De Scheepsjongens van Bontekoe

Part 37

Chapter 373,948 wordsPublic domain

„Zijne Excellentie de gouverneur-generaal heeft me op vijf jaren voorbereid, jongens.”

De jongens zuchtten. Ze hadden altijd gedacht, dat er boven hun schipper niets hoogers meer bestond, en nu eensklaps hoorden ze, dat ook de schipper iemand gehoorzamen moest.....!

Bontekoe zag hun verbazing en glimlachte. „Ik raad jullie aan, jongens, je bij schipper Pieter Thijsz. van Hoorn te laten aanmonsteren.”

„De Bruinvisch!” verbeterde Harmen knorrig. „Als ik niet onder jou kan varen, schipper, heb ik..... heb ik er geen aardigheid meer aan.” Harmens stem trilde. Hij haalde diep adem, en een traan rolde over zijn wang. „Wat had ik graag met jou weer teruggewild, schipper!”

„Kom, Harmen!” beurde Bontekoe hem op. „Misschien sta je over tien jaar nog wel eens als volle kok op mijn monsterrol.”

„’k Hoop het te beleven, schipper.....!” griende Harmen.

„Nou juist”, zei Bontekoe. „Jullie monsteren straks dus maar meteen bij..... bij de Bruinvisch aan. Hij zal jullie wel meevallen! Straks varen jullie nog liever onder hem dan onder schipper Bontekoe!”

„Schipper!!” riepen de jongens.

„In elk geval blijft jullie geen andere keus”, zei Bontekoe. „Wanneer zal het volgende schip naar Holland teruggaan? Alles wat binnenloopt, wordt vastgehouden, want hier is overal onrust sinds de verovering van Jacatra.” De schipper wendde zich tot Hajo. „Jou wil ik nog wat zeggen, Hajo. Jij hebt een goede kop. Je moest voor stuurman leeren.”

„Schipper.....!!” stamelde Hajo.

„Wil je ’t graag?”

Het duizelde Peter Hajo. „Of ik het wil, schipper.....?!”

„Dan zal ik je een brief meegeven voor de heeren van de Compagnie.”

Dikke tranen schoten in Hajo’s oogen. „Ja..... jawel, schipper.”

„En jij, Padde?” vroeg Bontekoe vroolijk aan den kleinen dikzak. „Wat ga jij doen?”

Padde knipte met zijn oogjes, wilde wat zeggen, maar slikte zijn woorden weer in. Hij werd rood als een kreeft, zuchtte diep, haalde toen de schouders op en keek naar den grond. Om zijn mondhoeken trilde het; een traan spette op zijn grooten teen.

„De Bruinvisch mot ’m niet”, lichtte Harmen toe.

Een medelijdende glimlach verscheen op Bontekoe’s gelaat. „Hebben jullie het hem op de man af gevraagd?”

„Neen, schipper!” haastte Harmen zich. „We hebben immers nog niet bij hem aangemonsterd!”

„Nu, zie het dan eerst samen klaar te spelen, dat Padde meegaat!” zei Bontekoe. „Desnoods zal ik er wel bij te pas komen.”

„God zal het je loonen, schipper!” snikte Padde.

Bontekoe wendde zich tot zijn neef, keek hem in de oogen. „En..... jij, Rolf? Wat doe jij?”

„Ik ga met u mee, oom”, zei Rolf zacht. „Dat spreekt immers vanzelf.”

„Rolf.....!” stamelde Hajo.

Bontekoe keek met een glimlach naar de beide vrienden.

„De wereld is klein, jongens”, zei hij, vriendelijk-troostend. „Jullie loopt mekaar weer tegen het lijf voor je er erg in hebt! Kom, nu moeten we eens afrekenen!”

„Afrekenen.....?!” Padde werd zenuwachtig, stootte Hajo aan.

„Om het geleden verlies voor mijn mannen wat uit te wisschen, heeft de Compagnie mij toegestaan, dubbele gage uit te betalen”, zei Bontekoe.

Een rilling voer den jongens door de leden.

Bontekoe liep naar z’n tafel. Trok een lade open.

„Harmen van Kniphuyzen!” klonk het. „Over veertien maanden gage: veertien maal vier is zes-en-vijftig, verminderd met drie gulden aanmonsteringsgeld, vermeerderd met twee gulden voor tweede aankomst in Oostinje,—maakt vijf-en-vijftig gulden!”

Harmen kuchte, werd beurtelings bleek en rood en kwam gewichtig toestappen. Kalm en waardig, maar met bevende handen, schoof hij de stapeltjes zilver naar zich toe. „Bedankt, schipper!” zei hij norsch en liet het geld in zijn broekzak glijden.—Maar rinkelend kwam het er bij de pijpen weer uit en rolde naar alle zijden uit over den vloer. „Tja!” stotterde Harmen, „dat komt: ’t is mijn broek niet! Ik kon niet weten, dat er een gat inzit, nietwaar?” En met Padde’s hulp begon hij te grabbelen. „Ik zal het maar in m’n hand houden!” stelde hij de anderen gerust.

„Peter Hajo!” riep Bontekoe. „Over veertien maanden gage, maakt veertien maal drie, is twee-en-veertig..... Heb je aanmonsteringsgeld gehad, Peter?”

„Neen, schipper.....”

„Ik kan het niet meer nazien omdat de meeste papieren verloren zijn gegaan,” lichtte Bontekoe hen in. „Dus twee-en-veertig. Vermeerderd met een gulden voor eerste aankomst in Oostinje, maakt drie-en-veertig. En, wacht eens, Harmen, zou ik jou ook niet de gage van Lijsken Cocs uitbetalen? Alsjeblieft: vijf-en-vijftig gulden. Geef het maar gauw aan den schipper van de Nieuw-Zeeland af, voor je het verliest, Harmen!”

„Jawel, schipper”, zei Harmen. „Vijf-en-vijftig gulden,—wat zal z’n moeder blij zijn!”

Bontekoe zag Harmen vriendelijk aan, knikte peinzend. Maar wie den schipper kende, zag aan zijn gelaat, dat hij van die vreugde van Lijsken’s moeder, wanneer Harmen haar het zakje met geld zou komen brengen, nog zoo zeker niet was.....—„Padde Kelemeijn!” riep hij.

Padde krabbelde ijverig overeind, de handen nog vol zilverstukken, die hij voor Harmen bijeengegrabbeld had.

„Geef op!” beval Harmen. „Anders komt het in de war.....”

Bontekoe telde Padde’s gage uit. „Veertien maal drie is twee-en-veertig.....”

„Geen aanmonsteringsgeld ontvangen!” zei Padde.

Bontekoe glimlachte. „Ja, dat herinner ik me. Jouw aanmonstering staat me nog levendig bij. Dus: twee-en-veertig gulden, plus een gulden voor eerste aankomst in Oostinje, maakt.....”

„Drie-en-veertig gulden!” rekende Padde vlug uit.

„Goed zoo”, prees Bontekoe. „Daar liggen ze.”

Padde telde het geld na. „Een-twee-drie-vier..... drie-en-veertig. Bedankt, schipper!” En op Harmens voorbeeld hield hij het geld in zijn hand.

„Wil jij je geld ook hebben, Rolf?” vroeg de schipper.

„Houdt u het maar vast, oom!” zei Rolf. „Als u me maar wat geeft om kleeren en een kist en zoo te koopen. Een gulden of vijftien.”

„Hier zijn ze.—Zoo, wacht jullie nu nog even, dan zal ik die brief voor Hajo schrijven.”—En terwijl de jongens zwijgend toekeken, nam Bontekoe een vel papier en een blanke ganzeveer en schreef den brief. Tenslotte zette hij er zwierig zijn handteekening onder, bestrooide den brief met wit zand om den inkt te doen drogen. „Lees eens voor, Peter Hajo?”

Hajo trad naderbij. „Aan de Heeren Bewindhebbers van.....” spelde hij.

„Zoo. Dus je kunt wat lezen”, zei Bontekoe.

„Rolf heeft het me geleerd, schipper!”

De schipper zond zijn neef een welwillenden blik toe. Toen wendde hij zich weer tot Hajo. „Denk er om: het moet nog vlotter gaan, hoor!”

„Ja-jawel, schipper!” Hajo werd rood als een kool.

Toen vouwde Bontekoe den brief dicht. „Geef hem straks aan den schipper van de Nieuw-Zeeland af; anders is hij al vuil voor de heeren bewindhebbers hem in handen hebben. De Bruinvisch.....” Bontekoe kon een glimlach niet onderdrukken, „zal je nog wel zeggen wat je er mee beginnen moet. Begrepen?”

„Jawel, schipper!” zei Hajo, stralend.

En toen kwam het afscheid. Harmen en Hajo grepen ieder een hand van hun schipper. „Zoo eentje als jou krijgen we nooit weer terug, schipper!” verzekerde Harmen met schorre stem. „Zoo’n beste, puike schipper! Waar, Hajo?”

Bontekoe scheen door Harmens spontane loftuitingen niet onaangenaam getroffen. Hij lachte maar en klopte den jongens op den schouder terwijl hij hen naar den valreep leidde.

„Is dat Joppie niet?” vroeg hij.

„Jazeker, schipper, dat is Joppie! Vooruit Joppie, je kent je schipper toch nog wel?”

„Wauw!” kefte Joppie.

„Gaat hij mee naar Holland?” vroeg Bontekoe.

Harmen knikte. „Hij gaat straks mee aanmonsteren bij de Bruinvisch! Hè, Joppie?”

Bontekoe lachte. „Hij zal Holland wel een koud landje vinden!”

„Nou, hij gaat uit eigen wil mee”, verzekerde Harmen.

„Jongens!” zei Bontekoe, „we zullen mekaar enkele jaren niet zien. Groet Holland van me, gedraag je zooals ik dat van jullie gewend ben en..... heb geluk op je weg!”

„Dag, schipper, beste schipper! Van ’t zelfde, hoor!”

’n Maat, die er bij stond te kijken, kreeg het te kwaad, hoewel hij er volgens zijn eigen zeggen toch niets mee te maken had.....

Met dezelfde jol, die hen al door zooveel gevaren geleid had, werden de jongens weer naar de Nieuw-Zeeland gebracht. Harmen had in de verwarring van het afscheid de guldens weer in zijn zak gestoken. Wonder boven wonder waren ze niet in het water gevallen, maar juist in de jol. Nu zat Harmen, nog grienend om het afscheid, zijn geld te tellen, en Padde hielp hem er bij, omdat Harmen door het tranenfloers alles dubbel zag. Bovendien was Harmen in het tellen lang geen held: boven de tien ging het niet vlot meer. „Als er een in het water gevallen is, duik ik net zoolang tot ik ’m weer heb!” zei hij triest.

„Dat zul je toch zeker wel laten”, meende een der maats van de Berger Boot. „De kust zit hier vol haaien!”

„Zeg er eens”, zei Harmen, „pas jij op je jongste zusje, maar niet op mij!”

Hajo en Rolf zaten stilletjes achter in de jol. Beiden dachten aan het komende afscheid.....

Toen de schemering inviel, stonden de jongens weer in het „lijkhuis”, waar het nu nog griezeliger was dan vanmorgen: van alle kanten loerden duivelachtige koppen uit het duister; de glazen oogen glinsterden in het licht van een kaars, die vóór den Bruinvisch op tafel stond. Daar weer voor stond een regiment flesschen rooden wijn, waarvan er twee leeggedronken, en een derde aangebroken was. Het kaarslicht gaf den wijn zulk een helroode kleur, dat het wel scheen of de flesschen met bloed gevuld waren.

„Zoo-zoo!” zei de Bruinvisch met ietwat zware tong, terwijl hij zich inschonk en er aandachtig naar keek hoe het kaarslicht den uit de flesch klokkenden wijn fonkelen deed. „Komen jullie zoete broodjes bakken?—Jou maak ik..... maak ik..... Hoe oud ben je?”

De vraag was aan Peter Hajo gericht. „Vijftien geworden, schipper.”

„Zoo”, zei de Bruinvisch, van achter de tafel een andere flesch met nog donkerder wijn opdiepend, „zoo, ben je vijftien.” Hij had den kroes half vol geschonken uit de eerste flesch en vulde hem nu uit deze flesch bij. „Je ziet er uit als zeventien. Ik maak je..... maak je..... lichtmatroos.” Toen stampte hij de flesch dicht en ledigde den kroes in een enkele teug.

De Bruinvisch bulderde in het geheel niet meer. Hij fluisterde! Met schorre stem en achter alles wat hij zei tevreden knikkend. „Ja!” prevelde hij telkens. „Ja!”

„En jij daar!” dat was tegen Harmen. „Jij wordt volmatroos.”

„Goeie morrege”, zei Harmen. „Ik ben altijd koksmaat geweest.”

„Zoo”, zei de Bruinvisch, zich weer inschenkend uit de beide flesschen. „Dan..... dan maak ik je..... maak ik je bijkok. Ja! En juffer Driestreng ligt altijd klaar.”

„En ik.....?” vroeg Padde angstig. „Wat word ik?”

De Bruinvisch nam den kroes op om hem uit te drinken, maar zette hem weer neer, keek Padde aan. „Wat jij wordt? Een vetzak, als je zoo doorgaat. Jou kan ik niet gebruiken.”

„Nou, schipper”, zei Harmen, „dan moet je schipper Bontekoe eens naar hem vragen! Die heeft ’m nog eh..... apart aangemonsterd!—Kijk er eens, schipper, vlug is ie niet en als hij ergens een ouwewijvenknoop in slaat, trek je hem zóó los. Maar weet je waar ie goed voor is? Voor botteliersmaat! Ga nou eens na, schipper, waarom hebben wij op de Nieuw-Hoorn zoo’n ellende gehad? Omdat de botteliersmaat daar, die stomme pijpekop, een brandende kaars bij een jenevervat heeft gezet. Pats! de heele schuit aan flarden. Zooiets zal Padde niet gebeuren, schipper!”

Padde ademde diep, keek naar den kalong daarboven.

„Schipper!” smeekte Hajo. „We zijn samen uitgevaren, schipper, en.....”

De Bruinvisch keek Padde aan, toen Hajo, toen Harmen. Hij nam den kroes weer op, maar ademde diep en zette hem weer neer, liet hem toen moeilijk los, alsof hij er al zijn vingers apart van moest bevrijden. De Bruinvisch schraapte zijn keel en bulderde weer op eens: „Wat was je op de heenreis?!”

De flesschen rammelden; de kaarsvlam flikkerde; de schaduwen dansten in het vertrek. Maar den jongens was zijn gebulder welkom: zóó kenden ze den Bruinvisch; zoo wisten ze wat ze aan hem hadden. Dat schorre fluisteren van daareven had hen onzeker gemaakt en hen onaangenaam beroerd. Intusschen was de vraag op zichzelf pijnlijk genoeg. Padde kuchte, verbleekte.

Maar Harmen sprong in de bres. „Hij was van alles, schipper! Hij kan bieten schrappen, pannen uitkrabben, flesschen spoelen.....!”

„Vooruit dan maar!” brulde de Bruinvisch. „Botteliersmaat! Nou tevreden?”

„Dank je wel, schipper”, zeiden de jongens uit een mond.

Toen haalde Hajo zijn brief te voorschijn. „Schipper”, zei hij. „Schipper Bontekoe heeft me een brief meegegeven, dat ik voor stuurman.....” Hajo bloosde en slikte wat weg, „voor stuurman moet worden opgeleid. En.....”

„Zoo! Is het jou ook al in je bol geslagen!” gromde de Bruinvisch. „De Compagnie zal nog eens schepen met niets dan stuurlui naar Jan Oost zenden! Geef die brief maar hier: jij zou hem nog vuil maken!” De Bruinvisch legde den brief voor zich op tafel en greep, reeds lezende, zonder er naar te zien, den kandelaar om zich bij te lichten. Daarbij stootte hij per ongeluk den kroes wijn om. De Bruinvisch verbleekte, stond ineens overeind en veegde met zijn mouw den wijn van den brief. Hajo sprong toe, trachtte vergeefs een stapel papieren, waar de kroes tegen aan gevallen was, nog te redden. „Alles zeker nat geworden, hè?” vroeg de Bruinvisch met schorre, fluisterende stem. „De heeren zullen wel denken..... hm!” Met zijn zakdoek begon hij de papieren te betten. Hajo hielp hem. „Bedankt.....” gromde de Bruinvisch. „Bedankt.....”

Intusschen had Harmen zijn aandacht aan iets heel anders gewijd. Wat stond daar op de onderste plank van de kast? Een..... een doodskop?! Harmen zou hebben aangemonsterd op een schip, dat in de kajuit een doodskop borg?! Nog starend naar dat bleeke ding met de zwarte oogholten, het akelige neusgat en de glinsterend-witte tanden, sprak Harmen kort en duidelijk z’n meening uit: „Schipper, als dat daar een menschelijke doodskop is, ben ik je koksmaat niet meer!”

De Bruinvisch keek van zijn werk op. En, een uitweg zoekend voor zijn drift over de bemorste paperassen, bulderde hij stampvoetend: „Er uit! Er uit, zeg ik je! Alle drie!”

De jongens verdwenen met bekwamen spoed, vonden buiten Rolf en Joppie, die vol belangstelling vroegen naar den uitslag van de aanmonstering.

„Ik ga weer naar ’m terug”, zei Harmen. „Ik laat me niet aanmonsteren op een schip met een doodskop! Daar waag ik m’n huid niet aan en Joppie’s huid ook niet!” Harmen nam Joppie in z’n nekvel en koerste met zijn stekelharigen kameraad de kajuit weer in.

„Harmen?!”—Maar Harmen had de deur alweer achter zich gesloten. Er kwam wat gebulder uit de kajuit,—toen werd het stil.

Na een uurtje—de jongens waren met Hilke naar het voordek geslenterd—kwam Harmen weer aanzetten, Joppie vriendelijk kwispelstaartend voor hem uit.

„Nou”, zei Harmen, z’n pijpje opdiepend en een handjevol tabak nemend uit de doos, die Hilke hem offreerde, „nou, de Bruinvisch is met al z’n gebulder zoo mak als een lammetje, en Harremen windt hem om dit....” Harmen strekte zijn pink uit, „dit kleine vingertje! Die kop was niet van een mensch; die was van een Arabier! Hij heeft me ook in de laden laten kijken,—heerem’n tijd, wat zit daar allemaal voor een rommel in! Nou, enne..... Joppie is ook aangemonsterd, en ik heb de Bruinvisch het geld voor Lijsken’s moeder in bewaring gegeven.—Hè, Padde, daar hebben we je mooi doorgesleept! Je had best eens: Dankje! mogen zeggen!”

„Waarvoor?” vroeg Padde hooghartig.

„Nou, als jij niet snapt: waarvóór, dan wil ik je toch één ding zeggen, leelijke brandstichter!” viel Harmen uit. „De eerste maal, dat ik jou wéér met een kaarsje de kelder zie ingaan, neem ik je bij je nek en smijt je vierkant overboord; dan kun je aan de haaien vertellen wat voor een gemeene vent Harremen is! Jij zou het zeker wel lollig vinden om de Nieuw-Zeeland óók weer in de lucht te laten vliegen, maar daar zal ik dan toch eens een stokje voor steken. Gesnapt?”—Harmen keerde hem den rug toe en ging, nijdig trekkend aan z’n pijpje, naast Hilke over de verschansing hangen, turend naar de lichtjes van den oever.

Er werd wat gezwegen. Elk had zijn eigen gedachten. Padde was pruttelend weggegaan om een sok te vragen van een der maats. Daarin wilde hij zijn geld stoppen, en die sok met geld wilde hij zoo sekuur verbergen, dat geen mensch ’m vinden kon. Hij had er al een mooi plekje voor. Waar,—dat wilde hij niet zeggen.

Harmen verbrak met een diepen zucht de stilte. „Morgen zal ik zien, of ik een fiool op de kop tik! Een mooi zakmes wil ik ook hebben. En een spiegeltje en een kam! En voor m’n moeder neem ik ook wat mee! En voor m’n vader een paar krissen, die heb ik hem beloofd. En voor m’n meisje koop ik wat van zilver, dat ze om kan hangen.”

„Ik dacht, dat je deze keer geen meisje had”, zei Hilke.

„Heb ik ook niet”, antwoordde Harmen. „We kregen ruzie, juist een dag voor ik aan boord moest. Maar als ik drie dagen aan wal ben, zit ik er toch weer aan!—’k Wil zuinig wezen, Hilke: van die vijftig guldens, of hoeveel zijn het er,—nou ja, maar de helft moet ik er minstens van overhouwen. Niet zooals de vorige keer, toen alles schoon opging. Afijn, toen waren Gerretje en Floorke er bij, toen moest het wel opgaan! Blij, dat ik de centen voor Lijsken’s moeder tenminste aan de Bruinvisch heb afgegeven,—daar.....” Harmen deed een langen trek aan zijn pijpje, „daar liggen ze veilig.”

De oever zag er lokkend uit. Lichtjes fonkelden tusschen de palmen, en de witte muren van pasgebouwde huizen glansden uit het donker op. Rechts, in een kleinen inham, lagen op het strand Inlandsche visschersprauwen, en een eindje het water in stond een huisje op palen, waarin eenzaam een Inlander zijn net ophaalde. De visch schitterde als zilver in het licht der opkomende maan.

Het was stil op het water geworden. Branding stond hier haast niet. Zie, daar, wat verder in zee, lag de Maeght van Dordregt, waar de gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen zijn verblijf hield. Niet ver daar vandaan lag de Neptunus, ook een mooie schuit en ferm bewapend. De Morghenstar, een lichtgebouwde schoener, lag half over getalied,—werd zeker schoongeschrobd. En daar, verder naar het Noorden, fonkelden de lichtjes van de Berger-Boot, waar hun bovenste beste schipper zat. Goeie reis, schipper! En pas maar op, als je nog eens tegen de Chineezen moet bakkeleien.....!

Toen luidde de etensbel. Ze aten bij lantarens op het open dek, want in het vooronder stikte je.

Zoemend dansten de muskieten hun om het hoofd.

MET GERRETJE NAAR LOA HOK SEN

Het was nog vroeg, toen de jongens den volgenden morgen met nog een paar maats aan wal roeiden. De heete koffie was er best ingevallen, en de zon scheen verrukkelijk. Ze meerden de sloep aan een houten kade, sprongen aan wal en wisten niet waar ze het eerst naar moesten kijken in het wirwar van bontgekleede Oosterlingen. Maar wie stond daar, stralend van blijdschap, en drukte hen alle vier tegelijk in de armen?—Gerretje!

„’k Heb gisteren van Bolle gehoord, dat jullie weer aan boord waren!” riep Gerretje in vervoering uit. „En als Bolle niet gelogen heeft, sjonge-jonge, dan zijn jullie er raar doorgerold, zeg!”

„Is het waar, dat je getrouwd bent?” vroeg Harmen. „Met een Javaansch meisje?”

„Nou, wat zou dat?”

„Dat zou”, zei Harmen giftig, „dat jij je schamen moest! Met zoo’n lief meisje in Hoorn!”

„Nou, lig me nou niet te vervelen”, pruttelde Gerretje, half verlegen en wrevelig. „Heb ik je dáárom afgehaald?” Hij leidde hen naar een soort rijtuig, dat veel van een groote kist op wielen had. Er stonden een paar broodmagere biekjes voor, en op den bok zat een Inlandsche koetsier met op zijn hoofddoek een strooien hoed in den vorm van een paddestoel. „Stap maar in, heeren!” noodigde Gerretje uit.

Stomverbaasd keken de anderen hem aan. „Is ’t je in je bol geslagen?”

„En als ik je nou toch zeg, dat dat rijtuig van mij is?”

„Van jou?!”

„Nou ja, van een vrind van me. Een Arabier! ’t Kan ook wel een Chinees wezen.”

„Heeft ie een staart?” vroeg Harmen.

„Weet ik, of ie een staart of geen staart heeft!” zei Gerretje. „’k Heb hem immers pas eenmaal gezien! Toen had ie een tulband op. Vooruit! Stap in.”

„Als d’r maar plaats genoeg is!” grinnikte Harmen, terwijl hij in het krakende, verflooze voertuig stapte.

„Plaats zat”, meende Gerretje. „We hebben er laatst met z’n zevenen in gezeten. Moet die smerige gladakker ook mee?”

„Dat is geen smerige gladakker”, zei Harmen verontwaardigd. „Dat is Joppie.”

„Wat?! Is die met jullie meegekomen?—Joppie! Ken jij Gerretje nog?”

„Wauw!” kefte Joppie en sprong tegen Gerretje op.

„Hij is me nog niet vergeten!” zei Gerretje. „Vooruit, lik je grootmoeder, maar mij niet!”

Onder groote belangstelling van Inlandsche kinderen en kleine Chineesjes hadden de jongens zich in het voertuig geheschen. „Moet Padde ook mee?” vroeg Gerretje.

„Waarachtig!” zei Padde beleedigd. „Ik hoor d’r ook bij!”

„Nou, dan moeten we die blauwe nikker maar naar beneden taliën”, meende Gerretje. En vóór de koetsier, die slaperig naar de magere, met zweepstriemen geteekende schoften der paardjes zat te turen, ergens op verdacht was, had Gerretje hem van den bok getrokken. „Zeg maar, dat toewan Gerretje de koedah’s zelf wel weerom zal brengen!” schreeuwde toewan Gerretje den verbluften man toe.

„Zou-d-ie dat verstaan?” vroeg Harmen.

„Waarom niet? Hij is niet doof!” zei Gerretje.

„Nou, dan zal ik de koers wel houwen!” bood Harmen aan. „Ik kan goed met knollen omgaan!”

„Met winterknollen uit het land van Lubbes bedoel je zeker!” hoonde Gerretje. „Laat mij dat zaakje nou maar opknappen: ze zijn erg wild!” Gerretje smakte met de tong. „Tschk! Vooruit!”

„Heila!” waarschuwde Harmen. „Joppie en Padde moeten er nog in!”

„Nou, ze loopen immers ook nog niet, de knollen?” vroeg Gerretje. „Je moet ze eerst altijd even wakker maken. En dan een trap tegen d’r achterwerk. Dan loopen ze.”

Gerretje bleek goed op de hoogte te zijn: na enkele aanmoedigende duwtjes hieven de rossinanten den kop op, vergewisten zich, dat Padde op den bok zat naast Gerretje, en dat Joppie veilig geborgen lag tusschen Harmen’s knieën; toen ratelde de wagen de kade af langs kleine winkeltjes, waar de meest uiteenloopende zaken in bonte mengeling van kleur lagen uitgestald. Voor de open deuren en vensters zaten werkende Chineezen in hun wijde broeken en nauwsluitende jasjes,—voor zoover ze geen bloot bovenlijf hadden. Ze droegen hun staart in een knoedeltje op den kaalgeschoren bol, of als een snoer om het hoofd gewonden, of over den schouder met het uiteinde in den zak.....

„Heb je d’r verstand van?” vroeg Harmen hoofdschuddend. „Zeg, jongens, als we hier vast eens wat kochten?” Hij tastte in den zak waar zijn guldens zaten. „Straks verlies ik m’n geld nog vóór ik er wat voor gekocht heb!”

„Ben je gaar?” vroeg Gerretje. „We gaan eerst naar mijn huis! Vanmiddag kunnen we wel inkoopen doen! En vanavond is het pasar malem! Dan gaan we pret maken!”

„Wat is dat: pasar malem?”

„Zoowat als kermis.”

„Fijn!” zei Padde. „En waar gaan we eten?”

„Bij mij natuurlijk!” zei Gerretje. „Rijsttafel! Hilke komt ook! Wat kijk jij zuur, Harmen?”

„Nergens om”, zei Harmen. „Maar ik lust die blauwe kost niet.”

Gerretje sperde zijn oogen wijd open, hield de teugels in. „Lus jij geen rijsttafel?!”

„’t Is me nog al lekker!” smaalde Harmen. „Weet ik wat ze er allemaal in doen: gepiepte schorpioenen, gemalen kakkerlakken..... Vooruit, rij door!”

Padde rilde. „Ik lust ook geen rijsttafel, zeg!”

„Jullie zijn stapelgek!” mopperde Gerretje. „’t Smaakt fijn! ’k Eet ’t elke dag!”

„Jij liever als Harremen!” zei Harmen. „Wat moet ik straks tegen je vrouw zeggen? Juffrouw?”

Gerretje bloosde. „Welnee, je zegt maar gewoon: Mina! Tja..... hoe ze aan een Hollandsche naam komt, weet ik ook niet! Voor een dag of wat vroeg ik haar: hoe heet je?—Mina, zei ze.—Kom, jongens, laten we de kast maar weer eens op gang brengen! Die knollen vertikken het!”