De Scheepsjongens van Bontekoe

Part 36

Chapter 364,030 wordsPublic domain

„Hajo!” snikte Padde en viel zijn vriend om den hals.

„Vooruit!” riep Harmen. „We schieten niet op! Waarom blaast de wind niet wat harder!”

„Heb maar geduld”, zei Rolf. „Straks krijgen we nog ruw weer! Zie eens, wat een wolken!”

„Wat heb ik aan wolken? Wind moeten we hebben!—Ziezoo! dat gaat een betere kant uit”, prees Harmen, toen een sterke vlaag in het zeil sloeg en het vlot een schokje voorwaarts gaf. Harmen laadde de armen vol kokosnoten en wierp ze overboord. „Weg met die rommel! Dat scheelt in de vaart! En van die mat maken we een fok!”

De jongens plaatsten de zonnetent op het voordek. De wind was allengs geheel naar het Westen omgezwaaid, zat nu prachtig in het zeil. Hij scheen toe te nemen.

„Voor mijn part gaat hij razen als de hond van Lubbes”, zei Harmen.

Heel langzaam-aan werd het fletsblauwe omtrekje aan den Oostelijken gezichtseinder duidelijker. Toen vervaagde het weer, omdat het water de hitte van den dag ging uitdampen. De schuit lag voor anker; duidelijk hadden de jongens de kale masten gezien.

In het Westen was de zon vertroebeld in waterige, vuil-paarse wolken; haar licht, daarstraks nog van het zuiverste goud, werd nu valsch van kleur, en ten slotte verdween ze geheel. Daarop schenen de wolken gewacht te hebben: daareven stonden ze druilend boven het water, maar nu schoten ze eensklaps omhoog met zulk een onstuimigheid, dat ze andere wolken meesleurden, die niets geen lust hadden in de wilde jacht, zich dan ook weer losrukten en onderdompelden in de loodgrijze bank boven de kim.

„’n Vieze beweging daar!” zei Harmen. „Afijn, ’t brengt wind mee.....”

Nu schoof ook de grijze bank omhoog en werd een trieste muur, die alles in schemer hulde; een rosse schijn kwam in de lucht te hangen; op den muur stonden eensklaps vlammende kanteelen. Daarachter lag een duivelsveste. Groeterig grauwe heksen op bezemstelen vlogen er uit op en reden naast elkaar, botsend met de ellebogen. Uit het Zuiden kwam een leger grijze ratten aankruipen, knaagde aan de laatste lichte plekjes van den hemel.

Weer is er een aarzeling daarboven in de lucht. Het wordt stil; de golven zwellen van achteren geheimzinnig aan en loopen over het dek uit, nu het vlot haast niet meer vooruitkomt. Harmen raast en geeft er Padde de schuld van, als het zeil ten slotte slap neervalt. Onrustig zien de jongens omhoog.

Zie! daar steekt de burchtheer zelf zijn rooden duivelskop achter den muur op. „Wat heeft dat treuzelen te beduiden?!” Hoor! de zweep giert over de ruggen der heksen en over het rattenheir. Nieuwe troepen komen aan, te paard, dringen door tot in de voorste gelederen.

Het zeil bolt met een slag uit; de mast buigt krakend door. In plaats van van achteren te komen, schuiven de zwarte golven nu weer over het voordek.

Harmen wrijft zich de knuisten. „Nou gaat ie gesmeerd!” Maar eensklaps betrekt zijn gezicht. „’k Ben maar voor één ding bang, jongens! Dat ze daarginds met dit weer niet voor anker durven blijven liggen en van de kust afzeilen!”

De anderen weten geen antwoord. Allen zien het gevaar in. Ze hijschen zwijgend de lantaren in den mast, want het zal over een half uur donker zijn. Jongens, wat schiet het vlot door de golven!

Eensklaps vliegen door een plotselingen rukwind de stukken hout het smeulende vuurtje uit en tollen, even nog sissend, in de golven. En het matten „fokzeil” suist draaiend de lucht in, slaat plots over den kop en schiet in het water weg.

„Wel, verduiveld!” roept Harmen spijtig uit en gaat na, of de mast en het zeil goed vastzitten.

Het vlot vaart zonder „fok” niet langzamer. Forsch dompelt het den kop in de golven.

„Licht!!” roept Hajo plotseling uit.

„Ha!—Trek de schoot aan, Rolf! ’t Ligt bijna in de koers!” En Harmen begint alvast te brullen: „Schip ahoy! Ahoy! Schip ahoy!!”

Zóó snel vaart het vlot, dat het licht elk kwartier grooter en helderder wordt. Daar, links, is nog een licht! En rechts nog een! Houdt het middelste, jongens!

Nu zijn ze er geen vijfhonderd ellen meer af. Duidelijk zien ze den donkeren omtrek van een Oostinjevaarder. „Zullen we roepen, jongens?” vraagt Harmen opgewonden.

„Ja. Allemaal tegelijk. Een-twee-drie.....”

„Schip ahoy!!” schreeuwen ze met hun vieren. Joppie gilt mee.

„Nog eens! Een-twee-drie.....!”

„Schip ahoy!!!”

„Het ligt met de zijkant hier naar toe! We loopen er vierkant tegen op!”

„Goed zoo, maar haal het zeil omhoog! Anders varen we het vlot aan splinters. Doe jij het, Hajo; ik moet het roer houd.....”—Met een scherp geluid scheurt het zeil van den boom af; zwaar klappend in de lucht rukt het den gaffel mee en vliegt als een witte meeuw weg.—„Zoo’n rotzeil!” scheldt Harmen.

„Ik zie menschen!” roept Rolf. „Ze laten stootballen neer! Jongens!!”

Hoog ligt het schip, zacht deinend op den rumoerigen golfslag, die klotst en botst onder den spiegel. Nu stoot het vlot tegen den houten wand van den Oostinjevaarder.

„’n Valreep!!” schreeuwt Harmen dringend omhoog.

Boven schemeren vage koppen. Daar vliegt een touwladder overboord. Met een wilden kreet grijpt Harmen het ding beet, wil er den voet inzetten, bedenkt zich. „Padde, jij eerst! Nou, vooruit dan!!” En Harmen duwt hem in het laddertje, geeft hem nog een zetje na. „Nu jij, Hajo! Geen praatjes! Kerel dan toch.....!!—En nou jij, Rolf!”

„Neen. Ik ga het laatst”, zegt Rolf, alsof hij al schipper is en zijn bodem verlaten moet. „Maar hoe krijgen we Joppie mee?”

Harmen weet raad. Hij grijpt Joppie, die deemoediger dan ooit is, in het nekvel en, als een hondemoeder, draagt hij Joppie tusschen de tanden den valreep op.

Als laatste, even huiverend van geluk, verlaat Rolf het vlot. Zoo komt hij boven, waar Harmen de haren uit zijn mond spuwt.

Wie staat daar en sluit hen alle vier tegelijk, schreiend en lachend, in zijn zevenmijls armen?

Hilke Jopkins.

BIJ DE BRUINVISCH AAN BOORD

„Mijn jongens.....! Hajo! Rolf! Harmen! Padde, goeie sukkel, ik dacht, dat jullie altemet naar de weerlicht waren!” En de tranen sprongen zoo maar Hilke’s oogen uit. „Mannen, haal Bolle eens op!”

Daar kwam Bolle al aanhollen. „Groote genade, jongens, zijn jullie daar weer?!” Bolle veegde z’n vette handen aan zijn witten voorschoot af. „Hoe hebben jullie ’m dat gelapt?”

„Tja, Bolle”, zei Harmen, „als ik daarvan begin te vertellen, mag ik eerst wel een bord bruine boonen met spek achter de kiezen hebben, anders val ik onderweg van m’n stokje.”

„’k Zal gauw wat klaarmaken!” verzekerde Bolle, aangedaan. „Lusten jullie een bordje pap na?”

„Schei maar uit, Bolle!” zuchtte Harmen. „Pap.....! Groote genade!”

Bolle spoedde zich naar de kombuis. En Harmen schreeuwde hem na: „Denk je om de basterdsuiker?”

Hilke keek de jongens nog hoofdschuddend, de oogen vol tranen, aan. „Ik kan het nog niet gelooven, jongens! Daar staan jullie weer in levende lijve voor me en..... wat voor rokjes hebben jullie aan?”

„Geef me er straks maar een broek van jou, Hilke”, zei Harmen. „Op wat voor schuit sta ik?”

„Je bent op de Nieuw-Zeeland, bij de Bruinvisch.”

„Op die rotschuit?” vroeg Harmen.

„Heila!” schreeuwden een paar mannen. „Zachies an!”

„Vraag ik jullie wat?” informeerde Harmen. „Zeg, Hilke, waar is de schipper? Onze schipper bedoel ik natuurlijk.”

„Bontekoe heeft een nieuwe schuit: de Berger Boot. Die ligt een eind verderop. Voor Batavia.”

„En jij en Bolle zitten hier?! Jullie laten den ouwe toch niet schieten?!”

„Wat kunnen we anders doen?” vroeg Hilke. „Als de schipper niet teruggaat.....?”

„Nou valt m’n hoedje af!” zei Harmen. „Waar gaat ie dan heen?”

„Weet ik het? Tegen de Chineezen bakkeleien.”

„Ik doe mee!” stelde Harmen vast. „Ik laat de schipper niet in de steek!”

„Nou, ga nou maar eerst mee naar het logies”, suste Hilke. „Dan krijg je een broek van me, en dan moeten jullie maar eens alles vertellen!”

„Dat we met die gepolitoerde nikkers wat beleefd hebben, daar kun je gif op nemen, Hilke!” verzekerde Harmen.

„Jongens, we zullen eerst naar de kajuit moeten”, zei Rolf.

„In m’n rokkie zeker?” vroeg Harmen.

„De Bruinvisch is er niet!” gromde een der mannen. „Anders had ie jullie al lang in de gaten!”

„Is de stuurman dan aan boord?”

„De opperstuur is met de Bruinvisch mee. En de onderstuur ligt in zijn kooi. Was ie maar aan boord, de Bruinvisch, dan zouden we van de kust afzeilen, want ’t is hier gevaarlijk liggen met dit weer. Maar als de ouwe vannacht terugkomt en ie moet zich eerst groen zoeken voor ie de kast vindt, raast ie morgen de zeilen van de mast.”

„Hij is naar de Maegt van Dordregt bij Jan Coen op bezoek”, lichtte Hilke toe.

In optocht daalde men nu in het vooronder af,—eerst de jongens. „Alle duivels, die hond, die jullie daar hebben.....” riep Hilke uit..... „da’s immers geen ander mensch als.... als Joppie!”

„Wauw!” gilde Joppie en vloog tegen Hilke op, die hem in zijn armen ving.

„Joppie! Zat je daarom zoo aan me te snuffelen! Heb jij dat heele tochtje ook meegemaakt, ouwe jongen?—Kom, jullie moeten eerst wat ordentelijks aan je lijf hebben! Hier, Harmen, pas die broek eens?”

„Hij zou me wel eens wat lang kunnen wezen.....” weifelde Harmen. Zijn veronderstelling werd gerechtvaardigd: de kniebroek, die Hilke hem geoffreerd had, reikte hem tot op de enkels. „Nou, een broek is het”, troostte Harmen zichzelf. „En ’k hoef er niet mee naar m’n meisje. We zullen de pijpen eens wat omslaan!”

Zoo deed Harmen. Ook Padde kreeg een broek: een goedhartige oome stond hem een kleedingstuk af.—„Veel zaaks is het niet”, meende Padde.

„Toch beter als zoo’n rokkie”, excuseerde de oome zich.

Padde weifelde. „Kijk het zitvlak eens gesleten zijn!”

„Wacht maar”, troostten de maats, „als je hier aan boord blijft, zal het nog wel meer slijten! Juffer Driesteng ligt altijd klaar.”

„Dacht je dan, dat ik op die smerige schuit wou blijven?” vroeg Padde. Hij trok de broek aan; ze bleek om het middel wat nauw, maar Padde stak een paar gaatjes in den boord, trok er een touwtje door,—toen paste ze zoowat.

„Nou”, zei Harmen, „nou moet je me eerst nog eens vertellen waar de anderen zijn. Waar is de bootsman? En de Schele en Bokje en Gerretje en Diede Doedes en.....”

„De meesten zijn bij den schipper gebleven”, antwoordde Hilke. „Ik had ook wel gewild, maar eh, Sijtje, snap je.....? Nou, en de Schele is dood.”

„D-dood?” stamelde Padde.

„Dood”, zei Hilke triest. „Toen tegelijk met..... Wacht, dat weten jullie natuurlijk niet: we zijn overvallen! Floorke en de Neus en......”

„Schei maar uit.....” zuchtte Harmen. „Wij hebben ze begraven, Hilke!”

„Is ’t waarachtig.....?—Dat was me wat, jongens!—Nou, de Schele is dus dood, hij kreeg een giftige pijl in z’n schouder; we hebben hem later over boord moeten zetten. En Gerretje is getrouwd.”

„Getr.....?! Wàt zeg je?”

„Met een Javaansch meisje.”

„En z’n meisje in Hoorn dan?”

„Tja.....! Mij loopen de tranen ook over de wangen, als ik daaraan denk! Hij zegt, dat ie geen aardigheid meer aan varen heeft, nou Floorke er niet meer is.”

„Wedden, dat ik ’m weer op een schip krijg?” vroeg Harmen. „Schamen moest ie zich!”

Daar kwam Bolle aanzetten met een pan bruine boonen en een kommetje vet met uitgebakken stukjes spek er in. En de jongens smulden.....! Ze lepelden dapper uit de groote pan; Bolle bracht nog wat mosterd,—dat smaakte heel wat hartiger dan de zoutelooze rommel, dien ze al dien tijd hadden moeten slikken!

De schuit begon al aardig te dansen, maar de jongens merkten er niet veel van; zelfs Padde had geen behoefte om naar het zeeziekvrije plekje te gaan zoeken.—„Hè, Joppie, ouwe karkas?” vroeg Harmen, wiens wangen, neus en kin blonken van het vet, „dat is wat anders als zoo’n half gepekeld stukkie visch?”

„Wat zul je daar een gelijk aan hebben!” antwoordde Joppie. „Krak!” En hij brak met de tanden een groote spekkorst middendoor.

Een groot bord pap besloot den koningsmaaltijd. Vol aandacht strooiden de jongens er basterdsuiker over, en Padde gooide er zooveel in, dat de pap heelemaal bruin werd. Maar Bolle keek vandaag zoo nauw niet.

„Ziezoo”, zei Harmen, „als jullie me nou een pijpie en een blaadje geeft en wat brand er in, zal ik jullie eens gaan vertellen wat we alzoo beleefd hebben!”

Zijn bescheiden wensch werd met bekwamen spoed ingewilligd, want allen waren even nieuwsgierig om de lotgevallen der jongens te vernemen.

„Nou, luisteren jullie?” vroeg Harmen, na gnuivend een paar trekken aan z’n pijpje gedaan te hebben. En toen begon Harmen te vertellen. Te vertellen.....!! De jongens hadden, samen met Joppie, heele kampongs bestormd; Dolimah bleek tot achter de ooren op Harmen verliefd te zijn geweest; het verhaal van den panter werd in zoo felle kleuren opgedischt, dat den maats de rillingen over het lichaam liepen. Toen Harmen merkte, dat de geschiedenis indruk maakte, deelde hij den panter nog een wijfje en vijf volwassen jongen toe, mormels van heb ik jou daar! Toen het hol eindelijk geheel van het pantergebroed gezuiverd was, hadden twee reuzenslangen de arme zwervers in hun schuilplaats belegerd. Maar Harmen knoopte de beide staartuiteinden van de monsterachtig groote beesten met een dubbelen ouwewijvenslag aaneen, zoodat ze voor hun leven lang aan elkaar geketend waren en.....!—Harmen stokte. „Dat laatste was gelogen”, bekende hij onder de ongeloovige blikken van alle kanten. „Laat Hajo het dan maar vertellen.”

„Neen, vooruit, vertel maar door. Kun je het dan niet zonder liegen?”

Harmen schudde ontkennend het hoofd. „In het begin wel, maar later niet meer. En als ik aan jullie tronies zie, dat jullie het niet meer gelooven, geloof ik het zelf ineens ook niet meer.—Vertel jij het maar, Hajo!”

Hajo nam Harmen’s taak over, maar Harmen viel hem telkens in de rede om er een haaltje aan te maken en vroeg dan: „Niet waar, Rolf?” Voor Rolf wat zeggen kon, ratelde Harmen al weer verder.

Nu en dan sloeg Hilke Hajo op den schouder, dat zijn botten kraakten, en zei, zegevierend rondkijkend: „Alsjeblieft, mannen, hier zien jullie een Fries!”

Zoo werd het elf uur. Toen eerst begaven de mannen zich ter ruste, allen nog druk dooreenpratend over de avonturen van de helden van dien dag, voor wie een paar fijne kooien waren vrijgemaakt. Terwijl de kerels zich, schrap staande op beide beenen om niet om te slaan, stonden uit te kleeden, klonk buiten plots een stem als een kanon. „De Bruinvisch!” stamelden de maats en schoten haastig hun broeken weer aan. Ook de jongens, die het met uitkleeden gemakkelijk hadden en al hoog en droog in hun kooien lagen, vlogen overeind.

„Blijf liggen!” raadde Hilke. „Jullie liggen immers goed? Als je bij hem mocht aanmonsteren, zul je nog genoeg hollen,—’t is hier werken aan boord! Kom, ik ga ook eens kijken wat er aan het handje is!” En Hilke stapte met groote passen achter de anderen aan.

Zwijgend zaten de jongens in het uitgestorven vooronder te luisteren naar de donderende bevelen van den Bruinvisch. „Haal in de ankers! Zet de fok op! Hel en weerlicht, als ik een uur later was gekomen, had de kast aan gruzelementen gelegen!”

Verdraaid! ze dansten flink,—dat was waar. Hoor! de ankerspillen ratelden. Nu werd er zeker een zeil opgezet. Hoe de wind er in sloeg! Pang!—Hilke kwam kletsnat weer binnen en schudde zich. „’k Heb door een zeetje geloopen”, lichtte hij toe. „We steken eerst een eind van wal en varen dan op Batavia aan, dan spreken jullie morgen de schipper meteen! Kom, ik moet nog wat helpen! Slaap lekker, jongens!” En Hilke verdween weer met een vriendelijken hoofdknik.

„Dag, Hilke!”—Maar de jongens konden maar zoo niet inslapen. Zwijgend lagen ze in hun kooien, stil-gelukkig in het heerlijke bewustzijn weer bij vrienden te zijn. Morgen zouden ze Bontekoe de hand drukken,—die lag met zijn schip voor Batavia..... was dat een eiland? Rolf had er nooit van gehoord. En de schipper ging met de Chineezen bakkeleien? Wat moesten zij dan doen? Ze wilden wel mee, maar..... Zou de schipper lang in Indië blijven, vóór hij weer terugvoer naar..... naar Hoorn.....?—Doet er niet toe! Ze kenden hun plicht en wisten waar hun plaats was. Maar toch.....—De jongens zuchtten. Drommels, wat vloog de lamp heen en weer; wat kraakten de masten!

Bij groepjes kwamen de maats weer terug. De helft moest opblijven. De Bruinvisch zelf ging ook niet ter kooie. Mijmerend dachten de jongens er over na, wat Bontekoe eens van den Bruinvisch had gezegd: „Tòch een goed zeeman!”

Rolf was het langst wakker. Hij dacht aan het oogenblik, dat hij van Hajo afscheid zou moeten nemen. Hun wegen zouden uiteenloopen,—daar was Rolf nu zeker van.

AF- EN AANMONSTEREN

Toen de jongens den volgenden morgen wakker werden, huiverden ze van genoegen. De zon scheen door de poorten aan bakboordzij; de storm, voor zoover men dat nachtje stevig blazen storm mocht noemen, had opgehouden,—al stampte de schuit ook nog wat. De oomes waren bezig hun broeken aan te schieten en knikten hen van alle kanten toe. „Morrege!”

„Morgen!” antwoordden de jongens. En Joppie sprong onder Hajo’s kooi vandaan en wenschte ook goeden morgen met veel likken en kwispelstaarten.

„De Bruinvisch weet al, dat jullie d’r zijn!” zei een maat. „Hij heeft de sloep zoowat kapoerus gevaren tegen jullie vlot: hij was niks gemakkelijk, toen ie aan boord kwam! Hij zegt, dat jullie bij hem in het lijkhuis moet komen.”

„Het lijkhuis??”

„De kajuit. Je zult het wel zien. Maar jullie hoefden pas te komen, als je wakker was.”

„Allicht”, zei Harmen, „we zijn geen slaapwandelaars.”

De jongens maakten zich op naar de kombuis, waar Bolle hen met een kom dampende koffie verwelkomde. Het was alles nog te mooi om te gelooven! Bedachtzaam, volop genietend, slurpten ze het bruine vocht.

„We gaan nou naar Batavia, hè, Bolle?” vroeg Hajo. „Is dat een eilandje, of zoo?”

„Wel neen,” zei Bolle. „Dat wordt een nieuwe stad, die nog geen jaar bestaat. Terwijl wij op zee zaten, hebben ze hier gebakkeleid. Wat vroeger: Jacatra heette, heet nou: Batavia. Stom-eenvoudig.”

„Nou, ’t zal me benieuwen”, zei Harmen. „Laten we eerst maar eens naar ’t lijkhuis gaan, bij de Bruinvisch! ’t Ligt daar vol opgeblazen krokodillen, zeggen ze.”

En in optocht begaf het viertal zich naar de groote kajuit. Ze klopten aan.

„Binnen!!!” donderde een stem.

Daar zat de Bruinvisch. De jongens keken naar zijn koperkleurigen kop met de donkerroode wangen als van een rijpe bellefleur en de weerbastige, kleine krulletjes,—en in gedachten zagen ze hem den valreep weer opklauteren, statig gevolgd door den dorren koopman.... toen, op de Nieuw-Hoorn.....!

Hij zat rondom in de opgezette beesten. In een hoek stond een ietwat houterige tijger met gele, glazen oogen,—die was heel wat makker dan dien de jongens in Sumatra ontmoet hadden, al keek deze ook erg grimmig, en al waren de zware hoektanden ook geheel ontbloot. Van de lage zoldering der kajuit hing een albatros met wijd uitgestrekte vleugels, net of hij nog vloog, en hij klemde een morsdoode visch in den snavel. Half tusschen zijn vleugels door was een kalong neergelaten; dan hingen dieper in de kajuit nog visschen: een opgevulde, kleine haai,—kijk, daar in z’n vestje had ie een opstopper gekregen! In een hoek hingen een zwaardvisch met half afgebroken zwaard, een kolossale rog en een duivelsvisch. In een waas zagen de jongens onder de tafel, waaraan de Bruinvisch zat, een krokodil met groene oogen liggen.

Aarzelend waren onze vrienden binnengetreden in dit tooverhol, waarin de Bruinvisch troonde als een vervaarlijk heksenmeester. Joppie, die hen overal volgde, had alle haren steil rechtop gezet en was ditmaal buiten blijven staan.

„Jullie hebt me vannacht met jullie vlot zoowat naar de weerlicht geholpen!” bulderde de Bruinvisch vriendelijk. „Hoe heet jij?”

„Van Kniphuyzen, schipper.” Verduiveld, wat een griezelige boel was het hier! De maats hadden wel gelijk, het een lijkhuis te noemen! Daar, boven op die kast, stond een zeeëgel; als pendant had ie een koffervisch, en in het midden stond een aap, die juist bezig was, in een tak te klimmen.....

„En jij? Hoe heet jij?” bulderde de Bruinvisch Hajo welwillend te gemoet. De houterige tijger beefde ervan; de staart van den aap trilde, en in de kast viel iets. Verdikkeme, de Bruinvisch had boven zijn bedstee een vampier gespijkerd. Zeker om lekker in te slapen!

„Peter Hajo, schipper”, antwoordde de gevraagde.

De Bruinvisch keek Rolf aan.

„Rolf Romeijn, schipper.”

„En ik ben Padde Kelemeijn van de Appelhaven”, lichtte Padde den Bruinvisch in.

„Vraag ik je wat?!” vroeg deze. En tot Rolf: „Ben jij die neef van Bontekoe? Als je bij mij komt, ben je over een jaar volmatroos.”

„Ik dank u, schipper. Maar ik wil bij mijn oom blijven.”

„Word je soms voor stuurman opgeleid?” vroeg de Bruinvisch wrevelig.

„Jawel, schipper.”

„Hm!” De Bruinvisch gromde nog wat en gunde Rolf geen blik meer. „En jullie?” wendde hij zich tot Hajo en Harmen. „’k Heb voor jullie ook nog wel een plaatsje over.”

Harmen keek nog in gedachten verzonken naar de kast. Op de benedenste plank stond een kievit bij z’n nest met eitjes. Vier lagen er in. Zouden die van hem zelf wezen of van een andere kievit? Kijk die sperwer daar eens mooi staan, met z’n witte sokjes aan! En daar op die bovenste plank stonden allerlei beesten in fleschjes. Slangen, kikkers, hagedissen.....

„Heila!” bulderde de Bruinvisch. „Versta je me niet?!”

Harmen schrok op. „Eerst niet, schipper. Je spreekt zoo zachies.....”

De Bruinvisch rolde met zijn oogen. „Ik vraag je, of je bij mij wilt komen?”

„Nou, schipper, daar moet ik nog eens een nachtje over slapen.....” aarzelde Harmen. „’k Weet nog niet, of onze schipper me missen wil!”

„Hij zal je in een glazen kastje zetten!” verzekerde de Bruinvisch.

Harmen wees grinnikend op de hagedissen in de fleschjes. „Ik ben geen salamander, schipper!”

Er heerschte even zwijgen. De Bruinvisch scheen er over na te denken, of hij Harmen zou laten kielhalen, op spiritus zetten of laten opvullen en aan de zoldering hangen. „Als je op m’n monsterrol stond, onthaalde ik je op juffer Driestreng!” viel hij tenslotte uit.

Rolf vond het raadzaam, aan het onderhoud maar een einde te maken. „Kunnen we gaan, schipper?”

„Ja, ruk maar uit!” bulderde de Bruinvisch en stampte met den voet, dat den houterigen tijger een der hoektanden uit den wreeden muil viel. De Bruinvisch raapte den tand op, duwde hem weer in de holte, waar hij thuis hoorde, en de jongens verlieten de kajuit.

„Nou”, zei Harmen, „voor ik die gruwelkamer wéér in kom! Hè, Joppie? Jij moest er ook niks van hebben!”

„Hij wou ons graag aanmonsteren, hè?” grinnikte Padde. „Maar dat zat hem niet glad!”

Harmen keek Padde verbluft aan. „Tegen jou heeft ie toch alleen maar gezegd: Ik vráág je niks!”

Padde zweeg even. „Kletskoek!” zei hij toen.

En zoo kwam de groote middag, jongens, dat onze vrienden aan boord van de Berger-Boot, die op de reede van het pas gestichte Batavia voor anker lag, hun schipper, hun allerbovenstebesten schipper weer de hand drukten. En den braven Vader Langjas! Dat gaf me een blijdschap! De tranen sprongen hun in de oogen, en Vader Langjas’ stem trilde ook, en Bontekoe sloeg hun op de schouders, dat de botten kraakten.

De jongens gingen mee naar de kajuit; daar kregen ze een stoel, net als groote heeren, en Bontekoe liet koffie brengen met een plak koek en een klontje er bij. Toen moesten de jongens vertellen. Schots en scheef ging het, en Rolf hield er met moeite een beetje volgorde in. Harmen weidde ditmaal niet uit: hij wou z’n schipper toch niet voorliegen!

En toen ze honderd uit gepraat hadden, en de schipper en Vader Langjas hun hadden verteld hoe de jol tenslotte op de reede van Bantem was gekomen,—toen kwam Bontekoe met de vraag: „En, jongens, wat denken jullie nou te doen?”

Onze vrienden keken elkaar aan. Harmen verslikte zich in zijn koffie, werd door Vader Langjas op den rug geklopt tot hij er weer bovenop was. Toen zei hij: „Is ’t waar, schipper, dat je tegen de Chineezen gaat bakkeleien?”

Bontekoe glimlachte. „Voorloopig niet, Harmen! Maar ik vertrek de volgende week naar Ternate en zal hier in de buurt nog wel een paar jaar rondzwerven.”

„Een paar jaar, schipper.....?!”