De Scheepsjongens van Bontekoe

Part 6

Chapter 64,107 wordsPublic domain

Nou, dat had je moeten zien! De kerels keken mekaar aan, of ze van lotje waren getikt. Klaas stond op, drukte op z’n buik en spuwde de radjah pardoes z’n spiegeltje in het gezicht. Toen maakte hij een geluid als van rommelende donder, trok een kromme lijn door de lucht; dat was de bliksem; en drukte zijn vinger op de mopneus van die radjah.—Ziezoo! zei Klaas,—nou zul je ’t wel gesnopen hebben!

Nou, òf ze ’t gesnapt hadden! De toovenaar sneed de touwen los, waarmee ik vast gesjord stond, en de radjah wilde er van tusschen gaan. Maar Klaas greep ’m bij z’n Zuid-Wester, pakte met de andere hand de toovenaar bij z’n kladden en duwde ze voor zich uit naar dat bootje, die..... die.....”

„Kano!” werd er geroepen.

„Natuurlijk de kano! Het heele dorp stond ons aan te gapen. De toovenaar wees op Klaas en schreeuwde wat in ’t Polopoeloesch, en toen stoven ze allemaal achteruit. De radjah stapte in de kano, de toovenaar ook, en ik en Klaas gingen keurig achterin zitten.—Ziezoo, heeren, zei Klaas,—leg maar eens in! Nou, de koning en de toovenaar pagaaiden, dat we om het half uur zweet moesten baliën! Toen we thuis waren, stak Klaas die radjah zijn voeten toe en liet ze hem kussen.—O, zoo! zei-d-ie.—En nou kunnen jullie wel weer ophoepelen. Besjoer!

En temet draait ie zich om en zegt:—Harm, zegt ie,—weet je wat we nou nog vergeten hebben?”

„De honing!” riep Padde uit.

„Krek”, zei Harmen. „We zijn omgekeerd en met de heele muts vol honing teruggekomen.”

„En de wilden hadden jullie de kleeren afgenomen?” merkte Rolf op.

„Zoo nauw moet je niet kijken!” zei Harmen beleedigd. „Anders zou je nooit er eens iets kunnen vertellen!”

„Ja, en je hebt je gezicht te houwen, als Kniphuyzen vertelt!”

„Mannen, ik heb nog wat beters!” riep een heel lange janmaat met vlasblond haar, helderblauwe oogen, groote, uitstaande ooren, en met handen..... nee maar! Hajo kon er niet naar kijken zonder aan de handschoenen van Sijtje te denken. Ze boden een ruime gelegenheid tot tatoeëring, en dat had de eigenaar ook ingezien: het eene anker prijkte naast het andere; op de polsen waren harten met een pijl aaneengesmeed, en hoogerop zeilden driemasters over wild bewogen baren. Hajo had er een drommelsch ontzag voor. Dàt was nog er eens ’n zeeman! Stil! Hij wou goed luisteren naar de wijsheid, die dit beankerde wonder zou verkondigen!

„Twee reizen geleden, ik was op De Gouden Leeuw,” begon de verteller, „waren we geland bij een rivier, die zoo vol krokodillen zat, dat je de een naast de ander kon zien liggen. Nou, ik was net als hier de eenige Fries aan boord, hè, en de maats lagen daar nog wel ereis over te mieren.—Worden in jouw koeienland de kinderen altijd zoo aan de ooren getrokken? vroegen ze dan wel, of:—Wat hebben jullie Friezen een kleine handjes! en meer van dat kinderachtige geleuter.—Vooruit dan! zei ik zoo, toen ’t me weer eens de keel uithing.—Als jullie Hollanders dan zulke kerels bent, steek dan ereis zonder boot die rivier over!

—Doe jij het eerst! zeiden de maats.

—Ik durf wel, zei ik.—Ik steek er op z’n Friesch over!—Nou, ik nam een flinke aanloop en.....”

„En??”

„Jullie weet: ik spring als de beste.—Nou, ik ben dan van de eene krokodil op de andere gesprongen! En voordat de beestjes wisten wat er aan ’t handje was, stond ik aan de overkant!”

„Verduiveld sterk!” verklaarden de maats.

„’t Is gelogen,” stelde Padde ronduit vast.

„Spuit nommer elf geeft ook water,” zei Harmen. „Luister, mannen, ik heb nog heel wat anders beleefd, en als ik je dat vertel, mag je je muts wel vastsjorren, want je haren zullen te bergen rijzen! We waren eens met z’n vijven in het oerwoud en terwijl we zoo onder een boom lagen uit te blazen, zei een van m’n vrinden:—Harm, zei-d-ie,—speel er eens ’n deuntje!

Goed, ik haal m’n viool voor den dag en speel.

—Nog ’n moppie! zei m’n vrind.

Best, ik streek er al weer op los. Maar wat zag ik me daar?! Een stuk of vijf koningstijgers, een handvol leeuwen en een slordige twintig reuzenslangen zaten me in een kringetje aan te gapen. De muziek had ze aangetrokken! M’n vrinden lagen half te maffen en merkten niks.

—Doorspelen, dacht ik.—Doorspelen, da’s het eenige!—En ik speelde en speelde....

—Komt er nooit een eind aan dat moppie? vroegen m’n vrinden.

—Hebben jullie er last van? vroeg ik nijdig.

—Daar niet van, zeiden ze. En ze draaiden zich nog eens lekker om.

Na een uur of vier spelens begon ik moe te worden en..... ja..... als een mensch moe is! Toen kwam er ook wel eens ’n valsch toontje, hè? Maar ik kon merken, dat beesten verstand van muziek hebben, hoor, want ze trokken een gezicht of ze een zeere kies hadden. Toen schoot er een lichtstraal in m’n kersepit! Dat was de uitkomst! Weet je wat ik deed? Ik begon me daar eventjes valsch te spelen, valsch.....!!

En ja hoor! Met de staart tusschen de pooten gingen de monsters er van door!

Ik was nat van ’t zweet, en m’n armen leken wel lood. Maar..... we waren gered!”

„En je vrinden, zeiden die niets toen je zoo valsch speelde?” vroeg Hajo, die na de wonderbaarlijke redding een diepen zucht had geloosd.

„Och..... ze hadden er niet zoo opgelet”, zei Harmen.

„Nou heb ik nog een verhaal!” riep Rolf. „Er was eens een schip vol matrozen! Toen kwam er een groote walvisch, die sperde zijn bek open en slikte.....”

„Een walvisch kan geen schip inslikken!”

„Nou, hij spuwde het ook gauw weer uit.”

„Omdat ’t ’m te hard was?”

„Neen. Omdat hij misselijk werd van de leugens, die z’n keel binnenspoelden.”

„Sapperloot.....!” stamelde de Neus.

En de anderen sloegen met de vuist op tafel. „Daar zul je voor boeten, mannetje!”

Maar ze meenden het niet. In hun hart hadden ze schik aan Rolfs vrijmoedigheid: van bloode jongetjes moesten ze niets hebben.

Buiten galmden vier glazen. Tien uur! De oomes stonden op, kropen in hun kooien. De olie in de lamp scheen opgebrand; de vlam werd schraal; de walm sloeg dik tegen de zoldering.

Hajo zocht den langen Fries op. „Heet jij soms Jopkins?” vroeg hij na een aarzeling. „Hilke Jopkins?”

„Dat ben ik, ja.”

„Dan moet ik je wat geven van.....”

„Van.....?” Hilke sperde zijn oogen open en greep Hajo bij den arm.

„Ja!” fluisterde Hajo. „Van Sijtje.”

„Laat kijken!” zei Hilke, diep ademhalend.

„Ga je even mee naar buiten?” vroeg Hajo. „Daar zien de anderen het niet!”

Zwijgend stond de janmaat op. En Hilke Jopkins, die als „oome” duizend mijlen boven den nieuwbakken scheepsjongen stond, volgde Hajo gedwee het trapje op naar het dek. Eerbiedig betastte hij de handschoenen, die Hajo hem daar gaf. „Verdorie,” mompelde hij. „Verdorie.....!”

„Ze zei, dat je haar eens schrijven moest, en dat je voorzichtig moest zijn, en ze wou nog wat zeggen, maar toen begon ze te huilen.”

„Verdorie.....!” Hilke schudde het hoofd. „Die handschoenen zitten me gegoten, zie je wel?”

„Ik heb ’n das van haar gekregen,” zei Hajo.

„Laat kijken?”

Hajo overreikte hem Sijtjes kleurvol geschenk.

„Verdorie.....!” prees Hilke.

„Alleen voor Zondagen!!” zei Hajo.

„Dat begrijp ik!—Zeg, Hajo.....? Wat moet je hebben voor die das?”

Hajo voelde een trilling in Hilke’s stem. „Die das is niet te koop,” zei Hajo.

„Dat snap ik! Voor een ander is ie niet te koop! Maar voor mij toch wel?”

„Daar,” zei Hajo, „daar heb je ’m voor niks.”

„Verdorie.....!” was al wat Hilke antwoordde. Hij liefkoosde de das tusschen de vingers en greep Hajo’s hand. „Kerel, als je me nog eens noodig hebt.....!”

„Zeg, Hilke?” vroeg Hajo. „Zou je..... zou je misschien.....?”

„Waarachtig! zeg op: wat is er?”

Hajo wees op Hilke’s handen. „Zou je mij soms ook een anker of een schip, of wat je maar het makkelijkst is.....?”

Hilke stroopte zijn mouw op. „Zoek maar uit! Een driemaster? Of zoo een, met die kanonnen? Ik kan alles, en je voelt er niets van. Heb je een meisje?”

„Neen,” bekende Hajo, verlegen. „Moet dat?”

„Welnee. Maar dan had ik je een paar harten geprikt. Zooals op m’n hand.”

„Dat is ook wel mooi”, weifelde Hajo.

„Ja, maar dan moet je een meisje hebben!” zei Hilke. „D’r zijn lui, die haar naam er inzetten: Geertruida of Katherina of zoo. Maar..... eh, ’t gaat er nooit meer uit, zie je? Zooals ik ’t heb, zonder naam, is het..... is het altijd goed, hè?”

Hajo begreep het maar half. „Zeg, Hilke,” vroeg hij, „wanneer kun je het doen?”

„Over een dag of wat,” beloofde Hilke. „Als de eerste drukte voorbij is.”

„Fijn!” zei Hajo. „Zeg, weet je, dat ik ook nog Friesch bloed in me heb?”

Hilke sloeg de handjes ineen. „Een Fries?! Jij?”

„Moeder is van Friesland.”

„Als ik het niet dacht! Een kerel als jij.....! ’k Zal je de knoopen ook leeren! Een boeren- en een Turksche knoop, een visscher-, trompet-, muil- en ankersteek, een ouwe wijvenknoop..... Nooit van gehoord?”

Hajo sloeg van eerbied bijna tegen den grond,—schudde ontkennend het hoofd.

„Nog nooit van een ouwe wijvenknoop gehoord??! Wacht dan!”—En Hilke haalde de das van Sijtje uit zijn broekzak, greep de beide einden.....

„Dat is zonde!” meende Hajo. „Dan leer je ’t me morgen maar.”

„Je hebt gelijk,” bekende Hilke. „Ja, dat komt: jij bent een Fries, hè, en dan.....!” Zorgvuldig streek hij de das weer glad en liefkoosde ze met de oogen. „Brave meid!” mompelde Hilke met schorre stem. Toen zei hij haastig: „Nou, ajuus, hoor! ’t Is al laat.”

„Wel te rusten!” was Hajo’s antwoord. En terwijl de scheepsjongen van de Nieuw-Hoorn nog even bleef staan, in gelukkige overpeinzingen over de naaste toekomst, spoedde de lange Fries zich met zijn schat voort. Hajo zag, hoe hij zich diep bukken moest, om het hoofd niet te stooten tegen de lage deur van het vooronder.....

Daar kwam Rolf aan. „Zullen we gaan slapen, Hajo?”

„Die..... die over die krokodillen is gesprongen, zal een anker op m’n arm prikken!” fluisterde Hajo zijn makker opgewonden toe.

„Zoo?” vroeg Rolf. „Laat het hem dan een beetje hoog doen. Op je bovenarm, of zoo.”

„Maar dan zie je er niets van!”

„Juist daarom.”

Hajo keek zijn vriend verwonderd aan. „Vind je een anker niet mooi? Wil ik liever ’n schip nemen? Hilke kan alles. Kijk maar eens naar z’n handen.”

Rolf glimlachte. „Ik heb ze gezien. Maar weet je, dat die rommel er nooit uitgaat?”

„En is dat dan erg?”

„Het kan wel eens lastig zijn. Je weet van te voren niet wat er nog uit je groeit!”

„Uit mij??”

„Ja, uit jou.”

Hajo pruttelde wat. „Nou, vooruit dan maar....,” zuchtte hij, onwillig.

„Heel verstandig,” prees Rolf. „Ga je mee?”

Hajo liet zich gezeggen. En hij riep Padde, die nog bij tafel zat, toe: „Padde! Sta op! We gaan naar kooi!”

Hé, dat klonk nog er eens: kooi inplaats van bed!

Maar Padde hoorde het niet. Met het hoofd in de handen was hij, zittend, in slaap gevallen.

OUDEJAARSAVOND

Of de jongens aan het werk werden gezet? Nee maar! Smeren, boenen, zwabberen was het wachtwoord. En wanneer de bootsman hun een enkele maal eens een oogenblikje had gelaten om uit te blazen, wisten de oomes wel „een mooi werkje voor een scheepsjongen”. Padde viel er natuurlijk buiten: die had een leventje als een volwassen bottelier. Hij sliep een gat in den dag, at met toewijding, spoelde wel eens een kruik om en babbelde urenlang met den braven bottelier. Het was van het begin af aan gewoonte geweest, dat de schele bottelier het werk deed, en Padde zijn korte beentjes liet schommelen, zittend op een leeg tonnetje als een koning op zijn troon.

„Wil ik soms even helpen, Schele?” vroeg Padde wel eens, wanneer de dikke bottelier amechtig blies van ’t lange bukken.

„Blijf jij maar zitten, m’n jongen,” was het antwoord. „’k Ben zóó klaar.”

Maar Hajo moest voor alles opdraaien. Waar hij ook zijn vriendelijk gezicht vertoonde, overal had men een werkje voor hem. Als hij den barbier tegen het lijf liep, vroeg deze: „Zeg er eens, vriendje, ben jij niet drogistenjongen geweest?”

„In De Gouden Gaper, Vader Langjas.”

„Och, help me dan even met het stampen van kruiden, wil je?”

En Hajo stampte. Maar buiten hoorde hij Zwarten Gijs al razen: „Waar zit me die blikslagersche smidsjongen! Hij moet krammetjes voor me slaan!”

Of Steven Duffel, de bakker, liet hem deeg kneden. Of Hajo moest planken zagen voor Diede Doedes, den timmerman.

Zijn loon bestond meestal uit de woorden: „Je mag me nòg ’ns helpen!” of uit een draai om z’n ooren, wanneer hij iets verkeerd had gedaan.

Om den haverklap werd hij bij z’n kraag gegrepen en door een janmaat het want ingestuurd om iets te „klaren”. En als hij dan bij het zware werk op de bovenste fokke-ra stond te balanceeren met negen kansen op de tien om omlaag te storten, riep de „oome” van beneden: „Ja, breek je nek maar: ’t is morgen toch Zondag!”

Maar wat veel goed maakte? Als Hajo, een paar emmers ijskoud water in de verkleumde vingers en een zwabber onder den arm, met een echt zeemansloopje het dek oversjouwde, of boende en schrobde, dat alles wit van ’t schuim zag, kon het zoo in eens gebeuren, dat de schipper achter hem stond en vroeg: „Valt het nogal mee, Peter?”

Dan kreeg Hajo het, ondanks de Decemberkoude, warm onder z’n doorweekt baadje; hij rukte z’n muts af en zei: „Vàst wel, schipper!”

En de groote man knikte goedkeurend.

De bescheiden grijns, die zich dan op Hajo’s gelaat vertoonde, was onbetaalbaar. Z’n oogen tintelden; hij wreef verlegen de polsen tegen z’n broek.

Werken wilde Hajo, maar daarom lustte het hem nog niet, voor alle oomes Hansje-m’n-knecht te spelen! Hij rook het op tien pas afstand, of ze hem bij de kladden wilden nemen; hoe onschuldiger een oome zich voordeed, hoe minder Hajo hem vertrouwde; de oome stak z’n vingers uit en meende Hajo bij z’n broek te hebben, maar Hajo had dit kleedingstuk juist bijtijds in veiligheid gebracht!

Rolf..... dien lieten ze wat meer met rust. Hij was altijd zoo kalm, dat hij ook den ouderen achting afdwong. Ze zeiden hem weleens: „Doe dit of dat!” maar hem, zooals Hajo, ongezouten in zijn nekvel pakken,—daar kwamen ze toch niet toe.

Bolle, de kok, gaf Hajo in het schaftuur Maleische les. Rolf zat er ook bij en schreef alles op. Want Rolf kon schrijven,—een kunst, die onder de janmaats weinig beoefend werd.

„Kijk”, zei Bolle, terwijl hij met toegeknepen oogen de dampende aardappelen omschudde. „Kijk: besie is ijzer, en toekang is..... is man. Nou, wat is nou: smid?”

„Besie toekang!” meende Hajo. „IJzer-man!”

„Nou ben je d’r krek naast!” zei Bolle. „Smid is: toekang besie!” En Bolle had schik, dat Hajo er in was gevlogen. „Verder maar weer! Orang is mensch, en orang-orang is menschen. Je hebt niks anders te doen als het woord tweemaal te zeggen. Stom-eenvoudig. Poehoen is boom! Wat is nou een bosch?”

„Oetan”, zei Rolf.

„Mmm? Drommels ja, dat is waar ook. Ja dat komt: jij schrijft alles op, en ik..... M’n boonen!” riep hij en snelde, in zijn haast een koksjongen omver loopend, naar den grooten ketel, die wat verderop te vuur stond. „Morgen wéér ’n uurtje!” riep hij zijn leerlingen toe. „Zie maar eerst, dat je dat allemaal onthoudt!”

Bolle had reden om niet al te gul te zijn met zijn wijsheid. Want, als alle wijsheid, had ook de zijne haar grenzen.

Hajo besloot reeds den eersten avond aan boord, zich op het vioolspel te werpen. Hij klampte Harmen aan, het muzikale wonder van de Nieuw-Hoorn.

Deze was door het aanzoek gevleid. „Ik zal je het leeren”, zei Harmen, „maar je moet niet denken, dat ’t in knoopslag gaat; je mag blij zijn, als je ’t in een maand behoorlijk kent.”

„Ik zal m’n best doen!” beloofde Hajo.

„Dat schéélt natuurlijk ’n paar zeilen!” gaf Harmen toe.

„Zeg Harmen,” vroeg Hajo, „moet hier geen snaar zitten?”

„Nou ja,” zei Harmen. „D’r hebben d’r drie aan gezeten. Maar die eene piepte zoo; toen heb ik ’m er maar afgetrokken.”

„En wat doe je met die zwarte houtjes?”

„Die zijn om de zaak wat an te taliën. Maar ik wurm er liever niet te veel aan, anders knappen ze me nog, de snaren. Ach, geen mensch weet natuurlijk op een prik, hoe stijf je ze moet aantrekken. Dat doet ieder op zijn manier en al naar ’t uitvalt, hè?” Met zwierig gebaar legde Harmen de viool tegen zijn borst en kraste er op los.

„Mag ik nu eens?” vroeg Hajo met van spanning onzekere stem.

„Als je d’r maar voorzichtig mee bent,” zei Harmen.

Nou, dat was Hajo wel! Hij durfde het wonderlijke doosje nauwelijks aan te vatten. Angstig waagde hij een streek.

„Je leert het vàst”, verzekerde Harmen.

„Zou je denken?”

„Natuurlijk! Als je zoo nu en dan eens een toontje niet weet, sla je dat eenvoudig over, hè? Dat doe ik ook; dat doet iedereen, en geen mensch, die er wat van merkt. Geef hier: ik zal je ’n begrafenis voorspelen.”

„Pràchtig.....!” zuchtte Hajo, toen het uit was.

Dat deed Harmen’s kunstenaarshart goed. „Nou, je gaat je gooi maar”, zei hij gul. „Maar laten de anderen ’t niet hooren, zoolang je ’t niet kent, want ze zouden m’n viool op je kop in stukken slaan, en dan heb ik nog geen nieuwe.”

Hajo koos voor zijn studies een verlaten plekje. Padde was zijn bewonderend toehoorder, en samen zaten ze den ganschen avond bij een affuit, Padde slaperig voor zich uit turend.

„Merakel.....!” zei Padde, wanneer Hajo een onzekere melodie met een gevoelvollen triller had besloten. „Zeg....., Hajo?”

„Mm?”

„M’n moeder moest ons hier eens zien zitten!”

„Ja!” zuchtte Hajo, terwijl hij de viool liet zinken. En zijn oogen dwaalden.....

Ook Rolf besteedde zijn avonden nuttig. Hij had zich met Vader Langjas bevriend en kreeg van dezen de vergunning om wat te bladeren in een paar dikke boeken, welke de barbier in z’n kooi had staan. Het was rustig in Vader Langjas’ kamertje; Rolf las met opeen geklemde lippen en gefronst voorhoofd. Binnen vier-en-twintig uur stond hij dan ook bekend als „de boekenwurm”. Maar intusschen..... ook hierdoor won Rolf aan achting.

Gerrit had een goed leventje! De maats stopten hem van alles toe, zelfs tabak, en bemoeiden zich veel meer met hem dan hij verdiende. Want Gerrit beloonde allen met hooghartige onverschilligheid en liet zich alleen door Hajo streelen.

Gerrit was niet het eenig levend beest aan boord. Lijsken Cocs, een bleek, tenger koksjongetje, met oogen waarin zoo op het eerste gezicht tien pond onschuld lag uitgewogen, had een Genueesch biggetje, een wit diertje met bruine vlekken. Het kon „een reis om de wereld” maken, die hierin bestond, dat het bij z’n meester in den hals kroop en er bij de broekspijp weer uit tuimelde. Om het die reis een weinig te vergemakkelijken, trok Lijsken zijn toch al niet erg omvangrijken buik zoo ver mogelijk in. Het diertje heette Job en had zich de gewoonte eigen gemaakt, om, vóór het z’n bakje eten kreeg, te „bidden”, de voorpootjes tegen elkaar gedrukt, de ronde oogjes gesloten, mummelend met zijn konijnensnuitje.

Job en Gerrit moesten met elkaar kennismaken; dat sprak vanzelf, en het geschiedde in de kombuis. „Ka!” schreeuwde Gerrit, toen hij Job ontwaarde.

Het marmotje zei niets, ging op z’n achterpootjes zitten, snuffelde en gluurde en dribbelde haastig rond—zonder eigenlijk veel uit te voeren.

Gerrit lei z’n kop schuin, loerde met zijn schrandere oogen, wette zijn snavel op den planken vloer, plukte zich forsch in veeren en schreeuwde, overtuigd van eigen voortreffelijkheid: „Ka!”

„Kan ie anders niks?” vroeg Lijsken. „Joppie, kom er eens bij de baas?”

Job kwam ijlings aangedribbeld, klauterde langs Lijsken’s toegestoken arm omhoog, verdween pardoes in ’s meesters kraag. Lijsken zei: „Killekillekie!”, trok zijn buik in, en Job tuimelde op den grond.

Gerrit wipte haastig op zij, uitte zijn verwondering in een vragend uitgesproken: „Ka?!”

Ook Job scheen wat beduisd en scharrelde in een nauw kringetje om Gerrit heen. Deze draaide zichzelf bijkans den hals om,—verloor den zonderlingen toerist geen seconde uit het oog. „We krijgen storm!” verzekerde Lijsken. „Als Joppie krek als een tol in ’t rond draait, gaat ’t stormen. Als ie op z’n rug gaat liggen, komt d’r windstilte.”

„Nou, ik hoop maar, dat er storm komt!” zei Hajo.

Lijsken keek hem met groote oogen aan. „Jij hebt zeker nog nooit een storm meegemaakt!”

„Jij wel?”

„Nou! Ik ben met m’n vader bij de walvischvaart geweest!”

„En waar is je vader nou?”

„Dood. Aan de scheurbuik.” Lijsken’s gelaat nam een ouwe-mannetjes-uitdrukking aan. „Ze zijn thuis nog met z’n vijven. En m’n moeder is niet sterk! ’k Heb ’n broer, maar die is nog te klein. En alles is zoo duur tegenwoordig!” Lijsken begon voor zich heen te fluiten. „Wat zul je d’r aan doen? Hier, hij”—dat was Job—„hij heeft m’n vader nog gekend. Nietwaar, Joppie?”

„Mijn vader is verdronken,” zei Hajo.

Lijsken schudde peinzend het hoofd. „Met z’n hoevelen zijn jullie?”

„M’n moeder, m’n zusjes Antje en Maartje en dan m’n broertje Doris.”

„Hoe oud?”

„Antje is twaalf, Maartje.....”

„Je broer, bedoel ik.”

„Doris is vijf.”

Lijsken floot veelbeteekenend. „Te jong, hè?”

„Te jong??”

„Om te verdienen. ’t Is lam, hoor, voor je moeder.”

Toen veranderde plotseling de uitdrukking op zijn gelaat. „Weet je wat óók beroerd is? Als je ’n puist op je zitvlak hebt, en je moet paard rijje!” En grinnekend pakte Lijsken zijn viervoetig lotgenootje op. „Kom jij maar bij de baas, Joppie!”

Op oudejaarsmorgen zeilde de Nieuw-Hoorn Pleimuiden voorbij. Padde zag het, met weemoedige gedachten vervuld, weer achter den gezichtseinder wegzinken. Hij was zoo in zijn overpeinzingen verdiept, dat hij er niets van merkte, hoe een paar janmaats naderden, op Padde wezen en tot elkaar zeiden: „Zullen we hèm nemen? Lijsken is wat te mager.”

En pats! daar hadden ze Padde bij z’n kraag.

„Laat me los!” schreeuwde de arme jongen. „Ik ben botteliersmaat!”

„Daar zullen we je niet om vermoorden,” zeiden de maats. „Kom maar eens netjes mee.”

Padde werd naar het vooronder gesleept, waar de oomes hem in een kleurige, met papieren bloemen beplakte japon heschen en hem een pruik opzetten van geel vlas, waaronder een krans vergeetmenietjes was gevlochten.

„Wat moet dat!” jammerde Padde.

„Je bent het nieuwe jaar,” zeide de oomes. „En de bootsman zal het ouwe jaar zijn. Wees maar blij toe: we krijgen spekpannekoek en warme bollen.”

Warme bollen.....! Padde begon er iets van te begrijpen.

„Loop eens ’n paar passen,” bevalen de oomes. „En kleine stappen, want je bent een meisje. We zullen je vanavond wel zeggen, als je voor den dag moet komen. En dan maar knikken en lachen,—drommels, we moeten je nog met meel insmeren! En dan strooi je maar blommetjes rond; in die mand bennen d’r zat; die moet je over je arm nemen. Ziezoo, en dan zeg je maar..... moet ie wat zeggen?—Wacht daar loopt Harmen juist.....—Harmen! Een versie voor ’t nieuwe jaar!”

„Wacht maar even,” zei Harmen. En na eenig nadenken begon hij, terwijl de oomes vol bewondering het hoofd schudden:

„Het nieuwe jaar is daar En wenscht u altegaar Een voorspoedig jaar! Het schip van Willem IJsbrantsz. Bontekoe Gaat..... gaat.....”

„Gaat naar Oostinje toe!” viel een der maats in. „Dat rijmt! Gaat naar Oostinje toe!”

„’t Rijmt wel,” zei Harmen, „maar ’t is geen nieuwtje! We weten allemaal wel, dat de Nieuw-Hoorn naar Oostinje gaat. Je moet in een versje wat zeggen, dat iedereen weet, en waar ze toch verbaasd van staan te kijken. Wacht, ik heb al wat!” En Harmen dichtte:

„Het schip van Willem Bontekoe Gaat zonder scha naar Oostinje toe! Met rijkdom, peper en geluk belaan Komen we weer in Texel aan!”

„’t Is mooi!” verklaarden de oomes. „Vooruit, zeg het na, aap van ’n jongen!”

„Ik..... ik ken er geen woord meer van”, bekende Padde.

„Luister dan, rekel! Zeg ’t hem nog eens even voor, Harmen?”

„Als ik ’t zelf nog maar zoo op ’n prik ken.....” weifelde de nieuwjaarsdichter.

„Nou, dan maak je maar weer ’n ander vers”, zeiden de oomes. „Laat de boekenwurm het opschrijven, dan staat ’t op pampier. Wee je gebeente, als je ’t vanavond niet kent! En lachen, begrepen?”

„Jawel.”

„Jawel: wàt?!”

„Jawel, meneer.....”

De oomes begonnen te grinniken.

„Je bent zoo groen als gras,” stelde Harmen vast. „Kom, trek die soepjurk maar uit, dan gaan we de boekenwurm opzoeken.”

En grimmig liet de arme Padde zich meevoeren.