De Scheepsjongens van Bontekoe
Part 41
Ze hadden niet te klagen, dat de landrotten hun geen plaats lieten: ieder, die het stelletje ongezouten kerels met hun slee aan den gezichtseinder zag opduiken, ging bedachtzaam ter zijde en zag vroolijk naar de dolle bende en naar den dikken, angstigen, verkleumden jongen in de slee en den mageren, steilharigen hond, die het nu en dan uitjammerde van verlangst naar zijn zonnig Sumatra.
Ze volgden de Gouwe, de Aar, de Drecht en kwamen aan den Amstel. Daar wuifden meisjes hun toe, en de oomes wuifden terug en schreeuwden „Hoera!” omdat de levenslust er nu eenmaal uit moest. Verduiveld, nog vóór de schemering zwierden ze met hun slee Amsterdam in!
Gerretje had er nog een ouwe moei; die woonde aan den IJkant, en ze zou Gerretje en zijn makkers gráág herbergen en onthalen.
Na drie uur heen en weer sjouwen was de moei gevonden. Gerretje klopte aan de lage deur. „We zullen het er van nemen, jongens”, zei hij. „Ze is wat van de knibbelige kant, maar voor mij heeft ze een zwak!”
Maar de moei keek allesbehalve vriendelijk, toen ze het oude wijfjes-kopje met het witkanten knipmutsje uit het bovenraam stak en haar dierbaar familielid en zijn twintig makkers ontwaarde. „Wat moet dat daar?” vroeg ze krijschend.
„Goeien avond, moei!” wenschte Gerretje haar toe. „Kun je ons voor vannacht bergen? Ik ben Gerretje, je neef. En dit zijn m’n vrinden.”
De moei dacht even na. „Waar kom je vandaan?” vroeg ze toen.
„Uit de Oost”, schreeuwde Harmen naar boven. „We komen regelrecht uit de Oost, moei!”
„Op schaatsen toch niet?!”
„Ja zeker! Op schaatsen!” riep Gerretje. „Daar kunnen we je wat van vertellen, moei!”
„Nou”, zei de moei na een aarzeling, „jij mag binnenkomen, omdat je m’n neef bent.”
„En de anderen niet?” vroeg Gerretje weemoedig. „Denk er eens aan, moei, wat een tocht we achter de rug hebben! Geef ons ten minste een neutje; we zijn half bevroren.”
„Ik heb niets in huis”, verklaarde de moei. „Maar verderop is ’t Vette Varken,—daar kunnen jullie meteen slapen ook.”
„Moei, wat ben je weer knibbelig”, klaagde Gerretje. „Laat mij nou er eens zoeken: ik zal nog wel ergens een kruikje vinden! Kom, je bent er zelf toch ook niet vies van?”
„Ik zeg je, dat ik niets in huis heb!” zei de moei snibbig.
„’t Is wèlles, ouwe tooverheks!” riep Gerretje driftig.
Het raam sloeg dicht. Gerretje wilde de deur gaan bewerken, maar de maats susten hem. „Kom, Gerretje, maak je niet giftig; laat ze met haar neutje naar de weerlicht loopen!”
„Heb je dáár nou een moei voor?” jammerde Gerretje droefgeestig.
„Vooruit!” zei Harmen. „We gaan naar ’t Vette Varken. Harremen betaalt!”
Zoo toog men in optocht langs het kanaal naar de herberg, waar het onderdak vrij duur bleek te zijn. Een paar maats wilden ’s nachts doorrijden, maar de meesten hadden er geen trek in, zetten hun gramschap tegen Gerrit’s knibbelige moei onder een borrel en wilden den stamgasten hier ook eens wat op de mouw spelden. Maar ze werden door de slimme Amsterdammers niet zoo grif geloofd: een was er bij, een landrot, die misschien nog nooit in een roeibootje had gezeten en toch ophakte, alsof hij z’n leven lang op Oostinje had gevaren: hij wist alles op een prik, de leelijke kikker, en liet hen nauwelijks aan ’t woord.
Verdrietig, met gramschap in het hart, zochten de gebruinde maats, die me daar even door zoo’n witgesteven pennelikker uit het veld waren geslagen, hun logies op.
„Er zit dooi in de lucht”, zei Hilke. „De wind is Zuid geworden.”
Toen ze den volgenden morgen hun bol uit het dak venster staken, lagen er groote plassen op het ijs.
„Natte voeten!” meende Gerretje. „Afijn, over een paar uur zijn we thuis!”
Thuis....! dat woord ging er in! Ze zouden er vandaag eens een gangetje inzetten!
Padde keek bedenkelijk, toen hij dit plan vernam. „Als jullie nog woester rijdt dan gisteren, loopt de boel verkeerd!” meende hij.
„O! Dat zit de heele weg lekker in de slee en heeft nog praats ook!” schimpten de oomes.
Na de „vroegkost” met gloeiende koffie naar binnen geslurpt te hebben, rekende Harmen met den waard af. Deze bleek hen flink geplukt te hebben,—dat was zoo de gewoonte: janmaats keken toch niet op een stuiver!
„Gevaarlijk spul met die nattigheid!” meende de waard, het geld opstrijkend.
„Ja, jij zorgt wel, dat je droog blijft, duitendief!” viel Harmen grimmig uit.
En toen ging het er in dolle vaart weer op los. Zoo fel zwierden de maats door het water, dat ze heelemaal nat werden. Er viel haast geen schaatser te ontdekken.
Toen gebeurde het. Bij het omzwenken, de Zaan op, namen ze de bocht te kort; de slede botste tegen den kant, zeilde weer over het ijs uit, zoodat de meest rechtsche schaatsers werden omgerukt,—sloeg toen tegen den anderen wal, juist tegen het steigertje van een molen, en lag in gruzelementen. Joppie was op den wal gesprongen; Padde liep een geweldigen buil op; de kisten lagen over het ijs verspreid.
„Wat een rot-slee!” schimpte Gerretje, die ook op zijn achterwerk geslagen was en nu kwam aanstrompelen, de handen tegen zijn broek. „Heb je je pijn gedaan, Padde?”
„Nou en of!” klaagde de arme jongen, nog wit van schrik.
De molenaar was naar buiten gekomen, een wollen doek om den hals, en stond met de handen in de zakken naar het geval te kijken. „Sjonge-jonge”, filosofeerde hij, „jullie hebt zeker wat woest gereden! Moeten jullie naar Hoorn? Daar kun je op schaatsen niet komen.”
„En waarom niet?” vroeg Gerretje uitdagend. „We sleepen ieder onze eigen kist, jongens!”
„Dan kun je meteen je doodkist wel meesleepen”, zei de molenaar. „Verderop is het ijs vol wakken, en door het water zie je ze niet. Maar weet je wat? Nemen jullie mijn wagen!”
„En dan zeker betalen, dat we scheel zien!” meende Harmen.
„Hoe kom je daarbij?” vroeg de molenaar. „Jullie rijden voor niks!” En zich omwendend: „Jan! Span de wagen eens in!”
„Ja, vader”, klonk het uit den molen.
„Man!” stamelde Harmen in verrukking, „jij moest in een gouden lijstje!”
De molenaar grinnikte. „Pak je kisten maar op en ga mee naar binnen. M’n vrouw heeft krentemik voor oud en nieuw.”
„Drommels, ’t is de een-en-dertigste vandaag!” zei Hilke.
„Nou, jullie kunt makkelijk thuis zijn vanavond”, meende de molenaar.
„Wij niet meer”, zeiden een paar maats. „Wij moeten nog door naar Enkhuizen.”
„Ik kan de kar niet zoover missen”, zei de molenaar. „En morgenochtend moet ik m’n jongen ook weerom hebben; die gaat met jullie mee om de kar terug te brengen. Kan ie ergens onderdak, dat je weet?”
„In ’t Sillevere Anker”, zei Harmen. „Op mijn kosten.”
„Nou, kom dan maar binnen. Waar komen jullie eigenlijk vandaan?”
„Uit Oostinje!”
„Wat je zegt! En die hond?”
„Die komt van Poeloepoeloepatsji”, zei Harmen.
„Dan zal hij het nu wel koud hebben”, meende de molenaar. „Kijk hem eens rillen!”
En ze gingen den molen in. „Vrouw, ik breng je een stelletje Javanen mee!” riep de molenaar gul. „Kom maar gerust: ze bijten niet, behalve in je krentemik!”
De vrouw, een goedlachsche, ou-bollige molenaarsgade, kwam met een dampende krentemik binnen en scheen allerminst bevreesd voor de „Javanen”.—„Lusten jullie boerenjongens op brandewijn?” vroeg ze.
„Voor boerenmeisjes zijn we ook niet bang!” blufte Gerretje.
„Stil jij!” schimpte Harmen. „Je bent met een menschenetersvrouw getrouwd!”
„Is dat waar?” vroeg de molenarin, die juist de krentemik aansneed.
Gerretje was vuurrood geworden. „’k Zou jou je nek wel willen omdraaien!” siste hij Harmen toe.
„Dat meen je niet”, zei Harmen.
Gerretje zocht naar een woedend antwoord, maar juist op dit oogenblik zette de molenarin hem een dikke snede krentemik voor, en Gerretje vergat zijn woede. „Ja-ha!” grinnikte de molenaar, „zoo doet ze met mij ook: als ik nijdig ben, zet ze me wat lekkers voor de neus!” En hij trommelde tevreden op zijn rond buikje.
Jongens, de krentemik smaakte! Ze smolt in je mond! Daar nog boerenjongens boven op, een stuk koek met suikerfiguren..... De molenaar wist van uitpakken! Hij en zijn gezellig wijfje lachten maar, en de maats voelden zich wonderwel thuis.
„Kom, jongens”, zei Hilke, „als we vóór donker in Hoorn willen zijn.....!”
Maar hij moest een paar maal aandringen, voor de anderen opstonden.
„Kijk!” zei Gerretje, aangedaan door het gastvrij onthaal, „die papegaai is voor jou! Hij kan Potverblomme! zeggen, maar als je hem pest, bijt ie.”
Toen voelde Harmen zich geroepen om den molenaar als herinnering een aapje te laten. Maar toen hij de kooi opende, lag het aapje stijf en koud op den bodem. Ze werden er allen even stil van.—„Snap ik niet”, zei Harmen. „Gisteren was ie nog zoo fleurig!”
„Stom beest!” zei de molenaar meewarig.—Een der andere maats gaf hem toen een aapje, dat nog niet dood was. „We zullen het bij het vuur hangen”, stelde de molenaarsche voor.
„Hoe dichter, hoe liever”, zei Harmen. „Dan denkt ie, dat ie in Java is.”
En toen klommen onze vrienden na veel handdrukken en nieuwjaarswenschen in de kar. In het Westen trok een rosse sneeuwlucht op. „Heb je je goed ingepakt, Jan?” vroeg de molenaar.
„Ja, vader”, antwoordde een blozend, stil, goed gevuld joggie met stroogele haren onder de pet, dat parmantig op den bok zat,—de teugels in de hand.
„En heb je een lantaren bij je? Voor straks, als het donker is?”
„Ja, vader.”
„En zit er olie in?”
„Ja, vader.”
„En heb je je brood bij je? En je beursje?”
„Ja, moeder.” Bij elke bevestiging knikte het joggie—bleef droomerig voor zich uitzien.
„Jan denkt toch om alles!” prees de molenaar.
En de wagen zette zich in beweging. De maats wuifden om het hardst en schreeuwden hoera! De molenaar en zijn vrouw wuifden terug.
Het begon zachtjes te sneeuwen; spoedig was de gastvrije molen als een schim weggebleekt in het grijs. De maats zaten in de aanvankelijk erg schokkende, maar ten slotte in de sneeuw haast geruischloos voortrollende kar dicht bijeen,—Joppie tusschen hun knieën. Nog vanavond zouden ze thuis zijn! Was het te bevatten? Padde en Hajo keken elkaar stil gelukkig aan; Harmen tuurde zwijgend naar den bodem van de kar. Eensklaps drukte hij Hajo een handvol guldens in de hand. „Doe jij het liever”, zei hij en zuchtte.
„Wat?”
„Dat geld aan Lijsken’s moeder geven. Ze woont aan de Markt.” En toen hij Hajo’s weifeling zag: „Toe, doe me die lol. Ga samen met je moeder.....”
„Kijk me dat ventje eens mennen!” prees een maat.
Gerretje knikte. „Een beste jongen. En..... een zoete jongen!”
„En die knol loopt ook met volle zeilen!”
„Nou!” bevestigde Gerretje. „Laat mij er eens mennen, Janneman?”
De jongen antwoordde niet, keek ook niet om, schudde alleen maar ontkennend het hoofd.
„Denk je, dat ik niet met knollen kan omgaan?” vroeg Gerretje.
„Met deze niet”, zei het jongetje.
Gerretje werd nijdig. „Vooruit, ga van de bok af!”
„Gerretje!” berispte Hilke. „De jongen stuurt best.”
„Dat zeg ik ook niet! Maar ik wil nou eens mennen. Vooruit, snotaap! De bok af!”
De jongen schudde weer het hoofd, zonder omkijken.
„Wel verduiveld!” schold Gerretje.
Nu keerde de jongen zich om, hield het paard in. „Als je me verveelt, laat ik het paard staan, en dan kun je honderdmaal vort! roepen; hij loopt toch alleen, als ik het wil.”
„Hou je toch koest, Gerretje”, pruttelden de anderen ook.
Gerretje bromde wat, zakte op den bodem van den wagen neer, keek woedend voor zich uit.
„Vort!” riep het kereltje op den bok. En het paard liep weer.
De maats sloegen aan het zingen en wuifden met de mutsen, wanneer ze door een dorpje reden. De sneeuw begon steeds dichter te vallen; de wielen trokken al dieper voren in den witten weg, en zwart stonden de knotwilgen langs de nu geelbruine sloten.
„We krijgen nog veel meer!” meenden de maats. Toen ze zich schor gezongen hadden, tuurden ze over de witte velden, en de wondere schoonheid van vallende sneeuw drong vaag door tot in hun varensgastenziel.
Eindelijk..... zagen ze goed?!.... daar schemerde in het Noord-Oosten..... een bekende omtrek..... de groote toren van Hoorn!
Dol werden ze! Woest, razend van vreugde, begonnen ze in den wagen te dansen, vielen in elkaars armen. „Hoera! Hiep-hiep-hiep hoera!! Hoera!!!”
En wuivend, zwaaiend, gillend en schreeuwend reden ze een kwartiertje later de Westerpoort in. „We komen uit Indië!” riepen ze den verbaasden straatgangers toe en hieven hun kooien met papegaaien en aapjes op. Zoo hadden ze in een ommezien een groot gevolg.
„Halt! Daar loopt m’n broer! Krelis! Hou dan toch stil! Krelis! Hou je taai, jongens! Ik moet..... Krelis! Krelis!” En de oome was met zijn kist en papegaai uit den wagen gesprongen, rende met groote sprongen op z’n broer toe. De anderen zagen, terwijl ze weer voortdansten, holderdebolder over de keien, hoe de broers elkaar in de armen vielen.....
Op de groote markt stopte de kar; allen sprongen er uit, drukten elkaar de hand en sjouwden hun hebben en houwen door de sneeuw naar huis.
Nu ze alleen waren, maakte de vreugde op hun gelaat voor een bezorgde uitdrukking plaats. Zou thuis alles goed zijn.....?!
Daar stond Hajo’s huisje! Was het zoo klein?? Hijgend rukte Hajo de lage deur open en stortte zich naar binnen. „Moeder! Moeder!! Moedertje!!!”
Daar lag hij in haar armen. In de armen van zijn moedertje. En beiden snikten en lachten en kusten elkaar en drukten elkaar aan het hart. Was zijn moedertje zoo klein en zoo tenger??
Wat was ze zacht!
Moeder! Moedertje van mij!
„Peter! M’n jongen!”
Zijn moeder nam zijn hoofd tusschen haar handen, wilde het bezien, maar begon dan weer te schreien en te lachen en overdekte het met kussen zonder een woord anders te kunnen zeggen dan: „Jongen! Mijn jongen! Ben je daar weer? Hoe is het mogelijk? Mijn Peter.....”
Uit de achterkamer waren de andere kinderen gekomen, verwonderd, met hun houding niet goed raad wetend. Hajo sprong op en drukte hen aan het hart en wist niet, waar hij het eerst heen moest kijken en wie hij het eerst kussen moest. „Antje! Maartje! Wat groot zijn jullie geworden! O, wat heerlijk! En Doris! Ken je mij niet meer? Ken je Peter niet meer?” Hajo knielde voor Doris, die bedremmeld in een hoekje stond en Hajo met groote oogen aankeek.
„W-waar is de olifant?” vroeg Doris stamelend.
Hajo kuste hem van alle kanten. „Hij kent me nog!! Hier, hier is je olifant!” Hajo sprong op, keek in verrukking rond, viel zijn moeder weer om den hals, die hem met stralende oogen aankeek, rukte toen zijn kist open, gooide alles onderstboven. „Hier!” riep hij, terwijl de dikke tranen hem over de wangen rolden. „Hier, Antje! Een pop voor jou! Met Chineesche oogen,—is hij niet mooi? En een waaier! Voor jou, Maartje! Ruik er eens aan: hoe lekker! Moedertje, ’k word voor stuurman opgeleid! En later voor schipper! Hier! wie moet die armband hebben? En kijk eens, Doris! Hé? Wat heb ik hier? Wat heb ik hier voor jou?”—Hajo kroop op de knieën naar Doris toe, omvatte hem en hield hem een wit ivoren olifantje voor den neus. „Kijk z’n slurf eens? En z’n tanden?”
„En..... en de menscheneter?” vroeg Doris, met een blijde uitdrukking op zijn rond kindergezichtje den „olifant” bekijkend.
„De menscheneter? Hier is de menscheneter! Hau-auw!” En Hajo maakte een menschenetersgezicht en hapte naar Doris, die schaterend van de pret vluchtte en door Antje werd opgetild. Hajo sloot hen beiden in de armen. „Antje! Wat ben je een meid geworden!”
„Dacht je, dat ik altijd zoo klein bleef?” vroeg Antje. „Jij bent ook groot geworden, zeg! Niet waar, moeder?”
Moeder knikte, zonder nog te kunnen spreken. En toen Hajo zich weer in haar armen wierp, snikte ze het weer uit. „M’n jongen..... wees niet boos, dat ik nog huil! Ik ben zoo blij, dat je terug bent! Het is alles zoo onverwachts gekomen. En..... Heb-heb je een goeie reis gehad?”
„Terug wel, moedertje! Maar de Nieuw-Hoorn is vergaan!”
„Verg.....?!!”
„Ja! Door Padde’s schuld. ’k Heb geld bij me, moedertje! Kijk eens?!!” Hij legde handen vol guldens in zijn moeders schoot. „Is het niet veel? Twee-en-zeventig gulden en zeven stuivers! Hier heb ik nog meer geld, maar dat is voor Lijsken’s moeder. Lijsken is onderweg aan de scheurbuik.....!!”
En toen begon Hajo te vertellen. Bij stukken en brokken. Van den brand aan boord, den tocht met de jol, van Dolimah, den panter, Pa-Samirah, het vlot, en dat hij bij den Bruinvisch in Amsterdam moest komen.....
Onder zijn opgewonden, verward vertellen viel de klopper. Padde stond aan de deur.
„Padde!!!”
En ook de brave dikzak werd door Hajo’s moeder omhelsd en gekust, en hij zelf snikte, alsof Hajo’s moedertje ook de zijne was.
„Jongen, wat heb jij je moeder een verdriet gedaan!”
„’k Heb haar vijf-en-zestig gulden en zeven stuivers meegebracht”, zei Padde. „Ze laat vragen, of jullie vanavond bij ons komen, Maartje ook.—Dag Maartje! Wat zijn jullie allemaal groot geworden! Bij mij thuis ook! ’k Heb er nog een zusje bijgekregen!”
„En is thuis alles goed?” vroeg Hajo.
„Best. Alleen m’n vader..... die is een half jaar geleden verdronken.”
Er kwam even stilte in het vertrek. Padde haalde diep adem en kuchte. „In de sloot achter de Zuidwal”, zei hij er toen achteraan. En plots, het hoofd gebukt, en op een harden toon, die anders nooit over zijn lippen kwam: „’t Is z’n eigen schuld. Hij was weer dronken. Die..... die..... die dronkelap!”
„Padde”, zei Hajo’s moeder zacht, „jij mag niet zoo over je vader spreken.”
Padde schudde driftig het hoofd. „Wat doet ie m’n moeder te slaan? En het geld te verdrinken? En de meubels te verkoopen?”
„Maar..... maar nu is hij toch dood, Padde.”
Padde worstelde met iets.
Hajo’s moeder stond met droeven glimlach op, nam Padde in haar armen en kuste hem. „Zeg maar aan je moeder, dat wij komen.”
En Padde ging, schreiende.
„Nu, m’n jongen”, zei Hajo’s moeder, „nu moeten wij samen nog even uit. Heb je..... heb je daar het geld van die gestorven vriend van je? We gaan geen blijde boodschap brengen, m’n jongen, maar..... het moet.” Ze ging naar de kast, sloeg een doek om.
En even later stapte Hajo met zijn moedertje aan den arm de deur uit. Dicht aaneengedrukt liepen ze door de besneeuwde straten. „Mijn jongen, wat ben je groot geworden.....” verzuchtte zijn moeder. „Ik moet heelemaal tegen je opzien!”
„Maar ik ben ook al zestien, moedertje! Is de tijd niet gevlogen?”
Zijn moeder glimlachte. „Niet..... niet altijd, Peter.” Toen werd ze stil, en haar gedachten schenen afwezig. Hajo droeg het geld voor Lijsken’s moeder in een zakdoek geknoopt.
Het was gaan schemeren. De lichte vensters glansden neer op de sneeuw. Uit de rossig-grijze lucht dwarrelde het maar voort.
Bij de Waag zagen ze twee bekende gestalten: Harmen en Gerretje, hun kist op den nek. Gerretje droeg bovendien Harmen’s waterpijp nog, en Harmen klemde onder den linkerarm zijn dierbare viool. Joppie dribbelde met opgetrokken pooten tusschen hen in.
„Schip ahoy!” riep Hajo.
De beide gestalten hielden stil. „Hallo, Hajo!”
„Waar gaan jullie heen?” vroeg Hajo. „Zijn jullie al thuis geweest?”
„Ja wel”, zei Harmen, met een aarzelen den blik op Hajo’s moeder, „maar ze zijn verhuisd! Naar Alkmaar, zeggen de buren. Tja.....! We gaan nou maar eerst naar ’t Sillevere Anker!”
„Dit is nou Harmen, moeder!” zei Hajo trots. „Die heeft samen met mij die panter..... weet je wel?”
Hajo’s moeder stak Harmen de hand toe. „Harmen, ik dank je voor wat je voor mijn jongen gedaan hebt! Voor alles, hoor, voor alles dank ik je!”
Harmen werd verlegen. „’n Kleinigheid, juffrouw.....!—Afijn, ’t had raar kunnen afloopen! Als je nou bedenkt, die arme Floorke.....! We gaan z’n meisje in ’t Sillevere Anker nou zeggen, wat er met hem aan het handje is.”
„Arme meid”, zuchtte Gerretje.
„Zeg dat wel”, viel Harmen hem op droefgeestigen toon bij. En met afgewenden blik sloeg Harmen op zijn zwarte vioolkist en kuchte. „Hilke is bij z’n meisje,—die was in haar nopjes!”
„Nou! Ze drukten mekaar zoowat plat!” grinnikte Gerretje.
„Kijk moeder, dat is nou Joppie! Die is ook mee door Sumatra geweest!”
„Arm beest!” zei Hajo’s moeder, toen het dier bibberend tusschen Harmen’s beenen kroop.
„Hij zal er wel aan wennen!” stelde Harmen haar gerust. „Nou, dag, juffrouw! Ajuus, Hajo!”—En het drietal spoedde zich over de verlaten marktplaats voort naar ’t Sillevere Anker.....
Lijsken’s moeder, een bleek, mager, klein vrouwtje met groote lijdensoogen, nam stilzwijgend de zilveren guldens in ontvangst en borg ze weg in een oude, gehavende kast.
„Ik was er al bang voor.....” Dat was al wat ze zei. Toen Hajo’s moeder haar kuste, schreide ze.
Zoo vierden allen het Ouwe jaar nog in Hoorn. En de maats, die morgen verder moesten, naar Enkhuizen, zaten bij hun makkers aan den haard en hielpen opsnijden.
Buiten viel de sneeuw altijd maar door; als een teedere moederhand legde de sneeuw zich over het stadje..... er moesten vele schrijnende wonden worden bedekt.
Vertrouwelijk, als goede raadgevers, wandelden te middernacht twaalf klokkeslagen over de sneeuw.
Toen zochten de handen elkaar in diepgevoelde vreugde.
EINDE
AANTEEKENINGEN
[1] Geen der drie jongens vermoedde, dat ze een vogel hadden gevangen waarover eeuwen later de geleerden elkaar nog in de haren zouden vliegen. Het was de zoogenaamde „dodo”, die alleen op Réunion voorkwam en thans geheel is uitgestorven,—dank zij het feit, dat de oomes, die in den loop der jaren op Réunion landden, al deze „zwanen” met stokken hebben doodgeslagen en toen opgepeuzeld.....
[2] Met dit antwoord was Padde allen geleerden meer dan twee eeuwen voor. Want eerst in de tweede helft der negentiende eeuw bewees de groote Londensche natuurvorscher Sir Richard Owen in een beroemd geworden skelet-onderzoek, dat de dodo tot de familie der duiven behoorde.
[3] Indien de maats wat beter met het zonderlinge leven der zee-schildpadden bekend waren geweest, zouden ze geweten hebben, dat die eigenaardige ronde bollen gras door de schildpadden zelf vervaardigd worden en vergaard. Schildpadjagers van beroep zoeken die „opslagplaatsen” en wachten daar, tot de gepantserde kolossen het strand komen opkruipen.
[4] Als het gaat regenen, vluchten de geiten! Als het gaat regenen, dans ik graag!