De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis
Part 19
--Don Estevan, hervatte don Leo, was, ik weet niet op welke wijs, met het voornemen uwer dochter bekend geworden. Om hare maatregelen beter te leeren kennen en op het regte tijdstip te kunnen verijdelen hield hij zich alsof hij van niets wist, liet hare brieven door de novice naar den evangelista brengen, las daar al de copiën en schreef er zelf de antwoorden op, om de eenvoudige reden dat don Francisco de Serrano geen brieven van uwe dochter ontving, daar don Estevan diens kamerdienaar had omgekocht, die ze hem allen onopengebroken ter hand stelde, in plaats van ze aan zijn meester te geven. Deze slim overlegde schurkerij zou zeker zijn gelukt, zoo het toeval, of liever de Voorzienigheid mij niet in tijds in het pothuis van Tio Leporello had gevoerd.
--O! murmelde don Mariano, die man was een monster.
--Neen, hernam don Leo, dat niet, ten minste niet uit eigen beweging; de omstandigheden schijnen hem gedrongen te hebben om veel verder te gaan dan hij misschien zelf gewild had; niets ten minste bewijst dat hij den dood van uwe dochter wenschte.
--Wat kan hij anders gewenscht hebben?
--Uwe bezitting. Door Laura te dwingen den sluijer aan te nemen kon hij dit doel bereiken. Ongelukkigerwijs, zoo als het meestal gaat, wanneer men zich eenmaal op het doornige pad begeeft, dat noodwendig op grooter zonde uitloopt, heeft hij bij al zijne koele berekening op welslagen, niet kunnen voorzien dat ik in de uitvoering zijner plannen zou in den weg treden,--eene tusschenkomst die hem moest doen stil staan of dwingen eene misdaad te plegen om zijn einddoel te bereiken. Dona Laura, ten volle overtuigd dat de bescherming van don Francisco haar niet zou ontbreken, volgde naauwkeurig de raadgevingen die ik haar van tijd tot tijd deed toekomen, in de brieven die ik haar schreef namens den vriend tot welken zij zich had gewend; wat mij betreft, ik hield mij gereed om te handelen zoodra het oogenblik daar zoude zijn. Op dit punt zal ik in geen nadere verklaringen komen. Om kort te gaan, dona Laura weigerde, in de kerk zelve, den eed der kloostertucht af te leggen; de daardoor gegeven ergernis was allergeweldigst; de abdis was woedend en besloot er een eind aan te maken. Het ongelukkige meisje, door middel van een slaapdrank van alle bewustzijn beroofd, werd levend in een der diepste grafkelders van het klooster bijgezet, waar zij van honger moest omkomen.
--O! riepen de beide mannen huiverend van afgrijzen.
--Ik herhaal u, vervolgde don Leo, dat ik don Estevan aan deze barbaarschheid niet schuldig acht; waarschijnlijk was hij er slechts zijdelings medepligtig aan. De abdis alleen was de schuldige. Don Estevan nam de gedane zaken zoodanig als zij waren, en deed er zijn voordeel mede, meer niet; wij willen dit liefst gelooven tot eer der menschheid, want anders ware hij een monster geweest. Reeds op den dag zelf van het gebeurde onderrigt zijnde, verzamelde ik eene bende landloopers en bandieten waarmede ik den volgenden nacht door list in het klooster wist te dringen, en het gelukte mij gewapenderhand uwe dochter op te ligten.
--Gij! riep don Mariano met een gebaar van gemengde vreugd en verbazing. Mijn God! dus is zij gered en in veiligheid.
--Ja, zei don Miguel, in eene plaats waar ik zelf, geholpen door Loer-Vogel, haar verborgen heb.
--Daar zou don Estevan haar niet ligt gevonden hebben, meesmuilde de jager met een schalkschen lach.
Don Mariano werd door de hevigste aandoeningen geslingerd, en was zich zelve niet langer meester.
--Waar is zij? riep hij, ik wil haar zien; zeg mij waar ik haar vinden kan, mijn arm dierbaar kind!
--Gij begrijpt wel, hernam de jongman, dat ik haar niet bij mij kon houden, ik wist dat de spionnen van don Estevan en uw broeder zelf al mijne gangen bespiedden en mij ten bloede toe vervolgden. Na dus dona Laura in veiligheid te hebben gebragt, beijverde ik mij om de spionnen van 't spoor te helpen. Ik zal u zeggen hoe mij dit gelukt is. Ziet gij die palankijn, vervolgde hij er met den vinger naar wijzende, daar werd dona Laura in vervoerd, tot aan het presidio de Tubac, maar verder niet. Gedurende de eerste dagen mijner reis maakte ik er geen geheim van en liet haar met opzet eens of tweemaal zien, meer was er niet noodig om het gerucht te verbreiden dat ik haar altoos bij mij had. Dank zij de voorzorg die ik later gebruikt heb, om de palankijn zoo digt mogelijk gesloten te houden en door niemand te laten naderen, wist ik uwe vijanden te verlokken mij in de prairie te vervolgen, om hen aldaar te straffen; mijne berekeningen zijn beter uitgekomen dan die van don Estevan en onder Gods zegen met een gelukkig gevolg bekroond; thans, nu de misdadiger gestraft is, en dona Laura niets meer te vreezen heeft, ben ik bereid u hare schuilplaats te doen kennen en er u heen te leiden.
--O, genadige hemel! gij zijt regtvaardig en goed, riep don Mariano, schier uitgelaten van blijdschap. God zij gedankt! ik zal mijn kind wederzien? zij is gered.
--Neen! zij is verloren, als gij u niet haast! klonk op eens eene holle stem als uit het graf.
De drie mannen keerden zich verschrikt om.
Daar stond Vrij-Kogel! met een bleek en bebloed gezigt, verscheurde en met bloed bevlekte kleederen, regt op en onbeweeglijk, onder het opgeheven gordijn aan den ingang der tent.
XXIII.
DE VLIEGENDE-AREND.
Ten gevolge hunner levenswijs en de opvoeding die zij ontvangen, zijn de Indianen zeer wantrouwend van aard; steeds verpligt om op hunne hoede te zijn tegen alles wat hen omringt en gewoon om zelfs de blijkbaar eerlijkste bedoelingen te verdenken, als verschool zich overal list en verraad, bezitten zij eene groote mate van doorzigt om de plannen te raden der lieden waarmede het toeval hen in aanraking brengt, en zich voor de strikken te wachten die hunne vijanden hun spannen.
Machsi-Karehde, gelijk wij vroeger reeds gezegd hebben, was een bedreven krijgsman, daarbij even wijs in den raad als in den strijd, en ofschoon nog zeer jong, had hij zich reeds een grooten naam gemaakt bij zijn stam.
Zoodra Loer-Vogel de Lynch-wet op don Estevan toegepast en het doodvonnis over hem had uitgesproken, was er onder de jagers, zooals het in dergelijke gevallen meestal gaat, eene soort van verwarring ontstaan; zij begonnen druk en driftig te redeneren, en het kordon om het kamp werd voor eenige oogenblikken gebroken. Van deze gelegenheid maakte de Vliegende-Arend in stilte gebruik; terwijl niemand op hem lette gaf hij de Wilde-Roos een wenk, dien de jonge vrouw dadelijk begreep, en beiden slopen door het kreupelbosch weg, zonder dat hunne verwijdering werd opgemerkt.
Na ongeveer twintig minuten door het bosch te zijn voortgegaan, oordeelde het opperhoofd zich ver genoeg verwijderd; hij bleef dus staan en wendde zich naar zijne vrouw, die hem kort op de hielen was gevolgd.
--Wij zullen de bleekgezigten hun werk alleen laten afdoen, zeide hij; de Vliegende-Arend is een krijgsman der Comanchen, hij behoeft niet langer ten gevalle der blanken tusschenbeide te komen.
--Keert het opperhoofd dan naar zijn dorp terug? vroeg de Wilde-Roos schroomvallig.
De Indiaan glimlachte loos.
--Alles is nog niet geëindigd, antwoordde hij, de Vliegende-Arend zal zijne vrienden in 't oog houden.
De jonge vrouw neigde het hoofd, en daar zij zag dat de Indiaan was gaan zitten, maakte zij zich gereed om een kampvuur aan te leggen.
Het opperhoofd hield haar terug.
--De Vliegende-Arend wil niet ontdekt zijn, zeide hij; laat mijne zuster zich naast mij nederzetten en wachten; een onzer vrienden is thans in lijfsgevaar.
Op dit oogenblik liet zich, niet ver van de plaats waar de twee Roodhuiden gezeten waren, een hevig gedruisch van krakende takken in het kreupelbosch hooren.
De Indiaan spitste aandachtig de ooren en zat eenige minuten onbeweeglijk in voorovergebogen houding.
--De Vliegende-Arend zal even heengaan, zeide hij opstaande.
--De Wilde-Roos zal op hem wachten, antwoordde de jonge vrouw met een vriendelijken blik.
Het opperhoofd liet bij zijne gezellin de wapens achter, die hem in de uitvoering van zijn oogenblikkelijk opgevat plan hadden kunnen belemmeren, en hield alleen de lasso bij zich, die hij met de meeste zorg om zijne regterhand kronkelde, en zich toen ter sluik naar de plek begaf waar het gedruisch van sekonde tot sekonde sterker werd.
Naauwelijks had hij twintig stappen in deze rigting gedaan, zich met moeite door het hooge gras en de verwarde lianen een weg banende, of hij zag ongeveer tien ellen van zich af, een heerlijk zwart paard staan, dat met achterover liggende ooren, uitgeregten hals, de vier pooten ver van elkander, de bloedige neusgaten wijd open gesperd en den muil met schuim bedekt, schichtig en snuivend, zoodat het bosch er van daverde, hem met de groote schrandere oogen woest en schuw aankeek.
--Ooah! mompelde het opperhoofd terwijl hij plotseling bleef staan en het prachtige dier als een kenner bewonderde.
Thans trad hij omzigtig eenige passen nader, om het vreesachtige dier, dat al zijne bewegingen met schuwen blik gade sloeg, niet nog meer te verschrikken, en zoodra het achteruit sprong om te ontsnappen, slingerde hij het met zooveel behendigheid de lasso over den kop, dat de loopende strik tot aan de schouders over den hals viel; de onthutste viervoet beproefde nu drie of vier minuten lang om aan den strik te ontworstelen en de dierbare vrijheid terug te bekomen, die hem zoo plotseling ontfutseld was; maar weldra ziende dat zijne pogingen nutteloos waren, onderwierp hij zich gedwee aan zijn nieuwen meester en liet den Indiaan ongehinderd nader komen, zonder den nutteloozen strijd een oogenblik te verlengen.
Met reden zeggen wij dat hij zich aan zijn nieuwen meester onderwierp, want het was geen paard uit de wildernis, maar de prachtige Arabier van don Estevan, dien hij verloren had toen hij in het gevecht aan de Rubio gewond werd. De tuigen van het paard waren gedeeltelijk beschadigd en verscheurd door het kreupelhout, maar toch nog in staat om dienst te doen.
De hoofdman, niet weinig in zijn schik met de goede vondst die het toeval hem beschikte, steeg terstond in den zadel en reed stapvoets naar de Wilde-Roos terug, die gehoorzaam en onderdanig als eene echt Indiaansche vrouw, zich sedert zijn vertrek nog niet had verroerd.
--Ha! de Vliegende-Arend keert thans naar zijn dorp terug, gezeten op een ros dat zulk een groot opperhoofd waardig is! riep zij even fier als naïef, zoodra zij hem zag.
De Indiaan glimlachte.
--Ja, antwoordde hij, al de Sachems zijn trotsch op hem.
En met de ongekunstelde blijdschap die zoo wel met de oorspronkelijke ruwheid dezer ijzerharde menschen strookt, begon hij terstond eenige der moeijelijkste passen, voltes en courbettes uit te voeren, zoo verheugd als een kind over de bewondering der Wilde-Roos, die hij hartstogtelijk lief had en die met innig welgevallen, ofschoon niet zonder heimelijke vrees zag hoe gemakkelijk en stout hij het prachtige dier behandelde. Eindelijk steeg de hoofdman af en ging naast zijne vrouw zitten, zonder daarom den teugel van zijn paard los te laten.
Zoo zaten zij eene geruime poos bij elkander zonder een woord te wisselen, de Vliegende-Arend scheen diep in gedachten verzonken, zijne oogen zwierven hier en daar in de duisternis, alsof hij ergens in de verte eenig voorwerp had willen onderkennen; gretig luisterde hij naar de duizend geluiden der eenzame wildernis en speelde werktuigelijk met zijn scalpeermes.
--Daar zijn ze! klonk op eens zijn uitroep, terwijl hij opstond alsof hij door een ontspannen springveer werd opgeheven.
De Wilde-Roos keek hem verwonderd aan,
--Hoort mijne zuster niets? vroeg hij haar.
--Ja, zeide zij het volgende oogenblik, ik hoor duidelijk paarden in het bosch.
--Dat zijn de bleekgezigten, die naar hun kamp terugkeeren.
--Zullen wij hen daar volgen?
--De Vliegende-Arend verlaat nooit zonder reden het spoor door zijne mocksens gebaand; en de Wilde-Roos zal den krijgsman vergezellen.
--Zou mijn vader hier aan twijfelen?
--Neen, want de Wilde-Roos is eene waardige dochter der Comanchen; zij zal medegaan, zonder murmureren. Er is op het oogenblik een bleekgezigt in gevaar, een vriend van Machsi-Karehde.
--Het opperhoofd zal hem wel redden, riep zij.
De Roodhuid glimlachte.
--Ja, zeide hij; of zoo ik te laat mogt komen, zal ik hem ten minste wreken, en dan zal zijne ziel opspringen van vreugd in de Prairiën der gelukzaligen als hij van zijn volk verneemt dat zijn vriend hem niet vergat.
--Ik ben bereid het opperhoofd te volgen.
--Laten wij dan vertrekken, want het is tijd.
De Indiaan was met een sprong in den zadel en de Wilde-Roos hield zich gereed om hem te voet te volgen.
De Indiaansche vrouwen bestijgen nimmer het oorlogspaard van hare mannen of broeders. Tengevolge der strenge wetten bij deze volken in zwang, zijn de vrouwen, als onder een ijzeren juk, gebogen onder de diepste vernedering en gedwongen tot den zwaarsten en moeijelijksten arbeid, dien zij zonder morren verdragen, wel overtuigd dat het zoo wezen moet en dus niets haar zou kunnen onttrekken aan de onverbiddelijke dwinglandij die van hare geboorte tot haren dood op haar drukt. De Vliegende-Arend, terwijl hij de vrouw die hij liefhad noodzaakte hem te voet te volgen, door een natuurwoud en langs een ongebaanden weg, des te moeijelijker nog door de nachtelijke duisternis, hield zich volkomen overtuigd dat hij hierin geheel naar behooren te werk ging; de Wilde-Roos, op hare beurt, wist niet beter of dit was iets dat van zelve sprak, en veroorloofde zich niet de minste aanmerking.
Zij gingen dus op weg en de rivier den rug toekeerende trokken zij in de rigting van het ons reeds bekende open graskamp.
Met welk doel keerde nu het opperhoofd terug naar dezelfde plek, die hij pas een uur te voren verlaten had om de Gambucinos te ontwijken?
Dit zullen wij spoedig zien.
Op ongeveer honderd ellen van het open kamp hoorden zij het knallen van een vuurwapen. De Vliegende-Arend bleef staan.
--Ooah! mompelde hij, wat is dat? zou ik mij vergist hebben?
Onmiddelijk afstijgende, gaf hij zijn paard aan de Wilde-Roos ter bewaring en gebood haar om hem in de verte te volgen. Hij sloop zoo snel hij kon door de struiken naar het graskamp, ongerust over het gevallen pistoolschot, dat hij niet wist waaraan toe te schrijven, daar de gedachte dat het door Estevan kon gelost zijn, volstrekt niet bij hem opkwam. Het opperhoofd hield zich overtuigd, dat iemand van zulk een karakter nooit zijn eigen zaak zou laten varen, hoe hopeloos zij ook staan mogt. Ofschoon hij zich hierin vergiste, was zijne veronderstelling toch niet zoo geheel bezijden de waarheid.
Door bovenstaande denkbeelden bezield en vreezende dat er eenig ongeluk kon gebeurd zijn, haastte de Vliegende-Arend zich om zoo spoedig mogelijk het kleine kamp te bereiken, ten einde de onzekerheid op te helderen, en niet zonder bekommering dat hij zijn vermoeden zou bewaarheid zien.
Aan den rand van het grasperk gekomen bleef hij staan, boog de takken voorzigtig uiteen, en keek rond. De duisternis was nog te groot om iets duidelijk genoeg te onderscheiden; er heerschte in dit gedeelte, van het bosch eene doodelijke stilte. Maar op eens werden de struiken met kracht bewogen en nu schoot er een man, of liever een duivel uit te voorschijn, hem strijkelings voorbij, met een sprong als een jakhals, en verloor zich weldra achter hem in de duisternis.
Een donker voorgevoel beklemde het hart van den Roodhuid, hij dacht er een oogenblik over na of hij den onbekende zou achtervolgen; maar liet dit denkbeeld terstond weder varen.
--Neen, zeide hij, wij zullen eerst zien wat hier gebeurd is; dien man ben ik zeker dat ik altijd zal wedervinden, zoodra ik maar wil.
Hij stapte het grasveld op. De vuren die er een uur te voren gebrand hadden, waren uitgedoofd en verspreidden geen het minste licht meer; alles was stilte en duisternis.
Het opperhoofd trad snel voorwaarts en bereikte weldra de plek waar de kuil gedolven was. Zij was ledig en don Estevan nergens te zien; op den rand der glooijing, door de uitgeworpen aarde gevormd, lag een mensch onbeweeglijk uitgestrekt.
De Vliegende-Arend bukte om hem van nabij te bezien. Hij had hem dadelijk herkend.
--Heb ik het niet gedacht! riep hij in zich zelven, terwijl hij zich met een grijns oprigtte, de bleekgezigten zijn lafhartige oude vrouwen, de ondankbaarheid is eene ondeugd der blanken, de wraakzucht is een deugd der rooden.
Hij stond eenige sekonden in beraad met de oogen strak op den gewonde gerigt.
--Zou ik hem helpen? vroeg hij zich eindelijk af. Waartoe zou het dienen? het is immers beter dat die blanke coyotes zich onderling verscheuren; de roode krijgslieden mogen om hunne woede lagchen. Die man daar, vervolgde hij, was nogtans een der beste onder de plunderzieke bleekgezigten, die ons tot in onze laatste toevlugtsoorden terugdringen! Bah! maar wat gaat hij mij aan? onze twee rassen zijn elkanders vijanden; laat de wilde beesten hem verder afmaken, ieder zijn deel van den buit!
Na deze alleenspraak wilde hij zich verwijderen. Eensklaps echter voelde hij eene hand op zijn schouder, en eene schroomvallige stem fluisterde hem zacht in het oor.
--Die bleeke man was de vriend van den grijskop die den Vliegenden-Arend eenmaal heeft gered; vergeet de Sachem dit?
Het opperhoofd ontroerde bij deze vraag, die zoo geheel met zijne innigste gedachten overeenkwam; want al had hij zich zelven pogen diets te maken dat er reden bestond om den gewonde aan zijn lot over te laten, gevoelde de Indiaan zeer goed dat zulk een bedrijf onverantwoordelijk was en dat de eer hem gebood den man te helpen die aan zijne voeten lag uitgestrekt.
--Kent de Wilde-Roos den jager? vroeg de Sachem uitwijkend.
--De Wilde-Roos heeft hem twee dagen geleden voor het eerst gezien, toen hij den vriend van Machsi-Karehde zoo moedig te hulp kwam.
--Ooah! bromde de Indiaan, mijne zuster spreekt waarheid, die krijgsman is dapper, zijn hart is groot, hij is de vriend der Roodhuiden, de Vliegende-Arend is beroemd wegens zijne grootmoedigheid, hij zal dus het bleekgezigt niet aan de wolven ten prooi laten.
--Machsi-Karehde is de grootste krijgsman van zijn stam, zijn hoofd is met wijsheid vervuld, en wat hij doet is goed.
De Vliegende-Arend glimlachte welgevallig om dit compliment van zijne jonge vrouw.
--Laten wij de wonden, van dien man onderzoeken, zeide hij.
De Wilde-Roos ontstak een ocote-fakkel om te kunnen zien; de twee Indianen knielden bij den gewonde neer, die nog altoos onbeweeglijk lag, en begonnen in het schijnsel der harsfakkel hem met naauwlettendheid te onderzoeken.
Vrij-Kogel was slechts ligt gewond door den slag die hem met het pistool werd toegebragt; wel is waar had die slag eene geweldige bloeding veroorzaakt en eene ligte hersenschudding gevolgd door bedwelming, maar de wond ging niet veel dieper dan de huid aan het bovenste gedeelte van het voorhoofd tusschen de wenkbraauwen. Blijkbaar had don Estevan den jager op dezelfde manier willen treffen als de matadores te Mexico de stieren kuisten, die er hunne eer in stellen om dit zoo behendig mogelijk te doen, ten einde de bewondering der toeschouwers op het amphitheater te verwerven. Zijn slag, ofschoon met vaste en vaardige hand, was echter met te veel overhaasting en dus niet juist genoeg toegebragt om doodelijk te zijn; evenwel, zoo de Vliegende-Arend hem niet in tijds ware te hulp gekomen, zou de jager waarschijnlijk voor het einde van den nacht door de wilde beesten zijn verslonden, die in dezen omtrek vrij talrijk op buit rondzwierven.
Alle Indianen, wanneer zij op reis gaan, dragen aan een band over den schouder een perkamenten zak met zich, in den vorm van een weitasch, die zij hun medicijn-zak noemen; deze zak bevat een aantal geneeskrachtige kruiden, waarmede de Roodhuiden gewoon zijn hunne op de jagt of in den krijg bekomen kwetsuren te genezen, alsmede eenige heelkundige instrumenten, en eenige poeders tegen de koorts.
Na de wond van Vrij-Kogel naauwkeurig te hebben bezigtigd, schudde de Indiaan tevreden het hoofd, en maakte hij zich onmiddelijk gereed om het eerste verband te leggen. Met een van obsidiaansteen [10] vervaardigd werktuig, zoo scherp als een scheermes, begon hij, geholpen door de Wilde-Roos, rondom de wond het haar weg te scheren; vervolgens grabbelde hij in zijn medicijnen-zak en haalde er een handvol oregano bladeren uit, die hij zorgvuldig fijn wreef en met Spaanschen brandewijn, zoogenaamde refino vermengde. Wij kunnen hier in 't voorbijgaan aanmerken dat in de geneesmiddelen der Indianen de brandewijn eene voorname rol speelt. Bij dit mengsel deed hij een weinig water en zout, en bereidde alles tot een vrij dikke pap, die hij, na de wond eerst met refino en water te hebben gewasschen, er als een verzachtende pleister oplegde, en met behulp van een abanijo blad vasthechtte.
Dit eenvoudige middel werkte bijna oogenblikkelijk; na verloop van tien minuten slaakte de jager een zucht, opende de oogen, en rigtte zich op, naar alle zijden rondziende, als iemand die plotseling uit een diepen slaap wakker wordt en nog niet volkomen in staat is om de hem omringende voorwerpen te onderscheiden.
Intusschen had Vrij-Kogel een te krachtig gestel om lang in dezen staat van halfbewustzijn te blijven; weldra kwam er weder orde in zijne denkbeelden, hij herinnerde zich wat er gebeurd was en welken verraderlijken slag hem door den man dien hij gered had was toegebragt.
--Ik dank u, brave Roodhuid, zeide hij met eene nog zwakke stem, terwijl hij het opperhoofd zijne hand toestak.
De Indiaan drukte die hartelijk.
--Mijn broeder gevoelt zich nu beter? zeide hij op vragenden toon.
--Ik gevoel mij zoo wel alsof er niets met mij gebeurd was, antwoordde Vrij-Kogel.
--Ooah! dan zal mijn broeder zich op zijn vijand kunnen wreken.
--Laat dat maar aan mij over! de schurk zal mij niet ontsnappen, zoo waar als ik Vrij-Kogel heet, antwoordde de jager met nadruk.
--Goed! mijn broeder zal zijn vijand dooden, en zijn haarschedel aan de deur van zijn wigwam ophangen.
--Neen, hoofdman, zulk een wraak moge voor een Roodhuid geschikt zijn, maar zij voegt niet aan een man van mijn ras en kleur.
--Wat denkt mijn broeder dan te doen?
De jager glimlachte, zweeg eenige oogenblikken, en hervatte toen het gesprek, zonder de vraag van den Indiaan te beantwoorden.
--Sedert hoe lang bevind ik mij hier? vroeg hij.
--Omtrent een uur.
--Niet langer?
--Neen.
--God dank! dan kan mijn moordenaar nog niet ver weg zijn.
--O! een kwaad geweten is een scherpe prikkel, merkte de Roodhuid verstandig aan.
--Dat is waar.
--Wat wil mijn broeder doen?
--Dat weet ik nog niet; mijne positie is bijzonder ingewikkeld, antwoordde Vrij-Kogel nadenkend; door de inspraak van mijn hart en de herinnering van een lang geleden bewezen dienst gedreven, heb ik eene daad gedaan die op velerlei wijs kan worden uitgelegd; ik zie thans dat ik verkeerd heb gehandeld. Intusschen, Roodhuid, wil ik u zeggen dat ik mij weinig over de verwijten mijner vrienden bekommer; ofschoon het hard is voor iemand van mijn leeftijd en ondervinding, zich te hooren verwijten dat hij zoo onnoozel heeft gedaan als een kind, en zich aangesteld als een gek.
--Gij dient ten minste toch te besluiten.
--Dat weet ik zeer goed, maar dat is juist wat mij het moeijelijkste valt, te meer nog, omdat don Miguel en don Mariano zoo spoedig mogelijk van het gebeurde onderrigt moeten worden, of de gevolgen mijner dwaasheid zijn niet te berekenen.
--Hoor eens, zeide de hoofdman, ik begrijp zeer goed dat gij tegen eene onvermijdelijke bekentenis opziet; het is zeker ondragelijk hard, als een grijsaard het hoofd moet buigen voor verwijtingen, hoe welverdiend zij ook mogen zijn.
--Maar wat dan?
--Als gij er in toestemt, wil ik voor u doen wat u te veel moeite zou kosten. Terwijl gij de Wilde-Roos gezelschap houdt, zal ik naar uwe vrienden de bleekgezigten gaan en hun zeggen wat er is voorgevallen; ik zal hen tegen hunnen vijand waarschuwen en gij zult niets van hun ongenoegen te duchten hebben.