De Scheepsjongens van Bontekoe
Part 39
„Dat is geen soep”, zei Gerretje, „dat is sajoer, die kaai je d’r over. En dit hier is kroepoek, dat moet je er bij eten; ’t knapt fijn tusschen je tanden. Die stukjes vleesch aan een stokje noemen ze sesate; dat moet je er maar met je kiezen aftrekken, en dat zwarte vleesch daar is deng-deng,—kan ik jullie ook aanbevelen. Nou, uit die potjes moet je niet te veel nemen; daar brand je je keel maar aan. En dat is pisang goreng, gebakken pisang. Nou, en van de rest weet ik de naam ook niet. Wat zullen we er bij drinken? Wacht! Vruchtenat met glibbertjes is fijn!—Hei, baba! Ajer boewah met eh, selase!”
„Saja, toewan bázál.....!”
En de maaltijd begon. De jongens hadden een stevigen eetlust opgedaan en werkten als leeuwen! Of het smaakte? Ze hadden nooit gedacht, dat die Chineezen zulk lekker eten konden maken! En toen die vruchten daarna! Manggah, mangistan, ramboetan, doekoe..... zooveel ze maar wilden.
Eindelijk werden de molentjes stomp en maalden trager.
Het werd stil op den weg. En heet, dat het was.....!
„Kunnen we hier niet wat gaan maffen?” vroeg Harmen.
„Waarom niet?” meende Gerretje. „Op de grond!”
Toen rolden allen van hun stoelen af en dutten in.
DE PASAR MALEM
Toen onze vrienden wakker werden, was de grootste hitte voorbij. „Wat zullen we doen?” vroeg Gerretje, zich uitrekkend en luidruchtig geeuwend. „Voor de pasar is het nog te vroeg.”
„Nou, dat is niks”, zei Harmen. „Dan gaan we eerst inkoopen doen. We moeten broeken, hemden, sokken, een kist hebben, afijn: alle rommel, die je noodig hebt.”
„Dan gaan we naar toko Bombay!” zei Gerretje.
„Wat is dat: tokobombee?” vroeg Harmen. „Zou ik daar ook een fiool kunnen krijgen?”
„Krijgen: nee. Koopen: ja”, meende Gerretje. „Ze hebben er van alles.”
„Vooruit dan maar!” Harmen sprong overeind.
Daar verscheen, beminnelijk glimlachend, de handen op zijn vetten buik, Loa-Hok-Sen weer. „Tabeh, toewan bázál! Toewan bázál tidol bai?”
„Hij komt om z’n duiten”, zei Gerretje. En tot den Chinees: „Brapa? Hoeveel?”
„Oa.....ah, toewan bázál.....!” stamelde de Chinees op dankbaren toon. En tellend op de vingers, half zingend, begon hij een ellenlange berekening, tot hij tenslotte een som van twee gulden bijeengezongen had en vriendelijk de hand ophield.
„Wat een afzetter!” raasde Gerretje.
Maar Harmen tastte in zijn broekzak als een toovenaar in zijn schatkist en wierp Loa-Hok-Sen vol zwier de guldens toe. Deze scheen, naar de mate van zijn vreugde te oordeelen, nog niet op de helft gerekend te hebben en begroef Harmen nu onder zegenwenschen.
„Vooruit, lekas, patjakker!” beval Gerretje. „Haal de wagen en de koedah’s hier!”
Loa-Hok-Sen riep iets naar achteren, en even later kwam krakend de wagen voor. De Chineesche gastheer boog zoo diep als zijn buik het maar veroorloofde en was een en al glimlach; zelfs de plooien in zijn buik schenen te glimlachen. Toen Joppie aan zijn nekvel binnen boord geheschen was, ging de reis weer verder. Gerretje stuurde; Harmen klapte met de zweep en weerde de aanvallende straathonden af; Joppie was nauwelijks in bedwang te houden en kefte tot hij heesch was. Zijn haren stonden overeind.
Toko Bombay bleek een onoogelijk winkeltje te zijn, niet ver van de haven. Met gebukt hoofd stapten de jongens het donker in.—„Jij mag je wel dubbel vouwen, Hilke!” meende Harmen.
In den winkel hing een bedwelmende geur van wierook, bloemen, reukwaters. Zoo grauw het zaakje er van buiten uitzag, zoo kleurvol was het er binnen: het leek wel een schatkamer. Schitterende, glanzende, fonkelende dingen lagen op en naast elkaar gestapeld, en bij al dat bonte, zonderlinge gedoe dook daar uit het halfduister een al even bont en zonderling wezen op: de koopman uit toko Bombay. Hij droeg een goudbestikt kalotje, een lang, grijswit hemd en daaroverheen een open vestje vol figuren in gouddraad. Onder het hemd kwam een wijde broek uit van dezelfde kleur, en de naakte voeten staken in zwart fluweelen sandalen, die ook al glommen van het gouddraad. Met een lichte buiging van het hoofd en een deftige armbeweging heette hij zijn gasten welkom en wachtte zwijgend, hen schrander aanziend met zijn glinsterend-zwarte kraal-oogen, hun wenschen af.
„Tabeh, bang!” zei Gerretje. „Ja, jongens, wat willen jullie nou koopen?”
Ietwat bevangen keken de jongens rond. Wat een prachtige dingen!
Harmen kreeg een waterpijp te pakken. „Wat is dat voor een ding?” vroeg hij.
„Dat is een pijp!” lichtte Gerretje in. „Zoo een heeft m’n vrind, die ik les geef, ook thuis!”
„En wat moeten ze dan met die slang er aan?”
„Weet ik het?” vroeg Gerretje. „Misschien wel om die pijp op hun nek te nemen, als ze verhuizen.”
Padde begon zachtjes te grinniken.
„Hij is gekocht!” riep Harmen.
„Als je daaruit rookt, vallen ze dubbel!” meende Hilke vroolijk.
„Als ze maar niet op mijn pijp vallen, vind ik het best”, zei Harmen, de pijp voor zich terzijde zettend. „Kijk er eens een mooie kwasten aanzitten! Nou moet ik nog een fiool hebben!” En hij duidde den koopman zijn wensch door het hoofd schuin te leggen en met zijn armen door de lucht te fiedelen.
De man knikte, wendde zich om en riep iets in een scherp klinkende taal. Een klein jongetje met matgele huidkleur en hetzelfde Oostersche pakje aan dook uit het halfduister op en zette op de toonbank een zwarte vioolkist neer. Toen verdween hij weer.
De man opende de kist, lichtte het doekje op en.....
Harmen rolden dikke tranen over de wangen. Zwijgend, zonder de handen uit te steken, staarde hij naar het wonder daar voor hem. Toen lichtte hij de viool met bevende handen uit de kist, haakte den strijkstok los. „Nou, jongens.....” Harmen haalde diep adem, „wat zal ik spelen?”
„Van die begrafenis.....” zei Hajo.
„Wacht! ik weet al een mooi moppie!” riep Harmen uit. Harmen begon te fiedelen, aanvankelijk nog aarzelend en beverig, maar allengs weer met den ouden zwier, vol trillers en loopjes, of akelig droefgeestig slepend van den eenen toon naar den anderen.
„Verduiveld mooi!” prees Hilke. Rits! daar gleed de stok krassend uit.
„Dat is nog ongewoonte!” verontschuldigde Harmen zich.
„Mag ik ook eens even?” vroeg Hajo, zich verslikkend van opwinding.
„Jawel”, zei Harmen genadig. „Straks mag je! Je moet eerst luisteren! En geef Joppie eens een trap, dat ie ophoudt met z’n gegil!”—Joppie werd tot kalmte gebracht, en nu wendde Harmen zijn krachten op de „Begraffenis” aan. Voor den winkel bleef allengs een schare belangstellenden staan. Harmen gloeide van trots en ondernam met vingers en strijkstok de meest gedurfde toeren,—waarbij hij wel eens den hals brak.
Intusschen sloegen de anderen aan het inkoopen. Geen van hen ontkwam aan de bekoring, die van al die wondere dingen uitging. Gerretje, die zelf geen centen te verteren had, hielp den koopman door uit hoeken en gaten glinsterende dingen op te diepen, het eene al mooier dan het andere, en dit den in kooproes zwelgenden jongens voor den neus te leggen, zoodat ze zich, nog voor ze aan den aankoop van een stevige broek dachten, zich bijna al arm gekocht hadden aan bestikte muilen, verzilverde reukdoosjes met mooie figuren er op, waaiers, ringen, ivoren olifantjes, aardige poppetjes, zijden doeken, ponjaards, armbanden..... Padde was juist aan het onderhandelen over een beschilderd zonnescherm met fraai gesneden stok, toen Rolf eindelijk op de goede gedachte kwam om eens te vragen wat een paar sterke scheepskisten kostten.
De man noemde den prijs en zei, dat ze in twee dagen gereed konden zijn.
„Wanneer zeilt de Nieuw-Zeeland uit?” vroeg Rolf den anderen.
„Volgende week, als de wind goed is!” zei Harmen, zijn viool afleggend. „’k Mag lijden, dat we lekker in de winter aankomen, ’t is mij nou lang genoeg zomer geweest, hè, Joppie? En jou, Hilke? Hè? Wat zal ze blij zijn, zeg!”
„Schei d’r maar over uit!” zuchtte Hilke, eensklaps vuurrood wordend.
„Met Kerstmis zijn we wel thuis”, meende Harmen. „Wat zullen we ’t gezellig hebben, jongens! ’s Avonds bij het vuur een bakkie heete slemp en vertellen van je reis.....!”
Gerretje was stil geworden, en Harmen merkte het. „Ja, stommerik, daar grijp jij naast! Laat jij je maar gaarstoven in dit nikkerland!—Z’n kameraden in de steek laten—wat een vent!”
„Hou je gezicht!” schold Gerretje.
„Sssst!” suste Rolf. En tot den koopman: „Maak de kisten maar voor ons. Vier stuks.”
„Zeg hem, dat ie plaatjes over de hoeken slaat!” raadde Padde aan.
Het was een zonderling groepje, dat zich een half uur later in het rijtuig heesch. Harmen, onder een arm zijn viool, onder den anderen zijn waterpijp, had een roode fez op met een zwarten kwast er aan, droeg een pronkerige kris achter in den gordel en slofte voort op goudbestikte sandalen. De anderen waren al even bepakt en bezakt met kleur- en vormrijke voorwerpen.
„Alles maar onder het bankje!” raadde Gerretje aan.
„Goeie morrege!” zei Harmen. „Daar kan net m’n pijpie staan! En meer niet.”
„Nou”, meende Hilke, „dan nemen we de boel op schoot en brengen eerst alles aan boord.”
Zoo werd besloten. Harmen wipte op den bok, naast Gerretje; de anderen gingen met de gekochte spullen binnen in den wagen zitten. En toen alles goed was ondergebracht, nam Harmen z’n fiedel op en begon zoo vurig te spelen, dat de paardjes er een gestrekten draf inzetten.
„Kijk ze eens loopen!” zei Gerretje. „Ze zijn bang voor de muziek.”
Achter in den wagen deelde Hajo zijn vriend Padde mee hoe hij zijn schatten verdeelen zou. „De pop krijgt Antje; Maartje de waaier, en de olifant is voor Doris. En die muilen geef ik aan m’n moeder! Zou het echt goud zijn wat er op zit?”
„Wat dacht jij dan?” vroeg Padde. En met een zucht liet hij er op volgen: „Ik ben thuis met z’n tienen! En m’n ooms en tantes willen óók wel wat hebben! Er eens kijken: voor Louwtje en Nelis en Heintje heb ik wat; Margje krijgt dat poppetje. Vind je die doek niet mooi? Die is voor m’n moeder voor ’s Zondags naar de kerk. En als ’t regent kan ze er die paraplu nog bij opzetten,—wat zullen de lui kijken! Annetje krijgt samen met Margje die pop, dan kunnen ze er om de beurt mee spelen. Nou zit ik nog met Jan en Gijs! Als ik ze die dolk geef, gebeuren er ongelukken.”
Rolf had zwijgend, met afgewenden blik gezeten. Nu, keerde hij zich bruusk om, duwde Padde een paar ivoren olifantjes in de hand. „Hier, neem die maar, die..... die zullen ze wel leuk vinden!”
Padde keek Rolf verbluft aan. „Dat meen je toch niet?”
„Hier!” zei Rolf korzelig. „Neem dit poppetje maar mee voor..... voor Annetje, dan hebben je zusjes er allebei een.”
En hij trachtte den bevreemden blik der anderen te ontwijken.
„Nou!!” riep Padde verblijd uit. „Daar boffen ze bij! Zeg, als je nou toch aan het geven bent, heb je dan soms ook nog wat voor m’n ooms en tantes?”
„Padde!” berispte Hajo.
„Nou, ’k maak immers maar een lolletje!” zei Padde. „Of denk je, dat ik hem de spullen wil afhalen, die hij zelf gekocht heeft voor z’n..... eh.” Padde zweeg opeens.
De kar ratelde over de steenen, en de jongens werden dooreengeschud op de houten banken. Harmen fiedelde onverdroten voort.
Rolf was vuurrood geworden.
„Ziezoo, jongens, we zijn er!” riep Gerretje.
„Hoe komen we nou aan boord?” vroeg Hilke, z’n hoofd naar buiten stekend.
„Met een prauw! Daar ligt er al een met een zeil!”
„En als de baas van het spul nou komt?”
„Die komt niet”, zei Gerretje. „Laten Harmen en ik het zoodje maar even aan boord brengen, want we kunnen niet met z’n allen in die smerige prauw.—Leg die fiedel nou eindelijk eens af, Harmen!”
Harmen staakte zijn spel, sprong de prauw in.
Even later zeilden de beide janmaats weg naar de Nieuw-Zeeland. Harmen fiedelde alweer.
De anderen gingen een der warongs binnen, die aan de kade stonden, en aten wat zoetigheden in pisangblad gevouwen. De zon gleed juist in zee weg; de korte Indische schemering viel in.
Het duurde wel een uur voor Gerretje en Harmen terugkeerden. Reeds van verre klonk Harmen’s vioolspel weer over het water. De anderen betaalden hun vertering en gingen naar buiten.
De reede bood nu een aardigen aanblik. Overal werden prauwtjes losgegooid; een paar inlanders sprongen er in, staken een flambouw op de voorplecht en togen ter vischvangst. De weerschijn der lichten hotsebotste over de golven.
„Jongens, ik heb een nieuwtje!” riep Harmen al van uit de prauw. „Gerretje heeft aangemonsterd bij de Bruinvisch!”
„Dàt is nog eens verstandig!” prees Hilke. En de anderen lachten.
„Vooruit, lig niet te zaniken!” gromde Gerretje, aan wal springend. „We gaan naar de pasar malem!”
„En m’n fiool gaat mee, jongens!” schreeuwde Harmen. „Bij kerremis hoort muziek!”
Opgewonden werkten allen zich weer in den wagen. Op naar de pasar malem!
Het was duister geworden; wel fonkelden al wat sterren, maar de maan was nog in geen velden of wegen te bespeuren. De jongens reden de brug weer over en toen de laan in van daarstraks. Hier, onder de hooge, zware loofboomen was het zoo pikkedonker, dat je geen berm kon onderscheiden. Maar verder op dansten de flambouwen van wandelende winkeltjes, en op die licht-boeien stelde Gerretje zijn koers. Hij was bij Harmen’s gefiedel gaan zingen, klapte met de zweep en gilde zijn vreugde over zijn aanmonstering uit. „Hoei-oei-oei.....!”
„Leve Gerretje!” brulde Harmen.
„Hiep-hiep-hiep, hoera!!” riepen de anderen, en Gerretje zelf schreeuwde het hardst.
Zoo belandden ze bij de pasar malem. Ze staakten hun gezang toen het marktgeroezemoes tot hen doordrong, en gluurden uit het rijtuig naar al dat lichtgeflonker.
„Zoo! Hier zullen we de kast meren!” stelde Gerretje voor. En toen de kast gemeerd was, stapten allen uit en gingen de marktplaats op. Overal tentjes, stalletjes met walmende oliepitjes en flambouwen, voorbij schuivende gestalten in bonte baadjes en sarongs, grillige schaduwen afwerpend naar drie, vier zijden tegelijk. Merkwaardig was, dat nergens geschreeuwd of gezongen werd, of ruziegemaakt. De marktventers zaten zwijgend, een strootje rookend, bij hun waren en spraken slechts eenige woorden, wanneer een kooplustige bij hun stalletje bleef staan. „Wat een dooie boel!” zuchtte Harmen. „’k Hoor nog geen draaimolen, ’k zie geen paardespul,—niks.”
Wacht, daar in de verte klonk lallend, brullend gezang. Janmaats! „Die kant maar uit, jongens!” beval Harmen. Deze laatste had nog al bekijks, met zijn roode fez, zijn kris en zijn viool.
De jongens liepen door, vonden op het midden der marktplaats onder een reusachtigen waringin het gezelschap zangers. Een kring Inlanders keek meesmuilend toe.
De maats brulden en tierden en klapten in de handen, en in hun midden waren er twee aan het dansen met zonderlinge lichaamswendingen.
„Schip ahoy!” schreeuwde Gerretje. „Wat halen jullie daar voor lol uit?”
„We zijn aan het dansen! Op z’n Javaansch! Heila, speel jij er eens wat bij, zeg?”
Harmen werd in hun midden geduwd, bij de „dansers”, en sloeg aan het fiedelen.
„Jongens!” schreeuwde Gerretje boven het gebrul en geloei der janmaats uit, „Gerretje heeft weer aangemonsterd en centen zat!” En hij rammelde met de pas ontvangen zilverstukken in zijn broekzak.
„Leve Gerretje! Hoera!” brulde de schare. Een kreeg het met een Inlander te kwaad, dien hij tegen het lijf viel. „Blauwe nikker!” schold hij. „Ik zal je.....!”
Hilke trok Rolf, Hajo en Padde met zich mee. „Laat ze schieten, jongens, het wordt hier een bende. Ga met mij mee: daarginds kunnen we ècht Javaansch zien dansen.” En Hilke ging voorop, wandelde als een Goliath tusschen de klein gebouwde Inlanders en de lage tentjes door.
De jongens verbaasden er zich over hoeveel verschillende rassen Oosterlingen ze zagen. Bij een stalletje kochten ze een paar manggah’s en dronken er groene limonade bij, vol glibbertjes.
De inlanders waren in hun beste kleedij. Kinderen droegen zilveren enkelbanden, en om de bruine vingertjes glansden ringen. De vrouwen hadden heur zwart glanzend, geolied haar nog onberispelijker naar achteren gekamd dan anders; de wrong lag nog sierlijker, bevalliger, en er prijkten sneeuwwitte melati-bloempjes in, die een heerlijken, sterken reuk verspreidden. De strak gevouwen hoofddoeken der mannen stonden deftig op het bruine gelaat. Alom hing een zoete geur van bloemen, lekkernijen, vruchten, vermengd met de lucht van kokerij, visch, doerian en den walm der oliepitjes, die het geheel een feestelijk, sprookjesachtig aanzien gaven. Boven al het gebabbel en geroezemoes zegevierden daarginds Harmen’s vioolkunst en de zang der janmaats.
Zoo vonden de knapen de plaats waar gedanst werd, en wel een uur lang staarden ze verwonderd, bevangen en droomend naar de wonderlijke bewegingen der „ronggengs” (Javaansche danseressen). Zoo zouden ze hun heele leven wel willen zien dansen. Wat een mooi, gouden helmpje droeg die eene,—dat was zeker een koningin.....! Langzaam-aan wenden de jongens ook aan het schijnbaar zoo eentonig tokkelen der gamelang; ze voelden, dat de muziek één was met den dans, en dat de danseressen bij elk nieuw wijsje weer andere wondermooie figuren tooverden.....
Ze zagen dien avond ook nog een tooneelvoorstelling met poppen, die grappige gezichten hadden en wonderlijk dunne armen, en er zat iemand bij, die alles vertelde. Hu! dat was de duivel zeker! En dat daar de koning! Jammer, dat ze haast niets verstonden!
En van de „wajang-wong” dwaalden de jongens naar een plaats waar een hanen-gevecht gehouden werd. Driftig, de borstveeren opgezet tot gouden kurassen, vlogen de dieren tegen elkaar op en brachten elkaar bloedige wonden toe met de stalen sporen, die men hun had aangebonden. Zwijgend zaten de Inlanders toe te zien; er lagen hoopjes zilver bij, die er op duidden, dat op de hanen werd gewed.
De jongens voelden zich door het wreede spel afgestooten en gingen weer verder. Wat was dit toch voor een eigenaardig volk, dat zooveel beschaving te paren wist aan zoo laaghartige neigingen.
Het was laat geworden, en onze vrienden besloten huiswaarts te keeren. Bij tweeën, Hilke en Padde voorop, en achteraan Hajo en Rolf, slenterden ze door de breede laan met de boomen. Nu en dan wandelde hun in soepelen, snellen gang een lastdrager voorbij met een flambouw aan zijn mand, schuw nog even naar hen omziend.
„Nu, Hajo”, zei Rolf plotseling, „over een paar dagen is het afgeloopen.....”
Hajo haalde diep adem en keek naar boven, waar tusschen de boomtoppen door de sterren fonkelden. Toen zei hij: „Rolf, ik weet niet, of ik je ooit nog terugzie, maar vergeten zal ik je nooit! Jij bent..... jij bent.....” Hajo kon niet meer uit z’n woorden komen. „Jij bent.....”
„Een pennelikker”, zei Rolf met een half ondeugenden, half droevigen glimlach.
Hajo begon te snikken en omklemde Rolf’s arm.
„Stil maar”, zei Rolf. „Als jij hier over een paar jaar weer terugbent in Indië, monsteren we nog op hetzelfde schip aan en zeilen samen weer naar Holland terug. Dat zal leuk zijn, hè?”
„Nou.....!”
„En dan ga ik op een scheepstimmerwerf werken; dat heb ik altijd al gewild.”
„Ja”, zei Hajo, „dat weet ik nog van toen, op de Italiaansche Zeedijk.....! Had je toen wel gedacht, dat we nog eens zulke dikke vrienden zouden worden?”
Rolf knikte. „Ik zag je en meteen mocht ik je al lijden. Als ik je een lamme vent gevonden had, zou ik je met vechten toen heel anders hebben aangepakt. En Padde vond ik ook al dadelijk zoo’n gezellige sukkel. Toen wij nog zouden gaan vechten, droeg hij m’n emmertje met bot al!”
„Zeg, Rolf”, zei Hajo en kneep Rolf’s arm. „Misschien..... misschien word ik nog wel eens stuurman” (Hajo sprak het woord haastig uit) „op een schip, waarop jij schipper bent!”
„Of jij wordt nog eens schipper op een schuit, die ik gebouwd heb! Ik zal vast eens een model voor je uitzoeken. En als ik geen model vind, dat me bevalt, ontwerp ik er zelf een.”
Hajo was blijven staan. „Méén je dat, Rolf.....?” stamelde hij. „Zou ik nog wel eens..... nog wel eens schipper kunnen worden?”
„Waarom niet?” vroeg Rolf. „Als je maar aanpakt! Kijk zoo’n Bruinvisch nou eens aan. Zou jij niet kunnen leeren wat hij geleerd heeft?”
„Rolf.....?!”
De jongens zwegen; Hajo moest nog eens rijpelijk overdenken wat Rolf gezegd had. Hij, Peter Hajo, zou nog eens schipper kunnen worden?! Schipper met een opper- en een onderstuurman, een bootsman onder zich? Een eigen schip hebben, een eigen schip met een bemanning?!
Schipper Hajo..... hoe zoet klonk het.—Daarvoor moest gewerkt worden. Hard gewerkt, jaren lang. Welnu! Hajo zou werken, de tanden opeen. Hij zou lezen en schrijven leeren, hij zou het eene boek na het andere verslinden, regel na regel, tot hij het van buiten kende. Hij zou over sterrenkaarten gebogen zitten, avond aan avond, tot er geen olie meer in de lamp was; ’s nachts in bed zou hij berekeningen maken; hij zou naar Zaandam loopen en naar Amsterdam, waar de groote scheepswerven waren; hij zou wachten tot hij een man was en dan zijn baard laten staan, net als schipper Bontekoe; nu, op deze reis al, zou hij op een prik trachten uit te visschen wat de Bruinvisch zoo dagelijks deed,—of het erg moeilijk was, schipper zijn.....
Daar klonk in de verte Harmen’s fiedel weer. De jongens keken om en zagen den wagen aankomen, die geducht zwaaide, naar het licht op den bok te oordeelen. En toen de oomes weer bij Harmen’s gefiedel instemden, hoorden de jongens, dat de arak het gewonnen had.
„Zoometeen kantelen ze nog!” zei Rolf.—Daar leek het werkelijk veel op: de wagen slingerde van den eenen wegberm tegen den anderen.
„En m’n centen zijn op,—dat is me een strop! En m’n centen ben ik kwijt,—wat een narigheid!” zong Gerretje boven allen uit.
De jongens gingen eerbiedig een weinig terzijde. Gerretje klapte met de zweep; Harmen zat naast hem te fiedelen. Binnenin lag de een bij den ander op schoot; het was een wonder, dat de bodem het uithield. En een der maats had zich achterste voren op een rossinant geslingerd, steunde zich op den anderen paardenrug om niet te vallen en schreeuwde: „Hou op! Ik val er af!”
Maar Gerretje luisterde niet naar de smeekbeden van den onervaren ruiter en zong onverdroten voort, dat zijn aanmonsteringscenten op waren en dat hij dat zoo’n strop vond. En daarbij klapte hij lustig met de zweep.
Harmen merkte de jongens aan den wegkant op. „Oh, mannen, daar hebben jullie de twee stuurlui ook!” De anderen letten niet zoo op de jongens, maar, Hilke ontdekkend, riepen ze: „Kom er ook in, Hilke! Plaats zat!”
Hilke wees het aanbod af. „Ik loop liever. Wachten jullie bij de sloep?”
„Ja, we zullen wachten!” schreeuwde Harmen en fiedelde weer voort. Zoo zwaaide de wagen den weg af, tot ze bij een bocht uit het oog verdween.
Hajo was uit zijn droom wakker geschud. „Wat heeft Harmen opeens?”
„Harmen is jaloersch op die brief, die m’n oom je heeft meegegeven”, zei Rolf. „Gisterenavond kwam hij bij me en vroeg, of lezen en schrijven moeilijker dan vioolspelen was. Als het niet moeilijker was, wou hij het leeren.”
„En wat heb je gezegd?”
„Dat, als hij net zoo goed kon lezen en schrijven, als hij nu viool speelt,—hij er nog geen laars van kon. Toen was hij boos.”
„Vind jij dan niet, dat hij erg mooi speelt?” vroeg Hajo verbaasd.
Rolf glimlachte. „Gaat nog al. In de buitenlucht is het niet zoo hinderlijk als binnen.”
„Van die begrafenis is toch wel mooi.....” aarzelde Hajo.
„’t Is er ten minste treurig genoeg voor”, zei Rolf.
De jongens belandden bij de kade, waar de anderen reeds in de sloep zaten en den tijd verdreven door in het bootje zoo heen en weer te schommelen, dat het telkens water schepte. Boven stond de verlaten wagen; de paardjes leunden droevig en slaperig tegen elkaar. Toewan Gerretje had geen lust meer om ze thuis te brengen.....
„Span ze dan ten minste uit!” gromde Rolf en bevrijdde de dieren van het tuig. De paardjes maakten er een dankbaar gebruik van door terstond weg te sukkelen, vermoedelijk naar hun stal.....
„Wel verduiveld!” schold Gerretje met dubbele tong. „Daar lóópen ze, de knollen! En als ik nou m-morgenochtend aan wal ga, zijn ze w-weg!” Meteen plofte Gerretje weer om door het geschommel der anderen. Allen gierden van de pret.