De Scheepsjongens van Bontekoe
Part 40
„Hou nou op met dat schommelen!” mopperde Hilke. „Zoometeen kantelen we nog.”
„Juist lollig!” schreeuwden de maats. „D-dan zwemmen... hik! zwemmen we wat!”
„Je weet zeker niet, dat het hier vol haaien zit?” vroeg Rolf.
„Jij bent zelf een haai!” schreeuwde Gerretje. „Wat doe je met je vingers aan die k-knollen? Zijn die van jou, of zijn ze van..... hik! van toewan Gerretje?”
Rolf gooide samen met Hilke de sloep los. „Ziezoo, ga jij daar eens weg: ik zal het roer wel nemen.”
„Neen!” protesteerde de maat. „Ik hou het roer vast! Ik wil het roer vasthouden!” En hij nam den roerstok als een zuigeling in zijn handen.
„Laat los!” beval Rolf.
„Waarom? Waarom zou ik het roer niet houden?”
„Omdat je stomdronken bent.”
„Wat?! Ik dronken? Ben ik dronken, jongens? Ik b-ben heelemaal niet d-dronken!”
„Laat maar los, Piet!” zei Harmen sarrend en schommelde heen en weer. „We hebben nou twee stuurlui aan boord!”
„Schei uit met dat schommelen!” riep Rolf driftig. „Of ik sla er op, begrepen?”
„Ja, schei uit, jongens! De stuurman vindt het ommers niet goed!” treiterde Harmen.
„Hou op met dat sarren, Harmen!” gromde Hilke. Hajo kookte van binnen.
„Wat: stuurman?” vroeg een schommelende maat. „Wáár is een stuurman?”
Harmen wees op Rolf. „Hij daar, de boekenwurm! Die is te fijn om met gewone jongens in een sloep te zitten!”
Rolf keek Harmen met verbeten drift aan. Harmen trok een leelijk gezicht tegen hem.
„Kom, gooi het zeil nou eens uit!” zei Hilke, geërgerd.
„Dat mag je niet doen! Dat moet je eerst aan de stuurman vragen!” riep Harmen.
Rolf stond op. „Ik heb jullie niet noodig”, zei hij met trillende lippen. „Ik zal zoo wel aan boord komen!” En meteen sprong hij het water in, kwam weer boven en zwom van de kade weg, in de richting van de lichtjes, daar ver in zee.
Verbluft waren de maats. Zoo verbluft, dat ze nog niet begrepen wat er gebeurd was, toen het boord van de sloep voor de tweede maal neergedrukt werd en nog een jongenslichaam het water inplonsde.
„Hajo.....!” schreeuwde Padde ontzet.
Toen kregen Harmen en Hilke hun bezinning terug. De eerste legde zijn viool neer, nam een roeispaan op, die in de sloep lag, en duwde van den kant af. Hilke gooide het zeil los.—En vijf minuten later waren de drenkelingen aan boord geheschen.
Padde jammerde in één toon voort. „Zijn jullie nou razend? Rolf zei immers zoo net nog, dat het water hier vol haaien zit.....!”
Harmen keek met afgewend gelaat voor zich uit naar de Nieuw-Zeeland, wier lichten steeds grooter werden. In fiedelen had hij geen lust meer.
Rolf zat met druipende kleeren op een bankje, zwijgend, het hoofd diep gebukt.
Hajo schreide. En Hilke hield het stuur.
Na eenig zwijgen herinnerde Gerretje zich weer, dat zijn centen op waren en dat dit zoo’n strop was, en hij deelde het zingend iedereen mee, die het maar hooren wilde.
Zoo legde de sloep zich langszij van de Nieuw-Zeeland, en de maats klauterden aan boord. Geen van hen viel den valreep af. Want zooveel arak kan een Hollandsche janmaat niet door zijn keelgat gieten, dat hij een touw loslaat, als hij het eenmaal in z’n handen heeft. Harmen werkte zich op een onbegrijpelijke manier met Joppie èn z’n fiool naar boven.
Zwijgend trokken Hajo en Rolf dien avond hun natte kleeren uit en gingen ter kooie. De meeste maats sliepen al.
Harmen was dien avond gaan slapen zonder een mensch goeden nacht te wenschen. Hij woelde geducht, en onverwachts stond hij in zijn onderbroek voor Rolf’s kooi.
„Ik kom je zeggen.....” zei hij, moeilijk ademhalend, „dat het me spijt. ’k Heb het niet zoo kwaad gemeend, als jullie dacht, hoor. ’k Ben ook niet nijdig op je, dat jij zoo knap bent, neen, ik was nijdig op je, omdat ik zoo stom ben. Snap je?”
„Waarom zou jij dom zijn?” vroeg Rolf.
„Ik??” zei Harmen verbaasd. „Ik ben zoo stom als een kokosnoot! Waarom geeft de schipper Hajo wèl een brief mee en mij niet? Omdat de schipper denkt: Laat Harremen maar wat krassen voor de maats, daar.....” Harmen snikte eensklaps, „..... daar is ie goed voor.—Afijn”, Harmen veegde zijn tranen weg, „zoolang ik m’n fiool maar heb, is er met Harremen niks aan ’t handje. Maar dan moet je niet zeggen, dat ik óók geen fiool kan spelen!”
Rolf glimlachte weer. „Als ik het maar eerst zoo kon als jij, zou ik al blij zijn, hoor!”
„’t Is niet gemakkelijk!” verzekerde Harmen. „Nietwaar, Hajo? Dat van die begraffenis is verduiveld moeilijk!”
Zoo was de vrede weer gesloten. Harmen ging nog niet dadelijk weer zijn kooi in; hij sleepte de schatten, die hij vandaag had ingekocht, bijeen, liet zijn viool nog eens bewonderen, toonde, dat er nog nergens een barst in zat.
En Padde toonde zijn schatten, verdeelde ze nog eens opnieuw. En Rolf voelde zich blij, dat Padde’s broertjes en zusjes zoo blij zouden zijn met wat Rolf Padde voor hen gegeven had. Al die mooie dingen waren zoo mal in hun grove knuisten; het was net, of het sprookjesachtige er nu af was, dat hun zoo bekoord had, toen ze ze in het halfduister van dat eigenaardig geurende winkeltje hadden zien liggen te midden van duizend andere vreemde dingen. In de matgele handen van dien Oosterling hoorden ze thuis.....
Nu, in Holland zouden ze alles wel mooi vinden. Als het maar uit Indië kwam!
„Ruik dat hout eens?” vroeg Padde, zijn vrienden den waaier reikend.
„Lekker!” zeiden de anderen.
En Harmen vulde zijn waterpijp, stopte er tabak in en rookte als een echte Arabier: met gekruiste beenen! Alle jongens deden een trekje, en de slapende maats gromden, dat ze niet zoo ginnegappen moesten, als een ander mensch mafte.
Maar de jongens waren traag in het scheiden.
Een lange, lange scheiding stond hun nog te wachten. Nietwaar.....?
DE THUISKOMST
Den achtsten Maart van het jaar 1620 lichtte de Nieuw-Zeeland de ankers, en den acht-en-twintigsten December van hetzelfde jaar liet zij ze na een gunstige reis weer vallen op de zandige reede van Vlissingen.
Met tranen in de oogen hadden onze vrienden Rolf vaarwel gewuifd, toen een ferme Zuid-Oostenwind de zeilen bollen deed en de Nieuw-Zeeland statig voortdreef van Java’s groene kust, en met tranen in de oogen hadden ze den acht-en-twintigsten December in den vroegen morgen, rillend van kou, in den grijzen nevel de duinen van Walcheren zien schemeren. Daar stonden ze bij elkaar, den kraag van hun duffelsche hoog opgezet, de handen en de polsen in den broekzak, Hajo en Harmen en Hilke en Gerretje en Padde en honderd andere maats en zwetsten allen dooreen en woven en schreeuwden, of bliezen zich in de handen.
Zie, daar lag Vlissingen met zijn roode daakjes en zijn stompen toren, waar de vlag uithing, omdat er een Oostinjevaarder, de Nieuw-Zeeland, uit het verre menschenetersland was binnengeloopen, de ruimen vol peper, kruidnagelen, koffie, tabak! Nu liep alles van de werkplaats weg, de smid nog zwart van het roet, de bakker witbestoven, de timmerman met zijn schaaf in de hand, en door de kleine vensters der havenkantoren gluurden de klerken, kauwend op hun ganzeveeren. De reeder, deftig in het zwart, met witten kraag en handschoenen, vergezeld door de heeren van het kantoor, nam waardig in zijn sloep plaats om zich aan boord te laten roeien.
En de kwajongens? Nee, maar, de kwajongens! Alom klapperden hun klompjes over de keien; ze kropen onder karren en paarden door, de rakkers; ze baanden zich met de ellebogen een weg door de menschen en voeren in volgepropte bootjes hals-over-kop naar den Oostinjevaarder.
Grinnikend hingen de maats over de balie, zagen toe, welke van de benden kleine zeeroovers met de lauweren zou gaan strijken: het eerst bij den Oostinjevaarder te zijn aangekomen, het eerst hoera! geschreeuwd te hebben, met de mutsen gezwaaid en gevraagd te hebben: „Goeie reis gehad? Gooi eens wat Indisch naar beneden?” Daarvoor doken ze desnoods in het ijskoude water, de bengels, die nu, trekkend aan de riemen als dollemannen, naderbij kwamen. En daarginds, aan de kade! Zie eens, wat een volk er toeliep! En wat een vlaggen er nu fonkelden in de klare zon!
Ja, jongens, ze waren weer in hun bovenste beste kikkerlandje! En al die vlaggen, al dat volk, al die opwinding was voor hen!
Of ze weer terug wilden naar de Oost? Voorloopig had niemand er trek in! Nu, ja, ze kenden zichzelf wel: als ze weer een maand lang gehokt hadden, met een pijp en een kop koffie bij den haard, en zoo lang over hun reizen hadden opgesneden, dat ze zelf niet meer wisten, wat waar gebeurd en wat gelogen was, en ze in hun verhalen vastraakten, zoodat niemand hen meer geloofde; wanneer de volle zak gage, die ze meekregen, een leege zak geworden was, dan werden ze sagrijnig, dan luisterden ze naar het gezellig jammeren van den wind in de schouw, dan kregen ze verlangst naar het vooronder en hun kameraden, dan gingen ze zoo er eens naar de zee kijken, hoewel ze een maand geleden hadden gezworen, haar nooit weer terug te willen zien, omdat ze ’t zoute water nou wel zat waren, en..... verdikkoppe! een week later hadden ze weer aangemonsterd voor Jan Oost.
Maar nu de ankerpalen ratelden, zat de vreugde hun nog tot boven in de keel. Straks zouden ze afmonsteren en, den zak vol blinkende daalders, op den wal staan met hun aapjes en papegaaien, die, sinds het koud was, in omwonden kooien in de kombuis hingen. Daar hongen ze lekker warm!
Ook Joppie hokte in de kombuis, stelde niet het allergeringste belang in Walcheren, Vlissingen, of in iets anders, dat koud was.
Op het water krioelde het al van roeibootjes vol kwajongens, die hun nek pijnigden met het naar boven kijken. „Hé, Lange!” schreeuwden ze omhoog, „spreek jij eens Maleisch? Of ken je het niet eens?”
„Papperalapoetje!” schreeuwde de „Lange” omlaag.
De jongens rolden de boot haast uit van het lachen. „Nou, en wat beteekent dat nou?”
„Dat zeggen ze altijd, als ze je villen!” lichtte de „Lange” toe.
Nieuw gegrinnik. „Nou, als ze jou zouden villen, hadden ze een heele lap, zeg!” roept er een. „Papperalapoetje—Pas maar op je hoedje!” Alles daar beneden giert van het lachen over dezen geestigen zet.
Twee uur later begon de afmonstering. Harmen kwam in de kombuis, pakte Joppie in zijn nekvel en schaarde zich in de rij wachtenden voor de kajuit.
„Wat moet dat?” jammerde Joppie, bibberend over al zijn leden.
„We gaan afmonsteren, Joppie”, zei Harmen.
En zoo kwamen de jongens aan de beurt en schoven met z’n drieën de kajuit in; Joppie ook,—verdekt achter Harmens rug.
Of de Bruinvisch tevreden was over zijn scheepsjongens? Eerst wendde hij zich tot Harmen. „Jij gaat de volgende reis weer mee!”
„Ik ga niet meer varen”, zei Harmen.
„Dan ken ik je beter, dan je jezelf kent”, meende de Bruinvisch.
„Nou”, zei Harmen, „ik zal een bruinvisch wezen, als ik me ooit weer op zoo’n smerige Oostinjevaarder laat aanmonsteren.”
Er was even stilte in de kajuit. De Bruinvisch keek met vervaarlijke oogen naar Harmen’s gelaat, waarop niets dan bittere ernst te lezen stond. „Hier! Neem je gage!” bulderde de Bruinvisch.
„Dankje, schipper”, zei Harmen onderdanig. Om het geld te kunnen opstrijken, moest hij Joppie loslaten. Dit wakkere dier zwikte op zijn vier pooten door, ontwaarde den opgezetten tijger en zette alle haren steil overeind.
De Bruinvisch liet z’n oogen rollen. „Wat moet die hond hier in de kajuit?!”
„Afmonsteren en z’n gage halen”, verklaarde Harmen. En toen kon hij zich opeens niet meer goed houden, begon te grinniken, streek haastig het geld op en liet het in zijn broekzak glijden. „Nou, dag, schipper! ’t Ga je goed!” En Harmen verliet met bekwamen spoed de kajuit. Joppie achter hem aan, den staart tusschen de pooten.
De Bruinvisch hapte naar adem. „Nu jij!” wendde hij zich barsch tot Hajo. „Ik zal je brief afgeven in Amsterdam en er nog een woordje bij doen. Waar moet je heen? Naar Hoorn? Nou, dan ben je niet zoo ver af. Hier is m’n adres, zie je, dat heb ik voor je opgeschreven! En Maandag over een week kom je bij me, dan neem ik je mee naar de heeren van de Compagnie. Begrepen?”
Of Hajo het begrepen had!
„Hoe ga je nu naar Hoorn? Loopen?”
„Ja, schipper. Maar Harmen zei....”
„Harmen?! Vraag ik je, wat Harmen zei? Je kunt tot Dordrecht met de jol gaan,—die is voor het volk, dat die kant uit moet. En verder loop je maar, dat is gezond. En laat je onderweg je geld niet afstelen: een landrot is nooit te vertrouwen! Hier is ’t. Met wat je in bewaring hebt gegeven, drie-en-zeventig gulden.—En nou jij!” Dat was tegen Padde. „Waarom schipper Bontekoe jou nog apart heeft aangemonsterd, zal me eeuwig een raadsel blijven. Weet je, wat jij bent? Een nietsnut! Een landrot!”
„Nou, ik wou ook nooit varen!” zei Padde, woest. „Ik wou bij m’n oom in de brouwerij!”
De Bruinvisch keek hem verbaasd aan. „En waarom ben je dan naar Oostinje gegaan?”
„Ik heb..... ik heb me verslapen!”
„Hè??—Nou, dat je een slaapkop bent, heb ik gemerkt. Hier is je geld. Vier-en-zestig guldens. Negen-en-dertig plus zeven-en-twintig.....”
„Is zes-en-zestig en niet vier-en-zestig”, merkte Padde op. „Twee gulden te min!”
„Wat?!” De Bruinvisch sloeg aan het rekenen en bevond, dat Padde gelijk had. „Hier dan!” pruttelde hij, z’n lade openend en nog twee gulden op tafel werpend. „’k Dacht net, dat m’n boeken nu eindelijk klopten.....”
Even later stonden de jongens buiten. „Daar wou hij me eventjes twee guldens afvangen!” zei Padde verontwaardigd. „’k Zou er anders niks van zeggen, maar die schippers verdienen genoeg! Nietwaar, Harmen?”
„Nou!” viel Harmen hem bij. „De Bruinvisch krijgt meer gage dan wij met z’n drieën, en hij heeft er niet half zooveel voor gedaan!”
’s Middags voer de jol weg. Dat gaf me een afscheid tusschen de oomes! Er vloeiden tranen..... emmers vol! Allen wisten, dat ze elkaar binnen enkele weken weer terug zouden zien. Maar ze namen afscheid voor eeuwig en wuifden, zoolang ze maar een muts konden zwaaien.
De wind zat pal in het Noorden, zoodat de jol tusschen Walcheren en Zuid-Beveland geducht laveeren moest. En het was zoo ijzig koud op het water, dat allen in de holte van de boot dicht bijeen gingen zitten, ’n zeiltje over de boorden gespannen. Tegen donker meerden ze de jol aan den Zuiderdijk van Noord-Beveland, waar een boerendak opdook. Ze klauterden met stijve beenen, slapende voeten en verkleumde vingers en teenen tegen den dijk op en kropen allen bijeen op den warmen hooizolder, die hun door den boer bereidwillig werd afgestaan.
„Waar komen jullie weg?” vroeg de boer, hun met een kaars voorgaand,—het laddertje op naar den zolder.
„Van Batavia”, zei Padde.
„Waar legt dat?”
„Vlakbij, als je d’r eenmaal bent”, lichtte Harmen hem in.
„Kom, Joppie!” En Joppie werd voor de zooveelste maal in z’n nekvel gepakt.
„Moet die hond mee op zolder??” vroeg de boer.
„Waarachtig!” zei Harmen. „Die heeft al meer gezien dan vijftig boerenkaaskoppen.”
„Nou, ’t is een leelijk mormel”, gromde de boer.
„Zeg hem dat eens in ’t Maleisch”, zei Harmen. „Dan vliegt ie je naar de kuiten.”
Toen waren allen boven; de boer klapte het luik dicht en trok de ladder weg, zoodat de mannen opgesloten zaten.
„Hij vertrouwt ons voor geen pruim tabak!” meende een oome.
„Zou hier geen kippetje te graaien zijn voor Ouwejaarsavond?” vroeg Gerretje, tastend langs de hanebalken. Daar fladderde een haan luid kakelend weg. „Wat een mormel!” schold Gerretje. „Hij heeft me gepikt!”
Hè, het was lekker warm hier op zolder! Zelfs Joppie ontdooide. De mannen rolden zich in het hooi, genoten nog eens volop van het bewustzijn, weer in hun eigen lief landje te zijn. Thuis moesten ze weten, dat de jongens al weer binnen waren! Hoe zou het thuis zijn? Toch alles goed? Een kleine ongerustheid, die in hun ziel sloop, werd er weer uitgebezemd. En even later snurkten allen zoo, dat de boer en zijn vrouw verbaasd hun neuzen boven de dekens uitstaken en zich afvroegen, waarom de varkens vannacht zoo rumoerig zouden zijn. Biggen op komst....?
Al vroeg werden de janmaats weer wakker door het gekakel van een kip, die wijd en zijd verkondde, dat ze, hoewel het winter was, voor den boer toch nog een eitje had gelegd. Gerretje brak het open en dronk het leeg. „Nog warm!” Anderen morrelden aan het luik, maar het zat van onderen vast. Eindelijk kwam de boer en opende het.
„Ook goeie morgen!” wenschten de maats het slaapdronken hoofd met de bonte nachtmuts toe.
„Wat zijn jullie vroeg!” mopperde de boer. „’t Is nog zoo koud!”
„Heeft het gevroren?”
„Nou! De pomp zal wel vastgevroren zijn!”
„Heb je dan soms een bakkie heete koffie voor ons?”
De boer gromde wat. „Kom nou maar eerst beneden!”
„Die groote, witte kip heeft een ei gelegd”, zei Gerretje onder het afdalen.
„Ja. Dat is een beste!” knorde de boer, tevreden. „’k Zal het straks wel halen.—Wat hebben jullie in die kooien?”
„Jonge leeuwen”, lichtte Gerretje in.
„Nou, jullie maakt er wat van!” grinnikte de boer.
„Heb je niks te bikken, Hannes?” vroeg Harmen hem.
„’k Heb nog wel een homp brood voor je”, zei de boer. „Die wou ik aan de varkens geven, omdat ie zoo hard is.”
Even later zaten allen te kauwen op het keiharde brood.—De vrouw van den boer kwam ook, een norsch, dik wijf in nachtmuts en onderrok, en ging zonder groeten koffie zetten, blazend in het vuur, alsof ze den heelen oven wilde wegblazen en haar man en zijn gasten er bij. Op de hoffelijkheden der galante oomes zei ze geen boe of ba. De boer was in den stal gegaan.
De koffie bleek slap te zijn en niet van de beste soort, maar warm was ze,—dat scheelde al veel. Er waren maar twee koppen, zoodat de janmaats ze maar lieten rondgaan.
De boer kwam uit den stal terug en begon een lang verhaal over een koe op te disschen, die hij van ’t voorjaar gekocht en van het najaar weer verkocht had en waarop hij zoo’n schade had geleden. En dan had het van het voorjaar zoo weinig geregend, en hij had den heeren van het Waterschap eens even de waarheid gezegd, en hij had ook een neef bij de Secretarie, en z’n wijf was zoo best, nooit ziek of zoo, en zijn zeug had dertien biggen gekregen, waarvan hij er een verdronken had, omdat dertien een ongeluksgetal was.....
De oomes lieten hem zwammen, tot ze allen hun bakje koffie hadden leeggelurkt. Toen stonden ze op. „Nou, Hannes”, zei Harmen en stak den boer de hand toe. „Bedankt voor je rot-koffie, hoor!”
De boer grinnikte. „Goeie reis!”
„Vergeet je dat eitje niet van de zolder te halen?” riep Gerretje.
„’k Zal er temet om gaan”, antwoordde de boer.
En de janmaats staken weer van wal. Alles was in grijze morgennevelen gehuld. De wind zat nog even beroerd in het Noorden en blies vinnig de nevelen over het water, zoodat de maats roode oorlelletjes en neuspunten kregen. Ze staken de breede Oosterschelde over. In het midden was het zoo duivelsch koud, dat je adem bevroren op je lippen sloeg. Joppie lag rillend in Harmen’s armen; de kooien met aapjes waren in het bergplaatsje voor de proviand neergezet.—Nu zeilden de maats tusschen Duiveland en Tholen het Mastgat in, de Zijpe door, toen om Overflakkee het Volkerak door in het Hollandsch Diep.
Bij de Dordtsche Kil wachtte hun een teleurstelling: het water was bevroren. Tegen loopen zagen ze niet op, maar hoe moesten ze met hun kisten aan? Ze meerden de jol voor een herberg en bespraken de zaak bij een kroes warmen, Spaanschen wijn.
„Ik wil jullie m’n slee wel verkoopen”, zei de waard, een leelijke, schele kerel.
„Is het ijs dan sterk genoeg?”
„Daarstraks is er nog een op schaatsen uit Rotterdam gekomen”, zei de waard.
„Laat kijken je slee!” In optocht volgde het heele stelletje den waard, die hun in een schuurtje een groote, groene bak-slee aanwees.
„Wat moet die ouwe waschbak nog opbrengen?” vroeg Harmen.
„’n Daalder.”
„Je bedoelt zeker, als we jou en je heele kroeg er bij koopen?”
De waard haalde de schouders op. „Niemand dwingt je, die slee te koopen. Ik wil hem voor minder niet kwijt. Jullie kunt er je heele rommel in laden!”
„Vooruit!” zei Hilke. „Hij is gekocht!”
Harmen pruttelde nog wat. „Afijn!” zei hij. „Weet je je wat, jongens? Ik ga naar Dordt en zie in een oud roest-zaakje schaatsen op te scharrelen. Dan trekken we de slee!—Hé, afzetter, leen me je schaatsen even naar Dordt: ’k ben zóó weerom.”
Grommend ging de waard de schuur weer in en gaf Harmen een paar verroeste schaatsen. Harmen schoot ze, zuchtend van lol, aan, holde er mee weg en sprong op het ijs. Daar maakte hij, om te toonen, dat hij het schaatsen nog niet verleerd had, een kuitenflikker en begon toen met ver naar voren gebogen rug, de handen in de zakken, tegen den wind op te werken in de richting Dordrecht.
De anderen gingen de herberg weer in, dronken nog een kroes wijn tegen de kou. Ze werden doezelig en kregen slaap. De schemering viel alweer in.
„We moeten hier maffen”, meende Gerretje. „Of heeft er iemand lust, vannacht in een wak te rijden?” Hij keek rond, maar toen er geen liefhebbers voor het wak bleken te zijn, sloeg hij met den waard aan het onderhandelen over den logiesprijs. Voor acht stuiver den man met avondeten er bij en nog een „flapkanne” Spaanschen wijn werd de zaak ten slotte beklonken.
Tegen donker kwam Harmen weer aanscheren, een bos schaatsen over den rug. „Daar word je lekker warm van!” riep hij, terwijl hij den dijk opkrabbelde. En met zijn schaatsen nog aan de voeten sjouwde hij de gelagkamer binnen. „’t Moet vannacht nog maar wat vriezen, jongens, want ’t ijs kraakt als de weerlicht, en ’k heb er twee zien doorzakken!”
Terwijl de maats de schaatsen verdeelden en de roestige ijzers wat aanzetten op den met zand bestrooiden vloer, kwam de waard met een dampende pan watergruwelen aanzetten.
Dat smaakte! De maats slobberden, als hadden ze een week gevast.
„Je hebt ’t hem vlug gelapt, Harmen!” prees Gerretje. „Wat heb je nou nog voor dat oud roest betaald?”
„Oud roest?” vroeg Harmen beleedigd. „Als je een beetje rijden kunt, heb je er het roest in twee slagen af. ’k Heb er drie stuivers per stuk voor betaald.”
„Toe maar, het kan niet op!” meende een zuinige oome.
„Nou, je hoeft ze me niet weer af te koopen”, zei Harmen. „Loop jij dan maar, als je dat liever doet.”
„Kom!” susten de anderen. „Als jullie deining wilt maken, maak dan deining tegen een landrot, dan doen we allemaal mee!”
’s Avonds, bij de schouw nog wat gezelsend, speldden ze den boeren uit den omtrek de meest gewaagde avonturen op de mouw. Toen de boeren laat in den avond met een stuk in hun kraag huiswaarts keerden, duizelde het hun zoo van tijgers, krokodillen, reuze-slangen en menscheneters, dat er twee arm aan arm een sloot intuimelden.
Gelukkig lag er keihard ijs op.
Bij hanegekraai zaten de maats al in het beijzelde riet hun schaatsen aan te binden. En met een homp brood in den tintelenden knuist reden ze er op los,—een touw om het middel, waarmee ze de slee voorttrokken, die als een veertje over het ijs vloog. Padde zat er met Joppie bibberend in: voor hen had Harmen geen schaatsen meegebracht.
Of het vannacht gevroren had! Het ijs was pikzwart met witte munten er in. Als een wervelwind joeg het groepje janmaats voort, en bij de eerste bocht zwaaide de slee al zoowat tegen de knoestige wilgen aan den oever. Joppie’s haren rezen te berge, en Padde, wiens groen-blauw gelaat van schrik paars werd, schreeuwde: „Heila! Kalm aan wat!”
Maar de janmaats hoorden niets. Wat werden ze al lekker warm! Hoe langer hoe doller ging het.
In een klein half uur hadden ze Dordrecht bereden. Ze kochten een paar versche brooden, warm uit den oven, en togen kauwend verder,—nu in de richting Rotterdam. Bij den IJssel zwaaiden ze rechts om, en nog voor den middag waren ze bij Gouda.
Het was een prachtige, zonnige vriesdag, en op de Gouwe krioelde het van de schaatsers.—„Hoe-oe!” schreeuwden de oomes al van verre, om zich vrij baan te maken. Hand in hand zwierden ze over de ijsvlakte, en de slee vloog al even lustig heen en weer.