De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis
Part 14
Don Mariano beschouwde de portefeuille met verstrooiden blik. Zij was eenvoudig van zwart segrijn leder, zonder verguldsel of andere sieraden, en zoo als reeds dadelijk bleek, meer een voorwerp van dagelijksch gebruik dan van weelde: zij bevatte een aantal brieven en papieren en was met een klein zilver knipje gesloten. Het onderzoek, dat, zoo als wij reeds gezegd hebben, met een bedenkelijk gezigt begonnen was, nam op eens een belangwekkenden keer, toen don Mariano aan de eene zijde van den omslag, in half uitgesleten gouden letters, de volgende woorden las:
"Don Estevan de Real del Monte."
Bij het zien van dit opschrift, dat hem op eens den naam van den eigenaar deed kennen, ontstelde hij zigtbaar; hij schoot een donkeren blik naar zijn broeder, die nog bewusteloos lag, en onwillekeurig trok hij de handen krampachtig zamen. Door deze geweldige drukking ging de knip waarmede de portefeuille gesloten was los, zij sprong open en verscheidene papieren vielen op den grond.
Bermudez bukte terstond om ze op te rapen en aan zijn meester terug te geven. Deze scheen ze werktuigelijk weder in de portefeuille te willen bergen, maar zijn bediende hield hem terug.
--Nu de hemel u de middelen in handen geeft om achter de waarheid te komen, zeide hij, moet gij de gelegenheid niet verzuimen, het zou u later kunnen berouwen.
--Het staat mij niet vrij mijns broeders geheimen te schenden, bromde don Mariano met blijkbaren weerzin.
--Neen, antwoordde Bermudez droogjes, maar wel om te weten hoe hij de uwen in handen heeft gekregen; denk aan de oorzaak van onze reis.
--Maar als ik mij eens bedroog.... als hij eens niet schuldig was?
--Zoo veel te beter! dan hebt gij er ten minste een afdoend bewijs van.
--Gij wilt mij dwingen tot iets dat mij niet vrij staat, ik heb het regt niet om zoo te handelen.
--Welnu, Senor, dan zal ik, die maar een arme knecht ben, wiens daden niets beteekenen, mij in uw belang dat regt aanmatigen.
En met een behendigen greep had de criado zich reeds van de portefeuille meester gemaakt.
--Ongelukkige! wat doet gij? riep don Mariano, houd op! zeg ik u. Wat wilt gij?
--Haar redden, misschien, die gij lief hebt, daar gij het toch zelf niet durft te doen.
--Dat mijn vader zijn knecht late begaan, riep thans de Roodhuid tusschenbeide komende, 't is de Wacondah die hem bezielt!
Don Mariano had den moed niet om er zich langer tegen te verzetten, te minder, daar een onverklaarbaar gevoel in zijn binnenste hem zeide dat hij verkeerd deed en dat Bermudez gelijk had met dus te handelen. De mesties was intusschen reeds met de meeste koelzinnigheid bezig de papieren in te zien, zonder zich te bekommeren of hij zoodoende tegen de etiquette zondigde.
--O! riep hij op eens uit, had ik het niet gedacht en heb ik u niet gezegd dat de Voorzienigheid zelve u de bewijzen in handen gaf, daar gij zoo lang te vergeefs naar zocht. Lees! lees zelf en, zoo gij kunt, twijfel dan aan het getuigenis van uwe eigene oogen, en weiger nog langer aan de trouwelooze schurkerij van uw broeder te gelooven!
Don Mariano nam thans met koortsachtige drift de stukken in handen en liep die met haastige blikken door. Na er twee of drie van gelezen te hebben, hield hij op, sloeg de oogen ten hemel en liet toen het hoofd op de handen zinken, met eene uitdrukking van de diepste smart:
--O! riep hij wanhopig, broeder! broeder!
--Schep moed, antwoordde Bermudez om hem te doen bedaren.
--Moed zal ik hebben! riep hij, het uur der geregtigheid is aangebroken.
Er scheen bij hem op eens eene schielijke verandering plaats te grijpen. De zelfde man, die weinige oogenblikken te voren nog zoo schroomvallig was, en wiens aarzeling hem geheel ongeschikt tot handelen scheen te maken, keerde om als een blad; 't was alsof hij grooter werd, zijne trekken namen een ontzettende strengheid aan en zijne oogen fonkelden van gramschap.
--Weg met die kinderachtige vrees! riep hij, niet langer geaarzeld. Er moet gehandeld worden.
Zich nu tot den Vliegenden-Arend wendende, vroeg hij:
--Is die man zwaar gewond?
De Indiaan trad naar don Stefano om zijne wonden te onderzoeken.
Zoolang hij hiermede bezig was, sprak niemand een woord, allen begrepen dat don Mariano eindelijk tot een krachtig besluit was gekomen, en dat hij het zou ten uitvoer leggen, zonder aarzeling of vrees voor hetgeen er later op volgen mogt.
De Vliegende-Arend keerde na verloop van een paar minuten terug.
--Wel! hoe bevindt gij hem? vroeg don Mariano.
--Die man is eigenlijk niet gewond, antwoordde de Indiaan, hij heeft slechts eene ernstige kneuzing aan het hoofd ontvangen, en is daardoor in een soort van verdooving geraakt, die zeker nog wel een uur zal aanhouden.
--Zeer goed; maar als hij bijkomt, hoe denkt gij dan dat zijn toestand wezen zal?
--Hij kan zich misschien zeer zwak gevoelen, maar dat zal langzamerhand overgaan, zoodat hij morgen zeker even welvarend zal zijn als voor dat hij dien slag ontving.
Een bittere glimlach bewoog de lippen van don Mariano.
--Vraag dien jager, uw vriend daar, of hij eens hier wil komen, ik heb u beiden iets te zeggen en een dienst te verzoeken.
Het opperhoofd gehoorzaamde.
--Hier ben ik, geheel tot uwe orders, Senor, zei Ruperto.
--Wij zullen zamen raad beleggen, begon don Mariano; zoo heet het immers in de woestijn, als men ernstige zaken te bespreken heeft?
De jager en de Indiaan bogen toestemmend.
--Hoort mij aandachtig, vervolgde de Mexicaan met eene vaste en nadrukkelijke stem: die man daar ginds, is mijn broeder, en die man moet sterven; ik wil hem niet dooden, maar hem voor de vierschaar brengen; gij allen die hier tegenwoordig zijt zult zijne regters wezen, en ik zal hem aanklagen. Zijt gij genegen mij te helpen eene daad te vervullen, niet van wraak, maar van strenge geregtigheid? Ik herhaal het u, ik zal hem aanklagen en beschuldigen voor u allen, met de bewijzen die ik in handen heb; uw oordeel en geweten zullen worden voorgelicht; die man zal zich mogen verdedigen, het zal hem vrijstaan ten uwen aanhoore zich te verklaren, opdat gij des te vrijer, naar mate zijne schuld of onschuld blijkt, hem zult kunnen veroordeelen of vrijspreken. Gij hebt mij begrepen, denkt er over na, ik wacht uw antwoord af.
Er volgde een diepe stilte.
Na verloop van eenige minuten vatte Ruperto het woord op.
--In de woestijn, zeide hij, waar de wereldsche geregtigheid niet doordringt, moet de Goddelijke wet regeren; als wij het regt hebben de wilde en schadelijke dieren te dooden, waarom zouden wij dan ook niet het regt hebben om een booswicht te straffen? Ik aanvaard dus den last dien gij mij opdraagt, omdat ik in mijn hart de overtuiging bezit, dat ik door zoo te handelen mijn pligt volbreng en eene dienst bewijs aan de gansche maatschappij, van wier regten ik als wreker optreed.
--Goed, hernam don Mariano, ik zeg u dank. En gij, hoofdman?
--Ik neem uw verzoek aan, zei de Comanch kortaf; de schurken moeten gestraft worden, onverschillig tot welk ras zij behooren. De Vliegende-Arend is een opperhoofd, hij heeft het regt om bij het vuur van den raad in de rei der eerste Sachems zitting te nemen en te veroordeelen of vrij te spreken.
--En gij nu, hervatte don Mariano, zich tot zijne bedienden wendende, wat antwoordt gij?
Bermudez trad een stap vooruit en boog eerbiedig voor don Mariano.
--Senor, zeide hij, wij kennen dien man: als kind heeft hij op onze knieën gesprongen en gespeeld, later was hij onze meester; onze harten zouden zich in zijne tegenwoordigheid niet vrij gevoelen; wij kunnen hem niet vonnissen, wij mogen hem niet veroordeelen, wij zijn alleen geschikt om het vonnis, hoe het ook wezen mag, dat over hem wordt uitgesproken, uit te voeren, zoo wij daartoe bevel ontvangen; vroeger zijne slaven en door de goedheid onzes meesters vrij geworden, zijn wij toch nimmer zijns gelijken.
--Ik heb van u geen andere gevoelens verwacht; ik dank u voor uwe vrijmoedigheid, mijne kinderen. Het is zoo, gij moogt in deze regtszaak niet opkomen; maar de Hemel zal ons, zoo ik hoop, twee mannen zenden, trouw van hart en vast van wil, om zonder schroom of gemoedsbezwaar uwe plaats te vervangen en als regters op te treden.
--De Hemel heeft u gehoord, caballero, riep op eens eene ruwe stem; hier zijn wij, gij kunt over ons beschikken.
Op hetzelfde oogenblik werden de takken van het kreupelbosch in hunne nabijheid met kracht uiteengeschoven en kwamen twee mannen te voorschijn.
Zij traden een paar stappen voorwaarts, zetten hunne geweren met de kolf op den grond, en wachtten op antwoord.
--Wie zijt gij? vroeg don Mariano.
--Jagers.
--Uw naam?
--Loer-Vogel.
--En de uwe?
--Vrij-Kogel. Sinds meer dan een half uur zaten wij reeds achter deze struiken verscholen; we hebben alles gehoord wat hier gesproken werd; gij behoeft dus voor ons op uwe verklaring in deze zaak niet terug te komen; maar er is nog iemand die de regtspleging van dezen man moet bijwonen.
--Nog iemand! wie dan?
--De man die door hem zoo verraderlijk werd aangevallen, dien gij in den nood hebt bijgestaan, en dien wij van een gewissen dood hebben gered.
--Maar wie zegt ons, waar die man thans te vinden is?
--Wij, zeide Loer-Vogel, wij die hem een uur geleden verlieten om u op te sporen.
--Nu, als dat zoo is, hebt gij gelijk; dan moet die man er ook bij tegenwoordig zijn.
--Ongelukkigerwijs is hij zwaar gewond; maar zoo hij niet in staat mogt zijn om hier te komen, zullen wij hem dragen; want ik weet niet hoe, maar ik geloof dat zijne tegenwoordigheid niet slechts noodig is voor ons, maar tevens ter opheldering van sommige zaken, die wij verpligt zijn aan het licht te brengen.
--Wat bedoelt gij daarmede?
--Heb geduld, caballero, gij zult ons weldra beter begrijpen; het kamp van dien man ligt niet ver af, hij kan nog hier zijn eer de zon ondergaat.
--Maar wie zal hem waarschuwen?
--Ik, antwoordde Vrij-Kogel.
--Ik zeg u dank voor uw loffelijk aanbod.
--Wij hebben welligt nog meer belang bij de toelichting dezer ingewikkelde zaak dan gij, caballero, verklaarde Loer-Vogel.
Op een wenk van zijn vriend, steeg Vrij-Kogel te paard en vertrok met gevierden teugel terwijl don Mariano hem even belangstellend als onthutst naoogde.
--Gij spreekt tot mij in raadsels, zeide hij tegen den Canadees, die nog altoos rustig op zijn buks geleund stond.
Loer-Vogel schudde het hoofd.
--Het is eene treurige historie, die zich in al hare hatelijkheid voor u zal ontwikkelen, en van welke gij het eerste woord nog niet weet, ondanks al de bewijzen die gij meent in handen te hebben, caballero.
Don Mariano slaakte een zucht, twee groote tranen brandden hem op de wangen, zoo diep was zijne smart.
--Schep moed, mi amo, zeide Bermudez, God is eindelijk voor u.
De haciendero drukte zijn trouwen huisbediende de hand en wendde het hoofd af om zijne aandoeningen te verbergen.
XVIII.
WAT DE REGTSPLEGING VOORAFGING.
Don Stefano verkeerde nog altoos in denzelfden bewusteloozen toestand, die nu reeds verscheidene uren had aangehouden. Na het vertrek van Vrij-Kogel, keerden Loer-Vogel, de Indiaan en Ruperto naar den lijder terug, en zetten zich weder in zijne nabijheid, om op het eerste oogenblik van zijne ontwaking te letten.
Don Mariano, die thans zijn vorigen schroom en naauwgezetheid geheel had ter zijde gezet, verlangde zeer om de geheime plannen en kuiperijen zijns broeders in al hare kronkelgangen zoo spoedig mogelijk te leeren kennen, ten einde de beschuldiging die hij in de zoo onverwachts gespannen vierschaar tegen hem dacht uit te brengen, op des te beter gronden te kunnen bouwen; hij trok zich dus met zijne twee bedienden in een digt kreupelbosch terug, waar hij onopgemerkt de portefeuille zou kunnen inzien. Hij opende haar met koortsachtig ongeduld en begon met gespannen aandacht de brieven te doorlezen, wier inhoud hem met een gevoel van woede en afgrijzen vervulde, dat hooger klom met iederen nieuwen brief dien hij in handen kreeg.
Het tweede doel dat hij met deze verwijdering beoogde, was om zijn broeder niets van zijne tegenwoordigheid te laten bemerken voor dat de regtspleging begonnen was. Eerst dan, wanneer don Stefano voor zijne regters stond, dacht hij onverwachts op te treden, om zoodoende diens bekende geslepenheid en tegenwoordigheid van geest te verschalken, door hem zijne koelbloedigheid te doen verliezen. Ziedaar de redenen waarom hij zich naar eene plaats terugtrok, waar de scherpste blik hem niet kon bespieden en waar hij plotseling uit te voorschijn zou komen, zoodra het gepaste oogenblik daar zoude zijn.
Er verliep nog meer dan een uur zonder dat don Stefano zich bewoog of de minste teekenen van leven gaf, ondanks de aanhoudende zorg van de Wilde-Roos, en hare herhaalde pogingen om hem te doen ontwaken. Gedurende al dien tijd zaten de drie mannen stilzwijgend op korten afstand bij hem nedergehurkt, en verloren zij hem geen oogenblik uit het oog; zij begrepen ten volle het gewigt der taak die hun was toevertrouwd en verlangden, met dat eerlijk instinct dat alle edele en opregte zielen eigen is, niets anders, dan dat de man dien zij straks zouden moeten vonnissen, spoedig genoeg tot het volle bezit van zijne verstandelijke vermogens zou terugkeeren, om zijn leven met kracht te kunnen verdedigen.
Op het oogenblik toen de schaduw van het geboomte zich over de vlakte begon te verlengen, en de ten ondergang neigende zon zich alleen tusschen de benedenste takken als een gloeijende vuurschijf vertoonde, stak de koele avondwind op en streek met verkwikkend geblaas over het bleek gelaat van den gewonde, die door deze weldadige verfrissching na de overstelpende hitte des dags als nieuw leven scheen in te ademen, en voor de eerstemaal daarvan bewijs gaf in het slaken van een diepen zucht.
--Nu zal hij aanstonds de oogen openen, fluisterde Loer-Vogel.
De Vliegende-Arend wenkte hem met den vinger voor den mond, dat hij zich stil zou houden.
Hoe zacht echter de jager ook gesproken mogt hebben, don Stefano had het gehoord, misschien zonder er den zin van te verstaan, maar toch duidelijk genoeg om hem terstond tot het volle besef van zijn toestand te brengen en op zelfbehoud bedacht te maken.
Don Stefano was geen gewoon mensch; als een echte zoon van het verbasterde Mexicaansche ras, was sluwheid een der meest kenmerkende trekken van zijn karakter: hij was uitgeleerd in de kunst van veinzen, en, gewoon om van personen en zaken steeds het ergste te denken, scheen het wantrouwen hem als aangeboren. De woorden van Loer-Vogel hadden hem gewaarschuwd om op zijne hoede te zijn. Zonder zich te verroeren of de oogen te openen, ten einde zijn terugkeer tot het werkelijk leven niet te verraden, poogde hij zich zoo veel mogelijk te herinneren welke omstandigheden zijn tegenwoordig ongeluk waren voorafgegaan, om zoodoende van stap tot stap te kunnen berekenen in welken toestand hij zich op dit oogenblik bevond, en zoo ten naastenbij te kunnen gissen in welke handen het toeval of het ongeluk hem hadden gebragt.
De taak die don Stefano ondernam was niet gemakkelijk, daar de drang der omstandigheden hem noodzaakte zijn krachtigste hulpmiddel, namelijk zijne oogen, ongebruikt te laten, waardoor hij anders de personen die hem omringden dadelijk zou hebben herkend, of althans had kunnen zien of het zijne vrienden dan wel zijne vijanden waren. Hij luisterde daarom des te scherper toe, om zoo mogelijk een woord of gezegde op te vangen dat zijne vermoedens op het spoor kon helpen en hem grond geven om eene stellige berekening op te bouwen; maar hoe slim hij het ook had overlegd, hij bleef in de volslagenste onzekerheid, daar de jagers, door den Indiaan gewaarschuwd, en op hunne beurt de arglistigheid van don Stefano vreezende, zich wel wachtten een woord te uiten of zelfs het minste gedruisch te maken.
Hun langdurig stilzwijgen vermeerderde niet weinig zijne ongerustheid, en bragt hem eindelijk zoodanig in 't naauw, dat hij besloot om het koste wat het wilde, er een einde aan te maken. Zijn voornemen dadelijk ten uitvoer brengende, deed hij eene poging om zich op te heffen, opende onverwachts de oogen, en wierp te gelijk een bespiedenden blik om zich heen.
--Hoe gevoelt gij u thans? vroeg Loer-Vogel zich tot hem buigende.
--Zeer zwak, antwoordde don Stefano met eene klagende stem, ik gevoel eene loomheid in al mijne leden, en ik heb een geweldige suizing in de ooren.
--Voelt gij? zei de jager. O, maar dat is niet gevaarlijk, dat is altijd zoo, als men een val heeft gedaan.
--Heb ik dan een val gedaan? hervatte de gewonde, die, daar hij Ruperto gezien en herkend had, zich meer op zijn gemak begon te gevoelen.
--Te duivel! dat zou ik denken, riep Loer-Vogel, wij hebben u op de zandbank gevonden bij het veer del Rubio.
--Ah zoo, hebt gij mij daar gevonden?
--Ja, eenige uren geleden.
--Ik zeg u dank voor de mij verleende hulp, zonder welke ik waarschijnlijk den dood zou hebben gevonden.
--Dat is zeer wel mogelijk; maar haast u niet te zeer om ons te bedanken.
--Waarom? vroeg don Stefano, terstond de ooren spitsend bij deze dubbelzinnige verklaring, die veel had van eene vermomde bedreiging.
--Weet ik het? antwoordde Loer-Vogel goedmoedig, niemand kan immers vooruit zeggen wat er gebeuren zal.
Don Stefano, wiens krachten snel wederkeerden en die reeds zijne helderheid van geest terug had bekomen, stond thans plotseling op, en wierp den Canadees een blik toe alsof hij zijne geheimste gedachten wilde doorgronden.
--Ik ben toch uw gevangene niet, hoop ik? zeide hij.
--Hm! riep de jager, zonder verder te antwoorden.
Dit korte tusschenwerpsel gaf den gewonde veel te denken, en verontrustte hem meer dan de langste verklaring.
--Laten wij vrij spreken, zeide hij na verloop van eenige minuten.
--Met al mijn hart, zei de Canadees.
--Onder u drieën is er maar een dien ik ken, vervolgde don Stefano, naar Ruperto wijzende, die hem met een toestemmenden wenk beantwoordde; en ik weet niet dat ik dien man ooit beleedigd heb, integendeel....
--Dat is waar, zeide Ruperto.
--Wat u betreft, ik heb u nooit gezien, gij kunt dus tegen mij onmogelijk eenige wrok of vijandschap koesteren.
--Inderdaad is dit de eerste maal dat de Voorzienigheid ons tegenover elkander plaatst, zei Ruperto.
--Overigens zie ik hier alleen den Indiaanschen krijgsman, die mij even als gij, geheel onbekend is.
--Dat alles is juist.
--Om welke reden zou ik dan uw krijgsgevangene zijn? Ik kan toch niet denken dat gij roofvogels zijt, van die soort die men bandieten noemt en die hier in de prairie als het ware in 't wild opgroeijen.
--Wij zijn geene bandieten, maar regtschapen en eerlijke jagers.
--Des te meer reden waarom ik op nieuw de vraag tot u rigt: ben ik uw gevangene, ja of neen?
--De vraag is niet zoo eenvoudig als gij onderstelt; want ofschoon wij, voor ons, u geen enkel persoonlijk verwijt hebben toe te voegen, moet gij zelf het beste weten of gij sedert uwe komst in de prairiën niemand buiten ons beleedigd of kwalijk bejegend hebt?
--Ik?
--Wie anders als gij? Hebt gij niet in den afgeloopen nacht nog gepoogd een man te vermoorden, door hem in een hinderlaag af te wachten en onverhoeds op het lijf te vallen?
--Ja, maar die man is mijn vijand.
--Goed! doch gesteld nu voor een oogenblik dat wij vrienden zijn van dien man?
--Maar dat is zoo niet, dat kan zoo niet zijn.
--Waarom niet? wat geeft u grond om dit te veronderstellen?
Don Stefano haalde verachtelijk de schouders op.
--Gij ziet mij dan wel voor zeer onnoozel aan, dat gij u verbeeldt mij met zulk een uitvlugt te kunnen afschepen.
--Het is intusschen geen uitvlugt, zoo als gij het gelieft te noemen.
--Een mooije zaak! als ik dien man in handen was gevallen, zou hij mij naar zijn kamp hebben laten overbrengen, om zich aan mij te wreken, ten overstaan der bandieten die hij onder zijne bevelen heeft, en voor welke mijn straf voorzeker al te aangenaam zou geweest zijn om hun dit verrukkend schouwspel te onthouden.
De oude spoorzoeker, die tot dusver met een half geslepen, half spotachtig gezigt het woord had gevoerd, veranderde op eens van toon en werd even ernstig en gestreng als hij te voren jolig was.
--Luister, zeide hij, en doe uw voordeel met hetgeen gij hooren zult: gij kunt ons door uwe geveinsde zwakte in 't minst niet verschalken; wij weten zeer goed dat uwe krachten ten naastenbij zijn wedergekeerd; de raad dien ik u geef is opregt en heeft ten doel om u in uw eigen belang te waarschuwen: gij zijt wel is waar geenszins onze gevangene, maar gij zijt evenmin vrij.
--Ik begrijp u niet regt, antwoordde don Stefano, wiens gelaat ofschoon aanvankelijk opgehelderd, bij de laatste woorden merkelijk donkerder was geworden.
--Geen der hier aanwezige mannen, vervolgde Loer-Vogel, heeft eenig persoonlijk verwijt tegen u; wij weten niet wie ge zijt, ik althans wist niet dat gij bestondt voor dezen dag; maar er is iemand, die tegen u,--niet enkel gevoelens van haat meent te koesteren, dat ware eene zaak die misschien tusschen u en hem alleen kon worden afgedaan, maar iemand die gronden van aanklagt tegen u meent te bezitten, voldoende om u onmiddelijk in regten te betrekken.
--Onmiddelijk in regten te betrekken! herhaalde don Stefano geheel uit het veld geslagen; maar voor welke regtbank wil die man mij dan doen verschijnen? wij zijn hier immers in de woestijn?
--Ja, dat zijn wij, en dat schijnt gij geheel te vergeten; in de woestijn is de wet der steden onvermogend den schuldige te bereiken; er bestaat dus hier eene verschrikkelijke, oppermagtige en onverbiddelijke wetgeving, op welke in het belang van allen, ieder die zich beleedigd gevoelt regt heeft zich te beroepen, wanneer de omstandigheden zulks gebiedend vorderen.
--En welke is die wet? vroeg don Stefano terwijl zijn gelaat zoo bleek werd als een lijk.
--De Lynch-wet.
--De Lynch-wet!
--Ja; in naam van deze wet hebben wij, die zoo als gij wel zegt, u niet kennen, ons vereenigd om u te oordeelen.
--Mij oordeelen! maar dat is onmogelijk. Welke misdaad heb ik begaan? wie is de man die mij beschuldigt?
--Deze vragen kan ik u niet beantwoorden; welke misdaad men u te last legt, weet ik niet; den naam van uw aanklager weet ik evenmin; maar dit verzeker ik u, dat geenerlei haat noch vooroordeel tegen u ons bezielt en dat wij geheel onpartijdig zullen zijn; maak dus uwe verdediging gereed, gedurende de korte tijdruimte die u overschiet, en als gij, wanneer het oogenblik daar is, uwe onschuld kunt bewijzen door uw beschuldiger te ontmaskeren, dan wensch ik van harte dat het u gelukken mag.
Don Stefano liet het hoofd tusschen de beide handen zinken en gaf onmiskenbare blijken van radeloosheid.
--Maar hoe wilt gij dat ik mijne verdediging zal voorbereiden, daar ik niet weet welke feiten men mij te laste legt? Geef mij licht in deze duistere zaak, hoe weinig het ook wezen mag, zoodat ik er mij naar kan rigten en weet waaraan ik mij te houden heb.
--Door te zeggen wat ik u gezegd heb, caballero, voldeed ik aan de inspraak van mijn geweten, dat mij beval u te waarschuwen voor het gevaar dat u bedreigt; u meer te zeggen kan ik onmogelijk, daar ik van alles even onkundig ben als gij zelf zegt te zijn.
--O, dat is om razend te worden! riep don Stefano.
Op een wenk van Loer-Vogel stonden Ruperto en de Vliegende-Arend op; ook de Wilde-Roos kreeg een wenk om hun voorbeeld te volgen; alle vier verwijderden zich, en Stefano bleef alleen achter.
De Mexicaan wierp zich ter aarde met de razende woede van iemand die op eens onoverkomelijke zwarigheden had zien oprijzen, en nu in eene hopelooze stelling opgesloten genoodzaakt was zich over te geven. Aan den hevigsten angst ten prooi en niet wetende hoe hij den storm moest bezweren die reeds boven zijn hoofd loeide, zocht hij te vergeefs naar middelen om aan de handen die hem aan alle zijden vasthielden te ontsnappen. Zijn anders altijd zoo vindingrijke geest verschafte hem geen enkele uitvlugt of list, die hij met goed gevolg zou kunnen aanwenden en volhouden, in dezen veegen strijd met eene onbekende vijandige magt; vruchteloos putte hij zijn vernuft uit, hij vond niets.