De Scheepsjongens van Bontekoe
Part 7
Het heele schip was in rep en roer. Lampions en slingers prijkten in de kajuit en het vooronder; een vleeschpot werd met zorg van binnen en van buiten verguld: hij moest als koets dienen, wanneer het nieuwe jaar straks door vier janmaats zou worden aangesleept.
Er was verschil van meening over de vraag of er vijf dan wel tien warme bollen per man zouden worden verstrekt; de kok zweeg er over als het graf, en de koksmaats likten zich het pannekoekbeslag van de vingers.
Padde zwoer bij hoog en laag, dat hij een groote taart had gezien, zwart van de krenten! En Harmen fluisterde, dat er na het eten krieken op brandewijn en trommelkoek zouden worden rondgediend. Alsjeblief, dat was maar eventjes alles!
De bootsman vergat dien dag, het om de ooren der scheepsjongens te laten donderen en bliksemen, zóó nam de drukte hem in beslag. Kwaje tongen beweerden, dat hij wat van streek was, omdat hij ’s avonds een toespraak moest houden, en Hajo was stomverbaasd, den gevreesden bootsman „verekskuus!” te hooren stamelen, toen hij hem in de haast pal tegen den buik rende. Hij had op een draai om z’n ooren gerekend.
Het eten overtrof alle verwachtingen. Eerst boonen met spek en een kan schuimend bier, toen rijstebrei met een schep basterdsuiker er over, en ten slotte werd onder groot tumult de taart van Padde binnengedragen, met brandewijn begoten en door den bootsman aangestoken; de vlammen sloegen haast tegen de zoldering. Hajo en Padde hadden zoo iets nooit gezien; de laatste stond doodsangsten uit, dat de taart heelemaal zou opbranden, en een paar oomes morden, dat ’t zonde was, den brandewijn op die manier de wereld uit te helpen.
Maar de taart smaakte best, en toen de schipper met koopman Rol eens even in het vooronder kwam kijken, of de mannen niet teleurgesteld waren, nam het hoera-gebrul geen einde.
De avond bracht nieuwe verrassingen. Harmen van Kniphuyzen, zwart als een Moriaan, kwam binnen, gevolgd door zwartjes met groote zakken, waaruit ze oliebollen rondstrooiden. Er waren er bij met zout gevuld; dat gaf aanleiding tot spuwen, mopperen en klappen uitdeelen. En de Morianen ruimden niet zonder blauwe plekken het veld.
Toen werd voor de deur van het vooronder een kanon opgesteld, geladen en..... met een plof ging het schot af. Allen waren achter banken en kooien weggekropen, maar haastten zich nu—een enkele zelfs wat bleek om den neus!—om naar de suikerboonen te grabbelen, waarmee de kanonloop tot de monding gevuld was geweest.
Padde kreeg dien avond geen slaap. Telkens wanneer in den fok de glazen werden afgeteld, kromp hij even ineen, en toen het elf uur was, spoedde hij zich naar de plaats waar hij zich verkleeden moest.
Berentsz. stond in Oudejaarskleedij en studeerde met Harmen, die nog duidelijk sporen van z’n Moriaanschap vertoonde, zijn toespraak in. „Eindelijk!” schold de bootsman, wien het zweet van de slapen gutste. „Haal als de drommel de kerels, die m’n sleep moeten dragen!—Dus: de Hollandsche vlag zal..... zal wapperen van..... van.....”
„De transen van het nieuw verworven rijk,” zei Harmen voor.
„Wat zijn dat: transen?”
„Weet ik ook niet,” bekende Harmen. „Maar in elk behoorlijk vers komt het voor.”
„Zul je me helpen, Harmen, als ik niet verder kan?” smeekte Donder en Bliksem, deemoedig als een getemde leeuw.
„’k Sta ommers geen twee pas van je af, bootsman!”
Ja-ja, ’t was me een opwinding, dien oudejaarsavond!
Om kwart voor twaalven werden de maats op het dek gecommandeerd en aan weerszijden opgesteld, zoodat er een vrije gang in het midden bleef. Die gang voerde naar een tegen het achterhuis gebouwde verhevenheid, waarop vier met guirlandes versierde stoelen stonden. Het was lekker koud; de maats sloegen den kraag van hun „duffelsche” op, staken de polsen in de zakken weg en bliezen en trappelden om warm te blijven.
Er hingen nu brandende lampions in de ra’s, en het bontgekleurde licht danste over de gebruinde koppen en verlichtte de zeilen van onder-op, die rood, blauw en oranje getint tegen den donkeren hemel afstaken. ’t Was dekselsch mooi.
Daar kwamen de schipper, de koopman en de stuurman Jan Piet van Hoorn de kajuit uit.
„Stilte!” gebood Vader Langjas.
Ineens hoorde je niets dan het klotsen der golven en het zuchten van den wind. Rechtop stonden de kerels; tweehonderd gespierde knuisten rukten een muts omlaag.
Dat beviel Bontekoe. Terwijl de beide andere heeren met strakken ernst plaats namen, verscheen op ’s schippers gelaat een breede, jongensachtige glimlach; hij knikte even, alsof hij zeggen wilde: „Goed zoo!”
Zie je, dat ging den oomes in ’t hart. Dat was het waarom ze hun schipper zoo dekselsch graag mochten lijden! Bij dien goedkeurenden glimlach strekten de halzen zich nog meer, en de mondhoeken vertrokken zich nog forscher. Schipper Bontekoe? Een puik schipper!
Er werd onder de maats gemompeld, gelachen en „Sssst! Daar Komt-ie!” geroepen. En zie: daar verscheen achter de kombuis een eerbiedwaardig grijsaard. Een lange, witte mantel met gouden sterren hing van zijn schouders en werd door vier sleepdragers opgehouden. De grijsaard schreed met z’n gevolg tusschen de vroolijke maats door, maakte een diepe buiging voor de heeren, die van hun zetels opstonden en terugbogen, leunde moeizaam op zijn staf en begon met eenigszins onvaste stem: „Schipper..... hm!”
„Sscht! Stilte!”
„Schipper, ik ben..... hm! het oude jaar, en ik ben..... ik ben hier gekomen om..... hm! om afscheid van je te nemen, van jou en van de koopman en van de opperstuur en van al de brave jongegezellen en huisvaders, die..... hm! die het vaderland, d’rlui vrouwen en d’rlui kinders hebben vaarwel gezegd om..... hm! om de vlag van de Oostinjische Compagnie te laten..... te laten wapperen van de..... van de.....”
„Van de transen.....” vulde de voorste sleepdrager zachtjes aan.
„Van de transen van het nieuwverworven rijk! Waarmee ik maar zeggen wil, dat..... dat ik mag lije, schipper, dat jij en wij allemaal een puike reis zullen hebben; dat de Nieuw-Hoorn met..... met rijke buit belaje weer in het vaderland mag terugkeeren, schipper, bij vrouw en kinders. En dat het nieuwe jaar jou, schipper en ons allemaal en ook de koopman en ook de opperstuur, die..... die aan je zijde zitten, voorspoed mag brengen, en dat, om ’t nou maar eens voor de vuist weg te zeggen, schipper, dat we in ’t nieuwe jaar geen ouwe koeien meer uit de sloot moeten halen en niet lamenteeren over wat er dit jaar verkeerd is gebeurd; dat we wat voor mekaar over moeten hebben; dat we niet bang moeten zijn, de handen uit te steken als ’t noodig is; dat we alle herrie vergeten en vergeven moeten; dat we kerels van stavast moeten zijn, van één zin en één hart! Zie je, schipper, dat wensch ik!”
„Zoo hoor ik je graag spreken, vadertje,” zei Bontekoe. Hij kwam op den grijsaard toe en drukte hem de hand. „Mag ik je uit naam van de heele bemanning bedanken?”
„Dat mag je, schipper!” zei het Ouwejaar. „Waarachtig, dat mag je!” En hij begon te snuiven.
De schipper leidde hem op de verhevenheid en bood hem de plaats aan zijn rechterzijde aan. De vier sleepdragers verdwenen met den looppas.
„Vooruit, de kuip in!” beval Harmen Padde, die achter de kombuis in vol ornaat te wachten stond. „Wat?! Sta je te grienen?!”
„Harmen!” snikte Padde. „Ik heb alles gehoord wat..... wat de bootsman zei!” En hij begon met zijn bebloemde mouw z’n gezicht te bewerken.
„Je ziet er uit als een beest!” riep Harmen ontzet uit. „Lieve help, ben je zoo’n spons? Hier met je gezicht!” En Harmen smeerde er een vingerdik meel op. „Als we stilhouden, stap je uit en zegt m’n vers op! Vergeet het strooien niet en denk er om: lachen!”
En Padde werd vrij onzacht in de kuip geduwd.
„Kunnen we trekken?” vroegen de anderen.
„Wachten tot ze gaan schieten!” beval Harmen.
Padde werd bleek om z’n neus. „Gaan ze schieten?!”
„Alle kanonnen! Zoodra ’t twaalf uur slaat. Ter eere van ’t nieuwe jaar.”
„Ter eere van mij.....?!”
Daar sloeg het al in den fok. Een-twee-drie-vier-vijf-zes.....
Padde stopte de ooren toe.
Boem! Het schip dreunde. Boem! Boem! Boem!
„Méé!” schreeuwde Harmen. En tegen Padde: „Vooruit! Strooien en lachen!” En met z’n vieren sleepten ze de vergulde vleeschkuip, met Padde er in, tusschen de maats door, die het nieuwe jaar met hoera-gebrul begroetten.
En Padde strooide. Het lachen lukte maar half. Voor den troon, waarop de schipper, het ouwejaar en „de heeren” zaten, hield zijn zegewagen stil. Padde krabbelde uit de diepe kuip.
„Sscht!” werd er geroepen. „Hij mot een versie zeggen!”
Padde keek schuchter om; Harmen gaf hem een duwtje. „Schipper.....!” begon Padde, en zijn mond begon te trillen, „schipper.....!”
„Ik ben het nieuwe jaar!” fluisterde Harmen grimmig.
„Ik ben..... ik heb..... ik heb daareven alles gehoord wat de bootsman zei, schipper, en.....!”
Toen redde Harmen den hopeloozen toestand. Hij sprong naast Padde, greep zijn hand en begon:
„Wij zijn het nieuwe jaar! We brengen niets als voorspoed maar! We zullen je naar Oostinje leiden, De compagnie met winst verblijden! De mannen, nimmer lui of moe, Roepen.....”
Hij wendde zich tot de maats, zwaaide met den blooten onderarm, die nog pikzwart was van zijn Moriaan-schap, en uit aller mond daverde het: „Leve schipper Bontekoe!”
De oorlam werd binnengebracht. Voor de heeren en voor het Ouwejaar was er wijn; de jongens mochten zeewater drinken,—zooveel ze maar wilden.
„Mannen!” zei Bontekoe, „ik ledig dit glas op jullie aller welzijn! Ik weet, dat jullie allen hier door hetzelfde voornemen bezield bent als ik: de Nieuw-Hoorn behouden naar Oostinje en weer naar huis te brengen!”
„Ja! Leve de schipper! Leve Bontekoe! Leve de Nieuw-Hoorn!”
„Zingen!” riep het Ouwejaar.
„Ja! Zingen! Leve de bootsman!”
En zwaar en diep, alsof het opsteeg van den bodem der zee, klonk het mooie, oude Wilhelmus. De oogen der mannen glinsterden. Een groot gevoel welde uit hun harten op.
„Den Vaderlandt gethrouwe, blijf ick tot in den doet.....”
En toen verdween Bontekoe met het Ouwejaar onder luid gejuich in de kajuit, en de oomes spoedden zich naar het warme vooronder.
Hier duurde de pret nog lang na. Harmen kwam met z’n fiedel op de proppen; de oomes zongen en zwetsten en sloegen met de vuist op tafel.
„’t Zal een voorspoedige reis worden!” verzekerden ze elkaar.
Het zal een voorspoedige reis worden.....
Zoo dachten ze allemaal.
STORM
Den eersten Januari 1619 passeerde de Nieuw-Hoorn den Zuid-Westhoek van Engeland; de wind was Oost; de koers werd Zuid-West ten Zuiden gesteld.
„’t Lijkt wel of de wind draait”, zei Hajo tot Rolf, terwijl ze samen op het eindje van een ra zaten.
„Hij loopt naar ’t Zuiden”, stelde Rolf vast. „Geef dat strengetje eens?”
„Daar. Help je mij even trekken?—Zeg, ’t is ook net of de wind sterker wordt.”
„Dat lijkt zoo, omdat we hoog zitten”, meende Rolf.
Maar Hajo vergiste zich niet. De wind nam toe en flink ook. Eerst wist hij zelf niet, waar hij zich zou huisvesten, blies dan voor, dan achter; je kon er geen zeil naar stellen. Maar tegen den middag nam hij een besluit: hij nestelde zich in het Zuiden en bleef daar zitten. De Nieuw-Hoorn ging stampen als een paard, dompelde snuivend den kop in de baren. Padde werd akelig bleek.
„Ben je niet lekker?” vroeg Harmen hem meewarig. „Ja, de eerste keer ruw weer.....! Vraag de bootsman maar ’ns waar het zeeziekvrije plekkie is.”
„Het zeeziekvrije plekje??”
„Weet je dat niet? Elk schip heeft ’n zeeziekvrij plekkie! Als de bootsman niet weet waar ’t is, loop dan maar even bij de schipper aan. Die moet ’t weten, hè?”
Padde besloot te gaan zoeken. Maar voor hij den bootsman lastig viel, klampte hij eerst op goed geluk den Neus aan.
„’t Zeeziekvrije plekkie? Wel sapperloot, dan heb je niets anders te doen als hier en daar ’ns op je rug te gaan liggen. En dan kijk je naar je voeten. Gaan die op en neer, dan ben je verkeerd. Maar als ’t schip beweegt, en je voeten liggen stil, dan heb je ’t goeie plekkie te pakken.”
Padde was dankbaar voor den nieuw verworven raad, en overal waar hij zonder gevaar van uitgelachen te worden proefnemingen kon doen, strekte hij zich neer.
„Wat is dat? Ben je dood?” riep een stem.
Padde krabbelde, zoo snel zijn loodzware beenen het veroorloofden, overeind, en zag in de vriendelijke oogen van Floorke, wiens rond gelaat met sproeten was bezaaid en onder wiens muts harde, vuurroode haarstoppels te voorschijn sprongen.
„Ik zoek wat”, zei Padde onhandig.
„En ga je dan op je rug liggen??”
„Och,” was Padde’s alleronverschilligst antwoord, „ik zoek zoo voor de aardigh-h-heid eens naar het zeeziekvrije plekje.”
Er tintelde iets in Floorke’s oogen. „Als je ’t noodig hebt, loop dan maar even bij me an; dan zal ik je wel vertellen waar het zeeziekvrije plekkie is.”
„Zeg op!”
„Waarom? Je bent nou toch nog niet zeeziek?”
Padde lachte hartelijk. „St-t-tel je voor! Maar ik wil ’t toch wel w-weten.”
„Nou, als je d’r op stáát! Klim dan maar ’ns in de groote mast. De bovenste ra moet je in.”
„Dat lieg je toch?”
„Liegen??? Ga zelf nou ’ns na: waar komt de beweging vandaan? Van ’t water en de golven, nietwaar? Nou, waar heb je er dan de minste last van? Zoo ver mogelijk van ’t water af. En waar is dat? In ’t topje van de groote mast!”
Daar viel niet veel tegen in te brengen. Padde ging naar den grooten mast en zette een voet in het want. Maar toen hij voelde, hoe het schudde en trilde, en toen hij zag, hoe het winpeltje daar heel in de hoogte heen en weer zwiepte, verklaarde hij, dat Floorke de gemeenste leugenaar was, dien hij ooit had ontmoet, en dat Padde Kelemeijn er waarachtig de vent niet naar was, om zich voor het lapje te laten houden!
Verdrietig gestemd, dat hij de wereld zoo vol leugen en bedrog vond, liep hij Hajo tegen het lijf.
„’t Zal wel op storm uitdraaien!” meende deze gewichtig.
„Zeg, Hajo.....” Padde sloot even de oogen, „als ik ’ns wat uit het fleschje..... wat gaat die schuit te keer!..... uit ’t fleschje van Grietje dronk? Schaadt ’t niet, ’t baat ook niet.”
„Heb je daar trek in?” vroeg Hajo, weifelend.
„T-trek! ’t Is g-geen snoepgoed!”
„Vooruit dan maar. ’t Zit onder in m’n kist.”
„Mispoes!” zei Padde. En met een zwakke poging om zegevierend te kijken, haalde hij het fleschje uit zijn zak. „Ik dacht: je kunt nooit weten! Brrr..... wat gaat dat schip.....!” En Padde hield zich vast aan een onderzeil; zijn knieën knikten. „Maak je ’t even open, Hajo?”
Ook deze voelde iets van onpasselijkheid in zich opkomen, toen hij den olie-achtigen inhoud van het fleschje zag. Met afgewend gelaat ontkurkte hij het.
Padde scheen inderdaad weinig „trek” te hebben. Hij moest al zijn moed bijeentrommelen en neus en oogen dichtknijpen, vóór hij een klokje in zijn mond goot.
„Voel je je nou beter?” vroeg Hajo.
„Veel b-b-beter,” verzekerde Padde.
„Neem nog wat”, raadde Hajo aan.
Padde begon te kokhalzen.
Toen nam Hajo een kordaat besluit: hij slingerde het fleschje overboord.
„D-doodzonde,” jammerde Padde.
Den vierden Januari liep de wind naar het Zuid-Westen om en werd zoo hevig, dat de marszeilen moesten worden ingenomen. In den nacht bleek het noodzakelijk, ook de fok in te nemen. Het schip liep Westwaarts over, met één zeil.
Padde viel op het dek niet meer te bespeuren: de Schele had hem bij zich genomen en vertroetelde hem als een zuigeling. Hajo was ook niet vrij meer van zeeziekte. Rolf scheen er nog weinig last van te hebben. Hij steunde Hajo vaak, wanneer ze samen het want werden ingestuurd, en liep daardoor zelf honderdmaal gevaar, uit het hevig slingerende touwwerk te vallen.
Tegen den avond van den volgenden dag barstte de storm los. Job had goed gezien.
De golven ramden met donderend geweld de krakende scheepswanden; wolken kokend schuim stoven tot over de hoogste ra’s. Het woelde en bruiste in de donkere watermassa; duivelsche machten spookten op den bodem der zee en schopten de Nieuw-Hoorn heen en weer.
Met holle, wijd open oogen lagen onze vrienden dien nacht en luisterden..... luisterden.....!
De lantaren in de slaapplaats van het volk slingerde angstwekkend heen en weer en wierp grillige, levende schaduwen door het vertrek. Slechts enkele mannen konden in slaap komen; de meesten lagen wakker; sommigen kreunden in benauwde droomen.
De Nieuw-Hoorn werd hoog in de lucht geheven, sidderde in al haar voegen en tuimelde de diepte weer in.
„Bê-ja! Ga daar maar liggen!” trachtte een maat boven het oorverdoovend gekraak uit te schreeuwen.
Hajo sloot de oogen, drukte de armen stijf tegen de wanden van zijn nauwe krib. Jongens, wat zwaaide die lamp! Door zijn dichte oogleden heen zag hij het licht als razend heen en weer vliegen. Een-twee, een-twee, hopsasa!—Als de Nieuw-Hoorn eens verging?! Als de golven..... hoor ze mokeren! ’t Leek de smederij van Wouter wel!..... Als de golven het schip eens uiteenrukten en brullend..... hoor! hoor toch eens aan!..... en brullend hun buit verdeelden als jongens een zak knikkers? Hier, golf, daar heb jij een kist; weg er mee! Jij neemt die kerel voor je rekening, jij die mast, jij die scheepsjongen; golf, loop niet te nietsdoen, pak de bootsman bij z’n vodden.....!—Als ze eens met z’n tweehonderd met Gerrit en de schipper en de kist van baas Wouter werden opgenomen in de kille, zilte armen der zee en rondtolden in de zwarte diepten vol geheimen, waar zeegedrochten hen aanloerden met felle, groene oogen en dan bliksemsnel toeschoten, den afschuwelijken muil openden.....! Hoor het kraken der beenderen.....! Het water drong hem in neus en mond en..... Moeder! Moedertje! O, God.....!!
Hajo veegde zich het zweet van de slapen. Angst en opwinding maakten koortsig.
Rolf sprong overeind. „Ik ga buiten eens kijken!” riep hij zijn makker toe. Hij werd van de eene kooi naar de andere gesmeten, klemde zich aan alles vast om niet te vallen.
„Zeg de zee gedag van me!” schreeuwde Harmen hem toe. Ergens schoot er een in een lach, die onwelluidend door het rumoer heenklonk.
Rolf kwam weer terug, tot op het hemd doorweekt. Doodmoe plofte hij neer.
„Wat is ’t voor weertje?” vroeg Harmen, schreeuwend om zijn geestigheid te doen verstaan.
Een dreinende, schorre stem begon te brullen:
„En als de maat ’n schipper heeft, Een oorlam en een lief, Dan lacht de maat, dan zingt de maat, Dan kent de maat geen grief! Van troeladiee, van troeladia.....”
In eens.....! met een kreet sprongen de kerels overeind.... een donderslag.....! de deur van het vooronder werd versplinterd; door het weggeslagen paneel perste zich het water en spoot knallend tegen den voorwand van het volks-logies. Vlak er op, vóór men wist wat er aan den hand was, werd de deur geheel opengerukt; de bootsman stormde met een waggelende lantaren naar binnen, tot aan zijn knieën wadend in het water. „Alle hens aan dek!”
„Hulp! Meer hulp!” klonk een vage roep van buiten.
Toen kon men merken, dat de mannen van de Nieuw-Hoorn er wezen mochten: ze sprongen overeind, stonden schrap op hun beenen, dat er, voor den duivel, geen wrikken aan was! Ze trokken met een ruk hun broek op, haalden den riem aan, een-twee! en renden achter de zwaaiende lantaren van den bootsman aan naar buiten.
Laat komen wat komen wil! Hier staan tweehonderd mannetjesputters, niet bang voor den duivel en z’n moer!
Daarbuiten een chaos van lichamen in den zwarten nacht. Proesten en snuiven, een wild klappend zeil, zwiepende stengen, gekraak, geknars, schreeuwende stemmen door het loeien van den storm heen: „We zinken! De boegpoorten staan open!!!”
Van het achterdek naderen ijlings zwarte gestalten met een licht, dat plotseling uitdooft. Een paar worden er over het dek geveegd en tegen de verschansing gekwakt.
Ineens: schipper Bontekoe!
„Schipper!! Het ruim loopt vol! De boegpoorten zijn ingeslagen!!”
„Wat drommel, dan spijker je ze weer dicht! Berentsz!”
„Schipper!”
„Met twintig man naar het ruim!”
Weg was Berentsz, een paar dozijn mannen op de hielen.
„Schipper! Het vooronder staat vol water!”
„Haal de putsen dan op!”
Van alle kanten werden de emmers aangesleept. Maar vóór de kerels aan het baliën sloegen, vermorzelden ze met koevoeten de scheepskisten, die in het vooronder heen en weer dansten en hun de schenen stuksloegen. Toen werd een dubbele rij gevormd; de putsen gingen van man tot man. Een enkele keer sloegen de maats door het stampen en zwaaien met puts en al tegen den grond; als katten krabbelden ze weer overeind, en een half uur later was het vooronder droog. Toen kwamen de mannen, die in het ruim waren gestuurd, ook weer boven: de boegpoorten waren verzekerd. Ze hadden er dubbele deuren over gespijkerd.
Alle zeilen waren ingenomen, maar nu tolde het schip zoo, dat de heele boel aan flarden dreigde te gaan. Twintig kerels zetten, de tanden opeengeklemd, het zeil weer bij. Dat stutte het slingeren wat.
Flauw van afmatting ploften de mannen in hun vochtige kooien neer.
De storm joeg een ijskouden regen voor zich uit, die kletterend tegen het dek sloeg, de grens tusschen zee en lucht uitwischte.
Het schip koerste Westwaarts.
In het Oosten schemerde een trieste morgen door het regengordijn.
De storm woedde. Dag na dag. Met roodgezwollen neus en oogen liepen de maats rond. Al hun kleeren waren doorweekt; de regen wisselde af met scherpen hagel, die vinnig de huid striemde.
Drie dagen na de nachtelijke paniek streken groote vluchten meeuwen over het schip, worstelend tegen den storm. Bij troepen kwakten ze, ten doode vermoeid, tegen het want, tuimelden met lamgeslagen vleugels op het dek. Men vermoedde de nabijheid van land, maar kon door golven, regen en wolken schuim geen twintig ellen voor zich uit zien.
Het zeil werd omgegooid; men helde Oostwaarts over. De storm bleef in denzelfden hoek zitten, rukte woedend aan masten en zeilen. En als een bende hongerige wolven vielen de golven over het schip heen. Ze hijgden en sidderden van vernielzucht; de vlokken schuim vlogen hun van het natte lichaam; ze rolden over elkaar heen en betwistten elkaar den buit, ze beukten, kletsten, kermden en huilden.....
Vier dagen later, in den namiddag van den twaalfden Januari, behaalde de storm een overwinning. Het was een seconde lang stil geweest; toen volgde een windstoot, die als een kanonschot tegen den boeg knalde; het volk in het vooronder sprong overeind en luisterde.....! Een doordringend gekraak; weer een seconde lang stilte, en de storm raasde voort.
De maats snelden naar buiten, liepen elkaar haast omver.
„De groote mast ligt om!!!”
De breuk bevond zich op vijf vadem boven het dek. De schipper stond er bij, een schaar janmaats om hem heen, gereed elk bevel op te volgen.
„Laat de steng zakken!” riep Bontekoe.
Als eekhoorns vlogen de kerels het nu slaphangende want in, klemden zich vast met voeten en tanden, de oogen dichtgeknepen tegen den regen. Met hun verstijfde vingers werkten ze de steng los, lieten haar door het marsgat zakken. „Hou vast, mannen!”
De zware steng gleed omlaag. Zou de mast nog blijven staan?
In groote spanning zagen de mannen beneden naar het werk, dat hun makkers daarboven verrichtten in den zwiependen, draaienden, krakenden mast. Een diepe zucht: de steng zakte. „Houdt! Houdt de steng!!”
Men liet het ondereind door het dek schieten; met touwen werd de steng tegen de mastbreuk gewoeld. Voorloopig was het gevaar geweken.
„Pah!” zei de storm en rukte nijdig. Maar de mast hield stand.
Hajo was door zijn zeeziekte heen. Ook zijn angst was verdwenen. Het ging nu al zoo lang goed..... Als een echte pikbroek liep hij op het hevig slingerende schip rond; zijn beenen gingen al aardig rond staan; hij voelde zich trotsch en manlijk, omgeven door het gevaar; hij spuwde het zout uit zijn rauwe keel en snoof en niesde.
Rolf liet zich door het weer niet meer beletten zijn studies voort te zetten.
Op een goeien dag gaf de storm het op. Een paar stuiptrekkingen, een diepe, diepe zucht, en onmachtig viel hij neer. Het water kalmeerde niet zoo gauw.