De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis

Part 11

Chapter 113,807 wordsPublic domain

--Addick gaat weder naar Quiepa-Tani, om te waken over haar die zijn broeder hem heeft toevertrouwd.

--Zal ik u spoedig wederzien?

--Misschien, antwoordde de Indiaan uitwijkend; maar, liet hij er dadelijk op volgen, heeft mijn broeder niet gezegd dat hij plan had om zich naar de Queche te begeven?

--Dat heb ik.

--Wanneer komt mijn broeder daar?

--In de eerste dagen der volgende maand, op zijn allerlangst. Waartoe die vraag?

--Mijn broeder is een bleekgezigt; zoo Addick zelf hem niet in de Queche brengt, zal de blanke hoofdman er niet kunnen komen.

--Gij hebt gelijk, ik wacht u dus tegen dien tijd op de plek waar wij elkander het laatst ontmoet hebben.

--Addick zal er zijn.

--Goed, ik reken op u; thans moet ik u verlaten, de nacht daalt snel, de wind steekt met kracht op, ik moet weg.

--Vaarwel, antwoordde de Indiaan zonder het minste blijk dat hij hem wilde tegenhouden.

--Adieu! riep don Miguel.

Met dit woord sprong hij in den zadel, gaf zijn paard de sporen en reed weg.

Addick staarde hem peinzend na; zoodra hij hem achter een boschje had zien verdwijnen, boog hij zich een weinig voorover en bootste tweemaal het fluisterend geblaas na van den cobra capella.

Op dit signaal, werden op korten afstand van het vuur, de takken van het kreupelbosch omzigtig uiteengeschoven en trad er een man te voorschijn.

Na vooraf een bespiedenden blik in 't rond te hebben geworpen, naderde hij den Roodhuid en bleef voor hem staan.

Die man was don Stefano Cohecho.

--Wel? vroeg hij.

--Heeft mijn vader alles verstaan? vroeg Addick op twijfelachtigen toon.

--Alles.

--Dus behoef ik mijn vader niets te zeggen?

--Niets.

--Het onweder nadert, wat verlangt mijn vader?

--Wat tusschen ons is afgesproken. Zijn de krijgslieden van den hoofdman gereed?

--Ja.

--Waar zijn ze?

--Op de aangewezen plaats.

--Goed, laat ons vertrekken.

--Ja, vertrekken wij.

De beide mannen, die elkander sedert lang reeds kenden, hadden niet veel woorden noodig om zich te doen verstaan.

--Komt! riep don Stefano met luider stem.

Op dit geroep kwamen er tien Mexicaansche ruiters te voorschijn.

--Ziedaar hulptroepen, ingeval uwe krijgslieden te kort schoten, zeide hij, zich naar het opperhoofd wendende.

Deze hield zich alsof het hem maar half beviel, hij haalde verachtelijk de schouders op en antwoordde meesmuilend:

--Waartoe twintig krijgslieden tegen een eenig man?

--Hij is een man die er honderd waard is! hernam don Stefano, op een toon van verzekerdheid die den Roodhuid ruime stof tot nadenken gaf.

Thans reden zij weg.--

Inmiddels reed ook don Miguel steeds voort in gestrekten draf. Hij was echter wel verre van te vermoeden dat er in deze oogenblikken een aanslag tegen hem gesmeed werd, en haastte zich geenszins uit vrees voor menschen maar voor den storm, die met iedere minuut heviger werd, terwijl de regen, die met groote droppels begon te vallen, hem aanspoorde om zoo spoedig mogelijk een veilige schuilplaats te zoeken. Onder het voortrijden dacht hij onwillekeurig na over het korte gesprek dat hij met den Roodhuid had gevoerd, en terwijl hij de tusschen hen gewisselde woorden bedaard overwoog, bekroop hem zekere onbestemde vrees en ongerustheid waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven; het was hem als of er achter de bestudeerde terughouding van den Indiaan een duister verraad schuilde: hij herinnerde zich thans dat deze nu en dan geweifeld en dubbelzinnig gesproken had! Hij beefde bij de gedachte, dat de meisjes een ongeluk kon overkomen zijn, of dat haar eenig gevaar bedreigde; en zijne ongerustheid klom, naar mate hij minder grond meende te hebben om zich op de trouw van den Indiaan te verlaten.

Op eens blonk er een lichtvlam door de duisternis, zijn paard maakte een zijdelingschen sprong en twee of drie kogels floten digt langs hem heen.

Oogenblikkelijk zette hij zich vaster in den zadel. Hij bevond zich juist midden in den hollen weg dien hij eenige uren te voren was doorgereden; van alle kanten ingesloten, zag hij in de schaduw rondom hem menschelijke gestalten zich bewegen, maar het was reeds te donker om hen bepaald te kunnen onderscheiden. Op dit oogenblik vielen er op nieuw schoten, een kogel nam zijn hoed weg, en verscheidene pijlen snorden digt langs hem heen.

De jongman hief stoutmoedig het hoofd op.

--Ha! verraders! riep hij met een sterke stem.

Terwijl hij zijn draver met de knieën aanzette, stoof hij met duizelende vaart voorwaarts, diep over den hals van zijn paard gebogen, met de teugels tusschen de tanden en in iedere hand een revolver.

Een vreesselijke oorlogskreet liet zich hooren, vermengd met woeste verwenschingen in het Spaansch.

Als een wervelwind vloog don Miguel door de hem omringde massa, en schoot hij zijne revolvers op den digten drom zijner onbekende vijanden af. Kreten van woede en smart weergalmden, geweerschoten en sissende pijlen vervolgden zijn toomeloos rennend paard, dat den grond niet meer scheen te raken.

Achter hem klonk de woedende galop van verscheidene ruiters die hem snel als de wind najaagden.

--Verraad! verraad! schreeuwde hij uit al zijne magt terwijl hij zijn zwaard trok, zijn paard deed zwenken en als een tijger met onbeteugelde vaart op de vijanden inreed, die hem aan alle zijden dreigden te omsingelen.

Op eens, in het heetst van den strijd, en op het laatste oogenblik, toen hij gevoelde dat zijne krachten hem begonnen te ontzinken en hij den ongelijken kamp weldra zou moeten opgeven, knalden er drie schoten van de andere zijde, en werden de lieden die hem aanvielen in de flank aangegrepen, en op hunne beurt genoodzaakt zich tegen onzigtbare vijanden te verdedigen,

--Wij komen! riep eene doordringende stem in de verte, hou stand! hou stand!

Don Miguel beantwoordde dit geroep met een daverenden aanvalskreet en stortte zich met vernieuwde kracht op den vijand in. Hij was thans niet langer alleen; wie het ook wezen mogt, die hem te hulp schoot, hij gevoelde dat hij ondersteund werd en hield zich voor gered.

Ondanks het onzekere terrein en de heerschende duisternis, troffen zijne slagen doel en werd de digt opeengedrongen massa der aanvallers, thans van twee zijden bestookt, genoodzaakt zich in twee partijen te scheiden; drie onbekende ruiters stormden door de hierdoor ontstane opening, en schaarden zich aan de zijde van don Miguel.

--Ha! riep deze met een spotachtigen lach, nu is de strijd ten minste gelijk. Vooruit! mijne kameraden, vooruit!

Met dezen uitroep wierp hij zich van nieuws op den vijand, onmiddelijk gevolgd door zijne drie dappere helpers.

Wie waren deze mannen? van waar kwamen zij? hij wist het niet en dacht er niet aan om het te vragen; trouwens was er geen tijd voor zulke verklaringen: overwinnen of sterven was de leus.

--Doodt, doodt hem! brulde een der vijandelijke ruiters, die bij herhaling op hem inreed met opgeheven sabel en met al de woede van ingekankerden haat.

--O! zijt gij het, don Stefano Cohecho? riep don Miguel, ik dacht wel dat wij elkander ontmoeten zouden, uwe stem heeft u verraden.

--Dood en verderf! was het antwoord.

De beiden mannen stormden thans als ontembare duivels tegen elkander, hunne paarden kregen een vreesselijken schok en de ruiter, dien de jongman voor don Stefano hield, tuimelde in 't zand.

--Victorie! juichte don Miguel, terwijl hij onmiddelijk doorsloeg en alles neêrsabelde wat onder zijn bereik kwam.

Zijne altijd nog onbekende vrienden, volgden hem spoorslags en weerden zich niet minder dapper. Tegen hun vereenigden aanval konden de vijanden niet lang stand houden, zij weken weldra terug en kozen in alle rigtingen het hazenpad.

De bergpas was weder vrij.

Thans meende don Miguel niets meer te duchten te hebben; hij gaf dus zijn paard de sporen, en reed in gestrekten draf den hollen weg uit naar den rivierkant.

Zoodra hij zich buiten gevaar bevond, haalde hij ruimer adem en keek om zich heen. Zijne onbekende verdedigers waren als door een tooverslag verdwenen.

Op hetzelfde oogenblik viel er een schot, en voelde hij aan den linker arm iets dat naar een zweepslag geleek.

--Wat moet dit beteekenen? prevelde hij onwillekeurig. Een geweerkogel had hem getroffen. Deze wond bragt hem tot het besef van zijn tegenwoordigen toestand.

Zijne vijanden hadden zich weder vereenigd en zaten hem op nieuw achter de hielen. Voor zich uit hoorde hij de troebele golven der hoog gezwollen Rubio bulderen; de wraak van Goden en menschen scheen zamen te spannen om hem te overstelpen! bij deze sombere gedachte beving hem een onwederstaanbare vrees, hij achtte zich verloren en slaakte den eersten noodkreet, dien wij reeds gezien hebben dat door de twee jagers gehoord werd.

Intusschen begonnen zijne vervolgers snel op hem te winnen; zonder aarzelen of nadenken stortte hij zich in de bruischende Rubio; een twintigtal kogels deden het water rondom hem opspatten; onverschrokken keerde hij zich op zijn paard om en schoot voor het laatst zijne revolvers af onder het uiten van den tweeden noodkreet, die door de jagers beantwoord werd met:

--Courage!

Maar de menschelijke natuur heeft hare bepaalde grenzen, deze laatste poging had het overschot zijner krachten uitgeput, wanhopig en met krampachtige hand omklemde bij de teugels van zijn paard, maar wankelde en stortte bewusteloos in de rivier, onder den wegstervenden uitroep:

--Laura! Laura!

Twee geweerkogels kruisten zich boven zijn hoofd, de eene afgeschoten door den man die aan den achter hem gelegen oever op hem mikte; de andere door Loer-Vogel. Zijn onbekende vervolger brulde als een aangeschoten wild dier, waggelde als een dronken man en verdween in de duisternis.

Wie was deze man? Was hij dood, of alleen gewond?

XIV.

DE REIZIGERS.

De geschiedenis die wij ons voorgenomen hebben te beschrijven, is zoo vol afwisseling en wordt derwijze beheerscht door hetgeen men in het menschelijk leven den onverbiddelijken gang der toevallige omstandigheden noemt, dat wij tot ons leedwezen ons andermaal gedwongen zien eenige stappen in ons verhaal terug te treden, en den lezer naar een tooneel te voeren dat niet ver van het veer del Rubio plaats had, op denzelfden dag als de in ons vorige hoofdstuk vermelde feiten.

Ongeveer een uur na de tarde,--dat is het oogenblik wanneer de zon, in het toppunt geklommen, hare stralen loodregt nederschiet en het op de prairiën zoo brandend heet maakt, dat alles wat leeft en ademt in het diepste der bosschen een schuilplaats zoekt--trokken drie ruiters het veer del Rubio over en reden moedig het pad op dat don Miguel eenige uren later volgen zou.

Deze ruiters waren blanken, en wat meer is Mexicanen. Het bleek reeds terstond aan hunne kleeding en houding dat zij niet tot de klasse der avonturiers behoorden, die onder de verschillende benamingen van jagers, strikkenzetters, woudloopers, gambucinos of bandieten in de prairiën van het Westen zich ophouden en haar in alle rigtingen doorkruisen.

Het kostuum der ruiters was dat der rijke hacienderos of Mexicaansche landlieden, namelijk: de breedgerande vilthoed met goud galon en prachtig met diamanten versierde torquilla (kap), de manga (mouwvest), de fluweelen calzoneras (broek) aan de knieën open, de botas vaqueros (jagtlaarzen), en eene komplete wapenrusting, zonder welke niemand zich in de woestijn waagt, bestaande in een geweer, een koppel revolvers, een navaja (dolk) en een machete (korte sabel). Hunne paarden, ofschoon door de brandende hitte min of meer afgemat, staken thans, door den overtogt over het veer een weinig verfrischt, moedig de hoofden op en huppelden zoo luchtig op de fijne beenen, dat zij ondanks hunne vermoeijenis weder in staat waren om des noods een verren rid te maken.

Een van de drie cavaliers scheen de meester, of althans in rang boven de andere verheven te zijn.

Het was een man van ongeveer vijftig jaar, met scherp geteekende gelaatstrekken, maar die het stempel droegen van zeldzame voortvarendheid en groote veerkracht; zijne hooge gestalte was welgevormd en forsch gebouwd, en zijn vaste regtstandige zit in den zadel kenmerkte den ouden soldaat.

Zijne beide gezellen behoorden tot de klasse der Indios mansos, een bastaardras waarin het Indiaansche bloed zoodanig met het Spaansche vermengd is, dat men hun geen bijzonder volkskarakter meer kan toekennen. Intusschen bleek het duidelijk genoeg aan hunne rijke kleeding en de gemeenzame wijs waarop zij naast hun meester voortreden, dat zij zijn volle vertrouwen genoten en door hunne sedert lang beproefde diensten, veeleer zijne vrienden waren, dan zijne knechten in den gewonen zin des woords. Zooveel zich uit de gelaatstrekken van den Indiaanschen mesties laat opmaken, bij welke de sporen des ouderdoms niet gemakkelijk te ontdekken zijn, hadden deze twee mannen den gemiddelden leeftijd, namelijk veertig à vijftig jaren bereikt.

De drie ruiters reden kort achter elkander, en zagen er ernstig en bezorgd uit; van tijd tot tijd wierpen zij sombere blikken in het rond, of smoorden een zucht, en vervolgden hun weg met gebogen hoofd, als lieden die de overtuiging neerdrukt dat zij een taak boven hunne krachten ondernomen hebben, maar ondanks zich zelven, eersthalve en vooral ook uit pligtbesef, tot iederen prijs worden voortgedreven.

De tegenwoordigheid dezer vreemdelingen aan het veer del Rubio, was een dier buitengewone verschijnselen, daar niemand verklaring van zou kunnen geven, en die zeker de jagers of Indianen in deze streek, zoo zij hen bemerkt hadden, wel zeer zou hebben verwonderd.

Op het terrein waar zij zich thans bevonden, was weinig wild, zij kwamen er dus niet om te jagen. Ook lag het zoo ver buiten de uiterste grenzen der beschaafde wereld, en zoo geheel in de laatste schuilhoeken der woeste Indianen verloren, dat zij geene kooplieden of gewone reizigers konden zijn.

Welke reden had hen dan genoopt om zich zoo diep en in zoo geringen getale in de wildernis te begeven, waar zij in ieder menschelijk wezen dat hun ontmoette een onverzoenlijken vijand moesten verwachten?

Waar gingen zij heen of wat zochten zij?

Op deze tweeledige vraag had niemand kunnen antwoorden, dan zij zelven.

Intusschen waren zij het veer overgetrokken, en voor hen uit lag eene onvruchtbare zandige streek, uitloopende op de bergengte of holleweg dien wij vroeger reeds hebben leeren kennen.

Op deze dorre vlakte groende geen enkele grasspriet; de brandende zonnestralen vielen er loodregt op het gloeijende kiezelzand, dat de hitte zoo mogelijk nog ondragelijker en bijna verstikkend maakte. De oudste der drie ruiters wendde zich om naar zijne kameraden:

--Houdt moed, muchachos! (jongens) zeide hij met eene zachte stem en een droefgeestigen glimlach, terwijl hij hun op eenige mijlen afstands de eerste boomgroepen aanwees van een uitgestrekt woud, welks welige plantengroei hun eene verkwikkende schaduw beloofde; goeden moed, weldra zullen wij uitrusten.

--Laat uwe edelheid zich over ons niet bekommeren, antwoordde een der criados (knechts); wat gij zonder klagen verdraagt, Senor, kunnen wij ook verdragen.

--De hitte is afmattend! ik gevoel dat ik zoo wel als gij eenige uren rust noodig heb.

--Als het wezen moest, zouden wij het nog lang genoeg kunnen volhouden, hervatte de bediende, maar onze paarden kunnen naauwelijks meer voort, de arme dieren zijn bek af.

--Ja, menschen en beesten hebben rust noodig. Hoe sterk onze wil ook wezen mag, het menschelijk gestel heeft zijne grenzen waarvoor het zwichten moet; schep moed! binnen het uur zijn wij er.

--Kom, kom, Senor, denk niet langer om ons.

De eerste reiziger antwoordde niet, en zwijgend vervolgden zij hun togt.

Intusschen bereikten zij weldra de ons bekende bergengte, die zij doortrokken, en nu bevonden zij zich te midden van een aantal boomgroepen, die allengs digter werden en hen reeds tegen de brandende zon begonnen te dekken. Eer zij echter het punt bereikten dat de eerste reiziger hun als rustplaats had aangewezen, bleef deze eensklaps staan en wendde zich naar hen om.

--Kijk eens! riep hij, dunkt u ook niet dat ginds in de struiken een kolom rook opgaat, daar regt voor ons uit, een weinig links aan den rand van het bosch?

De bedienden zagen uit.

--Inderdaad! riep de oudste der twee, er valt niet aan te twijfelen, ofschoon men van hier af zou kunnen denken dat het een nevel was; de rook is echter te blaauw en gaat te steil opwaarts; het is dus zeker dat er een vuur brandt.

--Sedert de tien dagen die wij in deze onmetelijke woestijn zwermen, hebben wij geen sterveling gezien; dit vuur moet ons dan zeer welkom zijn, daar het ons de aanwezigheid van menschen aanduidt, mits het slechts vrienden zijn; gaan wij hun terstond te gemoet, misschien zullen wij van hen eenige onschatbare narigten bekomen, aangaande het doel onzer reize.

--Met uw verlof, Senor, hervatte de criado met drift, toen wij de presidio verlieten, hebt gij goedgevonden u door mij te laten geleiden, vergun mij dus u een raad te geven die u, naar ik meen, in de tegenwoordige omstandigheden zeer nuttig zal zijn.

--Spreek, mijn brave Bermudez, ik verlaat mij ten volle op uwe ondervinding en goede trouw; uw goede raad zal mij zeer welkom zijn.

--Ik zeg u wel dank, Senor, antwoordde de man die zoo even Bermudez werd genoemd; ik heb u jaren lang als vaquero (koeherder) gediend, en in dit vak ben ik zoo dikwijls met Indianen zoowel als jagers in aanraking gekomen, dat ik omtrent het leven in de wildernis vrij wat kennis heb opgedaan, die ik mij vaak ten nutte maakte, al ben ik ook nooit zoo diep in de prairiën doorgedrongen als thans. Als ik u dus raden mag, moeten wij ons in deze streek vooral wachten om menschen te ontmoeten, en ze niet dan met omzigtigheid naderen, des te meer, daar wij niet weten wie wij hier vinden zullen, en of het onze vrienden of vijanden zijn.

--Dat is waar, uwe aanmerking is zeer gepast, maar ongelukkig komt zij een beetje te laat.

--Waarom?

--Omdat, zoowel als wij den rook van hun vuur hebben opgemerkt, die lieden daar ginds waarschijnlijk ons reeds gezien en al onze bewegingen zullen hebben gade geslagen, zooveel te meer, daar wij ons in geenen deele hebben zoeken te verbergen.

--Dat is zeker, don Mariano, helaas ja! antwoordde Bermudez het hoofd schuddend. Maar zoo gij het goed vindt, Senor, wat ik u ter vermijding van alle onaangenaam misverstand durf voorstellen, blijf gij dan hier met Juanito wachten, terwijl ik alleen vooruitrijd om daar ginder bij het vuur den staat van zaken op te nemen.

Don Mariano aarzelde met antwoorden, hij stond in beraad of hij zijn ouden bediende wel op deze wijs in gevaar zou brengen.

--Beslis, Senor, riep Bermudez met drift; ik weet zeer wel hoe men de Roodhuiden moet toespreken: zij zullen mij waarschijnlijk met een vlugt pijlen of met een paar kogels begroeten, als ik aankom; maar over het geheel zijn zij slechte scherpschutters; ik ben bijna zeker dat zij mij niet zullen raken, en daarna zal ik gemakkelijk met hen in gesprek komen. Gij ziet dus dat ik zulk een groot gevaar niet loop.

--Bermudez heeft gelijk, Senor, drong thans Juanito nader aan--een bescheiden en verstandig man die zelden sprak dan bij groote of dringende gelegenheden; gij moet hem laten begaan; wat hij voorstelt is zeker het beste dat wij doen kunnen.

--Neen! hervatte don Mariano, ik zal er nooit in bewilligen. God is de heer van leven en dood. Hij alleen mag er naar welgevallen over beschikken; zoo mijn armen Bermudez een ongeluk trof, zou ik het mij altoos verwijten; wij zullen zamen voortrijden, dan kunnen wij ons ten minste verdedigen, als wij met vijanden te doen krijgen.

Bermudez en Juanito waren juist gereed om hun meester te beantwoorden en waarschijnlijk zou de redetwist nog lang hebben geduurd, maar op dit oogenblik weergalmde de hoefslag van een paard, het lange prairiegras stoof uit elkander, en op ongeveer tien passen afstand van het driemanschap verscheen een ruiter. Het was een blanke, in het gewone kostuum der jagers in de prairie.

--Hola! caballeros! riep hij, vriendschappelijk met de hand wuivend terwijl hij zijn paard inhield; komt zonder vrees vooruit, gij zijt welkom; ik heb uwe besluiteloosheid opgemerkt en kwam herwaarts om u gerust te stellen.

De drie mannen wisselden een blik van verrassing.

--Komt, en aarzelt niet, riep de jager; wij zijn vrienden, zeg ik u, gij hebt niets van ons te vreezen.

--Ik zeg u dank voor uwe hartelijke uitnoodiging, antwoordde don Mariano eindelijk, en ik neem die volgaarne aan.

Thans was alle wantrouwen tusschen hen uitgewischt, de vier ruiters reden gezamenlijk naar het vuur, dat zij binnen weinige minuten bereikten.

Bij het vuur zaten nog twee personen, een Indiaan en zijne vrouw.

De reizigers stegen af, ontdeden de paarden van hun zadel en tuig, en na de vermoeide dieren van voeder te hebben voorzien, zetten zij zich met innige voldaanheid bij hunne nieuwe vrienden neder, die met al de hartelijkheid der woestijn hen lieten deelen in de eenvoudige gemakken en soberen voorraad van hun kampement.

De lezer zal deze drie nieuwe personaadjes ongetwijfeld reeds hebben herkend, als Ruperto, de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos, die wij verlieten op weg naar het Indiaansche dorp, waarheen Ruperto, op last van Vrij-Kogel, den Roodhuid zou vergezellen.

Don Mariano en zijne togtgenooten waren niet alleen vermoeid, maar hadden grooten honger; de jager en de Indianen lieten hun dus in alle stilte en ruimschoots hunnen eetlust voldoen; zoodra zij hen echter hunne papieren sigaren zagen opsteken, volgden zij hun voorbeeld en nam het gesprek een aanvang. Het begon, zooals men zegt, op de gewone krukken: over het weer, de hitte, den overvloed van het wild, maar werd weldra vertrouwelijk, ja zelfs bijzonder ernstig.

--Daar onze maaltijd thans geëindigd is, hoofdman, zeide Ruperto, moest gij ons vuur maar uitdooven, wij behoeven onze tegenwoordigheid niet kenbaar te maken aan de vagebonden die zonder twijfel op dit oogenblik in de prairie rondzwerven.

Op een wenk van den Vliegenden-Arend doofde de Wilde-Roos het vuur.

--Het is inderdaad den rook van uw vuur die u aan ons heeft ontdekt, antwoordde don Mariano.

--O ja! hervatte Ruperto lagchend, omdat wij het zoo wilden, anders zouden wij ons vuur wel zoo hebben aangelegd dat gij er niets van hadt kunnen zien.

--Gij wildet dus door ons gezien worden?

--Ja; het was een gewaagde zaak.

--Dat begrijp ik niet.

--Wat ik bedoel, schijnt u een raadsel, maar ik zal u zeggen wat er van is. Kijk, vervolgde de jager, zijn arm in de rigting der bergengte uitstrekkend, ziet gij den ruiter die daar ginds in vollen draf nadert? binnen vijf minuten zal hij digt bij ons zijn; en dank zij de door mij genomen voorzorg, zal hij ons voorbijgaan zonder ons op te merken.

--Zijt gij dan bang voor dien ruiter?

--Dat niet; integendeel, wij zijn juist hier om hem te hulp te komen.

--Gij kent hem dus?

--Volstrekt niet.

--Gij wordt hoe langer hoe raadselachtiger, caballero.

--Heb maar geduld, lachte de jager; ik heb u immers gezegd dat gij het raadsel spoedig weten zoudt?

--Ja, en ik moet u bekennen, gij maakt mijne nieuwsgierigheid derwijze gaande, dat ik de ontknooping met ongeduld te gemoet zie.

Intusschen was de ruiter, dien Ruperto don Mariano had aangewezen, tot op korten afstand genaderd, en weldra reed hij slechts weinig passen van het kamp, spoorslags voorbij.

Zoodra hij aan de andere zijde in het bosch verdwenen was, nam Ruperto weder het woord op: