De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis

Part 2

Chapter 24,002 wordsPublic domain

Nadat de kapitein hem alleen had gelaten, nam de onbekende plaats bij het vuur en maakte het zich zoo gemakkelijk mogelijk; hij spreidde namelijk zijn mantel en zijne wapenen derwijze uit, dat ze hem des noods tot nachtleger konden dienen, en wierp toen een gluipenden blik in 't rond, welks uitdrukking den avonturiers zonder twijfel veel te denken zou hebben gegeven, zoo zij dien hadden kunnen opmerken; maar zij waren thans te druk bezig met zich in het kamp te legeren en hun souper te bereiden; en zij verlieten zich te zeer op de goede trouw der prairiën, om veel acht te slaan op den vreemdeling, die zich aan hun gastvrij vuur kwam nederzetten, of zich een oogenblik te bekommeren over hetgeen hij deed.

Na eenige minuten te hebben rondgestaard en nagedacht, stond de onbekende op en trad naar eene der verzamelde groepen waar de jagers in levendig gesprek schenen en gesticuleerden met al de drift der rassen van het Zuiden.

--Wacht! riep een van hen, toen hij den vreemdeling zag aankomen, deze heer zal ons wel met een enkel woord kunnen overeenbrengen.

Op deze wijze aangesproken, wendde hij zich oogenblikkelijk tot zijn zegsman.

--Waar hebt gij het over, caballeros? vroeg hij.

--O, lieve hemel, het is een dood onnoozele zaak, antwoordde de avonturier; uw paard, senor, is een schoon en edel dier, dat moet ik bekennen, maar het wil niet vreten met de onzen; het stampvoet en steigert en laat zijne tanden zien aan de kameraden, die wij het gegeven hebben.

--Nu, dat laat zich waarlijk ligt begrijpen, merkte een tweede spottenderwijs aan, dat paard is een "costeno," (kustpaard) hij zal te grootsch zijn om met zulke arme "tierras adentro" (binnenlanders) te grazen als de onze.

Op deze zotte aanmerking berstten allen los in een daverend gelach.

De onbekende glimlachte schalks.

--Misschien is de reden die gij aangeeft de ware, sprak hij zachtzinnig, maar misschien bestaat er nog een andere voor; in allen geval is er een gemakkelijk middeltje om het verschil op te lossen, dat ik gaarne wil aanwenden.

--Ha! zei de tweede avonturier, en wat is dat?

--Ik zal het u dadelijk toonen, hernam de onbekende even bedaard als te voren. Zich thans tot het paard wendende, dat door twee mannen naauwelijks te houden was, riep hij: Laat hem los!

--Maar als we dat doen, weet niemand wat er van komen kan.

--Laat hem los, ik sta u borg voor de gevolgen. Lelio! riep hij nu, kom hier!

Op het hooren van dezen naam stak het paard fier den edelen kop op, rigtte den schranderen blik naar dengene die hem riep, ontrukte zich met een snelle en onweerstaanbare beweging aan de beide mannen, die hem poogden te weerhouden, deed hen onder het schaterend gelach hunner kameraden in het gras buitelen, sprong regelregt naar zijn meester en streek hem met den kop langs de borst, onder vrolijk gehinnik.

--Gij ziet het, hervatte de onbekende, terwijl hij het edele dier met de hand streelde, dat ging al zeer gemakkelijk.

--Hm! antwoordde op gebelgden toon de eerste avonturier, terwijl hij zich oprigtte en den schouder wreef; dat is een demonio, wien ik niet gaarne mijne huid zou toevertrouwen, hoe oud en gerimpeld zij ook zijn mag.

--Laat hem maar stilletjes begaan, ik zal wel voor hem zorgen, zei de vreemdeling.

--Zoo waar ik Domingo heet, ik heb er het mijne al van, riep de andere; 't is een edel dier, maar hij heeft den duivel in 't lijf!

De onbekende trok de schouders op maar antwoordde niet en keerde naar het vuur terug, gevolgd door zijn paard, dat stapvoets achter hem liep, zonder den minsten lust te betoonen om zich van nieuws aan de wonderlijke kuren schuldig te maken, die de verbazing der avonturiers zoozeer hadden gaande gemaakt, ofschoon meest allen volleerde meesters waren in de edele paardenkunst. Onze viervoet was een volbloed van arabisch ras, die zijn tegenwoordigen bezitter waarschijnlijk een aanzienlijke som had gekost, en wiens schoone vormen wel vreemd moesten voorkomen aan lieden, die geen andere dan mexicaansche paarden gezien hadden. Zijn meester voorzag hem van het noodige voeder, koppelde hem in zijn nabijheid vast, en hernam zijne vorige plaats bij het vuur.

Op hetzelfde oogenblik verscheen de kapitein aan den ingang der tent.

--Ik vraag u verschooning, zeide hij met die bevallige hoffelijkheid, die den Spaansch-Amerikanen schijnt aangeboren te zijn, ik vraag u verschooning, senor caballero, dat ik u zoo lang liet wachten, maar gebiedende pligt vorderde mijne tegenwoordigheid elders; thans ben ik geheel tot uwe dienst.

De onbekende boog en antwoordde schier even beleefd:

--Integendeel, ik ben het, die mij verontschuldigen moet, dat ik zoo zonder complimenten van uwe gastvrijheid gebruik maak.

--Geen woord meer hierover, bid ik u, of gij moest mij met noodelooze pligtplegingen willen bezwaren. Met deze woorden zette de kapitein zich naast zijn gast.

--Wij zullen wat eten, vervolgde hij; het doet mij leed dat ik u niets beters kan aanbieden; maar die te velde trekt moet zich weten te behelpen; ik ben hier op mager rantsoen gezet, gelijk gij zien zult, een stuk tasajo (zoutevleesch) en wat roode boontjes met pepersaus.

--Dat laat zich wel gebruiken, en ik zou er zeker de noodige eer aan bewijzen, als ik den minsten eetlust had; maar in deze oogenblikken zou het mij ondoenlijk zijn, om een brok aan den mond te brengen, wat het ook wezen mogt.

--Zoo! sprak de kapitein, terwijl hij den onbekende een wantrouwenden blik toewierp.

Maar op het bedaard en open gelaat van zijn gast vertoonde zich zulk een ongekunstelde glimlach, dat hij zich schaamde over zijn voorbarigen argwaan, en zijn donkere blik terstond de vorige helderheid hernam.

--Het spijt mij wel: maar dan zal ik u verlof verzoeken om alleen te mogen eten, want om u de waarheid te zeggen, caballero, moet ik u bekennen, dat ik letterlijk raas van den honger.

--Het zou mij zeer leed doen, als ik u het minste oponthoud veroorzaakte.

--Domingo! riep de kapitein, breng mijn diner!

De knecht--dezelfde, welken het paard van den vreemdeling zoo onzacht had omvergeworpen, liet zich geen oogenblik wachten, al trekbeende hij nog, en bragt in een houten schotel het diner van zijn chef; eenige geroosterde maïskoeken, die hij in de hand droeg, voltooiden den bijna kloosterlijken maaltijd.

Domingo was een Indiaansche mesties, van ongunstig voorkomen, met hoekige trekken en een norsch gezigt; hij scheen omtrent vijftig jaar oud, in zoo ver het mogelijk is, den ouderdom van een Indiaan uit zijn voorkomen op te maken. Sedert zijn ongeval met het paard, droeg Domingo den onbekende een innigen wrok toe.

--Con su permiso, met uw verlof, zei de kapitein terwijl hij een der maïskoeken doorbrak.

--Ik zal intusschen een cigaar rooken, om u gezelschap te houden, antwoordde de vreemdeling met zijn onverstoorbaren glimlach.

De kapitein maakte eene beleefde buiging en viel aan zijn sober maal, met al de graagte van iemand, die lang had moeten vasten. Wij zullen ons deze gelegenheid ten nutte maken, om den lezer zijn portret te geven.

Don Miguel Ortega, onder welken naam hij bij zijne gezellen bekend was, was een elegant en fraai jongman, van hoogstens zes en twintig jaar. Zijn door de zon gebronsd gelaat was fijn besneden en zijne levendige oogen schitterden helder en fier onder zijn open voorhoofd, terwijl zijn verhevene gestalte, vast gespierde leden, en breede hooggewelfde borst een zeldzame kracht aanduidden. Inderdaad zou het moeijelijk, zoo niet onmogelijk zijn geweest, om in de gansche uitgestrektheid der voormalige spaansche koloniën een verleidelijker cavalier te vinden, wien het schilderachtige amerikaansche kostuum beter stond en meer tot den hombre de a caballo maakte, terwijl hij tevens in dezelfde mate al de uitwendige bekoorlijkheden in zich vereenigde, die de vrouwen zoo gaarne zien en waar zelfs het gemeen mede dweept. Ondanks dit alles hadden, voor een bevoegder opmerker, de oogen van don Miguel te veel diepte, en fronsten zijne wenkbraauwen te huichelachtig en bedriegelijk, om niet te vermoeden dat er achter al die verleidelijke uitwendige gaven een bedorven ziel en slechte hoedanigheden zich verscholen.

Een jagers-maaltijd, die door goeden eetlust gekruid wordt, duurt zelden lang; en ook de zijne was spoedig afgeloopen.

--Zie zoo, zei de kapitein, zijne vingers aan een bosje gras afwrijvende; nu een sigaartje, om de spijsvertering te bevorderen, en dan zal ik de eer hebben u goeden avond te wenschen; gij zult toch zeker geen plan hebben om ons te verlaten eer de dag aankomt?

--Dat zou ik u niet kunnen zeggen, antwoordde de onbekende; dat zal min of meer afhangen van het weer, dat wij van nacht krijgen; ik heb haast genoeg, en gij weet caballero, wat onze buren, de Gringos zeggen: tijd is geld.

--Gij kent uwe eigene zaken beter dan ik, caballero; handel volkomen naar goedvinden, alleen sta mij toe, eer ik mij verwijder, dat ik u goeden nacht wensch en voorspoed op uwe ondernemingen!

--Ik zeg u dank, caballero.

--Nu een enkel woord, of liever ééne vraag nog eer wij scheiden.

--Spreek.

--Wel te verstaan, als gij die vraag te onbescheiden mogt vinden, zijt gij volkomen vrij om haar onbeantwoord te laten.

--Dat zou mij zeer verwonderen van een caballero, die zoo wellevend is; verklaar u dus als ik u verzoeken mag.

--Ik heet don Miguel Ortega.

--En ik don Stefano Cohecho.

De kapitein maakte eene eerbiedige buiging.

--Vergun mij nu op mijne beurt dat ik u eene vraag doe, hervatte de vreemdeling.

--Als ik u verzoeken mag!

--Waarom hebt gij mijn naam willen weten?

--Omdat het in de prairiën altijd goed is, zijne vrienden van zijne vijanden te kunnen onderscheiden.

--Dat is zoo, welnu?

--Welnu, thans ben ik overtuigd, dat ik u niet onder de laatsten zal tellen.

--Quien sabe? Wie weet? lachte don Stefano; er bestaan zulke wonderbare kansen.

Na eenige woorden op gelijke vriendschappelijke manier te hebben gewisseld, drukten de beide mannen elkander de hand, don Miguel begaf zich naar de tent, en don Stefano, na zijne voeten bij het vuur te hebben uitgestrekt, sliep in, althans sloot de oogen.

Een uur later heerschte in het kamp de diepste stilte. De vuren verspreidden slechts een flaauwen glans, en de schildwachten, op hunne geweren rustende, gaven zich zelfs aan die vage dommeling over, die wel geen slapen is, maar toch geen waken meer heeten mag.

Plotseling liet zich tweemaal achtereen het sombere gekras hooren van een uil, die waarschijnlijk in een der naastbij staande boomen verscholen zat.

Don Stefano opende de oogen. Zonder van plaats te veranderen of zich te verroeren, verzekerde hij zich met een opmerkzamen blik, dat alles rondom hem in rust was; na zich vervolgens overtuigd te hebben, dat zijn machete en zijne revolvers nog op dezelfde plaats lagen, greep hij zijn buks, en bootste op zijne beurt het geschrei van den uil na. Een gelijkluidend geschreeuw gaf oogenblikkelijk antwoord.

De vreemdeling, zonder zich op te rigten, plooide zijne zarapé in eene menschelijke gedaante, fluisterde zijn paard eenige zoete woordjes toe, om het gerust te stellen en geduld te leeren oefenen, en zich thans op den grond uitstrekkende, kroop hij op handen en voeten stilletjes naar een der uitgangen van het kamp; toen hield hij even stil, om zoo scherp mogelijk rond te zien.

Alles bleef even kalm als te voren. Tot aan den voet der borstwering genaderd, die door de pakken der muilezels gevormd was, rigtte hij zich op, sprong met de vaardigheid van een boschkat over het bolwerk, en verdween in de prairie.

Op hetzelfde oogenblik stond in het kamp een man op, sprong mede over de borstwering en ijlde hem na.

Die man was Domingo.

III.

DE NACHTELIJKE ZAMENSPRAAK.

Don Stefano Cohecho scheen met de woestijn zeer goed bekend; zoodra hij zich dus in de prairie bevond, en naar hij meende tegen alle lastige nasporing beveiligd was, stak hij moedig het hoofd op; zijn gang werd rustiger en stouter, zijn oog glom met een somberen gloed, en hij trad met snellen stap naar een boschje van palmboomen, wier schrale waaijerkruinen bij dag tegen de brandende zonnestralen slechts een onvoldoende bescherming verleenden.

Inmiddels verzuimde hij de noodige voorzorgen niet; van tijd tot tijd bleef hij plotseling staan en luisterde naar het minste geritsel, of bespiedde met scherpen blik de donkere diepten der wildernis; en dan weder, na zich verzekerd te hebben, dat alles rondom hem in rust was, vervolgde hij eenige sekonden later zijn togt, met denzelfden vasten tred, dien hij had aangenomen, toen hij het kamp verliet.

Domingo, om ons van eene Indiaansche spreekwijze te bedienen, trad letterlijk op zijne voetsporen, bespiedde en beluisterde al zijne bewegingen met de behendigheid, die den mestiezen bijzonder eigen is, wel zorg dragende, dat de man, welken hij vervolgde, hem niet kon betrappen.

De mesties was een van die karakters, welke men in de grensdistricten maar al te veel aantreft, en die evenzeer begaafd met groote talenten als met grove gebreken, gelijkelijk in staat zijn om zoowel goede als slechte zaken te helpen uitvoeren, maar die zich meestal door hunne boosaardige neigingen laten besturen.

In deze oogenblikken volgde hij den vreemdeling zonder regt te weten waarom, en zonder voor zich zelven te hebben uitgemaakt of hij voor of tegen hem zou te werk gaan; dit te beslissen hing af van den loop der omstandigheden, al naar mate hij berekenen kon, hetzij van verraad of van pligtbetrachting het meeste voordeel te zullen trekken; ook vermeed hij zorgvuldig om zijne tegenwoordigheid te laten blijken, daar hij wel begreep, dat het geheim op welks ontdekking hij uit was, hem groote voordeelen zou kunnen aanbrengen, maar alleen en inzonderheid, wanneer hij het goed wist te gebruiken; steeds weifelend en onzeker, trok hij zich echter niet terug, maar ging derwijze te werk, dat hij de ontdekking van het kostelijk geheim geen oogenblik in de waagschaal stelde.

Meer dan een uur lang volgden de beide mannen dezelfde rigting, zonder dat don Stefano een oogenblik vermoedde, dat hij werd nagespoord, en dat een der geslepenste schurken uit de prairie hem digt op de hielen zat.

Na tallooze wegen en omwegen door het hooge gras te hebben gemaakt, kwam don Stefano eindelijk aan den oever der Rio-Colorado, die op dit punt breed en kalm als een meer daarheen vloeide, over eene zandige bedding, omzoomd door digte boschaadjen van katoenboomen en hooge populieren, wier wortels tot den rand van het water reikten. Aldaar aangekomen, bleef de onbekende een oogenblik staan luisteren, bragt de hand aan den mond en bootste volmaakt het keffen van den coyote (wolf) na; bijna onmiddelijk verhief zich het zelfde geluid uit het lage oeverbosch, en vertoonde zich op korten afstand eene ligte, van boomschors vervaardigde kaan, die door twee mannen werd geroeid.

--Ha! zei don Stefano met een bedwongen stem, ik wanhoopte reeds u te ontmoeten.

--Hebt gij dan ons signaal niet gehoord? antwoordde een der roeijers in de kaan.

--Zonder dat zou ik immers niet gekomen zijn? Maar mij dunkt dat gij wel een beetje vóór mij hier hadt kunnen wezen.

--Dat konden we onmogelijk.

De kleine praauw zat nu in het oeverzand; de twee mannen sprongen luchtig aan wal, en bevonden zich reeds het volgende oogenblik bij don Stefano. Beiden waren gekleed en gewapend als de jagers in de prairiën.

--Hm! hervatte don Stefano, de weg is verduiveld lang van het kamp tot hier, ik vrees dat men mijne afwezigheid zal ontdekken.

--Dat is een gevaar, waar gij niet buiten kunt, antwoordde de vorige spreker, een man van hooge gestalte, gunstig voorkomen en strenge gelaatstrekken, terwijl zijne haren, wit als sneeuw, in lange krullen over zijne schouders golfden.

--Enfin, nu gij er eenmaal zijt, zullen wij nader afspreken en vooral kort zijn, want de tijd is kostbaar. Wat hebt gij sedert onze scheiding gedaan?

--Niet veel bijzonders; wij zijn u in de verte gevolgd, dat is alles, om u te kunnen helpen in geval van nood.

--Dank u; geen nieuws?

--Geen het minste; wie zou het ons gebragt hebben?

--Dat is waar; en uw vriend Loer-Vogel, hebt gij dien ook gezien?

--Neen.

--Cuerpo de Christo! dat valt ons tegen, want zoo mijn voorgevoel mij niet misleidt, zullen wij weldra onze messen moeten gebruiken.

--Men zal er zich van weten te bedienen.

--Dat weet ik, Vrij-Kogel, [1] ik ken uw moed sedert lang; maar gij, uw kameraad Ruperto, en ik, wij zijn niet meer dan drie personen, dat is alles.

--Geen nood!

--Hoe zoo, geen nood? nu wij tegen dertig of veertig geoefende jagers zullen te strijden hebben? waarlijk Vrij-Kogel, gij maakt mij dol met zulke beschouwingen, gij zoudt mij geheel van de wijze helpen. Gij ziet nergens bezwaar in en twijfelt aan niets; denk toch dat wij thans niet met slecht gewapende Indianen te doen hebben, maar met blanken, bandieten en roovers, zooals gij weet, die zich laten doodschieten zonder een duim breed te wijken, en voor wie wij onvermijdelijk zullen moeten onderdoen.

--Dat is waar, daar heb ik niet aan gedacht, zij zijn met hen zoo velen.

--Als wij sneuvelen, wat moet er dan van haar worden?

--Goed, goed, hernam de jager bedenkelijk het hoofd schuddend, ik herhaal u, dat ik er niet over had nagedacht.

--Gij ziet dus, dat wij ons zonder uitstel met Loer-Vogel moeten verstaan, en met de mannen over welke hij te beschikken heeft.

--Ja, alles goed en wel, maar noem mij eens een bepaald punt in de woestijn, waar wij zulk een man als Loer-Vogel moeten zoeken. Wie weet waar hij zich op dit oogenblik bevindt? Hij kan even goed geen geweerschot ver zijn als vijf honderd mijlen van ons af.

--Het is om gek van te worden.

--Wel ingezien, zitten wij in een moeijelijk parket. Maar weet gij in allen geval zeker, dat gij u niet bedriegt, en dat gij op het regte spoor zijt?

--Zeker ben ik tot nog toe van niets, ofschoon alles mij doet gelooven dat ik mij niet bedrieg; doch verlaat u vooreerst op mij, ik zal spoedig weten, waar ik mij aan te houden heb.

--Overigens zijn wij nog op hetzelfde spoor, dat wij sedert Monterey gevolgd hebben; er bestaat eenige kans, dat wij op den regten weg zijn.

--Waartoe zullen wij besluiten?

--Drommels, als ik weet wat ik zeggen zal.

--Gij zijt moedbenemend, inderdaad. Kunt gij mij dan geen middel aan de hand geven?

--Vooreerst moet ik er de noodige zekerheid van hebben, en ten tweede hebt gij zelf immers gezegd, dat het eene dwaasheid zou zijn om zulk een slag te durven slaan.

--Gij hebt gelijk, ik keer naar het kamp terug; den volgenden nacht zien wij elkander weêr, en dan zou ik wel zeer ongelukkig zijn als ik niet had uitgevorscht, wat wij beiden zoo vurig verlangen te weten. Ga er intusschen op uit, zoek en doorzoek de prairie in alle rigtingen, help mij en zoo hot immer mogelijk is, breng mij dan eenig berigt van Loer-Vogel.

--Uwe aanbeveling is overbodig, ik zal niet werkeloos blijven.

Don Stefano greep de hand van den ouden jager en drukte die met warmte:

--Vrij-Kogel, sprak hij met eene ontroerde stem, ik zal u niets zeggen van onze oude vriendschap of van de goede diensten, die ik meermalen het geluk had u te bewijzen, ik wil u slechts herhalen, wat ik weet dat voor u genoeg is, namelijk dat van het welslagen onzer onderneming mijn levensgeluk afhangt.

--Goed, goed, vertrouw op mij, don José, ik ben te oud om in de vriendschap te wankelen; ik weet niet wie in deze zaak ongelijk heeft, en ik wensch dat het regt aan uwe zijde is; maar daarmede bemoei ik mij niet; wat er ook gebeure, ik zal toonen, dat ik uw goede en trouwe kameraad ben.

--Ik zeg u dank, mijn oude vriend, tot den volgenden nacht!

Met deze weinige woorden, maakte don Stefano, of hij die zich dus liet noemen, zich gereed om heen te gaan, maar een onverwachte wenk van Vrij-Kogel hield hem terug.

--Wat is er? vroeg de vreemdeling.

De jager hield den wijsvinger van zijne regterhand voor zijn mond, ten teeken dat hij zwijgen moest; zich toen tot Ruperto wendende, die er al dien tijd onverschillig en stil bij had gestaan, fluisterde hij met eene bijna onhoorbare stem: Grijp den coyote!

Zonder te antwoorden sprong Ruperto, zoo vlug als een jaguar, de struiken in en verdween in het katoenboomenboschje, dat op korten afstand lag. Eenige oogenblikken later hoorden de beide mannen, die in gebogen houding maar zonder een woord te spreken stonden te luisteren, een krakend geruisch van ritselende bladeren en brekende takken, onmiddellijk gevolgd door het ploffen van een zwaar ligchaam dat op den grond viel; verder hoorden zij niets meer.

Maar bijna oogenblikkelijk galmde hun den kreet van een nachtuil in de ooren.

--Dat is Ruperto die ons roept, zeide Vrij-Kogel, alles is in orde.

--Wat is er dan gebeurd? vroeg don Stefano ongerust.

--Niets van belang, hernam de jager, hem een wenk gevende dat hij volgen zou. 't Was slechts een spion, die u achter de broek zat; dat is al.

--Een spion!

--Por Dios! gij zult het zien.

--O wee! dat ziet er gek uit.

--Minder gek dan gij denkt, mits wij hem in handen kunnen krijgen.

--Ja, maar dan zullen wij hem immers moeten dooden?

--Wie weet? dat hangt waarschijnlijk af van het verhoor, dat wij hem zullen laten ondergaan; in allen geval zie ik er niet veel kwaad in om zulk ongedierte uit te roeijen. Zoo sprekende, waren Vrij-Kogel en zijn medgezel het boschje reeds binnengedrongen.

Op den grond lag Domingo, aan handen en voeten gebonden met de reata (paardenkoppel) van Ruperto, en te vergeefs worstelende om de koorden te verbreken, die hem in het vleesch drongen. Ruperto stond met de beide handen kruiselings op de tromp van zijn buks geleund, die met de kolf op den grond rustte, lagchend en meesmuilend te luisteren, maar zonder een woord terug te zeggen, naar den stroom van scheldwoorden en vloeken, die de mesties in zijne woede uitbraakte.

--Dios me ampare! (God beware mij) riep deze, terwijl hij zich kronkelde als een adder. Verdugo del demonio! (duivelsche kerel) is dat eene behandeling voor een fatsoenlijk mensch! Ben ik een Roodhuid, om mij dus te zien knevelen als een rol tabak, en mij de leden te laten binden als een kalf, dat naar den slagter moet? Als ik u ooit onder mijne handen krijg, vervloekte hond, zal ik je die streek betaald zetten, die ge mij gespeeld hebt, reken daar op!

--In plaats van te dreigen, mijn goede man, zei Vrij-Kogel tusschenbeide komende, moest gij dunkt mij liever ronduit bekennen, dat gij in onze magt zijt en u daarnaar gedragen.

De bandiet wendde oogenblikkelijk het hoofd om, het eenige lid dat hij nog vrij had, en keek den jager aan:

--Het staat u heel mooi om mij "goede man" te noemen en mij raad te geven, oude vanger van muskus-rotten! riep hij brutaal; zijt gij een blank mensch of een Indiaan, dat gij op deze wijze een jager behandelt?

--Als gij, in plaats van hier te komen afluisteren wat u niet aangaat, waarde senor Domingo, zoo is uw naam immers als ik mij niet bedrieg, liever stilletjes in uw kamp waart blijven slapen, dan zou dit kleine ongeval, waarover gij u zoo beklaagt, u nooit overkomen zijn, zei don Stefano spotachtig.

--Ik moet de juistheid van uwe redenering toegeven, hervatte de bandiet koddig; maar wat duivel! kon ik het helpen? Het is altijd mijn zwak geweest om te willen uitvinden, wat anderen voor mij zochten te verbergen.

Don Stefano keek hem met argwanenden blik in de oogen.

--En hebt gij dat zwak reeds lang gehad, mijn goede vriend? vroeg hij.

--Van mijn eerste jeugd af, antwoordde Domingo onbeschroomd.

--Nu, dan zult gij al vrij wat geheime zaken hebben leeren kennen?

--O, ontzaggelijk veel, waarde heer.

Don Stefano wendde zich tot Vrij-Kogel, en riep: Zeg eens vriend, maak zijne banden een weinig los, zijn gezelschap kan ons misschien tot voordeel strekken, ik zou gaarne eenige oogenblikken hooren wat hij te vertellen heeft.

De jager bragt stilzwijgend de bekomen order ten uitvoer. De bandiet slaakte een zucht van tevredenheid, toen hij zich minder beklemd voelde, en ging op het gras overeind zitten.