De Scheepsjongens van Bontekoe

Part 35

Chapter 354,112 wordsPublic domain

„Dan houden we koers op den wind”, stelde Hajo voor. „De wind links achter houden.”

„De wind, die er niet is”, gromde Harmen. „’n Mooie koers zal dat worden!”

Hajo en Rolf zetten het zeil op. Het bleef slap hangen, in vouwen en rimpels.

„Zullen we wat bikken?” vroeg Harmen.

„Geef maar op”, zei Padde.

„Wat wil uwes hebben?” vroeg Harmen. „Gebraje kip? Warme oliebollen?”

Kauwend op een visch, waar het zeewater nog afdroop, zaten de jongens in triest zwijgen bij mekaar op het stuurloos dobberende vlot.

Zachtkens spon zich de schemering.

In den nacht rukte de wind ineens weer aan het zeil. Rolf en Harmen schrokken er wakker van.

Het regende nog wat, bij vlagen. Ook de wind was niet meer dan een vlaag geweest. Daarboven, hoog in de lucht, scheen hij vrij spel te hebben, reed op de zwarte wolken en zweepte ze tot woesten galop. Er glansden wat sterren door, als de fonkeling van stalen helmen.

„Laat mij vannacht maar eens koers houden”, zei Harmen. „Ik neem koers op de wolken.”—Hij stond loom overeind, rekte zijn verkleumde leden en ging huiverend bij het roer zitten.

„Er staat geen wind”, zei Rolf. „Dat was maar een vlaag, daareven.”

„’k Zal eens fluiten! Dan komt de wind!” verzekerde Harmen. „Ga jij nou maar maffen.”

De zee was nog woelig en zwart, maar het vlot deinde regelmatig, in breeden zwaai, zonder schokken. Langzaam-aan kwam er wat wind aansluipen, legde zich in het zeil en stuwde het vlot voort door de golven, die witte, schuimende wonden toonden. Het water vloeide over het dek tot aan de plaats waar de andere jongens sliepen. Ze merkten het niet. Maar Harmen knikte tevreden. „Er zit weer gang in de kast! ’k Zal ’t zeil nog wat aanhalen, dat ik geen scheutje wind verlies!”

Zoo, langzaam-aan, zwol de wind, en toen de morgen grauwde, stond hij met gebolden rug in het zeil te duwen. Harmen hing, de armen over het roer, te snurken als een pater. Maar koers hield hij,—dat kon Harremen maffende nog wel, en zonder sterren!

JAVA

In wilde vaart joegen de wolken den ganschen dag. Eerst tegen den avond werden ze trager en schenen zich ten slotte nog slechts met moeite voort te slepen. Ze kregen vage omtrekken, werden minder zwart en rukten niet meer in dichte gelederen op, zooals daarstraks. Hier en daar stonden groote plekken blauw met helder fonkelende sterren.

De wind sloeg naar het Zuiden om; nu bleven de wolken bedremmeld staan, botsten tegen elkaar en vluchtten ten slotte als een kudde opgejaagde schapen naar het Noorden. Een oogenblik later was er heinde en verre niet een meer te bespeuren, en de hemel stond blank gepoetst als na de groote schoonmaak.—„Morgen droog weer!” voorspelde Harmen en wreef zich in de knuisten.

„’k Had liever een bedekte lucht”, zei Rolf.

„Harremen niet!” verzekerde Harmen. „Wacht maar: morgen hebben we weer een vuurtje.”

„’t Zal ook zonder vuur warm genoeg worden”, meende Rolf.

„Wanneer zouden we Java nu zoowat in het zicht kunnen krijgen?” vroeg Hajo.

„Misschien zijn we al op de helft”, zei Rolf. „We hebben vandaag een heel eind achter ons gelaten.”

In spanning op den dag van morgen legden de jongens zich ter ruste.

De ochtend was verrukkelijk. Er lag een blauwgrijze nevel op het water, en in dat grijs stond de zon als een roode lampion. Eerst later werd ze goud; nu liep over het water een gouden weggetje tot aan den gezichtseinder, en de vochtige nevels weerkaatsten het zonlicht, zoodat de lucht vol gouden schemeringen kwam.

Harmen kon de verleiding niet weerstaan: plonsde in het frissche water. „Ik kan ’t nauwelijks bijhouden!” pufte hij, toen hij achter adem weer op het dek kroop.

„Ga niet meer zwemmen, Harmen”, zei Rolf. „Je weet niet, of hier soms haaien zitten.”

„Die lusten me niet”, verzekerde Harmen. „Die lusten alleen maar landrotten. Laatst.....” (Harmen begon te grinniken) „..... vongen ze eens een haai en vroegen ’m op de man af, waarom ie meer van landrotten hield.—De zeelui bennen me te zout, zei-d-ie,—en je weet van te vorens nooit, of je bijgeval niet een por in je schoone vessie krijgt!—Weet je wat Gerretje verteld heeft van een haai en van zoo’n uitgebakken bokkum van een landrot? Afijn, laat ik het maar niet weer vertellen ook, want ’t is zoo allergemeenst gelogen, dat jullie er alle scheel van zouden worden, en Joppie er bij. Ophakken is goed, maar je moet de lui niet gaan voorliegen.—Hebben jullie ook zoo’n honger?”

„Nou!” zei Padde.

„Jou word niets gevraagd”, stelde Harmen vast. „De stukken visch zitten je nog achter de kiezen! Jij hebt je ’s morgens nog niet behoorlijk uitgerokken, of je zit al bij de proviand.”

„’t Was maar een kleintje”, zei Padde.

„Nou, jij bent ook maar een kleintje.—Blijf je er af met je vingers?!”

Padde trok nijdig een paar visschen van het drooglijntje en deelde ze rond. Toen zette hij zelf met een norsch gezicht zijn tanden in een vischje.

Harmen keek er grinnikend naar. „Je moest bij de drogist eens wat pillen halen, dat je eens afleert om dadelijk altijd zoo woest te worden”, zei hij. „Als ’n mensch: kurk zegt, versta jij d’r: schurk uit.—En als je nou toch bij de drogist bent, vraag dan meteen een zalfje, dat je niet overal zoo invliegt. Ik zie je nog in de kombuis zitten buikspreken! ’k Dacht, dat ik een beroerte zou krijgen! En Lijsken had geen adem meer.—’k Wil d’r uit! riep ie.—Komt dat uit m’n buik? vraagt Padde. Toen je weg was, zei Lijsken:—Ik geloof, dat die augurk ons nòg niet in de smiezen heeft!” Harmen tolde van plezier over het dek en knabbelde, met opgetrokken knieën achterover liggend, aan zijn visch.

Padde stond met rollende oogen op, wilde met zijn visch naar het voordek verhuizen. Maar plots stootte hij een kreet uit, staarde in het water. Kort onder de oppervlakte flitste de witte buik van een haai. Duidelijk zag Padde den driehoekigen muil.

De anderen waren overeind gesprongen; Harmen greep een der speren en stelde zich aan den rand van het vlot op. „Als ik hem die speer in z’n bast kan gooien, zal ik het niet laten, jongens.....!”

In spanning wachtten de knapen. Alle grapjes waren van de lucht; de verbittering tegen den geheimzinnigen vijand, die met zijn vraatzuchtigen muil de diepten der zee onveilig maakt, sloeg hen in ban. Eensklaps dook het monster weer onder het vlot uit; een rilling van afschuw voer den jongens door de leden. Harmen haalde de gevelde speer ver naar achteren uit en slingerde het wapen uit alle macht naar den haai. De knapen zagen, hoe de speer wegschoot in het lichaam. Meteen wentelde de haai zich om; de gevlerkte staart dook uit de golven op en klapte weer neer, dat het water den jongens om de ooren vloog. Toen dook het dier in de diepte weg.

„Die heeft ie te pakken!” hijgde Harmen.

De jongens keken nog eenigen tijd uit, maar er kwam niets meer opdagen. „Kom, laten we weer achter het zeil gaan”, zei Hajo. „’t Is hier in de zon niet om uit te houden!”

„Straks zal het zeil niet veel schaduw meer geven!” meende Rolf. „Zeg..... kijk eens in die richting! Is dat niet.....?!”

„Land!” riep Harmen uit. „Wéér een eilandje!”

„Dat kan”, zei Rolf. „Straat Soenda ligt vol eilandjes! Daar landen we, jongens! We hebben haast geen drinken meer aan boord!”

Als ze nu maar konden landen, daar ging het om. Voorloopig moesten ze nog een paar uur wachten vóór ze er waren, en allengs ging er een gloeiende hitte boven het water hangen. De jongens hokten steeds dichter bij de mast, naarmate de schaduw van het zeil kromp. Joppie schikte telkens mee. Om de beurt namen ze de plaats bij het roer in.

„Kom, zullen we eens wat gaan bikken?” vroeg Harmen, toen de zon zoowat op haar hoogst stond, en de jongens op een rijtje onder den boom gehurkt zaten.

„Ik niet!” riep amechtig Padde, die de beurt bij het roer had.

„Je hebt je buik zeker nog vol van vanmorgen”, zei Harmen.

„Schei uit!” verzocht Padde. „Ik stik zoowat.”

Harmen begon te grinniken. Maar in eens viel hij uit: „Haal dat roer dan toch om, sufferd! Waar koers je heen?!”

„Ik kan niets zien”, klaagde Padde. „Alles is zoo scherp voor mijn oogen!”

„Nou, kras dan maar op”, zei Harmen. „Ik zal het roer wel weer nemen! Anders varen we nog naar ’t land van de Chineezen”.

Maar spoedig hield ook hij het niet meer uit. „’k Word zoo flauw als kinderpap!” mopperde hij. „’k Zou wel onder het vlot willen kruipen, daar is het lekker koel.”

„Ben je die haai van daar straks vergeten?” vroeg Rolf.

„Die is naar Harremen niks nieuwsgierig meer”, verzekerde Harmen. Maar hij bleef toch maar zitten.

De wind bleef uit het Zuiden waaien, blies nu een zengende, van hitte sidderende lucht voor zich uit, die de kelen schroeide.

Harmen hield het aan het roer niet meer uit, en Hajo verving hem. Onze koksmaat kroop in de schaduw, kapte een jonge kokosnoot open. Met gulzige haast bracht hij de vrucht aan zijn lippen en liet het vocht in zijn keelgat borrelen.

In den namiddag, na elkaar om de beurt aan het roer te hebben afgelost, kwamen de jongens bij het eiland. Voorloopig was er van landen echter geen sprake: een hooge rotswand viel steil in de branding neer. De jongens besloten rechts om te zwenken,—daar scheen de kust beter te zullen worden.

Hajo gooide het roer om en trok den schoot aan. Gelukkig,—aan deze zijde nam de rotswand spoedig af; er volgde een smalle strandvlakte met bosch, en plots een smalle kreek, waarvoor nagenoeg geen branding stond, zoodat ze gerust konden binnenvaren.

Maar nu..... bij het naderen van de kreek..... wat schoof daar, ver aan den gezichtseinder, vaag en grijs achter de boomen te voorschijn.....?!

„Java!!” schreeuwde Harmen.

„Hoe weet je dat?!”

„Zal ik niet zien!” De vreugdetranen braken door Harmen’s stem. „Die twee bergen, met dat gat links ervan, dat is Java! ’k Heb het toch op m’n vorige reis gezien?!”

„Wat zullen we doen?!” vroeg Hajo, naar adem happend.

Harmen sprong op het roer af, wilde het omrukken.

Rolf voorkwam hem. „Harmen, we moeten éérst de kreek in!”

„Laat je dat roer los?!” bulderde Harmen.

„Luister dan toch!” viel Rolf driftig uit. „Al is dat dan ook Java, daarom zijn we nog niet bij de anderen! We moeten morgen te drinken hebben! Alle jonge noten zijn op.”

„Maar morgenochtend zijn we immers aan de andere kust!” schreeuwde Harmen.

„Rolf heeft gelijk, Harmen”, zei Hajo. „Hier kunnen we landen; daarginds ligt de kust misschien vol rotsen.”

„Ja, laten we eerst aan land gaan, Harmen”, viel Padde zijn vriend Hajo bij.

„Als Joppie nou óók nog gaat janken, zijn we klaar!” schimpte Harmen bitter.

En zie: op het hooren van zijn naam, sperde Joppie zijn liefelijk keelgat open en gaf luide zijn bijval te kennen. Vlak er op kreeg hij er spijt van, ging met een blik vol wantrouwen zoo ver mogelijk van Harmen zitten.—Intusschen was het vlot, na even gedanst te hebben, de kreek binnengegleden. Ze bleek een broedplaats voor meeuwen te zijn en was omzoomd door kokosboomen.

„Kom, Harmen, zit niet meer te brommen!” zei Rolf. „Vanavond varen we al weer uit!”

„Ik heb geen haast!” snauwde Harmen. „Ik wou immers eerst niet eens mee naar Bantem?”

De jongens trokken het vlot half op het strand, waarbij de meeuwen hun tsjiepend om de ooren vlogen. Er waren groote zilvermeeuwen, zwartkopjes, kleine grijsjes, sterntjes, stormvogels.....

„Wedden, dat ik eieren vind?” vroeg Harmen vertrouwelijk aan Hajo, terwijl hij Rolf den rug hield toegekeerd.

„Wilde je geen brandhout hebben?” vroeg Rolf, vriendelijk als altijd.

„Eieren wil ik zoeken!” schreeuwde Harmen.

„Nu, als je ze dan maar niet weer in je mond bewaart”, zei Rolf.

Om dit antwoord moest Padde zoo verbazend grinniken, dat hij ervan dubbel dreigde te slaan. „Ja, ’k heb het van Hajo gehoord!” proestte hij. „Dat was ook niet snugger van je, zeg?” En Padde wrong zich, de handen om z’n rond buikje, in allerlei bochten, om zijn vroolijkheid kwijt te raken. „H-h-hij heeft de eieren in zijn m-m-mond gestopt!” gierde Padde. „En toen knapte de tak! En toen.....” Padde liet zich neerploffen en wentelde zich door het zand, „hi-hi-hi-hi, toen zijn de eieren..... hi-hi-hi-hi-hi!” Hij weerde met de hand Joppie af, die keffend om hem heensprong. „Toen zijn de eieren..... hi-hi-hi-hi-hi-hi!”

„Vooruit!” zei Harmen half lachend, half ongeduldig. „Moet ik je kietelen?”

„Hoe-oe-oe! Kietelen!” gilde Padde ontzet en vluchtte met groote sprongen voor Harmen uit. Joppie sprong hem keffend om de beenen, zoodat Padde dwars over hem heen in het zand sloeg en Harmen weer over hem heen buitelde.

„Kom, jongens!” lachte Rolf. „Laten we nu vlug wat noten gaan plukken!”

Harmen sprong overeind, pletste met de handen op zijn zitvlak en schoot een kokosboom in. „Reuze-noten, jongens! Hou je kop er maar eens onder, Padde!”—En toen Padde er geen lust in toonde: „Joppie! Joppie! Kom er eens bij Harremen?” Jankend van vreugdevolle opwinding, sprong Joppie om den stam. Maar toen „Harremen” met noten begon te kegelen, droop Joppie af, den staart tusschen de pooten.

Hajo en Rolf zaten al in een anderen boom, en Padde maakte zich verdienstelijk door de geplukte noten over het strand naar het vlot te kegelen. Dat vond Joppie aardig: hij vloog holderdebolder achter de rollende noten aan, trachtte ze vergeefs in den bek te nemen.

De jongens plukten niets dan jonge noten; oude hadden ze nog genoeg; het was hun om de melk te doen. Toen ze er naar hun zin genoeg hadden, werd er brandhout gehakt.

Rolf had ook een aantal zware palmbladeren afgekapt en sleepte ze naar het vlot. „Daar vlechten we een zonnetent uit, jongens!”

„Ziezoo, nou kunnen we dan toch gaan!” meende Harmen.

En zoo staken ze weer in zee, door een dichten zwerm meeuwen gevolgd, die eerst terugkeerde, toen de schemering inviel.....

„Wie zal vannacht waken?” vroeg Rolf.

„Ikke”, zei Harmen.

„Of ik!” stelde Hajo voor. „Ik heb nog niet eenmaal gewaakt.”

„Ik krijg maf!” merkte Padde op en geeuwde allerverschrikkelijkst.

„Weet je wat”, zei Rolf. „We waken om de beurt. Eerst Harmen, dan ik en dan Hajo.”

„Nou, als er gewaakt moet worden.....” begon Padde aarzelend.

„Help jij maar maffen”, zei Harmen, „dat doe je beter.”

De avond was zeldzaam mooi. Toen de zon bloedrood in zee was weggezonken, kwamen uit het Oosten de nachtnevelen aandrijven en omsluierden het gebergte.

„Zoometeen zie je er niks meer van!” pruttelde Harmen. „Dan moeten we weer op de sterren koers houden!”

Maar dat was niet noodig: toen de sterretjes ontstoken waren en te tintelen begonnen, vluchtten de nevelen weer, en donker lagen de bergen aan den Oostelijken gezichtseinder.

Java.....! Java.....!!

HET EERSTE WEERZIEN

Wie er den volgenden morgen het hoogst sprong van plezier? Daar, vlakbij, lag de kust! Java’s lachende, zonnige kust! De jongens keken er naar, als betooverd. Dit, dit was nu Java, waarvan ze zooveel wonderen gehoord hadden. Op dit groote, mooie eiland woonden de vorsten, die onder gouden zonneschermen wandelden in hun lusthoven, door breede lanen vol bloemengeur. Hun kleederen waren zwaar van edelsteenen; zij droegen vlammende krissen met kostbare heften en..... Wat had Vader Langjas hun onderweg nog niet alles verteld!

De zon school nog achter de bergen, en de rotsen, die aan zee grensden, en de zee zelf en de groene bosschen achter de rotsen stonden te schemeren in een fijn, blauwgrijs waas. Hoe stil was het op het water, hoe mild was de lucht. Dat zoete ruischen tegen de rotsen klonk zoo feestelijk.....

Zie! daar gluurde de zon boven de bergen uit; ineens schoten er allerlei grillige, goudgekartelde vormen in de rotsen aan de kust, en een blauwe schaduw sloeg in zee neer. Nu spiedde de zon nieuwsgierig de berghelling af; eenzame boompjes richtten zich fier op,—trotsch, dat ze een schaduw hadden, tien maal langer dan zij zelf.

„’k Wou, dat ik wat versche visch had, om te braden!” zuchtte Harmen.

„Ik kon wel eens inleggen”, zei Padde. „Gaan we niet aan land?”

Rolf schudde het hoofd. „We varen de kust af, tot we op de Hollandsche schepen stuiten.”

Padde wierp zijn hengel uit en ging zitten koekeloeren in het heldere water. „Kijk, daar zit een klein mormel om m’n haak te draaien”, zei Padde. „Afblijven, beestje, ’k moet jou niet hebben.” Padde trok den haak weg en gooide iets verderop weer in. Maar het „mormel” zat er al weer bij, en toen Padde even later grimmig naar den anderen kant van het vlot ging, volgde het hem ook daarheen. „Nou, als je dan zóó graag opgehaald wilt worden.....!” zei Padde nijdig en sloeg op. Het vischje was twee duim lang.

„Geef hier!” zei Harmen. „’t Is beter als niets.”

„Afblijven!” gebood Padde. „Ik heb hem gevangen om er weer mee te gaan visschen.”

Maar Harmen griste het diertje weg. „Eerst zal ik hem braden en opeten. Dan mag je er mee doen wat je wilt.”

Rolf en Hajo hadden wat gegeten en begonnen met hun zonnetent, maakten eerst een dun geraamte van bamboe.

„Laat je wat bladeren voor een nieuw rokje over?” vroeg Harmen. „Met dat, wat ik nou aan heb, durf ik geen mensch meer onder de oogen te komen. Jij mag ook noodig wat nieuws hebben, Padde!”

„Ja, ’k loop voor schandaal”, gaf Padde toe. „Kom, ik zal meteen maar beginnen!” Padde sprong overeind, legde z’n hengel neer. „Ik vang hier toch niets.”

En even later zaten de jongens zwijgend bijeen en werkten.

Harmen, den roerstok in den arm gekneld, vlocht daarbij ijverig en hield toch koers. Zoo volgden de knapen op vrij grooten afstand de kust, die naar het Oosten afboog.

„Een prauw!” riep Hajo eensklaps uit. „Daar komt een prauw aan!”

Ja! Bij het ombuigen van een in zee uitloopende rots, was een zeil opgedoken. Het was een groote prauw, en er zaten vijf Inlanders in.

„Ze komen nu recht naar ons toe!” zei Rolf.

„Laat ze maar komen!” zei Harmen driftig. „Wij zijn ook met z’n vijven! Nietwaar, Joppie?”

„Wouw!” gilde Joppie opgewonden.

„Misschien is het alleen maar nieuwsgierigheid”, meende Rolf.

„Valt er wat aan ons te zien?” vroeg Harmen. „Hier, Hajo, neem een speer. En jij ook, Rolf!”

„En ikke?” vroeg Padde bevend, met schorre stem.

„Jij doet maar krek, of je d’r niet bij hoort”, raadde Harmen.

Opgewonden wachtten de jongens de prauw af, bereid hun leven, zoo noodig, duur te verkoopen. Maar toen het vaartuigje naderde en de jongens de stomverbaasde, argelooze gelaatstrekken der Inlanders zagen, lieten ze de wapens zinken.

„Tabeh!” riep Harmen.

Een gemurmel steeg uit de prauw op. De Inlanders reefden het zeil, stuurden langs zij van het vlot, klemden er zich met de handen aan vast.

„Is dit Java?” vroeg Rolf en wees naar de kust.

De Inlanders knikten, keken nog verbaasd van den een naar den ander.

„En zijn hier ook ergens Hollandsche schepen?”

De bruintjes wezen naar het Oosten.

Rolf haalde diep adem. „Lagi djahoe?—Nog ver hier vandaan?”

Ontkennend hoofdschudden.

„Kunnen..... kunnen we er vandaag nog komen?”

„Bissa, toean..... zeker, heer.”

„Wat zeit ie?” vroeg Harmen.

Rolf zaten de vreugdetranen in de keel. „Dat we..... we vandaag nog bij de schepen komen!”

Eerst keken de anderen hem aan, alsof ze hem niet begrepen. Toen steeg uit Harmen’s keel een schorre snik. „Tabeh!” schreeuwde hij, trapte de prauw van het vlot los en voerde een dollen rondedans uit, wijd uitzwaaiend zijn bloote beenen. En dikke tranen rolden hem over de wangen. „Hè, Padde, lollig varken?”

Padde kreeg een grinnikbui, waarin hij bijkans stikte. „Harmen! Weet je wat jij bent? Oók een lollig varken!” En de beide jongens vielen elkaar in de armen, sloegen van de pret op het dek en buitelden gillend over elkaar heen, tegen den mast aan, die ervan kraakte. Ook Joppie leek wel dol geworden; hij sprong keffend om de jongens heen en begon Padde aan zijn schortje te trekken,—tot hij ten slotte met zijn buit achterover in het water plonsde. Rolf hielp hem weer op het dek. Nu ging Joppie op zijn achterste zitten en gilde met open bek, den kop omhoog, zijn opwinding uit.

De Inlanders keken met wijd opengesperde oogen naar het gebeuren daar op het vlot. „Mabok..... dronken!” stelden ze vast.

Maar Harmen stond alweer nuchter op z’n beenen, rukte het roer om, haalde den schoot aan. „’k Wou, dat ik vliegen kon!” zei hij, nog hijgend. „Rolf, ik ben smoor van je!”

Rolf kon zijn lachen niet weerhouden. „Als ze nou maar de waarheid hebben gesproken!”

„Jongens!” schreeuwde Harmen. „Leve Rolf! Leve de pennelikker!—’k Zou je wel kunnen uitwringen van lol!—Hè, Joppie? Ouwe, uitgebakken Chinees? Hou je snoet nou dicht, kammelejon!” En Harmen begon mee te gillen: „Hauw! Au.....au.....auw! Oeh..... oeh..... wauw!”

De anderen vielen om van plezier, en Padde stemde met Harmen in. Toen werd het Joppie te kras; hij staakte zijn gejeremieer en keek verbaasd en gevleid naar de twee jongens, die nog met het hoofd in den nek als onvervalschte kamponggladakkers zaten te jammeren. Van louter schik gaf Harmen Padde een geweldigen mep in het gezicht; Padde had een fermen bloedneus, en Joppie was er ijlings bij om hem de wangen schoon te likken. Met krachtloos geworden arm weerde Padde hem af.

„Kom, jongens, nu het hoofd weer bij mekaar!” zei Rolf. „Ik zie nog niets van die schepen, en we hebben nog een snikheete dag voor ons. Als we over een uur de tent niet klaar hebben, zitten we in het barre zonnetje, en daar heb ik weinig trek in.”

Padde hield het hoofd achterover om zijn bloedneus te stelpen.

„Wil ik je nòg een mep geven, om het gat weer dicht te slaan?” vroeg Harmen.

„Heb het hart er eens toe?” vroeg Padde. „Dan ga ik straks naar de bootsman!”

„Daar zul je geen plezier van beleven, leelijke klikspaan!” schold Harmen.

Toen begonnen ze allen te lachen. Hè, zooveel geluk in eens was niet te omvatten!

Een half uur later hadden ze een „zonnetent” van twee el in het vierkant. Ze zetten de mat op vier staken neer; zoo konden ze er juist mooi onder zitten.

De middag kwam; de hitte werd haast onverdragelijk. Met trage tanden aten de jongens een vischje. In slapen had niemand behalve Joppie dien middag eenigen lust. Allen tuurden in Oostelijke richting over het water naar den sidderenden horizon.

Harmen en Padde waren met hun schortjes gereed, voelden zich net zoo trotsch, als wanneer ze vroeger een nieuwe broek voor het eerst aanhadden. Dat straks iemand er iets vreemds aan zou kunnen vinden, kwam hun geen van beiden in den zin.—Harmen liet zich bewonderen. „Hè? Dat is andere koek dan dat smerige rokkie van daarstraks! Valt het van achteren ook goed?”

„Puik!” prees Padde. „En bij mij?” Ook Padde draaide zich om.

„Buk je eens wat?” vroeg Harmen.

Padde bukte. Harmen haalde zijn hand naar achteren uit..... pats! Padde vloog door de lucht naar de andere zijde van het vlot. „Hè! M’n hand gloeit ervan!” grinnikte Harmen.

„Lammeling!” schold Padde, overeind krabbelend. Maar meteen lachte hij ook alweer. Wie kon er nog boos worden?

In den namiddag werd het koeler; de lucht betrok. De jongens gingen voor op het vlot zitten. Joppie en Padde hielden de wacht bij het roer.

„Wat zit jij te koekeloeren, Hajo?” vroeg Rolf.

Hajo zat al een minuut lang star voor zich uit te kijken. Hij antwoordde eerst niet en zei toen, moeilijk sprekend: „Ik gelóóf..... dat ik..... een schip zie!”

„Waar?!!”

Met bevende hand wees Hajo naar voren. „Onder die wolk daar, met die spitse top.”

De jongens waren overeind gesprongen, tuurden hijgend in Oostelijke richting. Padde had het roer losgelaten en kwam, struikelend over een rotan, naar voren. Spannend zwijgen.....

Toen stootte Harmen een schreeuw uit. „Ik zie het!!”

De anderen rekten hun halzen.

„Ja!” riep Rolf uit. „Nu zie ik het ook! Jongens!!”

Padde knipte zenuwachtig met zijn oogjes. „Onder die wolk?” vroeg hij. En plots begon hij te schreien en driftig met de voeten te trappelen. „Ik zie niks! Ik zie niks!!”

„Kijk dan uit je doppen!” raadde Harmen.

Padde sloeg zich met de vuisten tegen het gelaat en schreide: „Ik kijk uit m’n doppen! Maar ik heb zulke..... zulke rot-oogen!”—En Padde’s lichaam trilde even van smart.

„Wacht maar, Padde”, troostte Rolf. „Zoometeen zie jij het ook en je moet maar denken: we komen er allemaal tegelijk aan!”—En ook Hajo had medelijden met Padde. „Hè, Padde?” vroeg hij. „Als we straks samen weer aan boord klauteren?”