De Scheepsjongens van Bontekoe

Part 34

Chapter 344,158 wordsPublic domain

Het vlot rees merkbaar, toen er nog weer een stuk of tien lange, zware bamboes onder waren geschoven. De jongens snoerden er rotankoorden omheen, rukten ze danig vast,—dat werkje hadden ze aan boord van de Nieuw-Hoorn geleerd.

Ten slotte was het vlot wel een voet boven het wateroppervlak gestegen.

„Nu is het voldoende”, meende Rolf. „Als we storm krijgen, worden we er tòch afgeslagen, en het vlot is sterk genoeg om een stevig golfje te verdragen. Laten we eens kijken hoe we de mast in het dek woelen. ’t Lijkt me het beste, hem beneden in een lus te wringen, die we naar vier zijden vast slaan. Maar dat doen we beter op zee! We zullen hem nu maar op het vlot binden en wachten, of Harmen werkelijk slaagt met z’n zeiltje”.

„’k Ben er niets bang voor”, zei Hajo. „Maar als hij het heele dorp er bij op de hielen heeft, zou het me ook niets verwonderen!”

„In elk geval zouden we nu dadelijk kunnen vluchten”, meende Rolf. „Ga je mee aan land? Padde slaapt,—hoor je hem snurken?”

Harmen volgde het pad langs den oever. Hij bevond zich aan den kant van het dorp, hoefde dus gelukkig niet over te zwemmen. Toen hij de vroegere ligplaats van het vlot voorbij was, moest hij zich een weg door het geboomte banen,—in den zwarten nacht een griezelig werkje, waarbij Harmen’s bloed sneller klopte en het klamme zweet hem op de polsen stond.

Eindelijk kwam hij bij een weggetje, volgde het, en een half uurtje later zag hij tusschen de boomen het dorp. Aan den oever lagen prauwen, wel twintig bij mekaar, de zeilen om den mast gesjord. Hoe te naderen? Alles was haast open terrein: de kampong lag dicht aan den oever.

Harmen keek eens naar de lucht. Die was donker, maar tusschen de wolken waren lichte plekken waar de maan telkens doorscheen. Daar,—nu was het weer even licht! Wacht, zoometeen zou die zware wolk voorbij drijven; daar zou Harmen partij van trekken. En toen de wolk, waar Harmen op oogde, voor de maan schoof, kroop Harmen vlug als een rat naar de naastbijzijnde prauw.

Hijgend bleef hij zitten. Ziezoo: hier achter dat „sloepie” was hij veilig!

Welk zeil zou hij nemen? Daarginds lag er een los; die was makkelijk te kapen. Vlug sloop hij er heen, trok het zeil naar zich toe, neusde het af. „Hm!” knorde Harmen. „Berentsz. moest het niet in z’n vingers krijgen. Afijn, we zullen het er maar mee doen.” En Harmen wilde zich met zijn buit uit de voeten maken.—Verdikke! Daar kwam zoo’n sloeber aanzetten! Wat kwam ie doen? Hij had een mes in z’n gordel zitten. Harremen ook.

De Inlander, die naderde, een lantaren in de hand, kwam recht op Harmen af. Maar dichterbij gekomen, boog hij iets naar rechts af, zoodat Harmen kon blijven zitten. Glurend langs den mast van het vaartuigje, waarachter hij zich verborgen hield, zag onze vriend, dat de Inlander aan een der prauwtjes wat morrelde en zijn lantaren op den grond zette.

„Van die lantaren ben ik niet vies”, bekende Harmen zichzelf. „Die kunnen we gebruiken! Weet je wat Harremen doet? Hij kruipt er naar toe, blaast ’t licht uit, en is er meteen van tusschen. Met ’n zeil en ’n lantaren!”—En terwijl de Inlander, die ter vischvangst scheen te willen gaan, den mast opzette en zijn net nazag, sloop Harmen naar de lantaren. Hè, daar was die lamme maan weer! Even wachten maar. Dat die nou ook juist moest gaan schijnen, als Harmen..... kwam er nou nooit een wolk voor? Ah! Eindelijk!

Harmen sloop nader tot hij bij de lantaren was, en toen de Inlander zich afwendde, blies Harmen ze uit. Maar als de drommel trok hij zijn hoofd weer terug: de Inlander had gemerkt, dat de lantaren was uitgegaan, bukte zich en hief ze grommend op. Toen hoorde Harmen, die geheel in de schaduw teruggekropen was, vuur slaan en zag het lichtschijnsel van de lantaren weer. Harmen deed zichzelf bittere verwijten, dat hij niet ineens met de lantaren was weggehold vóór de Inlander zich weer had omgewend. „Nou, ergens is het goed voor geweest”, troostte Harmen zichzelf, „ik weet nu, dat ie een tondeldoos heeft, die kan Harremen óók gebruiken. Weet je wat? Ik gooi m’n zeiltje over hem heen,—dan heb ik hem!” En met meer haast dan voorzichtigheid sloop Harmen naar z’n zeiltje.

De Inlander hief het hoofd op, luisterde even, nam zijn lantaren en liep op het geruisch af, dat hij vernomen had. Floep! Harmen zat onder z’n zeil weggescholen. De Inlander zag hem niet, keerde weer terug, zette de lantaren op den voorsteven van zijn prauwtje en begon het lichte vaartuigje in het water te duwen.

„Wacht, daar zal ik je bij helpen!” fluisterde Harmen. Hij richtte zich op en sloop, het zeil voor zich uithoudend, geruischloos achter den Maleier aan, die uit alle macht duwde en niets merkte van het dreigend spook, dat in den duisteren nacht achter hem stond.

De voorsteven van het prauwtje schoof het water in. Nu ging het duwen sneller: de Inlander schoot plots vooruit. En in dezelfde seconde wierp Harmen zich als een groote vleermuis op zijn rug, zoodat de prauw van den wal werd gestooten en de Maleier voorover in het water sloeg, Harmen bovenop hem. „Dat moest ik hebben!” hijgde Harmen. „Onder water kan ie niet schreeuwen.”

Wip! Harmen zwaaide zich om, drukte, zelf half in het water zittend, de knieën forsch op de naar voren uitgestrekte armen van zijn slachtoffer. Zijn eerste werk was, den man het mes uit den gordel te rukken en het op het zand te werpen. Toen zwaaide hij zich weer om, trok het zeil als een zak om ’s mans hoofd, werkte toen diens handen op den rug, omknelde ze met ijzeren greep, duwde zijn rechtervuist in den mond van den overvallene om hem het schreeuwen te beletten—en liet toen zijn gevangene opstaan, waarvan de man een dankbaar gebruik maakte.

Toen, op het strand, ontstond een nieuwe worsteling, waarbij Harmen het niet gemakkelijk had, daar hij den man niet alleen in bedwang moest houden, maar hem bovendien het schreeuwen moest beletten. Het zag er een oogenblik leelijk voor onzen vriend uit: de Inlander beet hem als een razend dier in de hand, dat Harmen zelf wel schreeuwen kon van pijn. Verduiveld, zou een Hollandsche janmaat zich door zoo’n nikker.....?! In stomme woede drukte Harmen den Maleier achterover, bevrijdde zijn hand door den man met de andere vuist een paar geduchte slagen toe te dienen. Daarop stopte hij hem een groote prop zeildoek in den mond. „Daar lig je nou!” zei Harmen bitter en zijn bloedenden pols aflikkend. „Bijten, hè, dat kun je? ’k Had je daarnet onder het water moeten houden, dan had je zoo’n praats niet gehad!”

Harmen trok zijn slachtoffer naar een prauw, snoerde hem met een touw, dat in het bootje lag, polsen en enkels vast, zoodat de Inlander zich niet van de prop bevrijden kon. Toen rolde hij hem geheel in de schaduw van een prauw en raapte ’s mans mes op.

„Ze hebben niks gemerkt”, stelde Harmen vast. „Nou wou ik maar, dat de slaapkop zijn bootje niet zoover had weggeduwd.—Wacht! daar ligt het ommers!” Het prauwtje was een eindje verder weer aan den kant gestooten. De Maleier worstelde nog om los te komen, trachtte te schreeuwen.

„Stil maar, ik weet wel wat je zeggen wil”, troostte Harmen, sloop op handen en voeten naar de prauw met de lantaren op den steven, kroop er in, stootte van den wal en wierp het zeil uit. „Nou! Nou vaar ik als een radjah!” Harmen grinnikte, keek met welbehagen naar den vroolijken lichtschijn van de lantaren, voorop. „Ze zullen opkijken!”

Een briesje deed het zeil bollen, en licht en bevallig gleed het vaartuigje, gestuurd door Harmens vaardige hand, over het water.

Een half uur later zwenkte Harmen de kreek binnen, meerde zijn prauw, sprong aan den wal. „Sta op, jongens!”

„Harmen....?! Volgen ze je?”

„Niet dat ik weet. Maar we doen toch goed, onze biezen te pakken. ’k Heb een heele prauw gekaapt!”

„Een prauw? Doen we dan niet beter, met die prauw in zee te gaan?” vroeg Padde.

„Ja, goeie morrege!” zei Harmen verachtelijk. „Eén golf, en de heele boel slaat om!”

„Ja, ik geloof ook, dat het vlot wèl zoo stevig ligt!” meende Rolf. „En we moeten ook niet meer stelen dan noodig is. Kom mee, jongens, aan ’t werk!”

Het zeil werd losgemaakt en op het vlot gegooid. Drinkwater was al aan boord; de kokosnoten, de wapens, het vischtuig en de halfgedroogde visch volgden. En gezamelijk duwden de jongens van wal.

Ineens stokte Harmen, keek verschrikt naar den oever. „M’n zethaakjes, jongens!” stamelde hij. En uit alle macht werkte hij het vlot weer terug.

„Maak dan voort!”

Die raad was overbodig; Harmen holde met groote sprongen naar de plaats waar hij de zethaken had uitgelegd. „’k Heb er al een!” gilde Harmen. „Gommenikkie, wat een vet mormel! Kijk hem eens kronkelen! En hier! Zit er ook een an! En aan m’n derde haak..... zit er ook een!! Jongens, we blijven hier nog tot morgenvroeg! Eerder zoeken ze ons toch niet! En dan heb ik er nog drie bij! Ik hou zoo razend van paling!”

„Kom je, of kom je niet?”

„Neen! Ik kom niet!”

„Stoot af, Hajo”, beval Rolf. En zelf gaf hij het vlot een fermen zet.

„Wacht!” schreeuwde Harmen, kwam toesnellen en belandde met een geweldigen sprong aan boord. En tegen Rolf voer hij uit: „Je weet, dat je in Bantem nog een pak slaag bij me te goed hebt, niet waar?”

„Wie breng je mee?” vroeg Rolf.

„Mezelf!” zei Harmen. Nijdig pakte hij een boom op en werkte mee om het vlot naar het midden van de rivier te krijgen.

De maan brak weer door. Zachtkens gleed het vlot voort. En zoo kwam het op de plaats waar de boomen aan den oever zich openvouwden en aan beide zijden het zeestrand blonk.

„Jongens, nu de branding door! Padde, ga op het zeil zitten en hou Joppie vast. Harmen, zorg jij voor de waterkokers en de rest, dan zullen Hajo en ik.....”

Het vlot werd hoog opgetild, smakte neer, dompelend in het schuim; een andere zeeduivel zette er zijn rug onder; de bamboes kraakten; het water vloog over de hoofden der jongens. Maar ze hielden zich schrap; Rolf en Hajo duwden uit alle macht af in den ondiepen bodem, en plots schoot het vlot smeuïg de branding weer uit, lag stil op de kalme deining.

„Een beste kast!” prees Harmen. „Zullen we hem doopen?”

„Hij is al gedoopt!” lachte Rolf.

„Maar een naam moet hij toch hebben”, meende Hajo. „Dolimah is een mooie naam!”

De jongens knikten zwijgend. Dolimah.....! Ze keken om naar het land, dat ze nu gingen verlaten. Het strand, de bosschen, de bergen in de verte, alles baadde in het maanlicht.

En nu de jongens die groene bosschen, die bergen vaarwel zeiden, voelden ze, dat ze daarmee ook voorgoed Dolimah verlieten, en het was hun of er een stuk van hen werd afgerukt. In hun verbeelding zagen ze Dolimah met Saleiman haar dorpje weer zoeken; Saleiman geheimzinnig bespelend zijn betooverde bamboefluit; Dolimah zwijgend, angstig denkend aan wat haar thuis wachtte. En tusschen de struiken gluurde het kantjil met zijn vreesachtige oogen, de olifant, het stekelvarken, booze en goede geesten. En allen lieten haar eerbiedig voorbijgaan, alsof een prinsesje passeerde.....

Een prinsesje, dat was Dolimah voor hen geweest. Een beschermheilige en een kleine, wakkere raadgeefster.

Het vlot was Dolimah gedoopt. Zou het hen dan niet veilig naar Bantem brengen? Waterduivels, booze stormgeesten, weet het allen: dit vlot is de Dolimah!

Zachtkens dansend op de stille golven, dreef de Dolimah voort in de zilveren oneindigheid van maan, sterren, wolken, zee en hemel.

IN VOLLE ZEE

„Nu, jongens, nu het zeil opgezet!” riep Rolf. Samen met Hajo begon hij aan alle vier zijden van het vlot een rotankoord te binden.

„Ik snap al wat jullie willen”, zei Harmen. „Nou zeker onder in de mast een paar gaatjes, en daar de rotan doorhalen? Ik zal de gaatjes wel even kappen!”

„Denk er om, dat je ze niet te groot maakt!”

„Laat dat maar aan Harremen over”, knorde onze vriend. „Hier, Padde, pas jij op de palingen, en laat ze niet glippen, want dan draai ik je nek om.” Harmen reikte Padde zijn drie troeteldieren, die nog aan de snoeren van de zethaken waren samengebonden, en begon den mast gereed te maken. „Weet je wat ik wou?” vroeg hij. „Dat we een katrolletje hadden, dan konden we reven en hijschen.—Wacht, ik weet al wat: ik kap boven in de mast nog een gaatje, dan halen we daar een rotansnoertje door, en aan die rotan knoopen we de gaffel! Nietwaar?”

„Als je maar zorgt dat de gaffel vrij draaien kan.”

„Dat snapt een kind”, zei Harmen.

Zoo kwam de mast te staan. Het „loopende touwwerk” liep gesmeerd, als je er een beetje goed aan trok, en de mast stond werkelijk vrij stevig.

„Nou, zullen we de lantaren nou ook nog hijschen?” vroeg Harmen.

„Om er een prauw met Inlanders mee te lokken?”

„Ik begrijp niet waarom die Maleiers allemaal zoo woest op ons zijn!” zuchtte Harmen. En geeuwend voegde hij er aan toe: „’k Heb maf!”

„Dan ga je maar slapen”, raadde Rolf aan.

„Moet er dan niet een opblijven?”

„Dat zal ik zijn.”

„Waarom jij?”

„Omdat jullie niets van sterren af weten.”

„Jij wel?”

„Ik wel.”

„Welke koers vaar je?” gromde Harmen.

„Noord-Oost.”

„Waarom Noord-Oost?”

„Omdat daar Bantem ligt.”

„Hoe weet je dat?”

„Ga nou maar slapen”, zei Rolf, „want je verveelt me.”

Harmen smakte zich neer en snurkte.

„Zullen we de waterkokers nog even tegen de mast binden?” vroeg Hajo.

Rolf sprong op, en samen bonden de jongens ze vast. De boom was gelukkig hoog genoeg, dat hij vrij zwaaien kon. „Ziezoo”, zei Rolf. „Ga jullie nou maar slapen!”

„Wek je me als het licht wordt?” vroeg Hajo. „Dan neem ik het stuur van je over.”

„Ik zal het doen.”—En terwijl de anderen zich op het dek legden, bleef Rolf zwijgend zitten en waakte, den schoot van het zeil in de eene hand en in de andere het roer, dat dank zij zijn lengte beter voldeed dan men zoo denken zou. De jongen droeg er zorg voor, het Zuiderkruis recht aan stuurboord te houden. Hoe langer je er naar keek, hoe wonderlijker en hoe diepzinniger het scheen. Er woei landwind, juist genoeg om het zeil te doen bollen.

Mijmerend tuurde Rolf voor zich uit. Binnen weinige minuten was hij de eenige, die waakte.....

De anderen keken elkaar verrast aan, toen ze den volgenden morgen de oogen opsloegen en rondom niets dan zee zagen, behalve dan, nu al ver in het Westen, de blauwe bergketens van Sumatra. Stil genietend, lieten ze den frisschen zeewind om hun hoofden waaien.

„Ben je moe, Rolf?”

„Nou, ik wil wel wat slapen. Hou maar Oost, of Noord-Oost; het komt er niet zoo op aan.”

„Wil je niet eerst nog wat bikken vóór je gaat maffen?” vroeg Harmen, die zijn veete vergat nu Rolf den geheelen nacht voor hen gewaakt had.

„’k Heb al een vischje gegeten”, zei Rolf. „Ik ga nu eerst maar wat slapen.” Hij vleide zich op het dek neer en sliep haast oogenblikkelijk in.

„Ik zorg voor de bikkerij!” zei Harmen, kapte een paar kokosnoten open en reikte de stukken rond. „Ziezoo! Als jij aan die kant een paaltje in het dek wringt, Padde, doe ik ’t aan deze kant, en dan hangen we de visch weer keurig te drogen!”

Zoo gebeurde het. Een kwartier later hing op het „voorschip” het heele partijtje visch in den wind te schommelen. „Jongens, ’t zal warm worden vandaag!” meende Harmen. „We gaan zoometeen achterscheeps zitten, daar hebben we schaduw van het zeil.”

„Ja, ik stuur voorloopig maar pal in de zon!” lachte Hajo.

„Stuur maar raak”, zei Harmen. „We komen d’r wel. Zou er nog wat hout zijn voor m’n vuurtje? Om alles hebben we gedacht, alleen niet om hout voor het vuur! Wacht, ik kan ook wel wat kokosbast nemen!”—Een kwartier later vlamde, dank zij de tondeldoos, een ferm vuurtje op. „Nou, waar zijn m’n palingen nou?”

„In ’t water”, zei Padde.

Harmen verbleekte.

„Vastgebonden!” lichtte Padde haastig toe. „Ze zitten nog aan de haakjes, voor aan het vlot.”

Harmen sprong toe, haalde met een zucht de palingen binnen. „Ze konden twintigmaal gekaapt zijn! Waarom heb je ze niet in het drinkwater bewaard!”

„Nog al lekker!” Padde trok zijn neus op.

Harmen was grenzeloos verbaasd. „Maar, akelige buikspreker, uit datzelfde water heb ik ze toch immers gevangen!” En Harmen gooide twee der palingen in de kokers met drinkwater. „Zoo, deze eene zullen we maar in de maag laten verhuizen! Hou jij hem eens vast, Padde, dan zal ik hem stroopen. Kijk hem nou eens kronkelen! Ik ken geen beest, dat zoo de smoor gezien heeft aan doodgaan, als een paling. ’t Is een vette, jongens!”—En weemoedig liet Harmen er op volgen: „Zoo’n plekkie vind ik in m’n leven niet meer! Als ik in Hoorn zoo’n plekkie wist, ging ik nooit meer varen!”

De paling smaakte heerlijk. „Zouden ze nou zelf weten hoe lekker ze zijn?” vroeg Harmen, zich smakkend de vingers aflikkend.

De jongens zetten zich achter op het vlot neer, in de schaduw van het zeil en tuurden over het diepblauwe water, waarop geen schuimkop glinsterde. „We zitten in een zijstrooming”, zei Harmen. „Dat voel ik aan het schommelen.”

„Dat zal de strooming al zijn van Straat Soenda!”

„Ja, Pollepoenda”, dichtte Harmen.

„Rolf heeft het toch gezegd”, vroeg Hajo, „dat we in Straat Soenda zouden komen?”

„Oh!” zei Harmen. „Als Rolf morgen zegt: Harmen krijgt schubben, dan is het ook zoo! Hij is nooit in dit Chineezenland geweest en toch wil ie alles weten. Luisteren naar ouweren”, Harmen sloeg zich op de borst, „die wèl in Indië zijn geweest,—ho maar! ’k Zal een Arabier worden, als dit Straat Soenda is.”

„Nou, wat is het dan?”

„Lig me niet te vervelen”, zei Harmen. „Kijk daar eens, jongens! Een eilandje!”

Hajo, Padde en Joppie sprongen overeind. Aan den Oostelijken gezichtseinder doken vage omtrekken op. „Wat zullen we doen, Harmen?! Er op aanhouden?”

„Natuurlijk! ’t Ligt trouwens in de koers!”

Zwijgend zagen de jongens toe, hoe allengs de omtrekken minder vaag werden en van blauw in groen overgingen. De oogen deden tenslotte zeer van het staren over het blinkende water.

Tegen den middag waren ze zoo dichtbij gekomen, dat ze duidelijk de boomen onderscheiden konden. De jongens stelden vast, dat het vlot nog vrij veel gang maakte. Nu, alles was ook gunstig: de wind zat vlak in het zeil! Nu en dan piepte de mast, en de rotankoorden, die naar den achtersteven liepen, stonden strak als vioolsnaren.

„We zullen aan land gaan!” zei Harmen. „’k Heb hout noodig voor het vuur.”

„Als we aan land gaan, komen we in gruzelementen op de rotsen terecht”, voorspelde Hajo.

Harmen wilde tegensputteren. Maar hij was zeeman genoeg om in te zien, dat Hajo gelijk had. „Best, je zult je zin hebben!” knorde hij daarom. „Maar als je denkt, dat ik m’n palingen rauw eet, vergis je je! Dan kap ik nog liever een stuk van het vlot af!” Hij loerde in de bamboekokers. „Ze zijn er nog, hoor, m’n palinkies! En fleurig! Terug jij!” Harmen tikte er een op den kop, maakte van zijn handen een bekertje en dronk. „’t Is warm!—Kijk die smerige wolken daar eens!”

Hajo keek om.

In het Westen doken achter de bergen vuilzwarte wolken op, ongevraagde gasten, die norsch en onbeschaamd de blauwe feestzaal daarboven binnentraden.

„’k Zal er eens niezen!” zei Harmen, die met vochtige oogen en ontzaggelijk dom gezicht naar boven keek. „Hatsjie.....!—Daar schrikken ze misschien van, de wolken.”

Maar de wolken schrokken niet. Over het geheele Westen staken ze hun leelijke koppen op, en achter de koppen aan wrongen zich groezelige, wanstaltige lichamen.

Het eilandje, dat de knapen voorbijvoeren, baadde nog in zonnige weelde. Het was heel klein,—kon wellicht in een half uur worden omgeloopen. Hier en daar vielen de grijze, met mos beplekte rotsen steil neer in het nog blauwe water, dat blank opschuimde. Langs de rotsen sprongen kleine apen.

Toen de knapen het eilandje voorbij waren en er nog eens naar omkeken, stond het als een groot en kleurig brok erts te fonkelen tegen den dreigend zwarten hemel daar in het Westen, en de zee achter het eilandje scheen ook al met inkt gedrenkt; er kwamen witte schuimkoppen op, verbaasde zeemonsters, die hun leelijke koppen met de rafelige, kroezende haren uit het water opstaken om eens te zien waar die plotselinge duisternis vandaan kwam.

En zie! een zwarte schaduw gleed over het eilandje, roofde het zijn bonte pracht, en, vóór de jongens het wisten, zaten ze zelf ook al in het donker. Daar in het Oosten vluchtte een groene fonkeling. Het zonnige eilandje lag nu als een sombere, met gruwelijke legenden omsponnen rooversveste in den zilveren krans der branding.

Hoor! daar kwam de wind! Hij rukte aan het zeil, dat de mast er van piepte en het vlot een schok kreeg. Rolf werd wakker, sloeg verbaasd de oogen op.

„Rot-weer”, lichtte Harmen hem in.

„En dat eilandje daar?!”

„Kunnen we niet meer aankomen! We hadden daareven moeten landen, maar Hajo eet de palingen liever rauw dan lekker gepoft!”

„Er was te veel branding”, verklaarde Hajo.

Een nieuwe windvlaag rukte aan den mast, en van achteren sloeg het water op het dek. Nu klotste het onder het vlot.

„Zouden we het zeil niet neerhalen?” vroeg Rolf.

„Ben je gaar?” zei Harmen. „Hij loopt juist lekker. Kijken we eens een zog maken?” En Harmen wreef zich vergenoegd de handen. „Krimmeneel, wat zie jij witjes, Padde! Heb je weer verlet om ’t zeeziekvrije plekkie?”

Op dit oogenblik, nog vóór Padde „knap maar!” had kunnen zeggen, rukte de wind geweldig aan het zeil; de onderschoot glipte Hajo uit de vingers, zoodat de boom met een zwaai naar voren uithaalde, een paar maal heen en weer wrikte; toen sprong een linkerachtertouw los, en de mast sloeg naar rechts over, bleef schuin hangen.

„M’n palingen!” schreeuwde Harmen ontzet.—Deze schrandere dieren hadden zich het schuin vallen van den mast ten nutte gemaakt door uit de kokers te glijden, die mee overhelden. Harmen schoot toe, maar de klappende boom van het zeil sloeg hem tegen de borst, zoodat hij op zijn achterwerk belandde. En toen hij weer overeind was gekrabbeld, zag hij nog juist, hoe de beide palingen, kronkelend over het dek, in het water een goed heenkomen zochten..... en vonden.

De tranen schoten onzen vriend in de oogen. „Daar gáán ze!” jammerde hij. En zich woedend omkeerend: „Wie heeft die achterste rotan zoo allerbelabberdst beroerd vastgeknoopt!”

„’k Heb er een ouwe-wijvenknoop opgedaan.....” stamelde Padde.

„Je bent zelf een oud wijf!” raasde Harmen. „Wat doe jij eigenlijk op een schip!”

„Wie zegt je, dat ik op een schip wou! ’k Zou bij m’n oom in de bierbrouwerij!”

„Kon ik je er maar heenboksen!” schreeuwde Harmen, nog met een spijtige trilling in zijn stem, terwijl Padde weemoedig verzuchtte: „Dan weet je, wat je hebt.....!”

Rolf was opgesprongen, bond het zeil op. Hajo liep naar het voordek, waar de losgeschoten rotan in de lucht slierde, en trok den mast weer overeind. „Ziezoo, deze knoop laat niet meer los!” En hij rukte ook de andere knoopen stevig aan. Het vlot gleed een oogenblik zoo schuin tegen de helling van een golf op, dat ze zich allen aan iets vastklemden om niet weg te glijden. Harmen bond de arme Joppie, die op zijn schrale pooten te bibberen stond en met oogen vol angst rondkeek, aan den mast.

„Toch zit ik liever op dit vlot als met z’n zeventigen in een jol!” zei Harmen. „Als je je maar goed vasthoudt.....”

Meteen wierp Harmen zich schrap op het dek, de beenen uit mekaar, de handen om de dekspijlen. Padde rolde tegen hem aan; Hajo en Rolf sloegen neer en hielden zich aan den mast. Toen kwam het vlot weer zoowat vlak te liggen, en Harmen kon zijn zin voleinden: „..... kan je niks gebeuren!”

Alle vier dropen van het water. Toen ze weer overeind krabbelden, begon het te regenen: een dichte sluier streek over het eilandje achter hen en onttrok het aan het oog, en van alle zijden kwamen regensluiers en vouwden zich boven het vlot ineen. De regen ratelde op het dek, en zoo zwaar drukte hij op het zee-oppervlak, dat het water terstond veel kalmer werd. Waar de spokende duivels hun gladde, bultige ruggen nog toonden, striemde hij ze, dat ze krompen van pijn. De wind worstelde zich nog wat door den regen heen, zeeg toen hijgend, afgemat neer.

De jongens zaten triest bijeen.

„Hoe zullen we nou koers houden?” vroeg Harmen, spijtig, omdat zijn vuurtje al weer uit was. „Je ziet geen zon, geen sterren.....”