zijn gordel en wendde zich tot den jager.
--Een opperhoofd verlangt te spreken, zeide hij.
--Dat mijn broeder spreke, antwoordde de jager met eene buiging; onze ooren zijn geopend.
De Sachem, na zijne vrouw met een gebiedenden wenk bevolen te hebben den kring te verlaten en zich buiten het bereik zijner stem te begeven, waaraan zij volgens de Indiaansche gebruiken terstond gehoorzaamde, boog eerbiedig voor de andere raadsleden, en nam het woord.
XXIX.
DE RAAD.
Sedert het begin van den togt, aan welke hij vrijwillig deelnam, had de Vliegende-Arend steeds eene lijdelijke rol gespeeld, zonder beoordeeling of tegenspraak de plannen van Loer-Vogel aangenomen, onbekommerd en getrouw diens bevelen uitgevoerd, in een woord, geheel en al de rol vervuld van een ondergeschikt officier, wiens pligt medebrengt om zijn chef voor hem te laten denken. De nieuwe houding, thans zoo plotseling door den Sachem aangenomen, had den Canadees dan ook niet weinig verwonderd, daar deze niet wist wat hij hiervan denken moest, en heimelijk begon te vreezen dat de Comanch voornemens was, hem in het tegenwoordige kritieke oogenblik aan zijn lot over te laten en zich aan hem te onttrekken, misschien wel om hem te dwarsboomen en wie weet welke hindernissen in den weg te leggen. Hij wachtte dus met levendig ongeduld op de verklaring van het opperhoofd, ter opheldering van diens zonderling gedrag.
De Vliegende-Arend, even kalm en bedaard als altijd, was opgestaan, en na eene statige buiging in het rond te hebben gemaakt, nam hij eindelijk het woord op:
--Bleekgezigten, mijne waarde broeders, begon hij met zijne gewone scherpe maar sentimenteel slepende keelstem, sedert eene maand reeds zijn wij vereenigd op hetzelfde oorlogspad, deelend in elkanders vermoeijenissen, slapend aan elkanders zijde, etend van hetgeen onze gezamenlijke jagt oplevert, zonder dat het den Sachem, dien gij in uwe gevaren en arbeid liet deelen, tot hiertoe vergund werd om dat openhartig vertrouwen te genieten, waarop een vriend met regt aanspraak heeft. Uw hart is steeds voor hem gesloten gebleven en als met eene digte wolk omhuld; uwe plannen zijn hem even onbekend als op den eersten dag van ons vertrek; de woorden die uwe borst uitblaast zijn en blijven voor hem onoplosbare raadsels. Is dit zoo als het behoort? Is dit regtvaardig? Geenszins, zeg ik. Waarom hebt gij mij geroepen, waarom hebt gij mij verzocht u te vergezellen, zoo ik altoos voor u moet zijn als een vreemdeling? Tot op dit uur heb ik den tegenzin die uw ergerlijk gedrag mij veroorzaakt in mijn boezem besloten; geen klagt is uit mijn hart naar mijne lippen gestegen, over eene behandeling die zoo weinig overeenkomt met mijn rang en met de goede betrekking waarin ik met u lieden tot dusver sta; en op dit oogenblik zelfs, zou ik nog de stilte bewaren, zoo mijne vriendschap voor u niet sterker was dan de wrevel die uw onedelmoedig gedrag ten mijnen opzigte mij inboezemt. Wij zijn hier op het gewijde gebied der Indianen, de grond dien wij betreden is ons heilig; de gevaren die ons omringen, de tallooze strikken en hinderlagen die van alle zijden voor onze voeten worden gespannen,--hoe zou ik in staat zijn die te bezweren, als uwe ontwerpen mij nog langer verholen blijven, in een woord, als ik niet weet of het pad dat wij volgen werkelijk het pad des oorlogs is, of alleen der jagt? spreek derhalve ronduit, ruk de huid van uw hart gelijk ik die van het mijne heb afgerukt, en verklaar u omtrent het gedrag dat gij voorhebt en de plannen die gij volgen wilt, opdat ik in staat zij, daar waar zulks noodig is, u met mijn goeden raad te helpen en, als een getrouw bondgenoot, niet langer buiten uwe beraadslagingen blijve, hetgeen inderdaad even schandelijk zou zijn voor de natie waartoe ik de eer heb te behooren, als onwaardig den hoogen krijgsmansrang dien ik onder de Comanchen bekleed. Ik heb gesproken, mijne broeders; en ik wacht op uw antwoord, dat, hiervan houd ik mij verzekerd, zoodanig zijn zal als voegt aan krijgslieden van uwe wijsheid en van uwe ondervinding.
Gedurende de lange redevoering van den Comanch, had Loer-Vogel meer dan eens blijken van ongeduld gegeven, en zoo hij niet gevreesd had tegen de regelen der Indiaansche etiquette te zondigen, zou hij hem zeker in de rede zijn gevallen; niet dan met de grootste moeite was het hem gelukt zich te bedwingen en eene voor de gelegenheid passende houding te bewaren; zoodra dus het opperhoofd weder was gaan zitten, stond de jager op, en na een hoofdknik tegen de aanwezigen, nam hij met eene vaste stem het woord en sprak in dezer voege:
--De Wacondah is groot; hij houdt in zijne regterhand het hart van alle menschen, van welken stam of kleur ook: hij alleen kent hunne voornemens en leest in hunne ziel de gedachten en bedoelingen. De verwijten die gij mij toevoegt, hoofdman, hebben een schijn van billijkheid die ik u niet zal betwisten; gij hebt uit het gedrag dat de omstandigheden tot hiertoe mij gedwongen hebben jegens u in acht te nemen, kunnen en moeten opmaken, dat ik in u niet zooveel vertrouwen stelde als gij met regt verdient; maar dit is zoo niet; ik wachtte alleen, tot het uur van spreken zou gekomen zijn, niet slechts om u mijne plannen bloot te leggen, maar ook om uwe hulp en tusschenkomst in te roepen. Gij verlangt thans dat ik mij oogenblikkelijk verklaar, en ik zal het doen, ofschoon het welligt beter ware geweest, dat ik gezwegen had tot wij dit bosch geheel zullen zijn doorgetrokken.
--Ik mag hier mijn broeder doen opmerken, hervatte het opperhoofd, dat ik niets van hem heb geëischt, ik heb alleen gemeend hem eenige aanmerkingen te moeten maken; vindt hij die ongepast, ik weet zijn hart is goed, en hij zal mij vergeven, als hij bedenkt dat ik slechts een arme Indiaan ben, wiens verstand in een wolk is gehuld, en dat ik geenszins het voornemen had hem te beleedigen.
--Neen, neen, hoofdman, hervatte de jager met drift, nu wij eenmaal dit punt hebben aangeroerd, is het beter om het terstond toe te lichten, dan er later op terug te komen, ten einde voortaan alle misverstand tusschen ons ophoude.
--Mijn broeder kan over mij beschikken, ik ben gereed hem aan te hooren, als het hem behaagt te spreken; ook zal ik gaarne wachten, als hij dit noodig keurt.
--Ik zeg u dank, hoofdman, maar ik houd mij thans aan mijn eerste besluit, ik wil u liever alles zeggen.
De Comanch begon schalks te glimlagchen.
--Heeft mijn broeder waarlijk besloten te spreken? vroeg hij.
--Ja.
--Goed; dan behoeft mijn broeder er geen woord bij te voegen, alles wat hij mij te zeggen heeft weet ik reeds. Hij zou mij niets kunnen vertellen dan hetgeen ik zelf heb geraden.
De jager weerhield naauwelijks een uitroep van verbazing.
--O, ho! mompelde hij, wat beteekent dat, hoofdman? Waarom hebt gij mij dan zulke ernstige verwijtingen gedaan?