De Scheepsjongens van Bontekoe

Part 30

Chapter 303,873 wordsPublic domain

Hajo en Rolf namen de baar voor hun rekening. „Drommels, hij slaapt vast!” zei Rolf, tevreden, dat Padde nog altijd zoo rustig ademhaalde en er niets van merkte, toen ze hem opnamen.

„Ja, die doekoen is een duivelskunstenaar!” meende Hajo. „We hebben hem voor zijn diensten slecht genoeg beloond!”

„Sjonge-jonge, ’t zal warm worden vandaag”, verzekerde Harmen luidruchtig. De anderen keken eens omhoog,—aan den hemel viel geen wolkje te bespeuren. Nu stond de zon nog niet hoog, en niettemin brandde ze al geducht.

Dolimah was dien morgen erg stil. Ze neuriede niet, zooals anders wanneer ze met de jongens meetrippelde.

„Je bent zoo stil, Dolimah?” vroeg Rolf. „Denk je ergens aan?”

Het meisje schudde, opgeschrikt uit overpeinzingen, het hoofd. Maar na eenigen tijd zei ze uit zichzelf, de oogen naar den grond gericht: „Ik denk er aan wat mijn zusjes en broertjes nu doen. Ze zullen nu al wel gebaad hebben in de rivier, en Dajik en Oeng zijn met Karidien mee in de velden om te ploegen met onze karbouwen. Straks, als de bibit uit de kweekbedden naar de sawah wordt overgeplant, helpen wij ook. En later weer, om de gèdèngs te binden..... nu, ja, Kartina niet: die kan zoo mooi batikken, dat ze niets anders doet en nooit meegaat in de sawah.” Dolimah zuchtte. „Dajik, mijn jongste broertje, zal bedroefd zijn, dat ik weg ben. Hij houdt van alle menschen en ook van alle dieren en vogels. En van de boomen houdt Dajik, en van de bloemen; hij kent ze alle. En van mooie steenen houdt hij en van de wolken..... toen hij heel klein was en ik hem soms op mijn armen droeg, was hij al zoo.....” Dolimah staarde peinzend naar de bergen in de verte, zei toen eensklaps: „Als..... als ik ooit weer in mijn dorp terugkwam, zou Dajik zeggen: Ik wist het wel.....”

De zon begon zoo te steken, dat de jongens duizelig en onwel werden en zich met gloeiende hoofden en kloppende slapen onder een paar eenzame struiken neerlegden, er zorg voor dragend, dat vooral Padde zooveel mogelijk schaduw had. De lucht trilde van hitte; wanneer onze zwervers liggend over de vlakte staarden, zagen ze de berg-omtrekken sidderen.

Geen van de jongens had lust in eten. Met een droge keel sliepen ze in.

Toen ze ontwaakten, was het iets minder heet geworden. Harmen stond op, werkte de kip los van den pikolan, sneed haar de keel af en sloeg aan het plukken.

Dolimah wist na eenige moeite een vuurtje te doen ontvlammen; de kip werd gebraden en was heerlijk malsch.

Wat verkwikt, zetten de jongens den tocht weer voort. Padde sliep nog altijd, zoodat Harmen er hem van verdacht, dat hij zijn oogen maar dichthield om niet te hoeven loopen.

Er scheen aan het rotsplateau geen einde te zullen komen: de bergen waren nog even ver als vanmorgen. Hoog in de lucht cirkelde een adelaar. Ze liepen tot de schemering door, in de hoop een zachteren bodem te vinden om vannacht op te slapen. Vergeefs. Alles steen en nog eens steen. En mocht de bodem overdag zoo gloeiend heet zijn, dat de jongens er hun voeten haast aan brandden, nu was hij kil en leverde allesbehalve een lekker bed op.

Harmen maakte een groot vuur. Door den rossen schijn gelokt, kwamen vleermuizen aanfladderen, en, stillekes bijeenhokkend, volgden de jongens met de oogen het grillig wiekenspel.

„Saleiman heeft gezegd”, begon Dolimah onverwachts, „dat met nieuwe maan de poeasah begint. Dan is er feest in ons dorpje. En Dajik zal vragen: Waar is Dolimah? Weet ze niet, dat het poeasah is?” Er trilde iets in Dolimah’s stem.

De jongens hadden nauwelijks verstaan wat Dolimah zei; ze hadden nu geen lust zich tot luisteren in te spannen. Maar allen hoorden er in wat ook hen vanavond weer sterker dan ooit kwelde.....

„Ze heeft verlangst”, zei Harmen.—De anderen zwegen, knikten even.

Maar opeens wees Hajo met de hand naar het Westen. „Kijk daar eens! Meeuwen!”

Verrast keken de anderen om: de klank van het woord had in hen allen een gevoelige snaar geroerd. Meeuwen.....! Daar, ver in het Westen, zweefden ze, maakten hun avondvlucht. Als peinzend sloegen ze, zwierend door de kalme lucht, nu en dan even met de vleugels, wenschten elkaar in het voorbijgaan goeden nacht. Stil! Als je den adem inhield, hoorde je het. „Tsjie......iep!” Een kwam er nader, achten aaneenrijgend tot een langen keten, en met zijn vleugel wenkte hij de jongens. „Tsjiep!..... de zee is er nog! Ze laat groeten en vraagt.....tsjiep! waar jullie blijven!” Nog eens wenkte de meeuw, toen dreef ze weer weg..... tsjiep.....!

De nacht was sluipend nader geschreden en had zijn met diamanten gevoerden mantel wijd over den hemel uitgeworpen. De blankgevederden boden van de zee verschimden.

Maar in de harten der knapen hadden ze een groote blijdschap achtergelaten. De zee! Daar in het Westen, niet veraf, was de zee! Nu voelden ze hoe vaak ze er naar verlangd hadden wanneer ze, beklemd door den muur van groen rondom, zwijgend bijeengezeten hadden. Soms waren ze, er naar snakkend om weer eens vrijuit te ademen, vol verbeten woede tegen dat groen voorwaarts gedrongen, wegkappend de bloemen, takken, wortels, slingerplanten, en wanneer ze er tenslotte hijgend bij neerzonken, waren ze door een nieuwen muur omsloten, even beklemmend en onverbreekbaar als de vorige. En terwijl ze tusschen het geboomte geesten spottend hoorden fluisteren, hadden ze in ’t verborgen, zonder het elkaar te laten merken, van verlangen naar huis gesnikt, dat de tranen hun over de bruine wangen stroomden.....

Maar nu..... had de zee zich weer aangemeld! Nu, morgen vroeg, zouden ze niet meer naar het Zuiden, maar naar het Westen loopen, nietwaar, Rolf? Ze zouden den blik weer vrijuit laten zwieren, de frissche, zoute lucht weer met volle teugen opsnuiven!

Morgen naar het Westen! Morgen naar de zee! Soms streek een windvlaag over het plateau, schonk den jongens een zoete verbeelding van ver, vaag branding-ruischen en voerde in het wijken hun zielen mee, als een terugvloeiende golf de schelpjes, die op het strand zijn aangespoeld.

DE BIJAWAK

Toen ze al vroeg in den volgenden ochtend de draagbaar weer oppakten, ontwaakte Padde en keek verbaasd, met matten oogopslag naar boven. „W-wat zal ik n-nou beleven.....?” stamelde hij.

„Padde.....?! Ben je weer beter? Hoe voel je je?”

„Best. ’k Heb zoo fijn geslapen. Maar ik voel me nog..... zoo moe. Dragen jullie me?”

„We zullen je later alles vertellen, als je weer heelemaal beter bent! We gaan nou naar zee, Padde! Naar ’t Westen, dan is het niet ver!”

Padde glimlachte. „Nou, ik vind het best, zeg! Ik zal blij zijn, als ik de zee weer zie!”

En genoegelijk liet hij zich voortdragen. „’t Is me hier ’t zonnetje wel! Ik zal maar een takje boven m’n kop houden, dan heb ik er niet zoo’n last van.” En tegen Harmen: „Nou mag jij wel weer eens een eindje dragen, Harmen! Kijk Hajo eens zweeten op zijn rug!”

„Als we je om de tien passen zouden overtakelen, lagen we in een ommezien allemaal op de lij!” meende Harmen.

„Om de tien passen!” smaalde Padde. „Hoe lang draag jij nou al wel, Hajo? Toch minstens een uur?”

„Ik kan nog best!” gromde Hajo, wrevelig over Padde’s ongewenschte deelneming in zijn lot.

„Ja, dat zie ik aan je rug!” hoonde Padde. „’t Lijkt wel of er pas gezwabberd is! Vooruit, Harmen, wees niet zoo kinderachtig! Jij loopt toch maar niks te doen!”

„Goeie morrege: niks doen!” gromde Harmen. En, plots grinnikend, voegde hij er aan toe, duidend op het biggetje aan zijn pikolan: „’k Dráág ommers al een varken?”

Padde zocht grimmig naar een vlijmscherp antwoord. Hij vond er geen.

Maar spoedig was Padde de beleediging weer vergeten. Hij begon zachtjes te fluiten, de oogen dicht tegen de zon. „’k Lig hier fijn!” stelde hij de anderen gerust. „Als in een koets! Jij bent de palfrenier, Rolf! En Harmen is het paard. Hu, paard!” Padde smakte met de tong.

Harmen, die nu toch Hajo’s taak had overgenomen, keerde zich om. „Zeg er eens, jij ligt daar zoo’n lawaai te schoppen: kun je nog niet loopen?”

Padde keek sip. „’k Zal eens kijken!” zuchtte hij en richtte zich op. Maar alleen die beweging kostte hem al zooveel inspanning, dat hij lijkwit, met gesloten oogen, weer achterover viel. Harmen zag, dat het niet geveinsd was. „Nou, vooruit dan maar weer.....” zuchtte hij.—En Rolf berispte: „Je moet stil blijven, Padde, en ook niet fluiten! Hoe gauwer je beter bent, hoe prettiger het voor ons allemaal is.”

„Knap maar.....” prevelde Padde.

Onverwachts vertoonde zich voor hun oogen een breede scheur in de rotsen, en, naderende, hoorden ze, dat in de diepte een beekje stroomde, waarschijnlijk hetzelfde als waarover de rotan-brug gelegen had. Ook hier was de kloof onheilspellend diep en van er overheen te komen geen sprake. Nu, als ze het beekje maar volgden, kwamen ze vanzelf aan zee!

Uit de diepte steeg een aangename koelte op. Ook het heldere stroompje daarbeneden lokte; de kokosnoten, die ze vooral ter wille van de melk meevoerden, waren bijna op!

„’t Zou daar in de schaduw beter zijn dan hierboven”, meende Rolf, terwijl hij over den rand keek. „Misschien kunnen we verderop ergens omlaagklauteren!”

„Ja, laten we nog wat doorloopen!” stelde Padde uit zijn draagstoel voor. „Misschien vinden we nog een goeie plek!”

Harmen keek hem met grenzelooze verachting aan. „Zeker, Koning Knolraap!” schimpte hij. „Als je voeten er vuil van worden, zal Harmen ze wel schoonlikken!”

Padde gromde wat.—Zwijgend, nu en dan een blik in de kloof werpend, gingen de jongens voort. En.....! ze hadden nog geen half uur geloopen, of van deze zijde der kloof daalde een ruwe, door de natuur gevormde trap af! In alle omzichtigheid en vergezeld van honderd waarschuwingen en raadgevingen van Padde, die met zijn hoofd schuin uit zijn draagstoel hing, klauterden de jongens omlaag in de heerlijke koelte. Hun eerste werk was, van hun handen een bekertje te maken en gretig het frissche, heldere bergwater op te slurpen.

En toen werd beraadslaagd wat er nu gebeuren moest. Wanneer de jongens door de kloof hun tocht wilden vervolgen, moesten ze door het riviertje waden! Nu, alles beter dan daar boven in de gloeiende zon te tippelen! Hier was ook plantengroei; verderop scheen het zelfs alsof ze zich door de overhangende struiken baan zouden moeten breken. Maar zouden ze een droge plek vinden om den nacht door te brengen?

Kom! Ze namen Padde op en vervolgden hun weg, nu door de kloof. Het ging beter dan ze verwacht hadden. Wel lagen in het water steenen, die vervelend drukten in de voetholten, maar ze waren alle door het water afgerond en hadden geen scherpe kanten. Weldadig deed het aan toen de jongens zich door het overhangende groen heenwerkten: er zaten geen stekels aan de twijgen, en de bladeren waren frisch en zacht.

Op een grooten, platten bergsteen legden ze Padde een oogenblikje neer en namen een bad. Ook Joppie deed ditmaal mee: hij was toch al kletsnat.

Na een uurtje gingen ze weer verder, en zie! hier liep langs het water een paadje! Dat maakte het loopen vrij wat lichter!

Langzaam-aan begon het te schemeren, zoodat de jongens naar een plaats moesten uitkijken waar ze den nacht konden doorbrengen.

„We zullen maar ergens aan de kant gaan liggen!” zei Harmen.

Het was niet erg aanlokkelijk. Aarzelend hielden de anderen stil en keken de nu in de schemering wonderlijk geheimzinnige kloof door. „Als we nog eens door liepen tot aan de bocht?” vroeg Hajo.

Zonder veel hoop liepen de jongens nog even door en..... en geloofden hun oogen niet! Als een gordijn hingen een paar bladerrijke takken neer, en toen ze die terzijde schoven, stonden ze voor een prachtig, zandig plekje, ter zijde van het water. De rotswanden waren hier geheel begroeid; met geurige bloemen overdekte boompjes hingen vertrouwelijk over dit knusse kamertje in de natuur, en daaronder stonden in den wand zachtgroene varens.

„Dâ’s andere koek!” riep Harmen.

Padde rekte zich den hals uit. „Ga opzij! Ik kan niets zien!”

„Jawel, radjah Boendersteel!” zei Harmen. „Kan uwes zoo beter zien?”

„Ja.—Wat ligt daar voor een beest?! Een..... een krokodil!”

„Wáár.....?!”

„Daar, onder die boom met die roode bloemen!”

Harmen snelde toe. En zie..... daar rende, met slangachtige lichaamswendingen, een enorm groote hagedis weg. Het beest schoot, daar hem geen andere uitweg bleef, tusschen Harmen’s beenen door en deed hem door een geduchten zwaai met den staart in het zand ploffen. Nu wilde Hajo het dier den weg versperren, maar het wierp zich op; een geel-witte buik glansde Hajo tegen, en toen onze vriend haastig terzijde sprong, scheerde een zware poot met lange, scherpe nagels hem rakelings langs het gelaat. Met een plons stortte het dier zich in het water, dat hoog opspatte..... en was verdwenen.

De jongens waren beduusd. „Een bijawak.....!” stamelde Dolimah.

„Was het geen krokodil?” vroeg Rolf.

„Neen”, zij Dolimah, „het was maar een bijawak, maar een heel groote! Hij rooft veel kippen en eieren!”

„Laat hem naar de weerlicht loopen!” pruttelde Harmen, die weer overeind gekrabbeld was. „Kom, jongens, ’t is hier fijn, da’s vast!” En de jongens namen het idyllische plekje voor den nacht in bezit. Een bed van varens was gauw gemaakt; Dolimah slaagde er in, een paar droge takjes vuur te doen vatten. Veel dood hout was er niet te vinden, ofschoon genoeg boomen daarboven de kloof overwelfden,—de regen zou het wel hebben weggespoeld. Ze moesten dus maar groen hout branden, dat verbazend knapte, maar tenslotte toch vlam vatte.

„Tja!” zei Harmen, „we hebben het niet voor het uitzoeken en van de lucht kunnen we niet leven, dus..... hou je maar klaar, ouwe jongen!” Harmen had het tegen het biggetje. „Dat je het niet lollig vindt, zie ik zoo wel aan je snoet, maar..... je moet maar denken: beter goed gebraje, als half gaar gekookt!”

„Chrrrrr.....!” knorde het arme diertje.

„Geduld!” zei Harmen. En hij begon op een vlakken steen zijn mes te wetten. De krulstaart wachtte met slaperige, halfdichte oogjes,

Dolimah vertelde met zachte, trage stem van een bijawak, die in haar dorpje gevangen was en gedood. Droomend luisterden de jongens. Het vuur was gaan smeulen, gaf nauwelijks meer wat glans af. Maanlicht viel nu door de bladeren. Roerloos, als zilveren orgelpijpen, stonden de stralen bundels. In een ervan daalde, zachtkens wiegelend, een dood blad omlaag, wentelend om het steeltje.

Harmen’s mes was nu gewet en blonk. „Kom!” zei onze koksmaat, overeind springend en wat hout op het vuur gooiend, zoodat het spoedig weer oplaaide. „Kom jij nou maar eens bij Harremen, ouwe heer, hij zal je niks doen.”

„Harmen”, zei Rolf een weinig geprikkeld, „dat dat beestje geslacht moet worden, spreekt vanzelf, maar ik wou, dat je er die redevoeringen nu maar bij achterwege liet. En ga er wat mee op zij, dat Dolimah het niet ziet.”

Harmen staarde Rolf met grenzelooze verbazing aan. „Zeker, Majesteit!” stamelde hij toen, want Harmen’s gedachten schenen zich vandaag in vorstelijke kringen te vermeien, „uwes heeft maar te bevelen!—Hier, mormel!” zei hij minder eerbiedig tegen het arme krulstaartje, dat er toch wel het allerminst schuld aan had. „’k Zou anders weleens willen weten, wie zulke zaakjes moest opknappen, als Harmen het niet deed!”

„Ik!” zei Rolf kortaf.

„’k Hoor het je zeggen!” hoonde Harmen. „Neen, wees maar blij, dat Harremen zich over je ontfermt, stom dier, want zij zouden je samen liever doodpesten, dan je even een ritsje te geven! Ja, als je uit de kombuis komt! Dan staan ze met hun petje klaar! Ze denken zeker, dat je vanzelf de pan bent ingevlogen.....” En Harmen ging met zijn beschermeling grommend den hoek om.

Maar toen hij even later met een reeds gevild biggetje terugkeerde, was hij zijn gramschap vergeten. „Daar heb je mosjeu!” riep hij vergenoegd uit. „We hebben er voor morgen ook nog zat aan. Is ’t geen mooi portretje? Hij zei nog, dat z’n pootjes het lekkerst bennen—nou, geef m’n spies dan maar eens hier, Hajo, dan zullen we eens kijken of hij de waarheid heeft gesproken!”

Den rooden weerschijn van de oplaaiende vlammen tegen het naakte bovenlichaam, stond Harmen zijn biggetje te braden; hij scheen een ware duivel, zooals hij grinnikend de speer, met aan het uiteinde de sissende, vetdruipende bout, in de vlammen draaide.

Grotesk nabootsend elke beweging, stond zijn schaduw fantastisch-groot tegen den kalen rotswand aan de overzijde.

DEN DANS ONTSPRONGEN

Al vroeg in den volgenden ochtend werden de zwervers wakker door het verwoed gekrijsch van een paar dozijn kleine apen, die den rotswand aan de overzijde op en af snelden, met handen en voeten zich klemmend aan de steenpunten. Ook in de boomen daarboven krioelde het. Onze vrienden schenen midden in een apenkolonie te zijn verzeild.

De zon was er nog niet. Tegen den licht-grauwen hemel gloeiden een paar roodgrijze wolkjes. In het Zuiden trokken kalongs voorbij in de richting van de kust. Traag, nog trager dan ’s avonds, wanneer ze op plundertocht uitgaan, vlogen de reusachtige vleermuizen, nu verzadigd, achter elkaar aan naar hun dag-slaapplaatsen terug. De vlucht verbreedde zich: nu streken er ook recht over de hoofden der knapen heen. Maar eindelijk sloten ze minder dicht aaneen. Nog een paar achtergebleven schrok-ops, die van de vruchten niet konden scheiden!—voorbij was de stoet.

Nu kwamen van het Westen, in tegenovergestelde richting, zwarte wolken aandrijven. Onheilspellend doemden ze achter den rotswand aan de overzijde op, maar, recht boven de kloof gekomen, gingen de koppen gloeien, en het was, als aarzelden ze verder te gaan. Van achteren echter stuwden de anderen op, en zoo schoof allengs een zware, zwarte wand over de kloof, die nu iets van een langen, griezeligen grafkelder kreeg.

De jongens lagen achterover op hun bed van varens en staarden half wakker naar boven. Alles was duister en geheimzinnig: die zwarte lijkdoek hoog boven de kloof, de grijze rotswand voor hen, waartegen nu en dan een licht buikje van een aap glansde, die donkere boomen daar heel in de hoogte..... Het schuimende water schitterde hel op uit al die donkerte, en het geruisch scheen sterker te worden, naarmate de druk in de natuur de andere geluiden verstommen deed. De aapjes krijschten nu niet meer, sprongen zwijgend, haastig op en neer, soms vanaf een rotspunt als boosaardige duiveltjes de jongens aanloerend met vinnige oogen, of den bek opensperrend, dat de hoektanden geheel bloot kwamen.

Geheel onverwachts, alsof er plots een reusachtige dievenlantaren geopend werd, sloeg een valsch goud licht van onderen tegen de zwarte wolken op. En het werd nog stiller. Het ruischen van het water kreeg zoo’n macht over de jongens, dat het hun toescheen, of ze nooit iets anders gehoord hadden en zij ook nooit meer iets anders hooren zouden; in den ban daarvan lagen ze futloos neer, en hun gedachten konden zich niet boven het ruischen uitwerken.

Maar daar begon het uit den hemel te lekken. Warme regendroppels vielen hun op het lichaam en wekten hen uit hun versuft luisteren. Terwijl het apenvolkje met haastige sprongen naar hun nesten hoog in de boomen vluchtte, richtte Rolf zich eensklaps op en keek den anderen verschrikt aan. „Jongens! Het gaat regenen! En de rivier..... zal volloopen!!”

Harmen, Hajo en Joppie waren in één sprong overeind. Ze moesten hier weg, dat begrepen allen, en hals over kop werd alles bijeengepakt. De overgebleven varkensbout was spoorloos verdwenen,—Harmen vond nog juist even tijd den bijawak van den roof te verdenken en in het algemeen zijn meening over bijawaks uiteen te zetten. Toen werd Padde opgenomen, en voort ging het.....!

„’t Zou niks lollig zijn als we verdronken!” meende Harmen. „Alle moeite en kosten voor niks geweest, hè?”

Uit de vallende droppen werd een regen. Langs beide rotswanden vloeide het water omlaag.

Na een half uur was het riviertje zooveel breeder geworden, dat het pad aan den kant onder water stond.

Joppie plaste met groote sprongen door het water, dat hem al bijna tot aan de borst reikte. En plots dreef hij af, trachtte vergeefs tegen den snellen stroom in te zwemmen, werd meegesleurd tot hij zich op een hoogen steen in veiligheid wist te brengen. Met verschrikte oogen, zacht jankend, wachtte hij de jongens op.

„Als het water blijft stijgen, staat ons hetzelfde te wachten”, zei Rolf bezorgd.

„Waren we maar nooit in die smerige kloof gegaan!” jammerde Padde. „Ik had al zoo iets gedacht!”

De anderen luisterden niet naar Padde’s wijsheid achteraf. „Kom dan maar hier, mormel!” zei Harmen en nam Joppie onder den arm. „Jij bent ook een mensch!” Joppie begon Harmen’s gezicht met de tong schoon te wasschen,—waartegen Harmen zich niet anders dan door een reeks verwenschingen kon verweren, want hij had beide armen vol.

Dolimah waadde zwijgend tusschen de anderen voort, nu en en dan angstig omziend.

De hemel werd minder donker; de regen nam in hevigheid af. Maar het water steeg, steeg tergend zeker. Het reikte hun al boven de knieën, en Padde’s draagstoel dompelde telkens onder, wanneer Hajo of Rolf in een kuil trapte. Dan stak Padde vlug zijn hoofd op, om althans dat boven water te houden. Gewoonlijk deed hij het te laat.

Het ging er om spannen! Nog altijd rezen de meedoogenlooze steenen wanden even steil en onbeklimbaar omhoog, en het water begon tot aan den buik te reiken, zoodat Padde rechtop moest gaan zitten.

„’k Heb zoo’n honger.....” klaagde Harmen. Geen der anderen leed in deze hachelijke oogenblikken aan honger.

Ze kwamen aan stroomversnellingen. Dat werd lastig. Onstuimig danste het water tusschen de steenen voort. Terwijl ze voorzichtig trachtten, Padde over de gevaarlijke plaats heen te helpen, gleed Rolf uit; daardoor ontglipte de draagstoel aan Hajo’s vingers, en Padde ging samen met Rolf kopje-onder. Ze kwamen weer boven, tolden in het water voort. Rolf tornde tegen een grooten steen op, wist zich er op te werken en zag verward naar de anderen rond. Padde dreef door, ploeterend met armen en beenen.....!—Maar in hetzelfde oogen blik had Hajo zich voorover in het water geworpen en zwom nu achter Padde aan, met krachtige armslagen. Hij won terrein, kreeg den spartelenden Padde bij zijn beenen te pakken, trok hem al zwemmende naar links, waar het water het ondiepst was, kwam daar overeind te staan en hielp Padde ook op de been. Hulpeloos en verschrikt, zich nog moeilijk staande houdend, klemde Padde zich aan zijn makker vast.

„Pak ons maar bij den arm, Padde!” zei Rolf, die hijgend kwam aan waden. „Het loopt niet moeilijk met de stroom mee. De draagstoel is weggedreven.”

De angst in het hart, vervolgden de jongens hun tocht, Padde strompelend en vallend, maar de anderen hielden hem stevig vast, al liepen ze zelf ook al met knikkende knieën.....

Ze kwamen een bocht om, en Harmen stootte een kreet uit..... de kloof sloot zich van boven; het water stroomde een donkere grot in. Wat te doen?! De jongens staakten ontzet hun loop. Nergens konden ze naar boven; er was maar één uitweg..... „De grot in!” beval Rolf.

„Ik durf niet.....!” snikte Padde.

„Kom mee!” zei Rolf onverbiddelijk.

En de jongens liepen de grot in. Dolimah aarzelde even; toen stuwde de stroom haar vanzelf de grot in. Ook Joppie in Harmen’s armen was benauwd.—„Ja, nou moet jij nog gaan gillen ook!” mopperde Harmen. „Dan ga je meteen overboord, begrepen?”

Joppie begreep.