De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis
Part 13
Voor de eerste maal in zijn leven zag de oude jager zich tot zwijgen gebragt; hij zocht in de herinneringen van zijn avontuurlijk leven naar eene omstandigheid gelijk aan die waarin hij zich op dit oogenblik bevond; maar tot zijn groot verdriet moest hij bekennen, dat hij nog nooit iets van dien aard gezien had; deze teleurstelling maakte hem tegen wil en dank zoo mistroostig, dat hij met een norsch en ontevreden gezigt naast den jongman voort reed.
Intusschen kwamen zij toch verder; maar op eens hoorden zij in dezelfde rigting die zij volgden en op eenigen afstand voor hen uit een heftig gedruisch van paardenhoeven.
--Daar is Loer-Vogel! riep don Miguel.
--Hoogstwaarschijnlijk, zei Vrij-Kogel.
--Hij zal wel zeer verwonderd zijn, dat ik de hulp die hij mij brengt reeds halfweg te gemoet kom.
--Dat zal hij zeker.
--Laten wij wat harder doorrijden.
Vrij-Kogel keek hem aan:
--Gij hebt zeker een eed gedaan om u een hersenontsteking op den hals te halen, niet waar? zeide hij kortaf.
--Hoe dat? vroeg de jongman verwonderd.
--Maar mijn God! dat is immers ligt te begrijpen, hervatte de jager op knorrigen toon; een uur lang begaat gij nu reeds dwaasheid op dwaasheid; bedrieg toch u-zelven niet, wat gij voor kracht aanziet is niets meer dan koorts; die alleen houdt u gaande, pas dus op en vermoei u niet langer in een onmogelijken strijd, daar gij, ik voorzeg het u, nooit als overwinnaar uitkomt. Ik heb u stil laten begaan omdat ik er tot hiertoe geen dadelijk gevaar in zag, maar geloof mij, schei er nu meê uit, gij hebt reeds genoeg gedaan om de juiste maat van uwe kracht te kennen, en voor u zelven te bewijzen wat gij in geval van nood zoudt kunnen doen; dat is voldoende, laten wij thans stil houden en wachten.
--Ik zeg u dank, antwoordde don Miguel hem hartelijk de hand drukkende, ik zie dat gij een waar vriend zijt, uwe scherpe woorden bewijzen mij dit; ja, ik ben een dwaas, maar wat zal ik anders doen, ik bevind mij in een moeijelijken toestand, ieder uur dat ik verlies kan mij of anderen op de grootste gevaren te staan komen; ik vrees dat ik bezwijken zal alvorens de taak te hebben volbragt die het ongeluk mij heeft opgelegd.
--Gij zult nog veel vroeger bezwijken zoo gij niet verstandig handelt; vier of vijf dagen gaan spoedig genoeg voorbij, en bovendien, wat gij niet kunt doen, zullen uwe vrienden voor u doen.
--'t Is waar, gij doet mij over mijzelven blozen, ik ben niet slechts een dwaas maar een ondankbare.
--Laten wij er thans niet verder over spreken; het gedruisch komt reeds nader, waarschijnlijk zijn het uwe kameraden, evenwel zouden het ook vijanden kunnen zijn, in de wildernis moet men zich op alles gewapend houden; gaan wij dus in dit kreupelbosch, wij zullen er geheel onzigtbaar zijn voor de blikken van wie het ook wezen mogt; zoo het Loer-Vogel is, komen wij te voorschijn, zoo niet dan houden wij ons schuil.
Don Miguel kon dezen raad niet anders dan ten volle goedkeuren; hij begreep maar al te wel, dat hij bij mogelijken strijd, in zijn tegenwoordigen toestand voor zijn vriend slechts een zeer geringe steun zou kunnen zijn.
De beide mannen verdwenen in de struiken die zich achter hen sloten, en wachtten daar met het pistool in de hand de ruiters af, die zij van minuut tot minuut nader hoorden komen.
Vrij-Kogel had zich niet bedrogen: werkelijk was het Loer-Vogel, die met een vijftiental Gambucinos terugkeerde. Zoodra zij op weinige passen genaderd waren, kwamen de beide mannen te voorschijn.
Loer-Vogel kon naauwelijks zijne oogen gelooven; hij begreep niet hoe dezelfde man, die nog geen drie uren geleden bewusteloos en zonder teeken van leven, als een lijk op den grond lag uitgestrekt, thans kracht genoeg bezat om hem te gemoet te komen en zich zoo regt en ferm in den zadel te houden.
Don Miguel had eenige oogenblikken genot van zijn triomf, in de bewondering die hij den Gambucinos afdwong, lieden welke geen andere meerderheid kennen dat die der stoffelijke kracht; daarop wendde hij zich met een glimlach tot Loer-Vogel.
--De hulp die gij mij brengt is mij daarom niet minder welkom, goede vriend, zeide hij met eene zachte stem; die hulp is mij in deze oogenblikken, zoo al niet onmisbaar, dan toch hoogst noodig, want de wil alleen houdt mij te paard in mijn toestand.
--Gij moet zoo spoedig mogelijk naar het kamp terug; om alle verdere onheilen voor te komen, zullen wij er u op een draagbaar laten heen brengen.
--Een draagbaar! riep don Miguel.
--Gij moet; ik verzeker u, het is voor u van het meeste belang dat gij zoo spoedig mogelijk het bevel over uwe bende weder op u neemt, verspil dus uwe krachten niet in nuttelooze bravades.
Don Miguel boog zonder te antwoorden, hij begreep dat hij tegen het beweerde van den jager niet veel konde inbrengen; nadat hij dus met behulp der beide Canadezen van zijn paard was gestegen, gaf hij aan zijne onderhebbenden bevel om terstond een draagbaar zamen te stellen.
Loer-Vogel stak zijn arm onder dien van don Miguel, wenkte Vrij-Kogel om hen te volgen en verwijderde zich een eind ver van den troep, waar hij den jongman op het gras deed nederzitten.
--Daar gij thans in staat zijt mij te antwoorden, zullen wij van het oogenblik gebruik maken om een weinig te praten, terwijl de baar wordt gereed gemaakt, zeide hij; gij zult mij zeker veel te vertellen hebben.
De jongman zuchtte.
--Ondervraag mij slechts, antwoordde hij.
--Ja, zoo zal het ook beter gaan; op welke wijs en door wie zijt gij aangevallen?
--Dat zou ik u niet kunnen zeggen; het is bijster vreemd in zijn werk gegaan, zoo verward zelfs dat het mij met den besten wil van de wereld onmogelijk is om er het eerste woord voor te vinden.
--Dat maakt niets uit, zeg ons maar wat er met u gebeurd is; misschien zullen wij, die beter dan gij met de prairiën gewoon zijn, wel een draad vinden om u in dit schijnbaar verwarde doolhof den weg te wijzen.
Don Miguel vertelde nu zonder zich langer te laten bidden, tot in de kleinste bijzonderheden hoe zich de zaak had toegedragen.
Bij den naam van Addick, fronste Loer-Vogel de wenkbraauwen.
Toen hij van don Stefano sprak, wisselden de jagers een blik van verstandhouding; maar toen de jongman tot de zonderlinge ontknooping genaderd was van het gevecht, waarin hij, op het punt van het onderspit te delven, eensklaps door drie onbekenden werd bijgesprongen, die terstond daarna als met een tooverslag weder verdwenen waren, gaven de jagers teekenen van de grootste verbazing.
--Zie daar wat ik weet, vervolgde don Miguel, van de verfoeijelijke hinderlaag waarin ik vervallen was en waarvan ik zeker het slagtoffer zou geworden zijn, zoo gij niet nog in tijds waart toegeschoten om mij te redden. Thans weet gij alles zoo goed als ik, wat denkt gij er van?
--Hum! riep de jager, dat ziet er al zeer buitengewoon uit, inderdaad, er schuilt achter deze historie eene donkere zamenspanning, die met veel beleid en met duivelsche list en kwaadaardigheid schijnt te zijn aangelegd; het is waarlijk om bang van te worden. Ik koester zekere vermoedens, die ik vooraf tot klaarheid moet brengen; ik kan u dus niet dadelijk mijne meening zeggen. Inzonderheid moet ik sommige zaken zien op te sporen; laat dat maar gerust aan mij over. Slechts eene vraag nog: Die mannen, die u te hulp kwamen, hebt gij die ook gezien? Hebt gij niet met hen gesproken?
--Gij vergeet, antwoordde don Miguel glimlagchend, dat zij midden in den strijd opdaagden, alsof zij door den storm, die op dat oogenblik hevig woedde, werden aangevoerd. Het zou een ongeschikt oogenblik zijn geweest om een gesprek te beginnen.
--Dat is waar, ik doe een dwaze vraag, zei de jager; maar, vervolgde hij, met de kolf van zijn geweer op den grond stampende, het ga zoo het wil, ik moet er het mijne van hebben; ik verzeker u, dat ik spoedig zal weten wie uwe vijanden zijn, welke voorzorgen zij ook nemen om zich te verbergen.
--O, ja, het is ook stellig mijn plan om hen na te zetten, zoodra mijne krachten een weinig hersteld zullen zijn.
--Gij, caballero, antwoordde Loer-Vogel droog, gij gaat stilletjes naar uw kamp om u te laten genezen. Zoodra gij daar zijt, zult gij er u opsluiten als in eene vesting, en geen voet verzetten eer gij mij hebt wedergezien.
--Hoe zoo, wedergezien? herhaalde don Miguel; denkt gij mij dan te verlaten?
--Voor het oogenblik ja, zullen Vrij-Kogel en ik u verlaten; als wij bij u bleven, zouden wij u van geen nut zijn, terwijl wij u buitenaf groote diensten kunnen bewijzen.
--Wat wilt gij gaan doen?
--Als wij terug zijn zult gij alles weten.
--Ik kan bezwaarlijk in zulk eene onzekerheid blijven en behalve dat begrijp ik u niet.
--Het is toch duidelijk genoeg. Ik wil, met medehulp van Vrij-Kogel, dien don Stefano het masker afligten, een masker daar mijns bedunkens een zeer leelijk gezigt achter schuilt; ik moet weten wie de man is en waarom hij zich tegen u zoo verbitterd toont.
--Ik zeg u dank, Loer-Vogel; nu ben ik gerust. Ga heen en doe wat gij goedvindt, ik ben overtuigd dat alles wat menschelijkerwijs mogelijk is, door u zal gedaan worden; alleen moet gij mij één ding beloven eer gij vertrekt.
--Wat?
--Beloof mij, dat gij al de berigten die gij door uwe nasporingen zult opdoen, terstond aan mij zult mededeelen, zonder in het minst iets te ondernemen tegen den man, aan wien ik mij liefst in eigen persoon en op eene voorbeeldige wijs verlang te wreken; hebt gij mij verstaan, Loer-Vogel?
--Dat laat ik geheel aan u over; ik zal mij wel wachten in uwe zaken of belangen te treden, ieder heeft zijne taak in deze wereld; die man is uw vijand en geenszins de mijne: zoodra het mij gelukt is hem aan u over te leveren, of ten minste u tegenover elkander op gelijken voet te stellen, zult gij doen wat u goeddunkt, en heb ik met hem niets meer te maken.
--Goed; goed! bromde don Miguel, als ik vroeger of later dien duivel in mijne handen heb, gelijk hij mij eens in de zijne gehad heeft, zal ik hem niet laten ontsnappen, dat zweer ik u.
--Dat is derhalve afgesproken en wij kunnen vertrekken?
--Zoodra gij wilt.
Vrij-Kogel had het gehouden gesprek tusschen deze twee mannen tot dusver kalm en zoo het scheen onverschillig aangehoord, maar op dit woord kwam hij een stap voorwaarts, en Loer-Vogel de hand op den arm leggende, zeide hij:
--Wacht even.
--Hoezoo, nog langer? vroeg de jager.
--Een enkel woord slechts, maar een woord dat ik in de tegenwoordige omstandigheden van het hoogste gewigt beschouw.
--Spreek dan onverwijld.
--Gij wilt gaan ontdekken wie die don Stefano is, gelijk hij zich gelieft te noemen, en daar heb ik in zoover niets tegen; maar ééne zaak is er, die mij nog dringender toeschijnt, en die vooraf door ons ontdekt moet worden.
--Welke?
Vrij-Kogel wendde het hoofd beurtelings regts en links, stak het bovenlijf een weinig vooruit, liet daarbij zijne stem zoo diep dalen, dat zelfs zij tot wie hij onmiddelijk sprak, moeite hadden hem te verstaan, en begon op strengen toon:
--Het leven in de woestijn is geheel ongelijk aan dat in de steden. Daar ginds kennen alle menschen elkander min of meer, hetzij bij naam, hetzij door persoonlijke betrekking; men is er dikwijls door wederkeerige of regtstreeksche belangen zamenverbonden; kortom, er bestaat tusschen de inwoners der steden een gemeenschappelijke band, en zij vormen om zoo te zeggen eene groote familie. In de woestijn is dit zoo niet, daar heerschen eigenbelang en zelfzucht, de ikheid is er de hoogste wet; ieder denkt alleen om zich zelven, handelt voor zich zelven, in een woord bemint alleen zich zelven.
--In 's hemels naam! maak het toch kort, viel Loer-Vogel hem met ongeduld in de rede; waar drommel wilt gij anders heen?
--Heb geduld! vervolgde de onverstoorbare Canadees, geduld slechts, gij zult het spoedig weten. Om dus op het zoo even gezegde terug te komen: in de woestijn, zoo men niet lange jaren met iemand geleefd, en zamen alle gevaren en genoegens gedeeld, en alle lasten of ongelukken gemeenschappelijk gedragen heeft, leeft ieder individu voor zich zelven, alleen, zonder vrienden, en ziet men in anderen niets dan onverschilligen of vijanden. Bij de overrompeling daar don Miguel dezen nacht bijna het slagtoffer van werd, heeft hij tweederlei soort van lieden kunnen opmerken. Die twee soorten van lieden, zijn vooreerst verbitterde vijanden, en ten tweede zelfopofferende vrienden. Geloof toch niet, vervolgde de jager met klimmenden nadruk, dat ik mij in de beteekenis van hetgeen ik u heb willen zeggen bedrieg; daarin zoudt gij u al te zeer vergissen. Of komt het u niet even vreemd voor als mij, thans, nu gij koelzinnig en bedaard over de zaak nadenkt,--komt het u niet vreemd voor, zeg ik, dat er zoo op eens, zonder dat men begrijpen kan waarom, of hoe, menschen, als het ware uit den grond zijn opgerezen, om u krachtdadig bij te staan; en dat die menschen, toen het gevaar bijna geweken was, even plotseling weder verdwenen zijn, zonder een spoor van zich achter te laten en zonder het incognito te verbreken dat hen omhulde; vindt gij dat niet zeer vreemd? vraag ik u.
--Inderdaad, mompelde Loer-Vogel, daar had ik nog niet zoo diep over nagedacht? het gedrag van die lieden komt mij hoogst onbegrijpelijk voor.
--Nu, dat is juist wat ik tot klaarheid moet brengen, riep Vrij-Kogel met drift; de prairie is niet digt genoeg bevolkt, dat er op ieder gegeven punt, onder een vreesselijk onweder, menschen zouden worden gevonden gereed om u te helpen, louter uit pleizier om u van dienst te zijn; om zoo te handelen moeten deze lieden geheime redenen hebben gehad, die het voor ons dringend noodzakelijk is op te sporen. Wie verzekert ons bijv. dat zij geen deel uitmaakten van de bende die u aanviel, en dat het geen nieuwe streek was om u des te gemakkelijker meester te worden, eene krijgslist welke alleen door onze onverwachte tegenwoordigheid mislukt is? Ik herhaal het u, wij moeten vooral en onverwijld deze lieden gaan opzoeken, om te weten wie zij zijn en wat zij willen, in een woord, om ons te verzekeren of het onze vrienden dan wel onze vijanden zijn.
--Het is dunkt mij wel een beetje laat om thans nog zulk een onderzoek aan te vangen, beweerde don Miguel.
De beide jagers glimlachten, en wisselden en veelbeteekenenden blik.
--Voor u ja, die den sleutel der woestijn niet bezit, is het zeker laat, antwoordde Vrij-Kogel, maar voor ons is dit een geheel ander geval.
--Ja, voorzeker, stemde Loer-Vogel hem toe; als wij maar het minste spoor van hun togt kunnen ontdekken, hetzij een voetstap in het zand of een gebroken tak in de struiken, die ons hunne rigting aanwijst, hebben wij genoeg om hen te achterhalen en zullen wij u spoedig weten te zeggen wie de onbekende lieden zijn, wier gedrag, zoo als Vrij-Kogel te regt heeft aangemerkt, veel te vreemd en edelmoedig schijnt om er op te vertrouwen.
--O, dat ik u niet volgen kan! riep don Miguel verdrietig.
--Maak eerst dat gij hersteld zijt, en ik ben zeker dat uwe rol weldra begint; want eer wij drie dagen verder zijn, zullen wij u de vereischte inlichting brengen, zonder welke gij toch niets zoudt kunnen doen.
--Gij belooft mij dus dat gij binnen drie dagen terugkomt?
--Ja, binnen drie dagen zijn wij van onze onderneming terug; maak staat op onze belofte en draag zorg voor u zelven, zoo dat gij onmiddelijk met ons kunt te veld trekken....
--Ik zal gereed zijn.
--Welaan, tot wederziens dan; de zon staat reeds hoog, wij hebben geen minuut te verliezen.
--Tot weerziens en goed fortuin.
De jagers drukten don Miguel met warmte de hand, stegen te paard en verwijderden zich snel in de rigting van het veer del Rubio.
De kapitein der Gambucinos, op een draagbaar gelegd en zorgvuldig door zijne kameraden vervoerd, hervatte langzaam den togt naar zijn kamp, waar hij even voor het ondergaan der zon aankwam.
XVII.
DON MARIANO.
Thans zullen wij naar don Stefano Cohecho terugkeeren, dien wij in bewusteloozen toestand bij Ruperto en don Mariano hebben achtergelaten.
De dubbele uitroep van den jager en den Mexicaanschen reiziger, toen zij den man herkenden, dien zij aan den oever der rivier hadden opgenomen, bragt de aanwezigen tot stomme verwondering.
Bermudez kreeg het eerst zijne koelzinnigheid terug en nam, zijn meester naderende, het woord op.
--Kom meê, Senor, zeide hij, blijf toch niet hier, het zal welligt beter zijn dat uw broeder u niet ziet wanneer hij de oogen weder opent.
Don Mariano hield zijne blikken strak op den gekwetste gevestigd.
--Hoe is het mogelijk dat ik hem hier wedervind? riep hij als in zich zelven; wat doet hij in deze woeste streken? Hij heeft mij dus voorgelogen, toen hij mij schreef dat hij voor gewigtige zaken naar de Vereenigde Staten moest en naar Orleans zou vertrekken!
--Uw broeder Senor don Estevan, antwoordde Bermudez op somberen toon, is een man van duistere wegen, wiens gedachten onmogelijk te kennen en wiens daden moeijelijk te verklaren zijn. Gij ziet reeds, deze jager geeft hem een naam die hem niet toekomt; met welk doel zoekt hij zich aldus te verbergen? Geloof mij, don Mariano, daaronder schuilt een geheim, dat wij, zoo God wil, zullen zien op te helderen; maar laten wij voorzigtig zijn en aan don Estevan onze tegenwoordigheid niet verraden: het is altoos vroeg genoeg dit te doen, als wij zeker zijn of wij ons bedrogen hebben, ja dan neen.
--Dat is waar, uw raad keur ik goed, ik zal dien volgen; maar laat ik mij, eer ik heenga, van zijn toestand overtuigen; het is mijn broeder, en hoe zwaar hij mij ook mag hebben verongelijkt, zou ik hem niet gaarne onverpleegd laten sterven!
--Misschien was dat wel het beste, mompelde Bermudez.
Don Mariano wierp hem een ontevreden blik toe, en boog zich over den gewonde.
Deze lag nog altoos buiten kennis. De Wilde-Roos besteedde aan hem onvermoeid die teedere en gepaste zorg waarvan alleen de vrouwen van alle kleuren en natiën het geheim bezitten, maar zij poogde te vergeefs hem in het leven terug te roepen.
--Geloof mij, Senor, hervatte Bermudez dringend, gij doet beter u te verwijderen.
Don Mariano wierp een laatsten blik op zijn broeder en scheen eenige sekonden besluiteloos; daarop als met geweld zich omkeerende, zeide hij tegen Bermudez:
--Gaan wij!
Een glans van genoegen deed het gelaat van den ouden knecht ophelderen.
--Die man is u aanbevolen, riep don Mariano nog bij het heengaan tegen Ruperto; draag voor hem al de zorg die zijn toestand en de menschelijkheid vereischen.
De jager boog zonder te antwoorden. De Mexicaansche landedelman stapte naar zijn paard, dat met de twee anderen van zijn gevolg op korten afstand aan een jongen ebbenhoutboom was vastgebonden. Hij verwijderde zich niet dan met weerzin, het was alsof eene stem in zijn binnenste hem toeriep om te blijven.
Op het oogenblik toen hij den voet in den stijgbeugel zette, werd hem eene hand op den schouder gelegd; hij wendde zich om.
Er stond een man voor hem; die man was de Vliegende-Arend.
Het opperhoofd had aan de blanken onder zijn kommando de zorg toevertrouwd om den gewonde over te brengen. Met het aan zijn ras eigen instinct, was hij naar de plaats der hinderlaag teruggekeerd en naauwkeurig aan 't zoeken gegaan, op iedere plek waar de kans van het gevecht de strijders had heen gevoerd. Zijn oogmerk hiermede was om eenig spoor of teeken te ontdekken, dat op de eene of andere wijs zou kunnen dienen om de belanghebbenden aangaande den strik dien men don Miguel gespannen had voor te lichten. Het toeval had zijn wensch bekroond en hem een bewijs in handen geleverd van onberekenbare waarde dat don Stefano zeker met zijn beste bloed had willen betalen om het terug te koopen en te vernietigen; ongelukkig slechts was dit bewijs, hoe belangrijk ook, voor den Indiaan als een gesloten boek en van geen de minste kracht, omdat hij er den inhoud niet van kon ontcijferen.
De Vliegende-Arend dacht terstond aan don Mariano, die waarschijnlijk het gewigt van zijn geheimzinnige vondst gereedelijk zou kunnen verklaren; na het dus verscheidene malen omgekeerd en bekeken te hebben, stak hij het gevonden voorwerp zorgvuldig in zijne borst en keerde met al den ijver die zijn geslacht kenmerkt, en met snellen tred naar het kamp terug, waar hij zeker was den Mexicaan te zullen aantreffen.
--Gaat mijn vader vertrekken? vroeg de Roodhuid.
--Ja, zei don Mariano, maar het doet mij genoegen dat ik u nog eens zien mag voor mijn vertrek, hoofdman, om u te kunnen dank zeggen voor uwe gulle gastvrijheid.
De Indiaan boog, en vervolgde met de vraag:
--Mijn vader kan zeker de boeken der bleekgezigten ontcijferen, niet waar? de blanken bezitten veel kennis en mijn vader is zeker een opperhoofd bij zijn volk.
Don Mariano keek den Comanch verwonderd aan.
--Wat wilt gij daarmede zeggen? vroeg hij.
--Onze Indiaansche vaders hebben ons geleerd om de voornaamste gebeurtenissen, die van de vroegste tijden af in onze stammen zijn voorgevallen, op daartoe opzettelijk bereide dierenvellen aan te teekenen; maar de bleekgezigten weten alles; zij kennen het groote geneesmiddel en ook zij hebben colliers, (boeken).
--Ja, wij hebben boeken, in welke wij met vastbepaalde teekens, de geschiedenis der volken en zelfs de gedachten der menschen opschrijven.
--Goed, zeide de Indiaan blijkbaar verheugd, mijn vader zal dan die teekens wel kennen, want zijn hoofd is grijs.
--Zeker ken ik die, die kennis is zeer eenvoudig; maar hebt gij er eenig belang bij dat ik ze ken?
De Vliegende-Arend schudde het hoofd.
--Neen, zeide hij, ik niet, maar anderen misschien wel.
--Ik begrijp u niet, hoofdman; wees zoo goed u duidelijker te verklaren, want ik moet hier van daan voordat die man daar, weder bijkomt.
De Indiaan wierp een blik naar den gewonde.
--Hij zal in het eerste uur de oogen niet openen, zeide hij, de Vliegende-Arend kan dus vrij met zijn vader praten.
Onwillekeurig gevoelde don Mariano zijne belangstelling opgewekt om te weten wat de Indiaan hem te zeggen had; hij besloot dus nog te blijven, en gaf hem een wenk dat hij spreken kon.
--Dat mijn vader dan hoore, hervatte de hoofdman op ernstigen toon: de Vliegende-Arend is geen oude vrouw, hij is een beroemd opperhoofd, de woorden die zijne borst uitblaast zijn hem door de Wacondah ingegeven; de Vliegende-Arend houdt van de blanken, omdat zij goed voor hem zijn, en hem in vele omstandigheden groote diensten hebben bewezen. Na den afloop van het gevecht, heeft hij dezen morgen het slagveld bezocht, digt bij de plaats waar de man dien mijn vader hier heen heeft gebragt gevallen was; en de Vliegende-Arend heeft er een zak met geneesmiddelen gevonden, die verscheidene colliers bevatte; hij heeft die aan alle kanten bekeken, maar hij heeft ze niet kunnen begrijpen, omdat de Wacondah de oogen van zijn verstand met dien digten sluijer bedekt, die de Roodhuiden belet even helder te zien als de blanken; intusschen dacht de Vliegende-Arend dat deze geheimzinnige zak, ofschoon voor hem onbruikbaar, misschien voor mijn vader en zijne vrienden van eenig gewigt kon zijn; daarom verborg hij dien zorgvuldig in zijne borst en kwam hij in der ijl herwaarts om hem aan mijn vader te brengen. Ziedaar is hij, vervolgde de Sachem, terwijl hij uit zijn boezem eene portefeuille te voorschijn bragt en aan don Mariano overhandigde; dat mijn vader dien aanneme.
Ofschoon de Indiaan in dit alles zeer natuurlijk te werk ging, en de portefeuille, of wat zij bevatte, voor don Mariano welligt weinig te beteekenen had, was het toch niet zonder zekere heimelijke angstvalligheid dat de landedelman haar aannam.
De Indiaan stond met de armen op de borst gekruist en wachtte met blijkbare zelfvoldoening de gevolgen van zijn bewezen dienst af.