De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis
Part 15
Eensklaps stond hij weder op, en met de snelheid der gedachte sloeg hij de hand op de borst.
--Ach! riep hij in vertwijfeling uit, terwijl hij zijn arm op eens magteloos langs zijn lijf liet zinken, waar is mijn portefeuille?
Hij zocht haastig om zich heen, maar vond niets.
--Als zij die in hun bezit hebben ben ik verloren, vervolgde hij; wat moet ik beginnen? wat zal er van mij worden?
Een dof gedruisch van paardengetrappel klonk op dit oogenblik in de verte en scheen allengs nader te komen.
Weldra werd het geluid sterker en kon men gemakkelijk den aanmarsch van eene talrijke troep ruiters onderscheiden. Eindelijk, na verloop van een kwartieruurs, trok er een dertigtal woudloopers onder geleide van Vrij-Kogel het kamp binnen.
--Vrij-Kogel onder die bandieten? mompelde don Stefano, wat kan dit beteekenen?
Zijne onzekerheid duurde niet lang; de nieuw aankomenden droegen in hun midden een man op een baar,--die man werd door don Stefano onmiddelijk herkend.
--Don Miguel Ortega?--O! o! vervolgde hij een oogenblik later met een bitteren grimlach, nu ken ik mijn aanklager.--Geen nood, geen nood, riep hij in zich zelven, mijne zaak staat nog zoo hopeloos niet als ik gevreesd had; het blijkt thans dat deze mannen van niets weten en dat mijne onschatbare papieren, ten minste niet in hunne handen zijn geraakt. Ik denk dat die verschrikkelijke Lynch-wet voor ditmaal ongelijk zal krijgen en dat ik aan het tegenwoordig gevaar nog ontsnappen zal, even als aan zoo vele anderen.
Don Miguel werd voorbij gedragen zonder don Stefano te zien, of wat waarschijnlijker is, hij hield zich alsof hij hem niet zag. Don Stefano intusschen, daar hij er te veel belang bij had om geen de minste bijzonderheid van hetgeen er rondom hem gebeurde onopgemerkt te laten, volgde met oplettenden blik, ofschoon tevens met onverschillige houding, iedere beweging der jagers. Na de draagkoets te hebben nedergezet, aan de andere zijde van het kleine kamp dan die waar don Stefano zich bevond, formeerden de Gambucinos, zonder van hunne paarden te stijgen, een kring rondom het kamp en bleven onbewegelijk staan, met de karabijn op de dij, door welke manoeuvre iedere poging tot vlugten hem onmogelijk werd.
Nadat er een vuur van dorre takken was ontstoken, trad don Miguel uit zijne draagkoets. De bisonsschedels, vijf in getal, en bestemd om tot zetels te dienen, werden er in een halven kring omheen gelegd. Op deze schedels namen vijf mannen onmiddelijk plaats. Deze vijf mannen zaten in de volgende orde: don Miguel Ortega, die den post van president bekleedde, in het midden; Loer-Vogel en de Vliegende-Arend aan zijne regter- en Vrij-Kogel met Ruperto aan zijne linkerhand.
Deze vierschaar in de open lucht, te midden van het natuurlijke woud en omgeven door een troep ruiters, in hunne bonte kostumen en onbewegelijk als bronzen standbeelden, maakte een even indrukwekkende als zonderlinge vertooning. De vijf mannen, met hunne strenge gezigten, gefronste wenkbraauwen, kalme en onbewegelijke houding, geleken volmaakt naar een dier heilige veemgerigten, die in de middeleeuwen aan de oevers van den Rijn de onmagtige regtspleging der wettige regtbanken moesten vervangen, om de onbeteugelde misdrijven tegen te gaan, en die hunne vonnissen mede onder den blooten hemel uitspraken onder het gebulder der winden en het geheimzinnig gemurmel der snel afvlietende wateren.
Ondanks zijne moedsbetooning, voer don Stefano een huivering van schrik door de leden, toen hij zijne blikken over het kamp liet weiden en al de toebereidselen zag voor dit onverbiddelijk gerigt, te midden der eenzame wildernis.
--Hm! prevelde hij in stilte, ik geloof dat ik er minder gemakkelijk af zal komen en dat ik mij te veel heb gehaast met victorie te kraaijen.
Op dit oogenblik stegen op een gegeven teeken van don Miguel, twee jagers van hunne paarden en traden naar don Stefano; deze stond van zijne legerstede op; de beide jagers namen hem onder de armen en voerden hem voor het geregtshof.
Hij herstelde zich terstond, kruiste de armen over de borst, en wierp de vijf mannen die daar als regters zaten een sardonischen blik toe.
--Ha! caballero, zeide hij op spotachtigen toon tot don Miguel, gij zijt dus mijn beschuldiger?
De kapitein haalde even de schouders op.
--Neen, was zijn antwoord, ik ben uw beschuldiger niet, maar uw regter.
XIX.
HET GEREGTELIJK VERHOOR.
Na deze woorden volgde er een oogenblik van verwachting, ja bijna van aarzeling. Eene doodsche stilte scheen zich over het woud uit te breiden.
Don Stefano was de eerste die den indruk van schrik te boven kwam, welke zich onwillekeurig van hem had meester gemaakt.
--Welnu, zeide hij met een blik van minachting en eene heldere doordringende stem, zoo gij mijn aanklager niet zijt, waar is hij dan? verbergt hij zich misschien, nu het beslissende uur gekomen is? zou hij terugdeinzen voor de verantwoordelijkheid die hij op zich heeft genomen? Laat hem verschijnen, ik wacht hem af.
Don Miguel schudde het hoofd.
--Als hij verschijnt, zult gij misschien vinden dat hij te vroeg komt, antwoordde hij.
--Wat wilt gij toch met mij?
--Dat zult gij zien.
Don Miguel was somber en bleek; een droevige glimlach zweefde op zijne verwelkte lippen; het was duidelijk aan hem te zien dat hij zich zeer moest inspannen om zijne zwakheid te boven te komen, en zich vast op zijn zetel te houden.
Na eenige minuten van beraad, hief hij het hoofd op.
--Hoe is uw naam? begon hij.
--Don Stefano Cohecho, antwoordde de beschuldigde zonder aarzelen.
--De regters wisselden een blik.
--Waar zijt gij geboren?
--Te Mazatlan in 1808.
--Welk is uw beroep?
--Koopman te Santa-Fé.
--Met welk doel kwaamt gij in de woestijn?
--Dat heb ik u vroeger zelf reeds gezegd.
--Herhaal het hier, hernam don Miguel onverstoord.
--Ik moet u onder 't oog brengen dat deze beuzelachtige en voor u nuttelooze vragen mij vermoeijen.
--Ik vraag u om welke reden gij in de woestijn zijt gekomen?
--Het failliet van verscheidene mijner correspondenten heeft mij verpligt op reis te gaan, om te zien of ik nog iets van mijn verloren eigendom zou kunnen redden; ik ben dus alleen in de woestijn om de plaats te bereiken waar ik heen ga, ik weet geen anderen weg.
--Waar gaat gij heen?
--Naar Monterey; gij ziet met hoe veel gedweeheid en gemakkelijkheid ik al uwe vragen beantwoord, zeide hij op dien toon van gemeenzame scherts dien hij sedert zijn verhoor had aangenomen.
--Ja, hernam don Miguel langzaam en met nadruk op ieder woord, gij geeft bewijzen van groote gedweeheid en gemakkelijkheid, ik zou om uwentwil wenschen dat gij even opregt waart.
--Wat meent gij met deze woorden? vroeg don Stefano op hoogen toon.
--Ik meen daarmede, dat gij elke vraag van mij met een leugen beantwoord hebt, zeide de president kort en droog.
Don Stefano fronste de wenkbraauwen en uit zijn oog straalde een vlammende blik.
--Caballero! riep hij, zulk eene beleediging....
--Het is geene beleediging, vervolgde de president altoos even bedaard, het is de waarheid en gij weet het even goed als ik.
--Ik zou gaarne willen weten wat dit alles beteekenen moet? meesmuilde de Mexicaan.
Don Miguel keek hem strak in 't gezigt.
Onwillekeurig sloeg don Stefano de oogen neêr.
--Ik zal u voldoen, zei de president.
--Ik luister.
--Op mijne eerste vraag, hebt gij geantwoord dat uw naam is don Stefano Cohecho.
--Welnu?
--Dat is valsch; gij heet don Estevan de Real del Monte.
Een onmerkbare huivering liep den beschuldigde door de leden.
Don Miguel vervolgde:
--Op mijn tweede vraag hebt gij geantwoord, dat gij geboren waart te Mazatlan in het jaar 1808; dat is valsch, gij zijt geboren te Guanajuato in 1805.
Hier zweeg de president eenige oogenblikken, om den beschuldigde tijd te geven zijn antwoord gereed te maken; don Estevan--gelijk wij hem voortaan noemen zullen--achtte het echter niet geraden te antwoorden, maar bleef koel en norsch zwijgen.
Don Miguel glimlachte minachtend en vervolgde:
--Op mijne derde vraag hebt gij geantwoord, dat gij koopman en te Santa-Fé gevestigd waart; dat is evenzeer onwaar: gij zijt nooit koopman geweest; gij zijt senateur en woont te Mexico. Eindelijk hebt gij mij gezegd, dat gij de woestijn slechts doortrekt om u naar Monterey te begeven, waar uwe handelsbelangen u heenriepen; wat dit laatste betreft, behoef ik de valschheid uwer verklaring niet aan te wijzen, daar zij voldoende uit den zamenhang uwer vorige antwoorden blijkt, hierop verwacht ik thans uwe repliek, zoo gij nog iets te antwoorden hebt, waaraan ik grootelijks twijfel.
Don Estevan had intusschen den tijd gehad om zich van den geleden schok te herstellen; ook meende hij zeer goed te begrijpen waar deze geduchte aanval van daan kwam en door welke middelen men zulke juiste berigten tegen hem had in handen gekregen; hij verbeet zich de lippen en antwoordde op uitdagenden toon, met een schamper en spotachtig gezigt:
Gij schijnt te veronderstellen, caballero, dat ik u niet kan antwoorden. Niets is intusschen gemakkelijker, zoo als ik u por Dios! dadelijk zal bewijzen. Omdat gij, terwijl ik in zwijm lag, mijne portefeuille, ik wil niet zeggen mij ontstolen, zoo onbeleefd zal ik niet wezen, maar behendig hebt weten te ontfutselen, en daarin eenige bijzonderheden hebt gevonden, die gij mij thans voor de voeten werpt, denkt gij misschien dat ik geheel uit het veld ben geslagen, daar gij nu al mijne zaken weet. Het lijkt er wat na! Gij zijt gek, voor den duivel! al wat gij van mij vertelt is louter beuzelarij, die niets om het lijf heeft. Ja, ik beken, mijn naam is don Estevan, ik ben geboren te Guanajuato in het jaar 1805, en ik ben senateur; maar wat bewijst dat! Voorwaar! schoone bewijzen om eene beschuldiging op te gronden tegen een caballero! Cuerpo de Christo! ben ik dan de eenige in de woestijn die een anderen naam draagt dan den zijnen? Met welk regt denkt gij toch, gij allen, die hier alleen onder uw aangenomen bijnaam bekend zijt, met welk regt, zeg ik, denkt gij mij te beletten uw voorbeeld te volgen? 't Is inderdaad allerbespottelijkst, en zoo gij mij geen degelijker beschuldigingen voor de voeten kunt werpen, laat mij dan maar stil vertrekken en mijne eigen zaken doen.
--Wij hebben andere, antwoordde don Miguel met ijzingwekkende kalmte.
--Ik ken ze, caballero; gij beschuldigt mij, niet waar? dat ik u, don Miguel, die u soms don Torribio en ook wel don José noemt, gij beschuldigt mij, zeg ik, dat ik u in een hinderlaag heb gelokt, waaruit gij slechts als door een wonder gered zijt; maar dat is eene zaak tusschen u en mij, over welke God alleen uitspraak kan doen.
--Laat Gods heiligen naam er maar buiten, die komt bij deze zaak slecht te pas; ik heb u reeds gezegd, dat ik geenszins uw aanklager maar uw regter ben.
--Opperbest; geef mij mijn brieftasch terug en laat het daarmede uit wezen, want geloof mij, ik zie in de geheele zaak voor u geen het minste voordeel, of gij moest besloten hebben mij te vermoorden, dat zeer ligt het geval kon zijn. Als dat zoo is, ga dan gerust uw gang, ik heb in 't minst geen plan om tegen de dertig of veertig bandieten te vechten die ik hier rondom mij zie. Dood mij dus, zoo gij het goedvindt, maar maak een einde aan de zaak.
Don Estevan sprak deze woorden op een toon van de uiterste minachting, die echter door zijne regters, daar zij reeds vooraf wisten waaraan zij zich te houden hadden, niet scheen te worden opgemerkt.
--Wij hebben u uw brieftasch niet ontstolen, antwoordde don Miguel; niemand van ons heeft die gezien, veel min geopend; wij zijn geene bandieten en evenmin willen wij u vermoorden, maar wij zijn hier bijeengeroepen om u te vonnissen of vrij te spreken, volgens den regel der Lynch-wet, en wij zullen dien pligt volbrengen zoo onpartijdig als wij kunnen.
--Welnu, maar als dat zoo is, laat dan hij die mij beschuldigt voor den dag komen, en ik zal hem vernietigen. Waarom houdt hij zich schuil? Het regt kan niet anders dan in tegenwoordigheid van al de partijen uitgesproken worden. Dat derhalve de man verschijne, die voorwendt mij wegens misdaden te vervolgen daar ik niets van weet; laat hij komen, en ik zal hem bewijzen dat hij een vuige lasteraar is.
Naauwelijks had don Estevan deze woorden gesproken, of de takken van het naastbijzijnd kreupelhout bogen zich uiteen, en er kwam een man uit te voorschijn, die den Mexicaan met haastige stappen naderde, en hem onverschrokken de hand op den schouder legde:
--Bewijs mij, don Estevan, dat ik niets meer dan een vuige lasteraar ben, zeide hij met eene diepe zware stem, terwijl hij hem tevens met een blik van onverbiddelijken haat in de oogen keek.
--O! riep don Estevan, mijn broeder! en bij dien uitroep waggelde hij als een beschonkene, deed eenige stappen achteruit, met wijdgeopende oogen en starenden blik, terwijl een doodelijk bleek zijn gelaat overtoog.
Don Mariano hield hem met een fermen greep vast, om te beletten dat hij op den grond tuimelde, en toen met zijn gezigt bijna rakelings het zijne naderende, zeide hij:
--Ik ben uw aanklager, Estevan! zeg mij, wat hebt gij met mijne dochter gedaan?
Don Estevan antwoordde niet, zijn broeder zag hem een poos aan, met een blik dien wij niet wagen zullen te beschrijven; daarop stiet hij hem met een gebaar van de uiterste verachting van zich af. De ellendeling wankelde, strekte onwillekeurig de armen uit om zich aan hem vast te houden, maar zijne krachten schoten te kort: hij viel op de knieën en verborg zijn gelaat in de beide handen, met eene mengeling van woede en wanhoop die zich onmogelijk laat afschilderen.
Al de aanwezigen waren kalm en bedaard gebleven, niemand had zich verroerd of een woord gesproken, maar een heimelijke schrik had hen overmeesterd en zij wisselden blikken, waarin de beschuldigde, als hij ze had kunnen zien, reeds het vonnis zou hebben gelezen dat zij hem in hun hart hadden toegedacht.
Don Mariano wenkte zijne twee bedienden om hem te volgen, en met den een aan zijn regter en den anderen aan zijne linkerhand plaatste hij zich midden in het kamp, tegenover de geimproviseerde vierschaar, waar hij met eene krachtige, heldere en nadrukkelijke stem het woord nam, op de volgende wijs:
--Hoort mij, caballeros, en wanneer ik u alles zal gezegd hebben, wat ik u te zeggen had, over den man, die daar vernederd en verslagen voor u ligt, reeds eer ik nog een woord gesproken heb, zult gij hem zonder haat of zonder wrok oordeelen, volgens de uitspraak van uw geweten. Die man is mijn broeder; in zijne jeugd, om eene reden die ik hier niet nader zal verklaren, heeft mijn vader hem reeds willen verbannen; ik trad ten zijnen gunste tusschenbeide, verwierf hem, zoo al niet volkomen begenadiging, dan toch de vrijheid om onder het ouderlijke dak te mogen blijven. Dagen en jaren verliepen er; het kind werd man; mijn vader, toen hij stierf, liet mij al zijne bezittingen na, met uitsluiting van zijn anderen zoon, dien hij op zijn doodbed vervloekte; ik verscheurde het testament, riep dezen man tot mij en gaf hem, den armen bedelaar, zijn deel aan de erfenis terug, waarvan, naar mijn gevoelen, mijn vader het regt niet had hem te berooven.
Hier wendde don Mariano zich tot zijne bedienden. Beiden strekten gelijktijdig den regterarm uit, legden de linkerhand op de borst en beantwoordden de stomme vraag huns meesters met luider stem.
--Wij getuigen dat al het gezegde volkomen waarheid behelst.
--Die man had dus alles, zijn fortuin, zijn stand, zijne toekomst, alles aan mij te danken; want door mijn invloed alleen was het hem gelukt raadslid te worden. Zie nu eens hoe hij mijne weldaden vergolden en in welk eene mate hij zich erkentelijk heeft getoond. Hij had mij leeren vergeten wat ik als zijne jeugdige afdwalingen beschouwde, en wist mij te overtuigen dat hij geheel tot betere gedachten was gekomen; zijn gedrag scheen onberispelijk: in verscheidene gevallen had hij zelfs eene strengheid van beginselen aan den dag gelegd, dat ik in hem bewonderen moest; intusschen had hij mij volkomen weten te bedriegen, want hetgeen ik ter goeder trouw voor deugdzaam aanzag, was niet anders dan de grootste geveinsdheid, waarmede hij mij den blinddoek geheel over de oogen trok. Gehuwd en vader van twee kinderen, voedde hij ze op met eene gestrengheid, die mij het ontwijfelbaar bewijs scheen van zijne verbetering, en menigmaal zeide hij mij met blijkbaren ernst: "Ik wil dat mijne kinderen anders zullen worden dan ik geweest ben." Kortom, hij had mij misleid en ik werd er het slagtoffer van. Ten gevolge van een dier ontelbare omwentelingen, die ons schoone land verdeelen en ondermijnen, werd ik, ik weet niet door welke geheime intrigues, bij de nieuwe regering verdacht gemaakt en zag ik mij gedwongen op zekeren dag de vlugt te nemen, om mijn bedreigde leven te redden; ik wist niet aan wien ik mijne vrouw en dochter zou toevertrouwen, die ondanks haar vurig verlangen mij niet konden volgen; nu bood mijn broeder zich aan om voor haar te zorgen; een geheim voorgevoel,--eene stem des hemels, die ik niet had moeten veronachtzamen, fluisterde mij in, dien man niet te vertrouwen maar zijn voorstel af te wijzen. De tijd drong, ik moest vertrekken; de soldaten, afgezonden om mij in hechtenis te nemen, klopten reeds aan de deur van mijn hotel; ik gaf het dierbaarste wat ik in de wereld bezat, over aan mijn broeder, den ellendeling dien gij daar ziet, en ik vlugtte. Reeds twee jaren was ik afwezig en gedurende dien tijd schreef ik mijn broeder brief op brief, zonder ooit antwoord te ontvangen; ik was aan de grootste ongerustheid ten prooi; eindelijk nam ik het wanhopig besluit om mij in stilte naar Mexico te begeven, op gevaar af van terstond gevat en doodgeschoten te worden, toen ik, dank zij de hulp van eenige veelvermogende vrienden, die sterk voor mij ijverden, van de lijst der verbannenen werd geschrapt en vrijheid kreeg om naar mijn vaderland terug te keeren. Geen twee uren na het ontvangen van dit berigt, ging ik op weg; vier dagen later kwam ik te Vera-Cruz aan; ik gunde mij naauwelijks den tijd om rust te nemen, ik steeg te paard, en in een enkelen rid, zonder uit den zadel te komen, behalve om van paard te verwisselen, legde ik de negentig mijlen af die Vera-Cruz van de hoofdstad scheiden. Ik reed regelregt naar mijns broeders huis. Hij was afwezig, maar had er een brief achtergelaten, waarin hij mij schreef, dat hij wegens dringende zaken naar Nieuw-Orleans had moeten vertrekken, ofschoon hij hoopte na verloop van eene maand terug te zijn, terwijl hij mij tevens verzocht op hem te wachten; maar geen enkel woord aangaande mijne vrouw of dochter; geen enkel woord van mijne zaken; niets van zoovele dierbare belangen als ik aan zijne zorg had toevertrouwd. Mijne ongerustheid ging in schrik over: ik had het voorgevoel van een vreesselijk ongeluk; half gek van angst ging ik mijns broeders huis uit, ik besteeg het paard weder, dat dampend, met zweet en stof bedekt, en grootelijks afgereden, nog voor de deur stond, zonder dat iemand er zich mede bemoeid of er aan gedacht had om het te verzorgen: en ik reed in der ijl naar mijn eigen woning. Daar waren alle deuren en vensters gesloten, dat huis, dat ik zoo vrolijk en vol leven dacht te vinden, was eenzaam en stil als het graf. Ik vertoefde er slechts een oogenblik, en aarzelde zelfs om aan de deur te kloppen; eindelijk waagde ik het, de werkelijkheid, hoe vreesselijk zij ook wezen mogt, verkiezende boven eene onzekerheid die ik niet langer verdragen kon, en die mij inderdaad gek zou hebben gemaakt.
Op dit punt van zijn verhaal komende, hield don Mariano op; zijne stem was gebroken door zijne inwendige ontroering, die hij onmogelijk langer kon dwingen.
Er volgde een poosje stilte.
Don Estevan was niet van houding veranderd sedert het oogenblik dat zijn broeder met zijn verhaal aanving; hij scheen in diepe droefheid gedompeld en door wroeging ter neer geslagen.
Eenige oogenblikken daarna nam Bermudez, toen hij zag dat zijn meester buiten staat was om voort te gaan, het woord voor hem op.
--Ik was het die hem de deur opende, vervolgde de bediende; God is mijn getuige, dat ik mijn meester lief heb en dat ik voor hem, zonder bedenking, met lust mijn leven zou opofferen. Helaas! mij was de taak beschoren, hem de grootste smart te veroorzaken die een mensch met mogelijkheid lijden kan; ik was genoodzaakt de vragen te beantwoorden waarmede hij mij overstelpte; ik moest hem berigt geven dat zijne vrouw en dochter eenige weken te voren, beiden in het klooster der Bernardijnen overleden waren. De slag was verschrikkelijk, don Mariano stortte neer als door den bliksem getroffen.--Op zekeren avond, toen mijn meester, volgens gewoonte na zijn terugkeer, alleen in zijne slaapkamer zat, met het hoofd tusschen de beide handen, in diepe treurigheid verzonken en met de oogen vol tranen, de portretten beschouwende van haar die hem zoo dierbaar waren en die hij nimmer weder zoude zien, meldde zich iemand, in een wijden mantel gewikkeld en met den sombrero diep in de oogen gedrukt, bij ons aan, om Senor de Real del Monte te spreken; op mijne aanmerking, dat zijn edelheid niemand bij zich liet komen, hield deze man onverzettelijk vol, verklarende: dat hij mijn meester een brief van hoogst gewigtigen inhoud overhandigen moest. Ik weet niet hoe, maar de toon waarop die man sprak, kwam mij zoo opregt voor, dat ik op eigen gezag, de stellige orders die ik had om niemand binnen te laten, verbrak en hem bij don Mariano inleidde.
Hier verpoosde Bermudez een oogenblik; don Mariano hief het hoofd op en legde zijn ouden knecht de hand op den arm.
--Bermudez, zeide hij, laat mij het overige vervolgen; wat ik er heb bij te voegen zal kort zijn.
Zich thans tot de regters wendende, die steeds koel en bedaard zaten te luisteren, hervatte hij:
--Toen deze man voor mij verscheen, zeide hij mij zonder verdere inleiding: Senor, gij beweent twee personen die u hoogst dierbaar waren, maar wier lot u geheel onbekend is.
--Zij zijn dood, antwoordde ik.
--Misschien! riep hij. Wat zoudt gij geven aan iemand die u, ik wil niet zeggen goede tijding bragt, maar toch eenige hoop gaf?
Zonder te antwoorden, stond ik op, ging naar eene kast waar ik mijn geld en mijne juweelen in verborgen had:
--Houd uw hoed op! riep ik; en in een oogenblik was zijn hoed met goud en diamanten gevuld, die de onbekende terstond bij zich stak, en toen tegen mij het woord rigtende zeide hij:
--Mijn naam is Pepito; ik doe zoo wat in alle vakken; zeker iemand, wiens naam hier weinig afdoet, heeft mij dit stukje papier gegeven, met bevel om het u ter hand te stellen, zoodra gij te Mexico terug zoudt zijn. Eerst dezen morgen ben ik van uwe terugkomst onderrigt, en nu haast ik mij dit bevel ten uitvoer te brengen.
Ik rukte hem het papier uit de hand en las het, terwijl Pepito eer hij heenging mij met dankbetuigingen overlaadde, daar ik niet eens naar luisterde. Het briefje was van den volgenden inhoud:
Hier wenkte don Miguel met de hand, en viel hij don Mariano in de rede, door het woord van hem over te nemen, en met eene bevende stem te vervolgen: