De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis

Part 18

Chapter 184,031 wordsPublic domain

--En daarvoor, riep de Mexicaan met een schamperen lach, weet gij geen ander middel dan mij van honger te laten sterven. O, ho! wat zonderlinge menschlievendheid! Neen, kameraad, gij hebt al een zeer wonderlijke manier van zaken te regelen, voor iemand die op den naam van eerlijk en loyaal gesteld is.

--Gij begrijpt mij niet; ik weiger wel is waar om u wapens te geven; maar ik zal daarom toch de dienst die ik u bewees niet half gedaan laten.

--Zoo! en wat wilt gij dan doen om dat doel te bereiken? Ik ben wel zeer nieuwsgierig om dit te zien, meesmuilde don Estevan.

--Ik zal u tot aan de grenzen der Prairiën uitgeleide doen en gedurende de reis tegen alle gevaar beschermen, u verdedigen en voor uw onderhoud zorgen; dat alles is dunkt mij zeer eenvoudig.

--Zeer eenvoudig, inderdaad. En als ik dan daar ginder ben, koop ik wapenen, en dan kom ik terug om mij te wreken.

--Neen, dat niet.

--Waarom niet?

--Omdat gij mij oogenblikkelijk, op uw riddereer, zweren zult, dat gij alle gevoel van haat tegen uwe vijanden aflegt en nooit weder in de Prairiën terugkomt.

--En als ik dat niet verkies te zweren?

--Dan zie ik van u af en laat u aan uw lot over; en daar dit geheel door uw eigen schuld is, beschouw ik mijne rekening met u als volkomen vereffend.

--O, ho! Maar gesteld eens dat ik de harde voorwaarden die gij mij oplegt aanneem; dan dien ik toch eerst te weten hoe wij te zamen de reis maken zullen; de weg is lang van hier tot de bezittingen der blanken, en ik ben niet in staat om zoo ver te voet te gaan.

--Dat is waar; maar maak u daar niet ongerust over, ik heb mijn paard niet ver van hier in een boschje bij de Rubio gelaten, dat moogt gij berijden, zoolang tot ik u een ander heb weten te verschaffen.

--En gij dan?

--Ik zal u te voet volgen; wij jagers zijn even goede voetgangers als ruiters; komaan, beslis nu maar.

--Mijn God! ik zal wel moeten doen wat gij zegt, of ik wil of niet.

--Ja, ik geloof dat het voor u het beste en het zekerste is. Gij zijt derhalve bereid om den eed te zweren dien ik van u vorder?

--Ik zie geen ander middel om mij uit de verlegenheid te helpen. Maar kijk eens! vervolgde hij op eens, wat gebeurt daar ginds in de struiken?

Vrij-Kogel wendde zich terstond om, in de rigting die de Mexicaan aanduidde.

Deze nam oogenblikkelijk zijne kans waar, en het pistool, daar hij tot hiertoe schijnbaar achteloos mede had zitten spelen, bij den tromp vattende, hief hij het schielijk op en gaf er den jager een slag mede op de hersenpan. De slag was zoo hevig en met zooveel juistheid toegebragt, dat Vrij-Kogel de armen slap uitstrekte, de oogen sloot en met een zwaren kreun op den grond tuimelde.

Don Estevan beschouwde hem een poos met een uitdrukking van haat en verachting.

--Idioot! mompelde hij, hem met den voet schoppende, gij hadt mij uwe zotte voorwaarden moeten opleggen eer gij mij gered hebt, nu is het te laat; zelfbehoud gaat voor. Ik ben vrij, cuerpo de Christo! en ik zal mij wreken.

Na het uitspreken dezer woorden, sloeg hij een uitdagenden blik ten hemel, bukte over den jager, ontnam hem zonder schaamte of aarzeling al zijne wapenen, en liet hem liggen, zonder zelfs te onderzoeken of hij dood dan alleen gewond was.

--Gij zijt het, vervloekte hond! riep hij, die nu van honger moet sterven, of door de wilde beesten zult worden verscheurd; wat mij betreft, ik vrees thans niets meer, daar ik de middelen in handen heb om mijne wraak te volvoeren.

Hiermede verliet de booswicht met gezwinde stappen het grasveld, om het paard van Vrij-Kogel op te sporen, dat hij op eenigen afstand van de rivier hoopte te vinden, en onverwijld dacht te bestijgen.

XXII.

HET KAMP.

Even voor het opgaan der zon bereikten de Gambucinos hun kamp. Gedurende hunne afwezigheid waren de weinige mannen, die zij tot bewaking der bolwerken hadden achtergelaten, niet verontrust geworden.

Don Mariano wachtte met levendig ongeduld op de terugkomst der Mexicanen, en zoodra hij hen zag naderen, reed hij hun te gemoet.

Loer-Vogel zag er droefgeestig uit, en de wijze waarop hij den caballero ontving, hoe welgemeend ook, was tamelijk droog.

De jager, ofschoon overtuigd dat hij met don Estevan te veroordeelen zijn pligt had gedaan, was slecht te moede en ging gebukt onder den last der verantwoordelijkheid die hij in deze zaak had op zich genomen.

Het is toch geheel iets anders, bij wijze van zelfverdediging, in een eerlijk gevecht en onder de hitte van den strijd zijn man te dooden, dan om in koelen bloede iemand te veroordeelen en af te maken, tegen wien men geen reden heeft van persoonlijken haat of wrok.

De oude Canadees was daarbij heimelijk bevreesd voor de verwijten van don Mariano; hij kende het menschelijke hart te goed, om niet te weten dat de caballero het bedrijf waartoe hij de Gambucinos had aangespoord, zoodra hij het koelzinnig ging beredeneren, diep verfoeijen, en diegenen zou vervloeken die hem al te gereed hadden ten dienste gestaan.

Hoe groot ook de misdaad was door don Estevan tegen don Mariano gepleegd, en hoe afschuwelijk zijn gedrag ook geweest moge zijn, het stond zijn broeder niet vrij om de wet der Prairie op hem toe te passen, en vooral niet om zijn dood te eischen voor eene vierschaar van hardvochtige mannen, bij welke, ten gevolge van hunne ruwe levenswijs, alle gevoel van barmhartigheid was uitgedoofd.

Thans, nu er verscheidene uren sedert de veroordeeling van don Estevan waren verloopen, was bij Loer-Vogel het nadenken ontwaakt en begon hij dit bedrijf uit een geheel ander oogpunt te beschouwen; hij vroeg zich onwillekeurig af, of hij werkelijk wel regt had om in deze zaak zoo te handelen, en of hetgeen hij straks nog voor een daad van strenge maar strikte regtvaardigheid hield, niet veeleer een maatschappelijke moord en een vermomde wraakoefening was geweest? Tevens verwachtte hij niet anders dan dat don Mariano, zoodra deze hem zag, hem bittere verwijten zou doen en van den dood zijns broeders rekenschap zou vorderen.

De jager maakte zich intusschen gereed om de vragen, die don Mariano hem zou kunnen doen, behoorlijk te beantwoorden; zoodra hij dus den caballero van verre ontwaarde, werd zijn door sombere gedachten zoozeer beneveld gelaat nog somberder. Maar hoe dit ook wezen mag, Loer-Vogel bedroog zich: er kwam over de lippen van don Mariano geen woord van verwijt, ja geen enkele toespeling op het gehouden gerigt, niet de minste zweem zelfs van ontevredenheid, die den jager kon doen vreezen dat de caballero voornemens was hem op dit teedere punt in 't verhoor te nemen of aan te vallen.

De Canadees haalde ruimer adem; slechts nu en dan, gedurende de weinige oogenblikken toen zij naast elkander het kamp binnentrokken, bespiedde hij van ter zijde het gelaat van don Mariano; de caballero was bleek en somber, maar zijne trekken stonden kalm en onbewegelijk.

De jager schudde het hoofd.

--Hij is zeker met nieuwe plannen bezig, prevelde hij in zich zelven.

Zoodra zij de kom van het kamp binnengetrokken en de barrikaden achter de Gambucinos gesloten waren, liet don Miguel schildwachten bij de verschansingen plaatsen; zich toen tot Loer-Vogel en don Mariano wendende, zeide hij:

--De zon zal over een uur opkomen; doe mij de eer, caballeros, van mijne gastvrijheid gebruik te maken en mij in mijne tent te volgen.

De beide mannen maakten eene buiging.

Don Miguel, nog altoos op de baar zittende, wenkte thans zijne dragers om hem tot voor zijne tent te brengen; daar gekomen, stond hij op, geholpen door Loer-Vogel, en trad leunende op den arm des jagers de tent binnen, gevolgd door don Mariano.

Het gordijn werd achter hen nedergelaten.

De Gambucinos door den nachtmarsch afgemat, haastten zich hunne paarden te ontzadelen en hen van voeder te voorzien; vervolgens, na eenige versche takkebosschen op de vuren geworpen te hebben, om ze weder te doen opvlammen, wikkelden zij zich in hunne fressadas en zarapes en strekten zich op den grond uit, waar zij weldra insliepen. Geen tien minuten na hunne terugkomst, lag de gansche troep in een diepen slaap gedompeld. Slechts drie mannen waakten nog: die drie mannen waren don Miguel, Loer-Vogel en don Mariano, verzameld onder dezelfde tent, waar zij een belangrijk gesprek hielden, dat wij onzen lezers terstond zullen mededeelen.

Het inwendige der tent waar don Miguel zijne gasten had binnengeleid, was op het eenvoudigst gemeubeld: in den eenen hoek stond de digt gesloten palankijn; in den tegenovergestelden hoek lagen eenige stapels dierenvellen die de slaapplaatsen aanwezen; vier of vijf bisonsschedels dienden tot stoelen; men zou moeijelijk iets kunnen uitdenken dat eenvoudiger en tevens gemakkelijker was.

Don Miguel wierp zich op zijn bed, na vooraf zijne gasten met een vriendelijken wenk te hebben uitgenoodigd om op de bisonsschedels plaats te nemen. Loer-Vogel en don Mariano schoven hunne zetels nader bij den gastheer, en zetten zich in stilte neder.

Don Miguel nam toen het woord.

--Caballeros, zeide hij, de daadzaken die dezen nacht hebben plaats gehad, daadzaken op welke ik niet zal terugkomen, vereischen eenige nadere toelichting, vooral in het vooruitzigt op de waarschijnlijke verwikkeling der gebeurtenissen die er later op volgen zullen, en aan welke wij, zoo ik hoop, geroepen zijn om binnen kort deel te nemen. Wat ik thans te zeggen heb gaat inzonderheid u aan, don Mariano, en het is dus vooral tot u dat ik het woord rigt. Wat Loer-Vogel betreft, hij weet nagenoeg waaraan hij zich in deze te houden heeft, en zoo ik hem verzoek om het gesprek dat ik met u voeren zal bij te wonen, is het vooreerst uit hoofde der oude vriendschap die tusschen hem en mij bestaat, en ten tweede omdat zijn raad ons altijd van groot nut kan zijn voor de nadere besluiten, die wij in deze zaak nemen zullen.

Don Mariano keek den Mexicaan aan met een blik die duidelijk bewees dat hij volstrekt niet begreep waar de spreker met deze lange inleiding heen wilde.

--Herinnert gij u niet, senor don Mariano, sprak de Canadees, wat ik u op weg naar het kamp gezegd heb, namelijk dat het belangrijkste gedeelte van deze historie u nog geheel onbekend was?

--Dat herinner ik mij inderdaad, antwoordde don Mariano, maar om u de waarheid te zeggen, heb ik toen aan uwe verklaring niet zooveel gewigt gehecht als zij schijnt te verdienen.

--Welnu, hervatte de Canadees, als ik mij niet bedrieg, zal don Miguel u met weinige woorden op de hoogte stellen van het gruwelijk komplot dat hier gesmeed werd. Maar, vervolgde hij bij manier van invallende gedachte, een ding spijt mij, er ontbreekt hier iemand dien ik er gaarne bij had gezien; het zou van belang zijn geweest dat ook hij de geheele waarheid vernomen had. Sedert onze terugkomst in het kamp heb ik hem echter nog niet ontmoet.

--Van wien spreekt gij?

--Van Vrij-Kogel, dien ik gelast had u herwaarts te vergezellen.

--Hij heeft mij werkelijk verzeld, maar aan den ingang van het kamp, waarschijnlijk daar hij begreep dat ik hem toen niet verder noodig had, heeft hij mij verlaten.

--Heeft hij u niet gezegd met welk oogmerk? vroeg de jager met een blik op den caballero.

Don Mariano ontroerde geweldig bij deze vraag, doch daar hij de oplossing liefst aan Vrij-Kogel zelf overliet en ongaarne zou hebben bekend dat hij zijn broeder had willen redden, antwoordde hij eenigzins verlegen en met zekere kwalijk verborgen aarzeling:

--Neen, hij heeft mij niets gezegd; ik dacht dat hij zich weder bij u zou hebben gevoegd, en zijne afwezigheid verwondert mij evenzeer als u.

Loer-Vogel fronste min of meer de wenkbraauwen.

--Dat is vreemd! riep hij; met dat al, hij zal waarschijnlijk zoo lang niet wegblijven, en dan zullen wij hooren wat hij gedaan heeft.

--Goed, zei don Mariano, die het gesprek over dit onderwerp niet gaarne langer wilde voortzetten. Welaan, don Miguel, vervolgde hij, thans ben ik tot uwe orders; spreek op, ik luister met aandacht.

--Geef mij mijn waren naam, don Mariano, antwoordde de jongman; die naam zal u misschien eenig vertrouwen op mij inboezemen: ik ben noch don Torribio Carvajal, noch don Miguel Ortega, ik heet don Leo de Torres.

--Leo de Torres! riep don Mariano, verbaasd oprijzende, de zoon van mijn dierbaarsten vriend!

--Die ben ik, hernam de jongman kortaf.

--Maar dat kan immers niet! riep don Mariano. Basilio de Torres werd, twintig jaren geleden, met zijne gansche familie vermoord door de Apache-Indianen, op de rookende puinhoopen zijner hacienda, die zij met storm hadden veroverd.

--Ik ben de zoon van don Basilio de Torres, hernam de avonturier. Zie mij eens goed aan, don Mariano: is er geen trek in mijn gezigt die uw geheugen kan te hulp komen?

De caballero trad nader, legde hem de beide handen op de schouders, en beschouwde hem eenige oogenblikken met de meeste opmerkzaamheid.

--Het is zoo, riep hij, overstelpt van aandoening terwijl er een traan in zijn oog blonk, de gelijkenis is buitengewoon; ja, ja, ik zie het, nu herken ik u.

--O, hervatte de jongman met een glimlach, ik heb de schriftelijke bewijzen in handen om mijne gelijkenis te bekrachtigen. Maar dat doet nu niets meer ter zake, komen wij dus terug op hetgeen ik u te zeggen had.

--Hoe is het toch mogelijk, viel don Mariano hem in de rede, dat ik na die verschrikkelijke gebeurtenis, die u tot wees maakte, nooit meer van u heb gehoord, ik, de beste vriend, ja bijna de broeder uws vaders! Ik zou mij zoo gelukkig hebben gerekend voor u te mogen zorgen.

Don Leo--want wij zullen hem voortaan bij zijn waren naam noemen--fronste de wenkbraauwen, zijn voorhoofd betrok zigtbaar en hij antwoordde met eene sombere, bevende stem:

--Ik zeg u dank, don Mariano, voor de vriendschappelijke gevoelens die gij mij betuigt; geloof mij, ik ben die niet onwaardig; maar ik verzoek u thans het geheim van mijn langdurig stilzwijgen in mijn hart te mogen bewaren; eens, zoo ik hoop, zal het mij vergund zijn te spreken, en dan zult gij alles vernemen.

Don Mariano drukte hem de hand.

--Doe zoo als gij goedvindt, zeide hij met eene diep bewogen stem; maar onthoud daarbij eene zaak, namelijk dat gij in mij den vader hebt wedergevonden dien gij verloren hadt.

De jongman wendde het hoofd af om de tranen te verbergen die hij in zijne oogen voelde opwellen. Er volgde eene vrij lange pauze; daarbuiten in de woestijn kon men de wolven hooren keffen, dit was het eenige geluid dat nu en dan de plegtige stilte verstoorde.

Het inwendige der tent werd niet anders verlicht dan door eene in den grond gestoken fakkel van ocote-hout, wier flikkerende vlam op het aangezigt der drie mannen allerlei schaduwen en lichten deed spelen en aan het geheel eene zonderlinge, spookachtige gedaante gaf.

--De hemel begint te graauwen, hervatte don Leo, in het oosten vertoonen zich heldere witte streepen; de nachtuilen onder het loof verborgen, begroeten den terugkeerenden dag; de zon zal spoedig verschijnen; het zij mij dus vergund u met weinige woorden mede te deelen wat gij nog niet weet, want als ik mijne voorgevoelens gelooven mag, zullen wij weldra met kracht moeten handelen, om het kwaad te herstellen dat don Estevan bedreven heeft.

De beide anderen bogen toestemmend, en don Leo ging voort:

--Om zekere redenen, die ik hier niet nader behoef te verklaren, was ik voor eenige maanden naar Mexico teruggekeerd; diezelfde redenen verpligtten mij tot een vrij zonderlinge levenswijs; ik verkeerde met lieden van de gevaarlijkste soort, en mengde mij, naarmate de gelegenheid zich aanbood, in de meest of minst dubbelzinnige kringen, al naar gij mijne woorden nemen wilt. Gelooft intusschen niet dat ik mij daarom aan misdadige aanslagen schuldig maakte, dan zoudt gij u zeer vergissen: ik deed alleen wat een groot aantal onzer medeburgers doet, namelijk zekeren smokkelhandel drijven, die misschien door de commiezen en bewindsmannen met leede oogen wordt aangezien, maar die met dat al op zich zelf weinig berispelijks heeft en voor den staat geen gevaar kan.

Loer-Vogel en don Mariano wisselden een veelbeteekenenden blik; zij begrepen, of meenden ten minste dat zij begrepen hadden, wat hij bedoelde.

Don Leo de Torres hield zich alsof hij dien blik niet opmerkte, en vervolgde:

--Een der plaatsen waar ik mij dagelijks vertoonde was de Plaza Major: daar kwam ik dikwijls bij zekeren evangelista, met name Leporello, een oud man van ongeveer vijftig jaar, maar een driedubbele schurk, woekeraar, koppelaar en huichelaar tegelijk, die onder den schijn van een eerwaardig uiterlijk, de laagste ploertenziel en het verdorvenste hart verborg; deze aartsschelm was, door zijn beroep als schrijver, en door de duizend geheime betrekkingen die hij onderhield, grondig bekend met de geheimen van een groot aantal familiën, en stond in verband met al de schandalen en wanbedrijven die dagelijks in de hoofdstad plaats hebben. Op zekeren dag, toen ik mij bij hem in zijn pothuis bevond, kwam er een jong meisje binnen; dat jonge meisje was beeldschoon en scheen eerlijk te zijn; zij beefde als een riet toen zij het hol van den onverlaat binnentrad; deze begroette haar terstond met zijn innemendsten glimlach en vroeg haar op den zoetsappigsten toon, wat er van hare dienst was. Zij wierp een bedeesden blik in het rond en merkte mij op. Ik weet niet waarom, maar ik kreeg terstond de lucht van een mystère; met het hoofd op de tafel en het aangezigt op de beide armen geleund, hield ik mij alsof ik sliep.--"Die man?" vroeg zij, op mij wijzende.--"O!" antwoordde de evangelista, "hij heeft te veel pulque gedronken; 't is een arm onderofficier zonder beteekenis: bovendien slaapt hij." Zij aarzelde een oogenblik; toen op eens haar besluit nemende, haalde zij uit haar boezem een papier te voorschijn.--"Schrijf dat af," zeide zij tegen den evangelista, "ik zal er u twee oncen goud voor geven." De oude fielt nam het papier aan en zag het in.--"Maar dat is geen Spaansch!" riep hij.--"Het is Fransch," antwoordde zij; "maar wat geeft gij daarom?"--"Ik in het minst niet," was zijn antwoord; hij nam zijn papier en pennen, en copiëerde het stuk zonder verder iets aan te merken. Toen hij er mede klaar was, vergeleek het meisje de beide stukken, scheen er over voldaan te zijn, verscheurde het origineel en vouwde het afschrift in den vorm van een brief, dicteerde den evangelista een kort adres, dat hij er op schreef, nam toen den brief, stak dien in hare keurs, en ging heen, na vooraf den beloofden prijs betaald te hebben, dien de schrijver met gretigheid aannam, daar hij in weinig minuten meer verdiend had dan hij anders in een maand winnen kon. Zoodra het jonge meisje vertrokken was hief ik het hoofd op, maar de evangelista wenkte mij om dadelijk mijn vorige houding te hernemen, daar hij het slot van zijne deur weder had hooren afdraaijen. Ik gehoorzaamde en niet tot mijn leedwezen, want bijna onmiddellijk trad er een man binnen, die, zooals duidelijk bleek, niet bekend wilde zijn, want hij had zich digt in een wijden mantel gewikkeld, en de rand van zijn sombrero was diep over zijne oogen neergeslagen. Terwijl hij binnen kwam gaf hij reeds een bewijs van ontevredenheid.--"Wie is die man?" vroeg hij op mij wijzende.--"Een arme beschonken vent, die zijn roes uitslaapt," was het antwoord.--"Er is zoo even een meisje weggegaan."--"Dat kan wel zijn," mompelde Leporello, terstond op zijne hoede bij deze vraag.--"Geen dubbelzinnige praatjes, schobbejak," antwoordde de onbekende trotsch, "ik ken u wel, en zal u betalen," vervolgde hij, een zware geldbeurs op tafel werpende, "antwoord dus, zeg ik u!" De oude vrek beefde van genoegen en al zijne bezwaren waren op eens verdwenen, toen hij het goud door de mazen zag glinsteren.--"Een jong meisje is hier zoo even de deur uitgegaan, zeg ik nog eens."--"Ja."--"Wat heeft zij van u verlangd?"--"Dat ik een Franschen brief voor haar zou overschrijven."--"Goed, laat mij dien brief zien."--"Zij heeft hem toegevouwen, er een adres op gezet en hem medegenomen."--"Dat alles weet ik."--"Wat wilt gij dan meer?"--"Wat meer?" herhaalde de onbekende grinnikend, "houd u maar niet zoo onnoozel, gij hebt zeker een copie van dien brief gehouden, die copie verlang ik te zien." Ik kan niet zeggen waarom, maar de stem van dien man had iets bijzonders, dat mij onwillekeurig trof; en daar hij bijna met den rug naar mij toe gekeerd stond, had ik gelegenheid om den evangelista een teeken te geven, dat hij gelukkig begreep.--"Ik heb er niet aan gedacht," antwoordde hij, en trok bij deze woorden zulk een kwezelachtig onnoozel gezigt dat de onbekende er werkelijk door misleid werd; het was blijkbaar eene teleurstelling voor hem.--"Enfin," hervatte hij, "zij zal wel terug komen immers?"--"Dat weet ik niet."--"Dan weet ik het wel; en zoo dikwijls als zij komt, zult gij mij een copie bewaren van ieder stuk dat zij u te schrijven geeft. Maar hoe is het met het antwoord op hare brieven, moet dat ook hier komen?"--"Dat zou ik u niet kunnen zeggen." De onbekende haalde de schouders op en zei met nadruk: "Gij zult die niet bestellen voor dat gij ze mij hebt laten zien. Adieu, tot morgen! en als gij uw belang wèl begrijpt, wees dan niet zoo onhandig als van daag." De evangelista grijnsde van genoegen en de onbekende keerde zich om, om heen te gaan; maar bij het maken van deze beweging bleef de slip van zijn mantel aan de tafel haken, zoodat de plooijen losgingen en ik een oogenblik gelegenheid kreeg om zijn aangezigt te zien; ik had al mijne zelfbeheersching noodig om niet te schreeuwen, daar ik hem oogenblikkelijk herkende; die man was don Estevan, uw broeder. Met een gesmoorden vloek trok hij den mantel weder over zijn gezigt en stapte mompelend de deur uit. Naauwelijks was hij weg of ik sprong op, schoof de grendels op de deur, plaatste mij voor Tio Leporello en zei met eene barsche stem: "Nu hebt gij met mij te doen!" Hij sprong verschrikt achteruit; er lag op mijn gelaat zulk eene vreesselijke uitdrukking, dat hij tot aan den muur van zijn pothuis terug stoof en krampachtig de goudbeurs omklemde, die hij zeker meende dat ik hem wilde ontrooven.--"Ik ben een arm oud man," riep hij.--"Waar is de copie die gij aan dien man geweigerd hebt?" vroeg ik even kort en bits als te voren. Hij grabbelde terstond in zijn lessenaar, nam de copie en gaf ze mij zonder een woord te zeggen; ik las haar bevend van aandoening, ik begreep alles.--"Ziedaar," zeide ik, hem een once goud in de hand duwend, "van iederen brief dien gij voor het jonge meisje schrijft, zult gij mij de copie ter hand stellen; ik veroorloof u om er ook dien man inzage van te geven; maar onthoud dit vooral: geen antwoord, door dat individu aan dat meisje geschreven, mag aan haar worden ter hand gesteld, voordat ik het gelezen heb; ik ben niet zoo rijk als die vreemdeling, maar ik zal u toch goed betalen. Gij kent mij. Ik heb u dus niets meer te zeggen, dan: zoo gij mij verraadt, zal ik u behandelen als een hond." Met deze bedreiging ging ik heen. Terwijl de Evangelista de deur achter mij sloot, hoorde ik hem mompelen: "Santa Maria! in welk een wespennest heb ik mij gewaagd!"--Zie hier verder den sleutel van dit mystère: het jonge meisje dat ik bij Leporello ontmoette heette dona Luisa en was novice in het Bernardijnen-klooster, waar zich uwe dochter bevond. Dona Laura niemand wetende aan wie zij zich beter zou toevertrouwen, had haar belast om aan don Francisco de Paulo Serrano....

--Mijn schoonbroeder en haar doopvader! riep don Mariano.

--Dezelfde, vervolgde don Leo. Uwe dochter, zeg ik, had dona Luisa gelast om aan senor Serrano, door middel van brieven, de misdadige plannen te openbaren die haar oom tegen haar smeedde, en hem als den besten vriend van haar vader, te smeeken haar te hulp te komen en in zijne bescherming te nemen.

--Mijn arme dochter! zuchtte don Mariano.