De Scheepsjongens van Bontekoe

Part 9

Chapter 94,090 wordsPublic domain

Padde likte zich een bloeddruppel van den vinger. „’t Doet ’n verduivelde pijn! Maar ’t kan me niets schelen, hoor! Als ik maar weet, dat wij vrinden zijn!”

PADDE ZIET DOOR EEN MISTKIJKER

Op een morgen bleef Hajo verrast staan, toen hij, nog slaapdronken, het vooronder uit kwam stappen en zich buiten in een puts wilde wasschen. Om masten, touwen en zeilen hing een fijn waas. Het achterschip was nog slechts als een vage omtrek te zien. „Mist.....!” mompelde Hajo, terwijl hij de vochtige lucht opsnoof.

Nou, òf het mistte! Als je over de verschansing hing, keek je in een grijze massa zonder begin of einde: water en lucht waren één geworden. „Oei.....! Oeiiiiii.....!” Dat waren de mist-toeters van de Enkhuizen en de Nieuw-Zeeland. Bootsman Berentsz. was met twee janmaats bezig een groote, holle lantaarn in de fok te hijschen. Toen ze boven hing, leek ze net een bleeke citroen.

„Oejoejoeiiii.....!”

De oomes pruttelden. Beweerden, dat je om het uur je longen wel uit mocht baliën; dat ze liever kieuwen hadden, als de visschen, en..... dat was het ergste: dat er van een landing op de Kaapverdischen wel geen sprake zou zijn, om de eenvoudige reden, dat je met dit weer evengoed kon zoeken naar Berentsz.’ roodbaaien onderbroek, die op een vorige reis van het drooglijntje overboord was gewaaid, als naar een eiland.

De jongens moesten beurtelings op den misthoren toeteren. De oomes beweerden: daar kreeg je een mooie stem en zoenlippen van.

Harmen bleek een meester! Die toeterde heele liedjes, draaide intusschen rond, en als het liedje uit was, stond hij weer juist zoo, als toen hij begonnen was.

„Ik zie jou nog eens in een paardenspel optreden,” merkte Rolf op.

„Heb je al eens ’n misthoren op je kop gehad?” informeerde Harmen.

Rolf schudde het hoofd. „Nog nooit. Doe het eens.....?”

Harmen trok smalend zijn neus op. „’k Zal wel oppassen! ’t Neefie van de schipper, hè?”

„De schipper zal ik er niet bij halen,” zei Rolf, plotseling driftig.

„Hoei-hoe-hoei! M’n Amsterdamsche moei heit ’n varken en ’n koei!” toeterde Harmen. Toen hij den daarbij behoorenden ommedraai had volbracht, zag hij Rolf nog juist in de barbiershut verdwijnen. „Daar lóópt ie, de boekenwurm! Als het ’n ander was, had ie al lang op z’n ziel gehad.”

Daar kwam Padde aandrentelen, aangetrokken door Harmen’s mistzangen.

„Goeie morgen, Padde!” riep Harmen verblijd uit.

Maar Padde kon zoo in eens niet weer vriendelijk zijn. „Mm!” zei hij. „Is dat ’n misthoren?”

„Ja, een misthoren..... of mistkijker, zooals je wilt.”

„Mist-kijker? Kun je er dan mee door de mist kijken??”

„Als door een druppel water,” verzekerde Harmen. „Nietwaar, Lijsken?”

„Waar zou het woord: mist-kijker anders vandaan komen?” vroeg Lijsken.

Maar Padde vloog er niet in. „Houden jullie ’n ander voor de gek!” schimpte hij.

„Voor de gek houden??” vroeg Lijsken in hoogste verbazing.

Harmen tuurde aandachtig door den horen. „Daar gaat juist de Nieuw-Zeeland!” riep hij uit. „Voor de kombuis zit de kok met drie oomes te kaarten!”

„Mag ik ook eens kijken?” vroeg Lijsken.

„Alsjeblief, Lijsken.” En Harmen stond bereidwillig den horen af.

Lijsken keek in de richting, die Harmen hem aanwees. „Verdikke, wat heeft me die kok ’n klavers in z’n knuisten!” riep hij geestdriftig uit. „Klaverkoning, aas, boer en zes kleintjes!”

„Geef hier”, zei Padde.

„Zeg er eens, kun je ’t niet wat vriendelijker vragen?”

„Geef hem de kijker nou maar, Lijsken”, vergoelijkte Harmen.

Padde’s wensch werd ingewilligd. „Ik zie niks!” verklaarde de botteliersmaat.

„Snap ik niks van”, zei Harmen. „Heb je je andere oog wel dicht gedaan?”

„Moet dat?”

„Dat snapt toch een kind!”

„Had dat dan eerder gezegd!” gromde Padde. En hij bedekte met de eene hand het oog, dat niet door den toeter gluurde.

Toen werd tusschen Harmen en Lijsken een snelle blik gewisseld. De beide veelbelovende knapen zetten tegelijkertijd hun voet achter Padde’s hielen en..... een-twee-drie.....! Padde lag achterover op het dek te spartelen.

„Wat een windstoot was dat!” riep Lijsken uit.

„’k Sloeg er bijna van om!” verzekerde Harmen luidruchtig.

En toen ze Padde aankeken, begonnen ze beiden te grinniken.

Maar in de oogen van den bedrogene sluimerden wraakplannen. Hij zwaaide woedend zijn toeter en wilde overeind krabbelen.....!

Toen gebeurde er iets onverwachts! Een grauw, monsterachtig-groot gevaarte schoof rakelings langs het galjoen; boven een verward stemmengeroezemoes uit schetterde een schorre misthoren. „Het roer! Gooi het roer om!” schreeuwde iemand. Tegelijkertijd flitste een lichtschijnsel uit den mist op. Dan plotseling een zeil-omtrek, een scherp gekraak van hout—weg was alles weer.

Padde was van schrik weer achterovergetuimeld. De andere twee knapen stonden te trillen op hun beenen.

De donderstem van Folkert Berentsz. wekte hen uit hun verbijstering. „Wat hier en daar! ’t Scheelde twee el, of we waren in de Enkhuizen geloopen! Zet ik jullie daarvoor te toeteren! Donder en bliksem!” En Lijsken en Harmen kregen ieder een schop onder het zitvlak. Padde zat en bleef er daardoor vrij van. Harmen griste hem den misthoren uit de handen. „Hoe-hoe-hoei!” schetterde hij. Ditmaal zonder liedje.

De bootsman was weer weg.

„Als ie ’t de schipper vertelt, worden we gekielhaald!” verzekerde Lijsken, z’n broek wrijvend.

Maar Folkert Berentsz. was geen klikspaan. Hij hield er zonder den schipper den wind wel onder.

De bottelier hoorde hoofdschuddend het verhaal aan, dat Padde hem over het geval opdischte. „’t Is merakel! Hier, drink wat, m’n jongen. Dat spoelt de schrik weg.”

„Ik heb nog nooit wijn gedronken....”, aarzelde Padde.

„Merakel. Proef dan maar gauw eens.”

Padde nam voorzichtig een slokje.

„Nou?”

„Je wordt er lekker warm van!”

„En de schrik? Die is nou zeker weg?”

Als antwoord nam Padde nog een teug.

„Je zult nog een fijnproever worden, jij!” grinnikte de Schele. „Nou, dan ben je bij mij goed onderdak!”

„Ja-ha!” En Padde dronk dapper het heele kannetje leeg. „Geef me nog maar wat, Schele!”

De bottelier schonk hoofdschuddend het kannetje weer vol. „Pas jij maar op! Als de wijn is in de man, is de wijsheid in de kan!”

„Geen nood!” blufte Padde.

„La-la-la-la!” zei de Schele met vaderlijken trots. „Hoor dat eens aan!”

Maar terwijl Padde onversaagd doordronk, betrok het gelaat van den braven bottelier. „Ik heb je nooit van Gertje gesproken, hè?” vroeg hij na een diepen zucht. „Dat was m’n eenigst kind. God hebbe z’n ziel.—Met Maart zou ie nou veertien zijn geworden.” De bottelier staarde peinzend voor zich uit. „Op een avond kwam ie hoestend thuis. Dat was November van ’t jaar 17.—Hoest je, m’n jongen? vroeg ik.—Ja, vader, zei-d-ie. Ik hoor z’n stem nog.—Heb je ’t benauwd, als je hoest? vroeg ik.—Ja, vader, zei-d-ie. ’s Nachts bleef ik natuurlijk bij hem waken, hè? M’n vrouw was toen al vier jaar dood; ik was kastelein in De Lustige Landman, bij Alkmaar. Ik gaf Gertje elk uur een heete omslag. En warme kruiken en wijn: dat helpt tegen de hoest. De volgende morgen moest en zou-d-ie gaan schaatsen. Ik hield m’n hart vast.—Zou je ’t wel doen, m’n jongen? vroeg ik.—Vader, zei-d-ie, ik weet zelf ’t beste wat goed voor me is!—Hij wist wat ie wilde, zie je; dat heb ik nooit van mezelf kunnen zeggen. Ik deed altijd wat anders dan ik van plan was. Als ik Gertje afhaalde bij meester Knol..... ik liet ’m leeren, zie je?..... dan kocht ik onderweg snoepballetjes voor hem om hem te verrassen, en voor ik bij Meester Knol was, had ik ze zelf allemaal al opgekauwd. Weet jij eigenlijk wat je wilt?”

„Jawel”, zei Padde geeuwend. „Ik kom in de bierbrouwerij van m’n oom, dan weet je wat je hebt.”

„Zie je”, zei de bottelier, „zoo was Gertje nou ook. Die wist op een prik wat hij wilde, en iets anders deed hij niet. Nou..... ’s avonds was hij er erg aan toe! M’n hart zat als ’n steen in m’n lijf! En toen ik drie nachten aan z’n bed gezeten had..... toen.....” De bottelier kon niet best meer uit z’n woorden komen. Hij sloeg de hand op de knie en kuchte.

Padde zat met lodderige oogen voor zich uit te turen.

„Heb je geluisterd, Padde?”

„Jawel! Ik heb woord voor woord..... hik!”

„En wat zeg je d’rvan?”

Padde geeuwde. „M-merakel, Schele.....!”

De bottelier stond zuchtend op en zocht de frissche lucht.

Toen hij een poosje later terugkwam, vond hij Padde snurkend tegen een vaatje liggen. Hij tilde hem op en legde hem in zijn eigen kooi. Toen keek hij den jongen lang in het gezicht. „Dezelfde neus, dezelfde kin en oogen! Gertje sliep ook altijd met open mond.....”

De bottelier legde z’n dikke hand op Padde’s voorhoofd en kuste het.

ROLF

De bedoeling was om Sint-Anthoni aan te doen en daar water in te nemen. Maar door den steeds dichter wordenden mist, gepaard met een fijnen regen, kon men het eiland niet in ’t zicht krijgen. Derhalve werd de koers gesteld op Ilje del May en Ilje del Foege, die eveneens deel uitmaken van de Kaapverdische groep. De wind zwaaide luimig; men moest laveeren en verloor het verband met de andere Oostinjevaarders; de misthorens klonken nog een enkele maal, heel ver weg.

Lang en eentonig waren de dagen. Uren achtereen lagen de oomes in hun kooi te kaarten. Hajo was met Rolfs hulp bezig een brief aan zijn moeder te schrijven. Zoodra ze een schip tegenkwamen, wilden ze hem afgeven.

„Kun jij niet schrijven??” had Rolf gevraagd, toen Hajo zijn hulp inriep.

„Ik kan wel wat lezen”, haastte Hajo zich te verklaren, terwijl hem het bloed naar de wangen steeg. „Padde kan heelemáál niet lezen of schrijven.”

„Wou jij je dan met Padde vergelijken?”

„Als ik maar iemand wist, die.....”

„Ik zal het je leeren”, zei Rolf. En met zijn gewone energie pakte hij de zaak aan.

Padde zat er bij, terwijl Hajo zijn bruine knuist over het papier liet wandelen, dat er onder deze bewerking niet schooner op werd. Rolf stuurde kalm en zeker Hajo’s ganzeveer in de goede richting, en Hajo zuchtte van inspanning.

„Wat schrijf je nou allemaal?” vroeg Padde eerbiedig. Geduldig wachtte hij, tot Hajo hem twee minuten later ten antwoord gaf: „Breng me niet in de war, Padde!”

Padde zweeg. Maar per slot van rekening is een mensch geen doofpot. Toen Hajo weer met zwier een punt achter een zin had gezet, waagde Padde de schuchtere vraag: „Kun je alles schrijven wat je maar wilt?”

„Alles!” verzekerde Hajo.

Dat moest Padde even verwerken. „Kun jij nou ook schrijven, dat ’t mist..... enne, dat je op de viool leert spelen?”

„Wat dacht jij dan?”

„Nou, ik dacht..... alleen maar de groeten en zoo, en ik kom gauw terug.”

„Kijk”, zei Hajo, „dat komt nou van je geklets! Nou maak ik weer ’n vlak!”

„Ook erg.....”, meende Padde, „da’s al wel twintig maal gebeurd. Wat is dat oogje met dat streepje er aan?”

„Een p”, zei Hajo gewichtig.

„Wat is dat: een pee?”

„Nou, da’s een p, hè? Ik zal maar zeggen: P van Padde.”

„Lieg je toch?” Padde begon te grinniken. „Zeg, dit is zeker óók een pee, hè?”

„Dat is een b”, zei Hajo.

„Een d”, verbeterde Rolf.

„O, ja, een d”, bevestigde Hajo.

Padde schudde het hoofd. „Pee, bee, dee.....! Die dee is toch ook ’n oogje met ’n streepje er aan?”

„Ja, maar daar zit het aan de andere kant!”

„Da’s nou maar krek hoe je de brief houdt!” zei Padde. Hij greep Hajo’s inktslagveld, tot ontzetting der beide veldheeren, stevig beet en zei, terwijl hij het omdraaide: „Alsjeblieft, nou is het dan toch wèl ’n pee!”

Hajo verloste zijn in gevaar gebrachten brief en vroeg nijdig: „Wou jij een brief op de kop lezen?”

„Op m’n kop??”

„De kop van de brief, bedoel ik.”

„Heeft een brief dan een kop?”

„Meer dan jij”, verzekerde Rolf.

„Knap maar!” gromde Padde. En hij verdween, danig uit z’n humeur.

Toen de briefschrijvers een uur later de barbiershut verlieten, vonden ze Padde tegen den mast, met wazige oogen voor zich uitblikkend in den grauwen mist.

„Padde! Wat zit je daar?! Je zult kou vatten!”

„Hoplala-tralala!” lalde Padde met de vingers op het dek trommelend. „Ik heb ged-danst voor de oomes! Boven op de..... hik! B-boven op de tafel!”

„Hij ijlt!” zei Hajo verschrikt.

Rolf legde zijn hand op Padde’s slapen. „We zullen hem optillen en in zijn bed brengen.”

Maar daar wilde Padde niets van weten. „Blijf van me af, b-boekenwurm!”

Hajo aarzelde. Maar een blik uit Rolfs oogen was hem voldoende om Padde stevig onder den arm te nemen. Rolf greep hem met een fiksche beweging bij de beenen.

Padde worstelde uit alle macht om vrij te komen. Toen het niet lukte, klaagde hij op huilerigen toon: „Hajo, help me, die leelijke..... hik! pennelikker op z’n gezicht te komen!”

„Je bent ziek, Padde! We zullen je onder de wol stoppen!”

„Neen, ik wil d-dansen voor de oomes! Ik wil..... hik!”

Ondanks zijn verzet werd Padde naar het botteliershok gebracht en daar met behulp van den Schele in bed gelegd. „De jongen bibbert van de koorts!” jammerde de bottelier, geheel overstuur. „We zullen hem gauw wat wijn geven!”

„Ah!” mompelde Rolf. En kortaf, dreigend volgde: „Als je dat doet, vertel ik alles aan de schipper!”

De bottelier keek Rolf aarzelend in het strakke gelaat. Hij pruttelde wat, maar ging niet naar de kast om wijn te halen.

„Kom, Hajo”, zei Rolf. „Hij moet slapen, dat is alles.” En Rolf trok zijn vriend met zich mee. „Padde is dronken”, zei hij, toen hij buiten was.

„W-wat zeg je?!”

„Kom mee”, was Rolfs antwoord. „Ik wil even met je praten.”

Sprakeloos liet Hajo zich naar de barbiershut leiden. Vader Langjas was er niet.

„Vertel me eens”, begon Rolf, „is het de eerste maal, dat Padde.....?”

„Ja! Vast!”

„Dan is de bottelier er schuld aan”, zei Rolf.

„Wat een schurk!” viel Hajo uit.

„De Schele denkt niet verder dan tot op de bodem van zijn pint”, zei Rolf. „Dat is alles. Dus je hebt nooit eerder gemerkt, dat Padde.....”

„Neen! Maar..... Ik zal je iets zeggen. Maar laat je niet merken, dat je ’t weet?”

„Als ik ’t niet noodig vind, neen.”

„Zijn vader was elke avond dronken.”

Rolf fronste de wenkbrauwen. Hajo voelde op dat oogenblik weer, hoeveel rijper en verstandiger Rolf was. Een vaag vermoeden kwam in hem op, dat Rolf al veel verdriet moest hebben gehad. Zwijgend wachtte Hajo.

„Voorloopig zullen we doen of we niets hebben gemerkt”, besliste Rolf. „En zoodra ik er een goede gelegenheid voor zie, neem ik hem onder handen. Zooiets moet ineens goed gebeuren.” Beiden zwegen.

Een vraag, die Hajo vanmorgen bij het briefschrijven al had willen stellen, kwam nu, zonder dat hij zich van de aanleiding rekenschap kon geven, weer boven en brandde hem op de lippen. Eindelijk kwam het er uit: „Zeg, Rolf..... schrijf jij niet aan je moeder?”

Rolfs schouders trokken even. „Mijn moeder leeft niet meer”, zei hij kort en stroef.

Hajo was op Rolfs antwoord voorbereid. „Is ze al lang dood?” vroeg hij zacht.

„Ze is in Maart van het vorig jaar overleden.”

„En heb je nu heelemaal niemand, die.....?”

„Mijn oom”, zei Rolf.

„Ja, maar, je vader.....? Je zei toen op den Italiaanschen Zeedijk..... weet je nog?”

„Mijn vader is twaalf jaar geleden naar Oostinje gegaan”, zei Rolf. „Hij voer als schipper onder Pieter Both; in 1615 is zijn schip vergaan op de kust van Celebes. Maar het bericht kregen we het vorig jaar pas. Van de bemanning was niets bekend. Mijn moeder was toch al wat zwak. Vijf weken later stierf ze.”

„Zeg..... Rolf”, fluisterde Hajo, „is dat Selee-Seleebes erg groot? Er gebeuren toch wel meer dingen, waarover je later verbaasd staat, niet waar?”

Rolf scheen heftig met iets te kampen. Toen haalde hij de schouders op, als om het hopelooze van Hajo’s veronderstelling aan te duiden, en zei, met afgewend gelaat en in een poging om luchthartig te schijnen: „Laten we ons maar niets wijsmaken!”

Toen stond hij op, nam een boek van het medicijnkastje en ging naast Hajo, die vergeefs naar woorden van troost zocht, bij tafel zitten, de handen tegen de slapen gedrukt, de oogen star op de letters gevestigd.

„Oe-hoe-hoeiiiii.....!” gilde buiten de misthoren.

Den volgenden morgen was de mist iets minder dicht; de wereld werd weer wijder.

Padde kwam laat boven water. Hij drentelde rond en had geen behoefte om Hajo op te zoeken. In het schaftuur kwam Padde de barbiershut binnen, twintig tellen nadat de barbier ze verlaten had. Hij vond er Rolf alleen.

„Waar is Vader Langjas?” vroeg Padde.

„Gaat net naar de kajuit. Als je vlug loopt, haal je ’m nog in.”

Maar Padde bleef staan. „We krijgen gauw land, hè?”

„Ja.”

„Ben je aan het lezen?”

„Ja.”

„Wat staat er in die boeken?”

„Hoe je zieke menschen genezen kunt.”

„Staat dat ook in boeken?? Ik dacht, dat de barbier ’t vanzelf kon.”

„Dan dacht je verkeerd”, stelde Rolf vast, onverstoorbaar verder lezend.

„Is lezen moeilijk?”

„Neen.”

„Schrijven zeker wel?”

„Neen.”

Padde dacht even na. „Zeg..... eh, Rolf?—Rolf.....? Wil je voor mij..... ook een brief schrijven?”

Rolf keek op. „Aan je moeder?”

„Ja.”

Rolf had uit de tafellade een vel papier genomen. Hij sleep een ganzeveer aan, doopte die in den inktpot. „Wat moet ik schrijven?”

Padde was door Rolfs snel handelen overrompeld. Hij wipte opgewonden op het tafeltje, schommelde met zijn korte beentjes. „Ja! Wat zal ik nou schrijven?”

„Zeg maar eerst wat er boven moet staan. Lieve moeder? Of.....?”

„Neen.....”, weifelde Padde. „Schrijf maar: waarde moeder. Dat staat beter.”

Rolfs pen vloog over het papier met een snelheid, die Padde’s mond van verbazing deed openvallen. „Staat het er al?? Nou, schrijf dan maar..... dat ’t mijn schuld niet is, dat ik ben meegegaan.”

„Dat schrijf ik niet. Want dat is een leugen. ’t Is wèl jouw schuld!”

„Hè?? Ik ben toch in slaap gevallen?”

„Juist. En dat is jouw schuld. Jij had niet in slaap mogen vallen.”

Dat ging Padde boven de pet. „Schrijf dan maar, dat ik er spijt van heb. En dat ik hoopen geld zal meebrengen.”

Rolf keek verbaasd op.

„Wat kijk je? Ik verdien toch zeker evenveel als Hajo en jij? Of is dat soms niet veel! M’n moeder zal niet weten wat ze ziet!”

Rolf keek droomerig voor zich uit. „Hou je veel van je moeder, Padde?”

„Nou en of! Nou! En zij van mij ook, hoor! Als de lui zeggen..... daar moet je geen woord van gelooven van wat de lui zeggen; dat doe ik ook nooit. Zeg, schrijf maar, dat Oostinje niet zoo ver is! En: ik kom gauw terug. Zeg maar, dat ze Louwtje en Margje en Annetje en Nelis en Heintje en Jan en Gijs..... Hoeveel zijn dat er? Zeven? Dat klopt. Moeder, ik en vader zijn er drie. Samen tien.”

„Zijn jullie met z’n tienen thuis?”

„Neen, dertien. Maar drie zijn gestorven. Aan de koorts, begrijp je?”

„Wat moet er onder staan?”

„Nou: Padde natuurlijk.”

Rolf weifelde. „Zou je niet liever schrijven: „een innige kus, of.....” Rolf bloosde en vervolgde haastig: „en dan heb je je vader vergeten te groeten.”

Padde schudde het hoofd. „Doe ik niet”, zei hij. En na lang en diep nadenken: „Schrijf er maar onder: je trouwe zoon Padde Kelemeyn!”

Rolf glimlachte. „Zullen we dat: Kelemeyn er maar niet af laten? Je moeder weet wel, dat je Kelemeyn heet!”

„Ze weet ook wel, dat ik Padde heet! Afijn, laat het er maar af.”

Rolf was met den brief klaar. „Wil ik je hem nu eens voorlezen?”

Padde begon te grinniken. „Da’s me nog nooit gebeurd!” En niet zonder zelfingenomenheid zette hij zich in postuur om te luisteren.

„Waarde moeder”, las Rolf, „het spijt me, dat ik, zonder het te willen, met Hajo mee naar Oostinje ben gegaan en jou verlaten heb. Ik zal het geld, dat ik als botteliersmaat van de Nieuw-Hoorn verdien, sparen en aan jou afgeven. Oostinje kan zoo ver niet weg zijn, moeder, dat ik jou vergeet. Groet Louwtje, Gijs, Annetje, Nelis, Margje, Heintje en Jan van me.

Je trouwe zoon Padde.”

Padde had de tranen in de oogen. „Merakel”, fluisterde hij. „Zou m’n moeder er dat nou ook allemaal zoo uit kunnen halen? Lezen kan ze natuurlijk niet, hè? Maar ze zal er mee naar de meester gaan.”

„Nou, dan leest die haar alles wel voor.”

„Rolf”, zei Padde aangedaan, „’t Spijt me dat ik je altijd.... —Wil je er nog even onderschrijven: groeten aan..... aan Jansje Bezem?”

Rolf keek Padde glimlachend aan, en deze werd vuurrood.

„’t Staat er”, zei Rolf. En toen keek hij Padde diep in de oogen. „Nu schiet me te binnen, dat je nòg iets vergeten hebt, Padde. Je hadt er bij moeten schrijven: Lieve moeder, ik ga tegenwoordig dezelfde kant op als vader. Gisteren was ik dronken.”

Padde begon te beven als een riet. „Niet doen, Rolf! Dat niet schrijven.....!!”

„Maar ’t is toch zoo?”

„Ik zal nooit meer drinken, Rolf! Geen druppeltje!” En Padde begon te schreien.

„Dat is dus afgesproken”, zei Rolf. „Hier is je brief, Padde.”

Padde greep Rolfs hand. „Beste, beste Rolf.....!”

En met zijn brief in de vuist wankelde hij de hut uit.

Toen Rolf alleen was, nam hij, als in gedachten verzonken, een vodje papier, dat op het tafeltje lag, en krabbelde er spelenderwijze een woord op. Hij keek er mijmerend naar. Plotseling trilde er iets om zijn lippen; hij sprong met een ruk overeind en snelde naar buiten.

Toen Vader Langjas een oogenblik later terugkeerde en, ordelijk als hij was, het vodje in de prullenmand wilde werpen, scheen hij door iets getroffen te worden. Hij mompelde wat, keek naar de open deur, legde daarna het stukje papier weer zorgvuldig neer op de plek, waar hij het gevonden had.

Wat kon Vader Langjas, het toonbeeld van orde, ertoe bewogen hebben, dat stukje papier niet de plaats toe te wijzen waar het behoorde: in de prullenmand?

Er stonden maar zes fijngeteekende lettertjes op. Samen vormden ze het woordje:

MANESCHIJN

„Land! Land in ’t zicht!!”

Uit alle hoeken en gaten kwamen de oomes naar buiten. Speelkaarten, dominosteenen en pijpen in de hand, leunden ze over de verschansing en tuurden naar den blauwgrijzen omtrek aan stuurboordzij.

Bontekoe stond met Rol en den opperstuurman op het middendek. „’t Zal Ilje del Foege zijn”, meende de laatste.

„Dunkt mij ook”, zei Bontekoe. „We zullen een ankerplaats zoeken en morgen ververschingen opdoen. De zee moet op deze hoogte ook nogal vischrijk zijn. Daar zullen we gebruik van maken!”

Er werd gepeild. Het lood raakte, na geheel gevierd te zijn, nog geen grond. Van het anker uitwerpen kon geen sprake zijn. Bontekoe besloot de kust af te zeilen, tot er een baai gevonden werd.

Geleidelijk waren de vochtige plooien van den grijzen mistsluier teruggeweken; de zon brak door, begon de naakte ruggen der oomes weer te schroeien. Het was de laatste week nog heeter geworden.

Bij het spinnen der schemering vond men een baai. Twee zware steenruggen schoven een mijl in zee, beloofden beschutting. Het water was diepblauw en haast rimpelloos. Maar men wierp opnieuw tevergeefs het dieplood uit,—het raakte geen grond. Bontekoe besloot het er op te wagen, den nacht drijvende door te brengen. Men borg alle zeilen.

Er kwam een avond om niet weer te vergeten. De mist was nu geheel gevlucht; de maan, koningin van den nacht, troonde te midden van haar ganschen hofstoet van veelkleurige sterren en zond haar vorstelijk licht in milden overvloed uit over de grillig gevormde rotsen. Hoog boven de rotsen uit, die nietig werden bij zijn Grootheid, stond, als een eenzaam priester, verstard in eeuwig gebed, één enkele berg.

Meeuwen wierpen zich krijschend van de rotsen op en cirkelden in wijde kringen om de Nieuw-Hoorn. Doch allengs verdwenen ze weer uit de lucht, en op het eentonig geruisch der golven na, die nimmer slapen, werd het stil.

Dien avond kwam Harmen er toe, z’n fiedel weer eens voor den dag te halen. En de oomes zongen:

„Dat meissie vroom, waarvan ik droom, Dat meissie van Enkhuizen, Dat lacht zoo lief, dat kent geen grief, Dat meissie van Enkhuizen!”

En Bolle sloeg van louter leut z’n witte knuisten op z’n witten broek, dat het meel er af stoof. En de Neus klopte z’n pijpje in de vlakke hand uit, en Hilke Jopkins keek naar de sterren.

Hajo leunde zwijgend over de verschansing.

Rolf zat in de barbiershut, gebogen over een kaart van de Kaapverdische eilanden.

Padde had een lijntje met spek door een geschutpoort gegooid en wachtte, of er een visch in wou bijten.

Als een groote wieg deinde de Nieuw-Hoorn op het water. Je kon er een slaapliedje bij zingen.