De Scheepsjongens van Bontekoe
Part 33
De jongen zou niet méér geschrokken zijn, indien de bliksem naast hem ware ingeslagen. Hij kromp ineen, wendde zich om en staarde wezenloos den blanke tegenover hem in het gelaat. Toen wilde hij het op een loopen zetten, maar Rolf haalde hem met een paar sprongen in en greep hem stevig vast. Boeng beet, schopte en gilde, dat het een aard had. „Diam! Stil!” morde Rolf. „Je ziet wel, dat tegen de blanken geen djimat helpt, al is het ook een oelar belang!”
„Ampoen! Vergeving!” smeekte Boeng.
„Zul je staan blijven en luisteren naar wat ik je zeg?”
„Saja, toean!” beloofde Boeng met bevende lippen.
„Nu, dan.....” Rolf liet hem los, „dan ga je straks naar Bapah Loleh, en je zegt hem dat jullie kampong in gevaar is. Stroomopwaarts zwerft een bende djahats (roovers). Zeg eens na?”
Bevend over al zijn leden, voldeed Boeng aan het verzoek.
„Goed zoo. Zeg aan Bapah Loleh, dat de bende uit tachtig man bestaat en goed bewapend is. Zul je het doen?”
„Saja, toean.....”
„Dan nog iets: is de zee hier ver vandaan?”
„Niet ver, heer.....”
„Hoe ver?”
„Van zonsopgang tot duister, heer.....”
„Zijn er nog meer kampongs aan den stroom?”
„Nog een, heer. Een groote kampong. Dicht aan de zee.”
Op dit oogenblik klonken van den oever de stemmen der andere jongens. En vóór de arme Boeng wist wat er met hem gebeurd was, had Harmen hem een beentje gelicht en de enkels met rotan samengesnoerd. „We nemen hem mee!” zei Harmen. „Als ie in z’n kampong vertelt wat ie gezien heeft, zijn we er bij!”
„Wees niet bang”, zei Rolf. „Ik heb hem wijsgemaakt, dat stroopende benden de kampong willen overvallen. Ze hebben nu wel wat beters te doen dan ons na te zetten.”
Harmen trok grinnikend den knoop weer los. „Ook goed!”
Boeng sprong haastig overeind, keek schuw naar Harmen om en wilde heengaan.
„Wacht nog even, Boeng”, zei Rolf. „Heb je wel eens van Java gehoord? En van Bantem?”
Boeng knikte. „Ze komen van Bantem met koopwaar hier.”
Rolf keek zijn vrienden aan. „Hoor jullie dat?! Jongens, Bantem kan niet ver meer zijn!”
„Nou, vooruit dan maar weer!” zei Harmen met een vreugdetrilling in zijn stem.
En overmoedig sprongen onze vrienden weer aan boord en stootten af. Boeng maakte zich uit de voeten, rende als een haas, wien de honden op de hielen zitten.
De jongens stuurden het vlot naar het midden van den stroom. Naar Bantem! Bantem was niet ver meer!
Het was vrij laat geworden, en bij Harmen deed zich de honger geducht voelen. „Zullen we eens aanleggen?” vroeg hij. „’k Heb zoo’n kriebel in m’n maag.”
„Laten we wachten tot de zon onder is”, zei Rolf.
„Dan ben ik een lijk”, verzekerde Harmen.
„Nu, als we gaan visch bakken, word je wel weer levend!” stelde Rolf hem gerust.
Zoo was het ook. Toen de jongens tegen schemeren het vlot meerden, en een paar visschen zich lustig knappend in de vlammen wentelden, herleefde Harmen uit zijn hongerdood. De jongens smulden aan de heerlijke vischruggen, en Joppie vond de graten nog lekkerder.
Na het eten gingen ze bijeenzitten en staarden in gedachten over het donkere water. Ineens viel er een glans over, doordat de maan zich ontsluierde. Nu was het, alsof de rivier, die daareven roerloos scheen als een vijver, plots te stroomen begon.
Het vlot lag diep weg in een duistere kom; de jongens hadden door een zware loofpoort het uitzicht op de rivier, die nu vloeibaar zilver was. Zou een van hen verbaasd zijn geweest, wanneer ze eensklaps een statig Vikinger-schip met blanke, bolle zeilen en wijd uitwaaienden wimpel voorbij zouden zien drijven achter die donkere poort? Of wanneer uit het zilveren water elfjes zouden opstijgen en hand aan hand rondzwierden in wonderlijken dans? Zie! op een lelieblad zat de kikker-koning toe te zien, een gouden kroon op zijn blinkend groenen kop; zijn geelwitte buik glom van de ridderorden. In het midden van den dansenden kring rees nu de elfenkoningin op, in een van haar tengere, statig geheven handjes een witte lelie, in de andere haar gouden sceptertje en op haar roode haren een fijn gesmeed kroontje vol groene steenen. De elfjes dansten; heur ijle gewaden zwierden omhoog en zonken lichtglanzend, gespreid weer neer, en zóó luchtig drukten de kleine, teere voetjes het watervlak, dat er niet meer dan drie pareltjes opspatten.
Ineens..... uit was het sprookje. De elfjes, de kikkerkoning zijn naar hun vochtig rijk teruggekeerd, Harmen stoot zijn makkers aan: een donker ding in het water koerst recht op het vlot af, waarop de jongens zitten. Drie knobbels steken uit; het zwemmend gevaarte houdt nu en dan stil, zoodat de lijnen, die het door het zilveren oppervlak kerft, voorbij schieten en zich kruisen. Dan komt hij weer nader..... de krokodil! Den adem ingehouden, zien de jongens toe. Geen van hen zegt een woord. Joppie slaapt, geen kwaad vermoedend.
De krokodil, aan het uiteinde van het vlot gekomen, is nu even niet te zien, omdat het bamboezen dek vrij hoog boven het water uitsteekt. De knapen, die in spanning, maar eigenlijk zonder een zweem van angst hebben toegezien, voelen nu eensklaps onrust in zich opkomen. Waar is het beest?!
Onder het vlot?! Ze willen opspringen..... Maar daar schuift aan het andere einde een platte monsterkop met groen-gele oogen en naar alle zijden uitstekende, kromme tanden op het dek. En met de twee voorpooten, die hoog naast den rug uitpuilen, tracht de krokodil zich naar boven te werken.
Met een sprong staan de jongens overeind, willen hun speren grijpen. Maar de krokodil, die op het vlot een rustig ligplaatsje zocht om naar de dansende elfjes uit te kijken, valt al, doodelijk verschrikt, met een zwaren plons in het water terug. Zie! daarginds zwemt de rakker! Nu verdwijnt hij achter de poort.
„We moeten aan land gaan slapen”, zegt Rolf. „Hier op het vlot is het niet veilig.”
De jongens nemen Joppie in zijn nekvel, die zich, driekwart slapend, laat vervoeren. Zwijgend treden ze in het stille woud, zoeken een eind van den wal een zacht plekje op. Maar de muskieten beletten het inslapen. ’t Is om er dol van te worden. Hijgend liggen de jongens op den rug, na zich geheel met bladeren te hebben toegedekt. Boven hun hoofd speelt de maan een griezelig spel met takken en twijgen. Hoor.....! Wat klinkt daar in de verte? Ding-dang-dong-ding-kloeng.....
Het dorp, waarvan Boeng sprak! Daar moesten ze vannacht nog langs zien te komen!
De jongens springen overeind, wrijven de jeukende muskietenbeten. „Kom, Joppie!” zegt Harmen, en, voor de argelooze Joppie het weet, vliegt hij al door de lucht en verhuist naar het vlot. Hij komt op vier pooten terecht, zwikt door op zijn zitvlak, ziet met lodderige oogen rond, tolt dan om..... en snurkt alweer.
„’n Waaksch beestje!” prijst Harmen.
Samen gooien ze het vlot los, sturen door de loofpoort heen naar het midden van den stroom. Nu zien ze aan den rechteroever een lichtschijn tusschen de boomen. Ze houden dus links van de rivier.
Hier is schaduw. Telkens haakt het vlot in de waterplanten. „Padde, ga jij voor het vuur zitten. En gooi er wat hout uit tot het smeult!”—Padde aarzelt even, onwillig door slaap, dan kruipt hij van de plaats, waar hij al was neergezonken, zuchtend naar het vuurtje. Joppie sleept zich, te lui om op te staan, over het dek voort en legt zich tegen Padde’s dijen.
„Gooi er nou alles niet uit!” gromt Harmen tot Padde, die bezig is, het heele vuur overboord te werken. „Wel allemachies! Als je er nou nog één stuk uitgooit, vlieg je er achter aan! Begrepen?”
Padde begrijpt, al is hij niet klaar wakker.
De jongens doen hun best, met de stuurboomen zoo min mogelijk te plonzen. De klanken van de muziek worden luider; hier op het water buitelen ze van plezier over elkaar. Ding-dong-dang-kloeng-ping-tok-dak-doeng-doeng.....
„M’n fiool.....” zucht Harmen. „Van m’n eerste centen koop ik weer een fiool! Bij Roeffies vader, weet je wel: dat zaakje van alles, achter de kerk? Daar heb ik m’n vorige ook gekocht, en dat was een puike, nietwaar, Hajo?”
„Sssst!”
„Een harde gulden heeft ie me gekost”, zei Harmen, zonder te luisteren. „En de snaren toe.—Pas op met zeewater, zei de vent.” Harmens stem werd bitter. „Pas op met zeewater. Jawel!”
„Nou, en mijn mooie koffiemolen dan.....?” vroeg Padde.
Hajo en Rolf konden—ondanks het hachelijke van het oogenblik, geen van beiden hun lachen bedwingen.
„Ja, lach maar”, gromde Padde. „Maar daarmee is de ellende begonnen! Wie weet: als die koffiemolen niet overboord gevallen was.....” Padde zweeg, zocht naar het verband tusschen zijn koffiemolen, die voor Texel op zoo droevige wijze verongelukt was, en de latere rampen, die de Nieuw-Hoorn geteisterd hadden.
Harmen had zwijgend geluisterd. „Is er een koffiemolen overboord gevallen?” vroeg hij.
„Ja!” zei Padde, ingenomen met Harmens belangstelling. En fluisterend (het vlot was geen honderd ellen van het dorp!) vertelde hij, hoe de vork in den steel zat.
Harmen knikte bedachtzaam het hoofd, toen Padde zijn gemoed gelucht had. Daarop zei hij peinzend: „Ik geloof óók, dat het voor ons allemaal het beste was geweest, wanneer jij achter je koffiemolen was aangesprongen.”
„Maar ik kan immers haast niet zwemmen!”
„Dat weet ik wel”, stelde Harmen hem gerust.
Padde dacht even over Harmens woorden na, tot hij den zin ervan gevat had. Toen wendde hij het gelaat af en ging, het hoofd in de armen, naast Joppie liggen.
„Daar gaat er een grienen!” hoonde Harmen. „Afijn, ’t is schoon water; als ’t wat anders was, zou ik zeggen: ’t is zonde.”
Met een grimmigen kreet sprong Padde op Harmen af. Deze lichtte hem een beentje, zoodat Padde op zijn zitvlak terecht kwam. Hij pakte Harmen woedend bij de beenen, wilde hem omver rukken. Maar Rolf kwam tusschenbeide. „Zijn jullie dol! Hier, nog vlak bij het dorp!”
„Wat doet ie te beginnen!” siste Padde met tranen in zijn stem.
„Weer wat nieuws!” merkte Harmen droogjes op. „Wie heeft me aangevlogen? Hij heeft me in m’n kuiten gebeten, de smakker! Wacht maar! Ik zal je morgen eens een uurtje te grazen nemen, en dan mag je: dankje, Harmen! zeggen.”
„’k Heb je niet gebeten!” snauwde Padde en ging, den rug naar hem toe, bij het vuur zitten.
„Welles!” zei Harmen giftig.
„Nietes!”
„Welles!”
Zoo kwamen de jongens wonder boven wonder ongemerkt de kampong voorbij. Nu durfden ze het vlot weer naar het midden van de rivier te sturen, in den maneschijn.
Padde’s drift bekoelde, en hij werd benauwd voor den dag van morgen en in het bijzonder voor dat uurtje, waarvoor hij: dankje, Harmen! zou mogen zeggen. Om medelijden te wekken, ging hij weer liggen en snikte voort.
En werkelijk werd Harmen hierdoor verteederd. „Kom, lig nou niet meer te janken”, zei hij, terwijl hij zijn vuurtje aanblies. „Help me liever een handje blazen!”
Padde, blij, dat zich een gelegenheid tot verzoening voordeed, richtte zich steunend op, snikte nog even na en blies toen door zijn tranen heen.
„Je spuugt meer als dat je blaast”, merkte Harmen op. „En alles in m’n gezicht!”
„Ik zal van de andere kant blazen”, beloofde Padde.
„Alsjeblieft.”—Zoo bliezen ze in eendracht tot de vlammetjes weer dartel speelden.
„Nou, afijn”, zei Harmen, opstaande, „zul je dan geen schip meer in brand steken?”
Hajo en Rolf lachten, tenslotte Padde ook zoo half en half. Ietwat verlegen nam Harmen zijn stuurboom weer op. „’k Zou er anders niks van zeggen, maar hij hoeft me niet in m’n beenen te bijten. Als ie zegt: Harremen, ik zal je niet meer in je beenen bijten!—zal ik ’m niks doen.”
„Ik heb je niet in je beenen gebeten”, zei Padde, die weer moed kreeg nu de anderen lachten.
„Je hebt me wèl in m’n beenen gebeten!”
„Nietes.”
„Wèlles!”
„Ssst!” suste Rolf.
Harmen zweeg, en Padde voelde zich overwinnaar. Hij nam Joppie in zijn armen, en even later snurkten ze om het hardst.
Na een half uur meerden de anderen het vlot in een holte van den oever, geheel tusschen de waterplanten.
„Padde! Word wakker! We gaan aan wal!”
Geen antwoord. Padde was in diepen slaap.
„Hei, Padde!” riep Harmen. „’n Krokodil!”
Wip! stond Padde overeind. Ook Joppie krabbelde op z’n vier slaperige pooten. „Waar?!” stamelde Padde.
„In m’n neus”, zei Harmen. „Kom mee, we moeten aan land slapen.”
En allen gingen aan wal, dekten zich met bladeren toe.
De muskieten vierden feest.
JOPPIE DOET EEN ONTDEKKING
Toen Joppie den volgenden morgen een paar teugen van het frissche rivierwater naar binnen wilde slobberen, spuwde hij alles weer uit, duidelijk gebarend een innigen afkeer. „Wat zou hij hebben?” vroegen de jongens zich af. Maar Harmen vloog overeind, wierp zich op het dek van het vlot en stak de lippen in het water. „’t Is brak!” De vreugde trilde door zijn schreeuw.
De anderen snelden toe en dronken. En terwijl ze het slecht smakende water weer uitspuwden, keken ze elkaar stralend van blijdschap aan. „’t Is brak, jongens! We zijn bij de zee!”—Hajo wierp het vlot al los, en Harmen pakte een boom om af te stooten, toen Rolf hen tegenhield. „Jongens, laten we niets hals over kop doen! We moeten eerst zelf weten wat we willen.”
„Nou, dat weten we toch, pennelikker!” schold Harmen. „We willen naar zee!”
„Zonder zeilen? Zonder proviand?”
„Wat.....? Wou jij dan soms met dit vlot in zee steken??”
„Dat wou ik. Ik maak me sterk, dat we, bij niet al te slecht weer, wel zee kunnen houden.”
„Toe maar.....!” stamelde Harmen.—Maar het avontuur kittelde hem. Rolf was toch zoo’n pennelikker niet als hij gedacht had.
„En als er nou storm komt?” vroeg Padde.
„Er komt geen storm”, zei Harmen opgewonden.
„Zullen we dan maar dadelijk aan het werk gaan?” vroeg Hajo, wiens oogen straalden.
„Laten we eerst eens gaan kijken hoe ver we nog van de zee zijn”, stelde Rolf voor. „Misschien vinden we ook nog wel een betere ligplaats voor het vlot: we liggen hier zoo in ’t zicht! Laten we er voorloopig maar vast wat takken op gooien!”
Zoo deden de knapen, en toen het vlot goed aan het oog onttrokken was, kapten ze zich een weg langs den oever om aan zee te komen.
„We moeten het vlot nog flink wat versterken en verhoogen!” zei Rolf. „Een mast is makkelijk te krijgen. Maar een zeil?”
„Ik zal er een gappen!” beloofde Harmen. „Daar, in die kampong!”
Hajo trok een bedenkelijk gezicht. „’t Is stelen, Harmen.”
„Ja, ik steel ook niet graag, als de hond los is en de boer met een knuppel achter het huis staat”, zei Harmen. „Maar de prauwen liggen buiten het dorp, aan het water, en de zeilen hangen er los bij; ik heb ze maar mee te nemen.—Kijk eens, jongens! Is dit geen mooi plekkie voor het vlot?” De jongens stonden voor een aardig kreekje. Rondom groeide bamboe,—dat trof dus ook mooi.
„Zoodra het donker is, brengen we het vlot hier!” zei Rolf. „Dit gedeelte van de rivier zal te druk bevaren worden om het er bij klaarlichten dag op te kunnen wagen.”
„Luister eens!” zei Hajo eensklaps. „Ik hoor..... de zee!”
Toen baanden allen zich als dollen een weg tusschen het dichte gewas, schramden zich, dat het bloed hun op de huid parelde, stonden eensklaps hijgend stil en staarden.....
Daar lag wijd en blauw de oceaan! Diep ademend snoven ze den frisschen, zouten wind in; bedwelmend werkte op hen de zoetruischende muziek der blinkende, schuimende branding.
Zie, hoe de golven kwamen aanrollen! Ze braken in scherven, maar vloeiden weer terug in de armen der zee, die nieuwe krachten schonk. En bruischend, stoeiend rolden ze weer achter hun makkers aan, voerden bonte steentjes en schelpen mee en legden ze als een offer op het blanke zand.
Lang stonden de jongens stil en lieten ontroerd hun blik weiden over hun grooten, vertrouwden vriend. Hij zou hen op zijn sterke armen veilig dragen. Hij zou hen naar Bantem en dan weer naar Holland voeren.....—Ze liepen de branding in, zuchtten van diepgevoeld geluk. Hoe vrij voelden ze zich weer met de wijde zee voor zich!
„We zijn hier in een baai”, stelde Rolf vast. „Zoover je zien kunt, loopt het strand in een boog. En dat kan ook heel goed: aan den Zuidkant van Sumatra liggen twee groote baaien.”
„En wanneer zouden we in Bantem kunnen zijn?” vroeg Hajo, Rolf in spanning aanziend.
„Als we de wind mee hebben..... misschien in een week.”
De jongens moesten het even verwerken. In een week.....! In een week zouden ze Bontekoe misschien de hand weer drukken?! Dat Bontekoe met z’n zestig wakkere mannen allang in Bantem was aangekomen, stond wel voor hen vast. „Maar..... dan mogen we toch wel voor twee weken proviand mee nemen, Rolf!”
„We zullen meenemen wat we maar machtig worden. Kijk eens om: kokosboomen bij de vleet. Kom, jongens, aan het werk! We hebben den heelen dag nog voor ons!”
„Ik ga visschen!” beloofde Padde.
„Leg een paar zethaken uit”, raadde Harmen. „Dan vang je nog paling ook!”
„Ik weet nog beter”, zei Padde. „Ik loop de holletjes aan de kant eens af. Daar zitten ze. Als je je handen er maar van beide kanten insteekt: dan kunnen ze hem niet smeren.”
„’t Is anders zoo dom niet, ook een paar zethaken uit te leggen”, meende Rolf.
„Dat is zeker zoo dom nog niet!” beaamde Harmen. „Maar als je tegen Padde: erwtesoep zegt, dan zeit Padde: rooie kool, En zeg je: rooie kool, dan zegt Padde: boonen met spek.”
Hajo was een kokosboom ingeklauterd en begon noten los te draaien.
„We zullen onze opslagplaats maken bij het kreekje!” zei Rolf. „Hajo en ik zorgen voor noten. Padde gaat visschen, en jij, Harmen, zou hout kunnen kappen om het vlot te versterken,—dan schieten we flink op.”
„Ja”, zei Harmen. „Ik zal dikke stelen uitzoeken! Zou Hajo nog niet wat kunnen schieten? Dan hebben we nog wat anders dan visch en kokosnoten.”
„Best”, zei Rolf. „Dan zorg ik wel alleen voor de noten.”
Zoo scheidden de vrienden.
Rolf klauterde den eenen boom na den anderen in, wierp de noten omlaag en liet ze voorloopig maar liggen. Tenslotte dwongen hitte en vermoeidheid hem, op te houden. Hij bond de noten bijeen en sleepte ze naar de kreek.
Harmen wilde juist met hakken beginnen. „Ik heb drie zethaakjes uitgezet”, zei hij. „Vette pieren, dat hier in de grond zitten! Allemaal blauwkoppen en nooit van die gele, uitgerokken dooie dienders als bij ons achter de bleek, waar geen visch in bijt.”
„Hak eens een jonge noot open?” vroeg Rolf. „Ik verga van dorst.”
Harmen hakte met een fermen slag het bovenstuk van een bast af, zoodat Rolf met de vingers de weeke plek onder den steel kon induwen en de koele, flauw-zoete melk in zijn keel laten klokken.
Harmen bediende zich zelf ook. „Lekker!” Hij smakte met de lippen, begon toen opeens te grinniken.
„Wat heb je?” vroeg Rolf, al half vroolijk.
„Daarstraks stond ik me hier ziek te lachen!” lichtte Harmen toe. „Padde was daarginds de holletjes aan ’t afzoeken. Hap! Had ie een krabbetje aan z’n vinger hangen! Hij wou niet schreeuwen, omdat ie bang was, dat ik er dan bij zou komen. Maar hij stond te dansen, en niet van plezier!”
Samen gingen de jongens naar Padde, die geduldig zat te visschen. „Al wat gevangen, Padde?”
„Al twee. Ze liggen daar in het gras.”
„’t Is haast zonde van die mooie wurmen, als je er zulke pietertjes aan vangt”, zei Harmen. „Zoek liever eens in de holletjes, Padde, daar zitten groote.”
„Och.....” meende Padde, „zoo krijg ik ze ook wel.”
„Als je maar lang genoeg wacht”, zei Harmen. En, zich tot Rolf wendend: „Zouden er hier in het water krabbetjes zitten, Rolf?”
Padde verschikte een eindje en schraapte zijn keel.
„Ja, ’k zou het anders niet vragen”, legde Harmen uit, „maar als Padde de holletjes nog wil afzoeken, moet ie wat oppassen met die mormels! Ze bijten gemeen!”
Padde kleurde, keek grimmig naar zijn dobber.
„Je hebt tuk!” zei Harmen.—Inderdaad: er zat leven in den dobber. Padde sloeg op; een vischje ter lengte van een vinger spartelde aan den haak. „Wallevisch!” stelde Harmen vast.
„’k Wou, dat je nou maar ophoepelde!” schimpte Padde.
„Geheel naar uwes bevelen”, verzekerde Harmen. En terwijl hij met Rolf weer terugslenterde, stond Padde verdrietig op en legde een eindje verder weer in.
„’k Zal eerst maar van die dikke, gele stelen kappen”, zei Harmen. „Die zijn het beste.”
„Ja, daarvan zullen we er ook een paar nemen om ze met water te vullen! Kom, ik ga maar weer eens een vrachtje noten halen.”
Tegen middagtijd kwamen de jongens weer bijeen. Er lag al een geduchte stapel noten; Padde had acht groote en twaalf kleinere visschen gevangen, waarvan er een paar gebraden werden. Hajo kwam met twee duiven terug.
„Dat zet geen zoden aan de dijk”, meende Harmen. „Dan kan je vanmiddag beter gaan visschen. En dan hangen we ze straks te drogen,—de jasjes open, dat de wind er in blaast.”
Rolf stond op. „Snijden jullie nog wat rotan voor de masttouwen en zoo?”
„Zekers, bootsman”, zei Harmen beleefd.
En de arbeid werd voortgezet. Harmen zocht een mooie bamboe uit om dien als mast te gebruiken, hakte een gaffel en een boom voor het zeil, dat nog gekaapt moest worden.
Toen ging hij de visschen schoonmaken, sneed ze open, spalkte er een stokje tusschen, hing ze zoo, „met open jasjes”, aan een lijntje op en legde daaronder een langwerpig vuurtje aan, zoodat de visch rondtolde in den rook.
Toen kwam Hajo aanhollen. „Trap dat vuur uit! Vlug!”
„Ja, goeie morrege!” zei Harmen.
„Vlug, Harmen! Er komt een prauw aan! Zoometeen zien ze de rook!” En Hajo trapte het vuur uiteen, waarbij hij zich leelijk de voeten brandde. „Heb je nu ooit, daar zit Padde nog te visschen!—Padde!”
„Ssst! Ik heb tuk!” fluisterde Padde.
Harmen snelde toe, pakte den ijverigen visscher in zijn nek en sleurde hem mee. Een prauw kwam den stroom afzakken. Het was een klein hulkje met een hoog, gelapt zeil er op. Voorin zat, met den rug naar den boeg, een Inlander een net te ontwarren; in het midden lag iemand van wien alleen de beenen te zien waren, hoog tegen den mast opgestrekt. De derde Maleier zat aan het roer half te knikkebollen.
Een eentonig, neuriënd gezang steeg uit de prauw op.
„Als we ze eens aan de wal lokten en ze dan het zeil afkaapten?” vroeg Harmen. „Wil ik eens fluiten?”
„Harmen.....?!”
„Nou, laat ik het maar niet doen ook”, zei Harmen. „’t Is een rotzeil, dat zie ik van hier wel.”
Hajo zuchtte verlicht op, oogde het schuitje na. „Ze gaan naar zee. ’t Zijn visschers, zie je wel?”
„Nou, ik zal maar weer op hetzelfde plekkie ingooien!” zei Padde. „’t Is doodzonde van m’n tuk!”
„Doe net, of je niet bent weggeloopen!” raadde Harmen. Hij stak zijn vuurtje weer aan, en Hajo en Padde vischten. Ze hadden nu een gunstig plaatsje gevonden, bij den ingang van de kreek. De eene visch na den anderen liet zich door een „fijne” blauwkop verleiden, en er waren kerels bij van wel een voet lengte, die de jongens slechts met veel overleg aan wal kregen.
Toen de schemering inviel, hadden ze voor langen tijd proviand: meer dan honderd kokosnoten, stevig aaneengebonden in partijtjes van twaalf stuks, en ruim zestig ferme visschen. Er waren kokers voor het drinkwater, stapels rotan en bamboe voor de versterking van het vlot en voor „het want”.....
En nu maakten de jongens zich op om het vlot hier naar de kreek te brengen. Ze namen de bamboekokers mee om ze hoogerop met zoet water te vullen, en in optocht ging het langs het pad, dat ze zich dien morgen hadden gebaand, weer naar het vlot. In een ommezien waren de takken opgeruimd, en Harmen en Hajo stootten van wal. De lucht was vanavond bewolkt,—dat kwam hun van pas! In het midden van de rivier vulden ze de bamboekokers met water; ze konden de zware dingen nauwelijks meer optillen. Een kwartier later koersten ze de kreek binnen.
„Nou”, zei Harmen, „als jullie nou aan het vlot werken, ga ik even op m’n zeiltje uit.”
„Zul je geen rare dingen doen?”
„Dat kan ik niet beloven”, zei Harmen. „Maar als jullie me weer zien, heb ik een zeiltje bij me,—of ik zal pluimen krijgen en eieren leggen.”
„Nou, kras dan maar op!” lachte Rolf.
En Harmen kraste op.
HARMEN KAAPT EEN ZEILTJE
„Waarmee zullen we beginnen?” vroeg Rolf. „Kom, laten we eerst nog een stelletje dikke bamboes onder het vlot door steken. Ze passen net mooi in de gleuven van de andere bamboes! Straks snoeren we de heele zaak stevig vast!”