De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis

Part 10

Chapter 104,065 wordsPublic domain

Met den eersten zonnestraal hief don Miguel het gordijn van zijne tent op en trad naar buiten, regt op zijn gast af, die, zoo als men in Frankrijk zegt, sliep met gesloten vuisten.

Don Miguel maakte er eene gewetenszaak van om zulk een vreedzamen slaap te storen; hij hurkte dus bij het vuur neder, verzamelde de verstrooide kolen, deed ze van nieuws opvlammen, rolde een fijne maïs-cigarette en begon bedaard te rooken, tot zijn gast zou ontwaken.

Inmiddels kwam het geheele kamp in beweging, de Gambucinos begaven zich elk aan zijne morgentaak, sommigen leidden de paarden naar de rivier om ze een bad te geven, anderen rakelden de vuren op om het ontbijt gereed te maken, kortom, ieder was op zijne manier bezig ten algemeenen nutte.

Eindelijk vond don Stefano, op wiens gezigt reeds eenige minuten een lastige zonnestraal gespeeld had, het oogenblik geschikt om wakker te worden, hij keerde zich om, rekte zich uit, opende de oogen en geeuwde herhaalde malen.

--Caramba! riep hij, zich oprigtende, het is reeds dag naar ik zie; wat gaat zulk een nacht toch spoedig om; het is of ik nog geen uur geleden ben gaan slapen.

--Ik zie met genoegen dat gij zoo goed geslapen hebt, caballero, zei don Miguel beleefd.

--Ha zoo! zijt gij daar, mijn waarde gastheer, riep don Stefano met meesterlijk geveinsde verwondering; dat belooft mij een gelukkigen dag, daar het eerste wat ik te zien krijg terwijl ik mijne oogen opsla, het aangezigt is van een vriend.

--Ik neem dat vleijende kompliment van u aan als eene beleefde scherts.

--Te drommel neen! ik verzeker u, wat ik u zeg is de zuivere uitdrukking van hetgeen ik denk, antwoordde de Mexicaan gemaakt goedhartig; het zou geheel onmogelijk zijn om de eer der woestijn beter op te houden of de heilige regten der gastvrijheid beter te begrijpen dan gij gedaan hebt.

--Ik zeg u dank voor den goeden dunk dien gij voor mij aan den dag legt. Ik hoop dus ook dat gij ons niet zoo spoedig verlaat, maar ten minste eenige dagen bij ons blijft.

--Dat zou ik gaarne willen, don Miguel; de hemel weet hoe gelukkig ik mij zou rekenen om uw aangenaam bijzijn nog eenigen tijd te genieten; ongelukkigerwijs is dit echter geheel onmogelijk.

--Kan dat waar zijn?

--Helaas, ja! een dringende pligt gebiedt mij om van daag nog te vertrekken en, gij moogt gelooven dat mij dit razend spijt, maar tegen de noodzakelijkheid kan men niet op.

--Welke reden is magtig genoeg om u te dwingen mij zoo plotseling te verlaten? vroeg don Miguel statig.

--Mijn hemel! een zeer alledaagsche, om niet te zeggen een gemeene reden, die u waarschijnlijk zal doen meesmuilen. Gij moet weten ik ben koopman te Santa-Fé; er zijn eenige dagen geleden te Monterey verscheidene handelshuizen failliet geraakt, daar ik loopende zaken mede heb, en die mij noodzaken cito van huis te gaan, om door mijne persoonlijke tegenwoordigheid nog te redden wat mogelijk is, uit de schipbreuk die mij bedreigt; ik ben zonder iemand te raadplegen of naar den weg te vragen op reis gegaan, en zoodoende kwam ik hier.

--Maar, opperde don Miguel, gij zijt hier nog ver van Monterey.

--Duivelsch! dat weet ik wel en dat maakt mij bijna wanhopig; ik ben vreesselijk bang dat ik te laat kom, te meer daar mij gezegd is, dat de lieden met welke ik te doen heb schurken zijn; de sommen die zij van mij in handen hebben zijn zeer aanzienlijk, en bedragen, als ik het u zeggen moet, meer dan de helft van mijn vermogen.

--Caspita! als het er zoo mede gelegen is, begrijp ik zeer goed dat gij haast hebt om verder te komen.

--Niet waar?

--Ik heb nooit kunnen denken dat gij zulke ernstige redenen hadt om uwe reis te bespoedigen.

--Gij ziet dus, gij moogt mij beklagen, don Miguel.

Het gesprek tusschen deze twee personaadjes werd met bewonderenswaardige gemakkelijkheid en meesterlijk gespeelde goedwilligheid gevoerd, zoo wel van de eene als van de andere zijde; en toch waren geen van beiden in staat den andere om den tuin te leiden. Don Stefano, zoo als het dikwijls gaat, had het al te mooi willen maken en was zoodoende de perken der waarschijnlijkheid te buiten gegaan, door zijn zegsman te zeer van zijne opregtheid te willen overtuigen. Deze geveinsde opregtheid had het wantrouwen van don Miguel in tweederlei opzigt wakker gemaakt: vooreerst, omdat don Stefano, van Santa-Fé naar Monterey reizende, niet alleen op den verkeerden weg was, maar zelfs beide deze steden volkomen den rug toekeerde, eene dwaling die zijne volslagen onbekendheid met de plaatselijke ligging van het land hem deed begaan, zonder dat hij het zelf wist of vermoedde; de tweede reden was even afdoende: geen handelsman namelijk, hoe gewigtig overigens de aanleiding tot zulk eene reis wezen mogt, zou het gewaagd hebben om geheel alleen de woestijn door te trekken, uit vrees voor de Indiaansche bravos, de bandieten en struikroovers, de wilde dieren en duizend andere gevaren, die hem bedreigden en aan welke allen hij onmogelijk zou kunnen ontsnappen.

Intusschen hield don Miguel zich alsof hij alles voor goeden munt aannam wat zijn gast hem verzekerde, en antwoordde hij op een toon van het volste vertrouwen:

--Hoe veel genoegen het mij ook zou zijn uw aangenaam gezelschap nog eenigen tijd te genieten, wil ik u niet terughouden, caballero; ik begrijp zeer goed dat gij dringende reden hebt om u te haasten.

Don Stefano boog met een onmerkbaren glimlach van triomf.

--Ten slotte, vervolgde don Miguel, wensch ik dat het u gelukken zal uw fortuin uit de klaauwen van die schurken te redden; maar in allen geval, caballero, hoop ik dat wij niet scheiden zullen eer wij zamen ontbeten hebben. Ik wil u wel bekennen, dat uwe weigering, om gisteren avond aan mijn sober souper deel te nemen, mij pijnlijk heeft aangedaan....

--O! viel don Stefano hem in de rede, geloof mij, caballero....

--Gij hebt u voldoende verontschuldigd, caballero, zoo erg was het niet, riep don Miguel; maar, vervolgde hij met nadruk, wij Gambucinos en woudloopers zijn wonderlijke menschen, wij verbeelden ons altoos, hetzij te regt of te onregte, dat een gast die weigert om met ons te eten, onze vijand is, of het ten minste worden zal.

Don Stefano onthutste min of meer bij dezen onverwachten aanval.

--Kunt gij dat veronderstellen, caballero? riep hij uitwijkend.

--Niet ik slechts veronderstel het, maar wij allen; zoo als ik u zeg, de lieden van onze soort zijn een wonderlijk volkje; het zijn onze vooroordeelen, domme, ingewortelde wanbegrippen, of hoe gij het noemen wilt, meesmuilde hij met een glimlach, zoo scherp als de punt van een ponjaard; maar het is nu eenmaal zoo en wij kunnen onzen aard niet veranderen. Ik houd het er dus voor, dat wij zamen zullen ontbijten; eerst dan wil ik u goede reis wenschen en nemen wij afscheid.

Don Stefano zette een wanhopig gezigt.

--Tot mijn ongeluk, maar ik kan niet, riep hij schouderophalend.

--Hoe dat?

--Mijn hemel! ik weet niet hoe ik u zal uitleggen wat er eigenlijk van is; 't is zoo bespottelijk, dat ik u waarlijk niet durf....

--Spreek ronduit, caballero; al ben ik slechts een ruw avonturier, misschien zal ik u wel begrijpen.

--Het zou u inderdaad ergeren.

--In 't minste niet; gij zijt immers mijn gast? Een gast wordt ons door den hemel toegezonden, en is een geheiligde zaak.

Don Stefano aarzelde.

--Kom! riep don Miguel, ik zal het ontbijt maar op laten zetten; misschien dat dan uw tong wel losser wordt.

--Daar ben ik eigenlijk het meest bevreesd voor, riep de Mexicaan met levendige drift en op zekeren toon van spijt; en daarom kan ik, in weerwil van mijn verlangen om u genoegen te geven, uwe vriendelijke uitnoodiging niet aannemen.

De jongman fronste de wenkbraauwen.

--Zoo! antwoordde hij, met een argwanenden blik op den spreker; en waarom niet?

--Dat is het juist wat ik u niet durf bekennen.

--Durf! durf vrij, caballero; heb ik u niet gezegd dat gij het regt hebt om alles te bekennen?

--Lieve hemel! als gij er mij dan toe dwingt, sprak hij op een toon die hoe langer hoe benaauwder klonk, verbeeld u eens, dat ik aan Nuestra de los Angelos eene gelofte heb gedaan, om zoo lang ik op reis ben, niet te eten voordat de zon onder is.

--Ah zoo! riep don Miguel, blijkbaar slechts half overtuigd; maar gisteren avond dan, toen ik u vroeg om met mij te souperen, was de zon dunkt mij reeds lang genoeg onder.

--Wacht even, ik heb nog niet uitgesproken.

--Ik luister.

--En zelfs dan, hervatte de Mexicaan, heb ik beloofd om niets anders te eten dan eenige gerooste maïskorrels, die ik in mijn mantelzak heb medegenomen, nadat ik ze vóór mijne afreis door een priester te Santa-Fé heb laten zegenen; ik begrijp wel dat u dit alles zeer belagchelijk moet toeschijnen, maar wij zijn zamen landgenooten, hetzelfde Spaansche bloed stroomt in onze aderen, en dus zult gij, in plaats van mij te bespotten, mij veeleer beklagen.

--Caspita! met hart en ziel, des te meer daar gij u aan een zeer harde penitentie hebt onderworpen. Ik zal ook niet trachten om u van uw bijgeloof af te brengen, want ik heb het mijne zoo goed als ieder ander; ik geloof dus dat wij wijs zullen doen als wij dit onderwerp verder laten rusten.

--Gij neemt het mij dan ten minste niet kwalijk?

--Ik! waarom zou ik het u kwalijk nemen?

--Dus zijn wij altoos goede vrienden?

--Beter dan ooit, lachte don Miguel.

De toon echter waarop deze woorden werden uitgesproken, was slechts ten halve geschikt om den Mexicaan gerust te stellen; hij wierp den spreker een zijdelingschen blik toe en stond op.

--Gaat gij reeds heen? vroeg hem de jongman.

--Als gij het mij vergunt, ga ik terstond op weg.

--Ga uw gang, ga uw gang, caballero.

Don Stefano, zonder verder te antwoorden, begon onmiddelijk zijn paard te zadelen.

--Gij hebt daar een nobel dier, merkte don Miguel aan.

--Ja, het is een Arabier van het zuiverste bloed.

--Het is voor de eerste maal dat ik een paard van dat kostbare ras te zien krijg.

--Beschouw het op uw gemak, caballero.

--Ik zeg u dank; maar ik vrees dat ik u te lang zou ophouden eer ik er mij aan verzadigd had. Hola! zadel terstond mijn paard, riep hij, zich tot Domingo wendende.

Deze bragt hem weldra een krachtvollen mustang van de schoonste soort. De jongman wipte met een enkelen sprong in den zadel, ook don Stefano steeg te paard.

--Gaat gij een wandelrid in den omtrek maken? vroeg deze.

--Als gij het mij vergunt, zal ik de eer hebben u een eind ver te begeleiden,--ten minste, vervolgde hij, met een spotachtigen lach zoo gij geen gelofte gedaan hebt die het u verbiedt; in dat geval zou ik er van afzien.

--Schertst gij? riep don Stefano op een toon van verwijt; gij zijt toch niet boos op mij?

--O hemel! neen, dat zweer ik u.

--Welaan, dan vertrekken wij zoodra gij maar wilt.

--Ik ben tot uwe orders.

Zij vierden hunne paarden den teugel en reden het kamp uit.

Naauwelijks echter hadden zij twintig passen gemaakt, of don Miguel hield zijn paard in en bleef staan.

--Verlaat gij mij reeds? vroeg don Stefano.

--Ik ga geen stap verder, antwoordde de jongman, en nu fier het hoofd opstekende, vervolgde hij met een barsch gezigt en op hooghartigen toon: Hoor eens, caballero, hier zijt gij niet langer mijn gast, wij zijn buiten mijn kamp en in de woestijn; ik kan u dus kort en bondig mijne gedachten zeggen en, voto a brios, ik zal het doen ook.

De Mexicaan keek hem verbaasd aan.

--Ik begrijp u niet, zeide hij.

--Dat is wel mogelijk; ik hoop zelf dat het zoo is, maar ik geloof het niet. Zoolang gij mijn gast waart, hield ik mij alsof ik geloof sloeg aan de leugens die gij mij op den mouw speldet; maar thans zijt gij voor mij niets meer dan ieder ander vreemdeling, ik wil u dus rondweg mijn gevoelen zeggen: welken naam ik op uw aschgraauw gelaat moet toepassen weet ik niet, maar ik ben overtuigd dat gij mijn vijand, of althans een spion van mijne vijanden zijt.

--Caballero deze taal.... riep don Stefano.

--Val mij niet in de rede, vervolgde de jongman met kracht; het kan mij weinig schelen wie gij zijt, het is mij genoeg dat ik u ontmaskerd heb; ik zeg er u dank voor dat gij in mijn kamp zijt gekomen; als gij mij thans ooit weder ontmoet, zal ik u ten minste herkennen; maar dit moogt gij gelooven en het is een raad dien ik zoo vrij ben u te geven: schud eer gij mij verlaat het stof van uwe schoenen, en kom mij nooit weder onder de oogen, het zou tot uw ongeluk kunnen zijn!

--Bedreigingen! riep de Mexicaan bleek van toorn.

--Neem mijne woorden zoo als gij verkiest, maar onthoud ze in het belang van uwe eigene veiligheid; al ben ik maar een avonturier, geef ik u op dit oogenblik eene les van trouw en opregtheid, die gij wel zult doen u ten nutte te maken; ik zou mij zeer gemakkelijk de bewijzen van uw verraad kunnen verschaffen, zoo ik dat verkoos, want ik heb twintig trouwe kameraden onder mijn bevel, die op een wenk van mij, u duivelsch leelijk zouden tracteren, en--vervolgde hij met een sarkastischen grijns,--door uwe kleederen en uw knapzak te onderzoeken, zonder twijfel onder uwe "gezegende maïskorrels," de reden wel zouden vinden van uw gehouden gedrag sedert gij bij mij zijt; maar gij zijt mijn gast geweest, en deze titel is uw vrijbrief; ga dus in vrede, en loop mij nooit weder in den weg.

Onder het uitspreken dezer woorden hief hij zijn arm op en gaf met zijn chicote! (karawats) het paard van don Stefano zulk een hevigen slag op het kruis, dat de Arabier, weinig aan zulk eene behandeling gewoon, als een pijl van den boog voor uitschoot, in weerwil der krachtige pogingen van zijn berijder om hem tegen te houden.

Don Miguel oogde hem een poosje na en keerde toen naar zijn kamp terug, hartelijk lagchend over de koddige wijs waarop hij het gesprek beëindigd had.

--Komaan, kinderen, zeide hij tegen de Gambucinos, dadelijk op marsch! voor zonsondergang moeten wij aan het veer del Rubio zijn, waar de gids ons wacht.

Een half uur daarna was de geheele karavaan reeds op weg.

XIII.

DE HINDERLAAG.

Geen meldenswaardig voorval verstoorde dien dag hunne reis. De karavaan trok door eene afwisselende landstreek, met ondiepe rivieren doorsneden, met hoog geboomte en digte katoenbosschen beplant, en met duizende vogelen van alle soorten en kleuren en stemmen bevolkt; aan den uitersten horizont, vertoonde zich als eene geelachtige streep, boven welke eene dikke wolk van dampen hing, de aanwezigheid van de Rio Colorado grande del Norte.

Gelijk don Miguel vooraf gezegd had, bereikte men het veer del Rubio eenige minuten voor zonsondergang.

Wij willen hier met een paar woorden beschrijven op welke wijs eene karavaan zich in de wildernis legert; deze beschrijving is onmisbaar om den lezer te doen begrijpen, hoe het komt dat men zoo gemakkelijk een legerkamp in en uit kan sluipen zonder gezien te worden.

De karavaan bestond, behalve het personeel en een troep pakezels, uit een stoet van vijftien met allerlei koopwaren beladen wagens. Zoodra de plaats voor het kampement gekozen was, werden de wagens in een vierkant opgesteld, met een afstand van vijf en dertig voet tusschen de wagens onderling; in deze tusschenruimten werden door zes of acht mannen vuren ontstoken, rondom welke zij zich legerden, om er hunne spijzen te bereiden, te eten, te praten en te slapen. De paarden en muilezels stonden in het midden van het vierkant, niet ver van de geheimzinnige tent die het centrum van het kamp uitmaakte.

Men had de helft der paarden het regter voorbeen aan het linker achterbeen gekluisterd, met een touw van twee à drie voet lengte. Wij moeten hierbij opmerken, dat een op deze wijs gebonden paard zich in het eerst zeer belemmerd gevoelt, maar spoedig genoeg aan zijn toestand gewent, om ten minste langzaam te kunnen voortkomen.

Overigens is dit een voorzigtigheidsmaatregel, welke dienen moet om te beletten dat de dieren te ver weg loopen of door de Indianen worden opgevangen. Men bindt gewoonlijk twee paarden aan elkander, het eene op bovengenoemde wijs gekluisterd, en het andere slechts met een lang touw aan zijn kameraad gekoppeld, welke laatste in geval van onraad om zijn makker heenspringt en galoppeert, die hem zoodoende als het ware tot spil of centraalpunt dient.

De buitenrand der ruimte tusschen de wagens werd met schanskorven, op elkander gestapelde boomstammen en met de pakken der muildieren opgevuld.

Zulk een legerkamp van woudloopers in de prairie levert inderdaad een merkwaardig en zonderling schouwspel. Rondom de vuren ziet men de avonturiers schilderachtig gegroepeerd, staande, zittende of in liggende houding, sommigen bezig met koken, anderen met het verstellen van kleederen, paardentuigen of wagens; nog anderen met het poetsen hunner wapenen; nu en dan verheft zich midden uit de groep een schaterend gelach, om te bewijzen dat de kwinkslagen lustig rond gaan en dat men met vrolijke vertellingen de geleden vermoeijenis van den dag weet te verdrijven of zich op die van den volgenden voorbereidt.

Ter voltooijing der bonte schilderij, ziet men van afstand tot afstand bij de verschansing schildwachten rustig op post staan, met het geweer in den arm of met den elleboog op den tromp hunner wapenen geleund.

Zoo als wij reeds gezegd hebben, bevond zich in het midden de tent van den chef, bewaakt door een opzigter, die tevens het oog over de paarden liet gaan.

Uit de bovenstaande beschrijving zal men gereedelijk kunnen opmaken, dat er tusschen de wielen der opgestelde wagens hier en daar openingen overblijven, en er dus voor een vlug mensch gelegenheid genoeg is om weg te sluipen en zoo doende buiten de verschansing te geraken, zoo wel, als er weder binnen te dringen, zonder door de oppassers of door zijne overige kameraden te worden opgemerkt, wier blikken gewoonlijk meer op de vlakte naar buiten zijn gerigt, daar zij geen reden hebben om te bespieden wat er in het kamp zelf omgaat.

Zoodra alles in orde was en ieder zich zoo gemakkelijk mogelijk had gemaakt, liet don Miguel een versch paard zadelen, dat hij onmiddelijk besteeg, en van waar hij de rondom hem verzamelde kameraden aldus aansprak:

--Senores! begon hij, eene dringende zaak noopt mij om mij voor eenige uren te verwijderen, houdt gedurende mijne afwezigheid zorgvuldig de wacht, en vooral laat niemand in het kamp doordringen; wij bevinden ons in eene streek waar de meeste waakzaamheid noodig is om ons te hoeden voor verraad of overrompeling, die ons onophoudelijk en van alle kanten bedreigt, en zich onder allerlei gedaanten vermomt om den nalatigen te verschalken. De gids dien wij met ongeduld te gemoet zien, zal hier binnen weinige oogenblikken aankomen; die gids is bij velen uwer persoonlijk en aan allen bij goeder geruchte bekend; misschien komt hij alleen, misschien brengt hij nog een ander met zich. Deze man, in wien wij het volste vertrouwen kunnen stellen, moet gedurende mijne afwezigheid volkomen vrij zijn om te handelen, en kunnen komen en gaan, zonder dat iemand uwer er zich tegen verzetten mag.

--Hebt gij mij verstaan? vroeg hij, volgt dan in alles stipt mijne bevelen; overigens verhaal ik u dat ik spoedig terug zal zijn.

Na zijne kameraden eenen laatsten afscheidsgroet te hebben toegeworpen, reed don Miguel het kamp uit in de rigting van het veer del Rubio, waar hij spoedig aankwam en dat hij op dit oogenblik zeer gemakkelijk en bijna droogvoets kon oversteken.

Wat het opperhoofd der avonturiers zijne kameraden zoo nadrukkelijk ten opzigte van Loer-Vogel had aanbevolen, kon inderdaad als eene ingeving des hemels worden beschouwd, want zoo hij hun niet dringend had gelast om den jager in al zijne bewegingen en handelingen vrij te laten, zouden de schildwachten hen waarschijnlijk hebben belet het kamp te verlaten, en zoodoende don Miguel van de schier wonderbare hulp zijn verstoken gebleven, die hem voor een gewissen ondergang bewaarde.

Naar het veer te zijn overgegaan, vierde don Miguel zijn paard den vollen teugel, en dreef hij het regt voor zich uit. Deze geweldige rid duurde bijna twee uren, eerst door het hooge prairiegras, toen door struiken, struweelen en kreupelbosch, dat allengs digter en digter werd en eindelijk in een volslagen woud veranderde.

Na een tamelijk diepe vallei of bergpas te zijn doorgereden, welks steile kanten met ontoegankelijk warbosch waren bedekt, kwam de jongman aan een soort van kruisweg, waar verscheidene door de wilde dieren gevormde loopsporen zamenliepen, en waar een Indiaan in zijn bonten oorlogsdos, voor een vuurtje van bison-mest en bladrijzen, deftig zijn calumet zat te rooken, terwijl zijn gekluisterd paard op korten afstand aan de takken der jonge boomen stond te knabbelen. Zoodra don Miguel hem in 't oog kreeg, klemde hij de teugels van zijn draver met vaster hand, ten einde den Roodhuid met meer gerustheid te kunnen naderen.

--Goeden avond, hoofdman, riep hij, met een luchtigen sprong van zijn paard stijgend, terwijl hij den krijgsman vriendschappelijk de hand drukte die deze hem toestak.

--Ooah! riep de hoofdman, ik had mijn bleeken broeder niet meer verwacht.

--Waarom niet? Ben ik dan niet gewoon mijn woord te houden?

--Misschien zou het bleekgezigt beter gedaan hebben met in zijn kamp te blijven; Addick is een krijgsman, hij heeft een spoor ontdekt.

--Goed! aan sporen ontbreekt het immers niet in de prairie?

--Ooah! maar dit is breed en zonder voorzorg getrokken; het is blijkbaar een spoor van blanken.

--Bah! wat kan mij dat schelen, riep de jongman onverschillig; denkt gij dan dat mijne troep de eenige is die op dit oogenblik de wildernis doortrekt?

De Roodhuid schudde het hoofd.

--Een Indiaansch krijgsman vergist zich niet op het oorlogspad. Dat spoor is van mijns broeders vijand.

--Waarom zoudt gij dat denken?

De Indiaan scheen niet genegen zich nader te verklaren; hij liet het hoofd op de borst zakken en antwoordde een poosje later:

--Mijn broeder zal het zien.

--Ik ben sterk, goed gewapend, en geef weinig om hen die mij zouden willen aanranden.

--Een man is minder dan tien, zei de Indiaan met pedanten nadruk.

--Wie weet! hernam de jongman luchthartig; maar dat is op dit oogenblik de vraag niet, vervolgde hij, ik kom om het nieuws te hooren dat het opperhoofd mij heeft toegezegd.

--De belofte van Addick is heilig.

--Dat weet ik, hoofdman, en daarom heb ik niet geaarzeld hier te komen; maar de tijd verloopt, ik heb een langen weg te maken eer ik weder in het kamp ben, er broeit een onweder, en ik wil u wel bekennen dat ik mij daaraan niet gaarne zou blootgesteld zien op mijn terugtogt; wees dus kort en gezwind.

Het opperhoofd boog toestemmend en wenkte den jongman om nevens hem plaats te nemen.

--Goed; begin nu maar terstond, hoofdman, ik ben geheel oor, riep don Miguel zich op den grond neêrvleijende, maar vertel mij eerst, hoe het komt dat ik u heden pas vind?

Dat komt, herhaalde de Indiaan flegmatiek, omdat, zooals mijn broeder wel weet, de Queche-Pitao (Gods stad) hier ver van daan ligt; een krijgsman is slechts een mensch, en Addick heeft schier het onmogelijke gedaan om zijn bleeken broeder nog heden te ontmoeten.

--Het zij zoo, hoofdman, en ik dank er u voor. Komen wij nu ter zake; hoe is het met u gegaan sedert onze scheiding?

--Quiepa-Tani heeft hare poorten voor de twee blanke jonge maagden geopend; zij zijn in veiligheid, in de Queche, ver buiten het bereik harer vijanden.

--En hebben zij u niet gelast om mij iets te zeggen?

De Indiaan aarzelde een poosje.

--Neen, zeide hij eindelijk, zij zijn gelukkig en zij wachten.

Don Miguel zuchtte.

--Dat is vreemd, prevelde hij.

Het opperhoofd wierp ter sluik een onrustigen blik in het rond.

--Wat zal mijn broeder doen? vroeg hij.

--Ik zal ze spoedig gaan bezoeken.

--Mijn broeder zou verkeerd doen, niemand weet thans waar zij zijn; waarom zou hij haar schuilhoek openbaar maken?

--Ik zal, zoo ik hoop, weldra in staat zijn om vrij te handelen, zonder voor onbescheiden blikken te vreezen.

Een sombere gloed tintelde in het oog van den Roodhuid.

--Alleen de Wacondah beschikt over den dag van morgen, zeide hij.

--Wat wil de hoofdman daarmede zeggen?

--Niets anders dan hetgeen ik zeg.

--Goed. Gaat mijn broeder met mij naar het kamp terug?