De Scheepsjongens van Bontekoe

Part 29

Chapter 294,033 wordsPublic domain

De jongens gingen den fazant plukken. Dolimah was in haar schik met het zelfvervaardigd huisraad, nam terstond alles voor haar „keuken” in bezit.

Spoedig kon de fazant aan het spit. De kip kreeg een lang touw om haar poot en mocht „vrij” rondloopen. Verheugd begon zij naar wurmpjes te pikken, en, wanneer ze er een te pakken had, klapte ze met haar vleugels en zette zich met gestrekten hals schrap,—tot ze het glibberige, naakte slachtoffer geheel uit den grond had getrokken. Vanaf dat oogenblik kon het beestje alle hoop op een rooskleurige toekomst laten varen: het werd in stukjes gehakt of wel, naar gelang van zijn dikte, ineens verslonden.

In de drukte van het koken en braden hadden de jongens den heelen Harmen vergeten. Maar nu ze hun „tafel” neerzetten, schrokken ze beiden tegelijk op. „Harmen is er nog niet!”

Ook Dolimah keek hen onrustig aan.

„Nu, Harmen loopt niet in zeven slooten tegelijk”, stelde Rolf zichzelf en Hajo gerust. „Hij zal zoo meteen wel komen! Laten wij maar vast gaan eten, anders wordt alles koud.”

Met innerlijke onrust zetten de jongens zich aan den disch, die rijker was dan ze in maanden gewend waren geweest. Maar ze waren niet gestemd om Dolimah’s kookkunst vandaag te waardeeren zooals ze het verdiende. Toen de laatste hap binnen was, sprong Rolf overeind. „Kom mee, Hajo, we zullen den omtrek eens afzoeken!”

De beide vrienden togen er op uit: ze hadden gezien in welke richting Harmen verdwenen was. Zich een weg banend door het dichte gewas, zaten ze in een ommezien onder de bloedige schrammen.

„Harmen! Hààààrmen.....!”—Geen antwoord. Echo’s van alle zijden. Met een verbitterden slag kapte Rolf een rood, geringd palmstammetje middendoor. Een kleine slang schoot er ijlings langs omlaag en ritselde weg tusschen de struiken.

„Het bosch is overal gelijk”, zuchtte Hajo. „Waar moeten we zoeken?”

„Misschien is Harmen al lang weer thuis”, zei Rolf. „We zullen maar teruggaan.....”

Het hol weer naderende, versnelden ze in hoopvolle verwachting hun gang. Maar Harmen was nog niet terug.....

Dolimah keek hen vol onrust aan. „Uw vriend is zoo ziek!” fluisterde ze.

Uit het hol kwam een gesmoorde kreet: „Brand! Brand!!”

Verschrikt snelden de jongens naar binnen. „Padde! Wat heb je, Padde?”—Padde ademde kort en stootend; zijn mond was vertrokken; hij hield de gebalde vuisten onder de kin, en het zweet parelde hem op het vuurroode voorhoofd. „Brand!” gilde Padde en trok de knieën op. „Brand!!”

Rolf knielde bij hem neer. „Word wakker, Padde! Je droomt!” En hij schudde Padde bij den schouder.

De zieke sloeg de oogen op, keek er Rolf wezenloos mee aan.

„Padde!” stamelde Hajo verschrikt.

Padde staarde over zijn borst heen naar buiten. Toen begon hij plots weer te gillen en liet het hoofd met een smak achterover vallen.—Rolf bette Padde’s voorhoofd met water. Padde zuchtte, scheen een oogenblik iets rustiger. Toen begon hij plots hartstochtelijk te snikken. Zijn heele lichaam beefde; de tranen vloeiden over zijn wangen op de varens onder zijn hoofd. „Allemaal..... zijn ze sterk..... allemaal..... alleen ik niet!”

Hajo bukte zich over zijn makker,—ook hem stonden de tranen in de oogen. „Wacht maar, Padde, wij blijven bij mekaar, hoor! Wij verlaten mekaar niet!”

„Brand!” gilde Padde en stompte Hajo uit alle macht van zich af. En hijgend, gejaagd begon hij allerlei wartaal te spreken. „Dronkelap! Jij..... jij, dronkelap!”

Radeloos keken Hajo en Rolf elkaar aan. Dolimah staarde zwijgend, met van schrik groote oogen, naar hen alle drie.

In dit oogenblik..... kuchte er buiten iemand, en Dolimah stamelde: „De doekoen!”

Voor den ingang van het hol, een donkere schim tegen de schemering, verscheen een oude Inlander, met een wit sikje en mager als een skelet.—De jongens wisten zoo gauw met hun houding geen raad. Rolf wilde wat zeggen, maar verslikte zich al in het eerste woord.

Gelukkig wist Dolimah beter met den doekoen om te gaan. „Wij zijn blij, dat u gekomen is, goede Pa-Samirah! Gij zult ons wel uit den nood helpen. Tot in de verste dorpen wordt uw kunst geroemd!”

Pa-Samirah knikte en spoog bedachtzaam een straal rood sirih-sap op de grijze steenen. „Waar is de zieke?”

„Daarbinnen, Pa-Samirah.”

„Waar is het pantervel?”

„Ge staat er onder, goede Pa-Samirah.”

De doekoen keek omhoog, knikte goedkeurend met het hoofd,—spoog nog eens vol aandacht. „Laat de blanken heengaan, en blijf jij hier, om mij te helpen”, beval hij met een schorre, krakende stem als van een ouden kruiwagen.

Dolimah wenkte den jongens, heen te gaan. Aarzelend, zonder zelf eigenlijk goed te weten waarom ze het deden, gaven ze er gehoor aan. Buiten zagen ze pas, dat achter Pa-Samirah een joggie verdekt stond opgesteld, dat nu zijn biezen pakte. Aan zijn ooren herkenden ze hem, Si-Kampret!

Beteuterd stonden de jongens buiten te wachten. Dolimah was bij den doekoen gebleven.

„Zou het wel vertrouwd zijn, Rolf, dat we hem met Padde alleen laten?”

„Dolimah is er immers bij?”

Hajo zweeg. Meer dan ooit voelden de jongens zich vreemdelingen in dit groote land. De doekoen, Dolimah, Saleiman hoorden hier thuis, kenden de boomen, de bloemen, de dieren en..... en de geesten!—Geesten.....! Als Dolimah ervan sprak, voelden zij ineens, dat ze er waren. En nu was Pa-Samirah gekomen om uit Padde’s zieke lichaam de booze geesten te verdrijven.....! Wat was dat toch, dat merkwaardig gevoel van..... ontzag, dat hen daareven, vóór ze het zelf wisten, het hol had doen verlaten, op een wenk van een klein meisje, om plaats te maken voor dat verschrompelde, spuwende mannetje met een stem als een oud molenrad? Hij beheerschte ze, de geesten! Pa-Samirah beheerschte ze! Zij, Hollandsche kwajongens, voelden zich zoo klein worden, dat een muizeholletje nog te groot voor hen was. Saleiman, „Si-Kampret!” verstond ook alles wat hun vreemd was. Hij kende de ziel van het vuur, den wind, den regen, het beekje, en dieren verstonden hem, tot de slang toe, die, onweerstaanbaar aangetrokken, tegen de helling van het ravijn was opgekronkeld om te luisteren naar Si-Kamprets fluittonen.....

Onverwachts klonk Padde’s gillende stem weer uit het hol. Hajo wilde toesnellen, maar Dolimah verscheen voor de opening. „Stil!” fluisterde ze. „De doekoen is bezig!”

Maar Hajo kon zich niet meer in bedwang houden en trad het hol binnen.

De oude doekoen, die gehurkt bij Padde zat, wendde prevelend het hoofd. En een blik in die oude, lichtlooze oogen, die zich star, schijnbaar zonder te zien, op hem richtten, was voldoende om Hajo te doen terugdeinzen. Langzaam prevelend, allengs overgaand in neuriën, keerde de doekoen het hoofd weer af. De oude nek leek wel een verschrompelde wortel.

Bevangen keerde Hajo naar Rolf terug.

„Wat heb je gezien?” vroeg deze.

Hajo haalde, wezenloos voor zich uitstarend, de schouders op. „Ik weet het niet.....” zei hij, als in diepe gedachten.

Het schreeuwen in het hol verminderde. Onafgebroken klonk het eentonig, klankloos neuriën van den ouden man. Na een tijd, die een eeuwigheid scheen, kwam Dolimah op de teenen naar buiten en fluisterde: „De geesten zijn al op de vlucht! Ik heb kruiden gewreven, die de doekoen me gaf. Geduld....!” Toen verdween ze weer.

Rolf en Hajo gingen naast elkaar zitten, staarden zwijgend in den zilveren nacht. Uit het hol kwam de rosse schijn van het vuurtje. Nu en dan vloog er een schaduw door de lucht, de schaduw van Dolimah, die voor het vuur langs liep. En eindelijk..... ze wisten zelf niet, hoe lang ze zoo wel bijeengezeten hadden, kwam, als een oude berggeest, de doekoen naar buiten.

Dolimah volgde. „Hij slaapt rustig!” zei ze met een vreugdetrilling in haar stem.

Weer voelden de jongens de aarzeling van daarstraks. Wat weerhield er hen van, de handen van hun redder te grijpen? Op de teenen gingen ze naar binnen. Padde sliep; zijn ademhaling was lang en geregeld. De roode koortskleur was weg.

Buiten stond de wonderman, die dit bewerkt had, op zijn panterhuid te wachten. Terwijl Hajo haar haastig ineenrolde, trachtte Rolf woorden van dank te vinden. Maar wanneer hij in het oude, afgeleefde, glanslooze gelaat keek, stokten de woorden hem in de keel.

De doekoen spoog langzaam, vol aandacht, een straal donkerrood sirih-sap uit,—in het licht der vlammen leek het bloed. Slap hingen de mondhoeken, de onderlip lag op de oude skelet-kin en onthulde een tandeloozen mond; de grijze wenkbrauwen waren door het gerimpelde voorhoofd hoog opgetrokken; zijn geheele huid zat vol roestvlekken. Zwijgend nam hij de panterhuid onder den arm, sloeg zijn sarong naar binnen en klom de touwladder op. Boven gekomen, leek hij tegen het maanlicht wel een vogelschrik. Dolimah deed hem uitgeleide.

„Begrijp jij er iets van, Rolf?” vroeg Hajo.

„Geen laars”, antwoordde Rolf. „De drommel zal weten hoe hij..... maar, zeg, Hajo! Harmen is nog niet terug!”

„Dat is waar ook.....!!” stotterde Hajo. „Dat had ik heelemaal vergeten!” En verschrikt keken de jongens elkaar aan.

Toen Si-Kampret zijn plicht vervuld had, spoedde hij zich voort in de overtuiging dat hij de rest veilig aan de krachtige rapals en ontzag inboezemende poesaka’s van Pa-Samirah mocht overlaten. Plotseling vernam hij een klagend geblaat. Verwonderd liep hij er op af en stond..... voor een geitje! „Tjoba.....!” stamelde Saleiman. Hij greep het, keek vol verbazing naar een afgescheurden rotanstrik om den hals van het diertje. „Het is het geitje uit de tijgerval.....!”

Saleiman dacht even na; toen was zijn besluit genomen. Wat er ook met de val gebeurd mocht zijn; Saleiman moest er het zijne van hebben. Zou er een of andere geest in het spel zijn? Nu, Saleiman had om zijn bruine vingertjes een djimat zitten, waartegen de boschgeesten toch niets konden uitrichten, zelfs de meest kwaadaardige niet! En Saleiman toog op pad. Den rechten weg naar de val kende hij niet; hij moest eerst weer een eindweegs den weg naar het dorp volgen en dan in schuinsche richting weer omkeeren. Maar Saleiman had geen zolen te verslijten; de zijne werden hoe langer hoe dikker naarmate hij er meer op liep, en de maan scheen zoo mooi.....

Alom zongen de krekels, en de krekel in Saleiman’s kooitje raadde met luider stemme zijn vrienden daarbuiten aan, om zich goed verborgen te houden wanneer ze zoo’n jongetje als Saleiman in de buurt zagen. Saleiman liep er over te denken, hoe fijn het zijn zou, wanneer hij alle krekels, die hij nu hoorde, ja, alle krekels van de wereld in een bamboekooitje had: hij zou de kleintjes aan zijn vrienden geven, en de grooten zou hij zelf houden. Maar ze waren zoo lastig te vinden; vooral de goede kampvechters liepen het hardste weg.....

Saleiman dacht er ook over na wat hij morgen weer voor Dolimah gappen zou. Ma-Satia had altijd zooveel eieren,—daarvan kon ze er best een paar missen. En Niti had op haar dak deng-deng te drogen, daar zou Saleiman ook een stukje weghalen. En Si-Amat had zooveel rijst, wel een heele loemboeng vol,—daar hadden de glateks al zooveel van gegeten, dat het niet zou hinderen, wanneer Saleiman er ook nog een handje van kaapte. Tevreden neuriënd liep Saleiman voort.

De maan stond achter hem en al neuriënde richtte onze vriend zijn blik op de loopende schaduw voor zich. Zijn toch al gedrongen lichaampje leek in dien schim, die met potsierlijke beentrekkingen voortstapte, nog gedrongener. Ter zijde van het hoofd staken twee zwarte vlekken uit.

Saleiman hield op te neuriën. Droevig en met iets grimmigs om den mond, staarde hij naar de mismaakte gestalte daar voor hem op den grond.—Een vleermuis fladderde onder de boomen door, over den weg, en de beide schaduwen streken over elkaar. Saleiman zond haar een verwensching na en ging onder de boomen loopen, waar de maan niet kwam.—Als hij in de val een tijger vond, zou hij..... zou hij hem met een puntige bamboe steken tot hij brulde van pijn. Hij zou buiten eerst een vuurtje maken en daar de punt van de bamboe in laten gloeien en den tijger dan het vlammende einde in den muil steken en in de neusgaten en in de oogen! „Si-Kampret!” Allemaal noemden ze hem: „Si-Kampret!” Al voortgaand, begon hij zachtjes te snikken.

Maar allengs kwam onze vriend weer tot blijder gedachten. Dolimah zei altijd: „Saleiman!” Zij had het natuurlijk wel gehoord, dat de anderen: „Si-Kampret!” geschreeuwd hadden, en toch zei ze altijd Saleiman tegen hem. Wacht: straks zou hij nog wat op zijn soeling spelen, dan vergat hij alles. En zijn djangkrik was lekker de sterkste van allemaal! Hij zou hem nog meer Spaansche peper geven en wel oppassen voor Sanip met zijn smerige trassi!

Saleiman was weer bij de plaats gekomen waar hij moest terugloopen. Nu scheen de maan hem vol in het gezicht en haar stralen daalden zachtkens in Saleiman’s ontvankelijk zieltje. Hij werd trotsch en dapper en liep rechtop.

Zat daar geen uiltje in den boom? Ja! Het gluurde hem aan. Saleiman raapte een steen op en wierp. Een lichte slag; het uiltje tuimelde beduusd omlaag, en Saleiman greep het achter den kop. Onder het bekje bloedde het.

„Goed gegooid”, prees Saleiman zichzelf. „Ik zal muizen voor je vangen, jonge muisjes uit de nesten onder de galangans. En een kooitje zal ik voor je maken, een klein kooitje voor jou alleen, want anders pik je mijn glateks en mijn kentilan nog met je scherpen snavel!”

Het uiltje siste, sperde den bek half open en keek Saleiman met zijn starre, gele spleetoogen aan.

„Misschien ben je wel een booze geest”, zei Saleiman. „Maar ik heb toch mijn djimat, en in elk geval ben je een domme geest om je van dien tak te laten gooien!”

Zijn gevangene in de hand omsloten, kwam hij bij de dichtgeslagen val. Saleiman legde het uiltje met gebonden pootjes op den grond, wist zich langs een stam, die naast de kooi groeide, tegen den wand op te werken en keek over den rand.

Van verbazing viel hij weer omlaag.

„Saleiman!” schreeuwde Harmen van binnen. „Waar zit je? Hier, hak een bamboe om en steek hem naar binnen!” En Harmen gooide zijn mes naar buiten, zoodat Saleiman het haast op zijn bol kreeg.

Maar Saleiman had al een plan gevat. Hij klauterde weer in den boom, sneed een rotan af, ontdeed dien van de dorens, knoopte het boveneind stevig om een tak en wierp het ondereinde in de val. In een ommezien werkte Harmen er zich in en sprong van de palissade op den beganen grond, toen Saleiman nog trachtte zonder scheur in zijn sarong af te dalen.

Harmen zuchtte diep, streek over zijn zitvlak, zag het gebonden uiltje liggen en raapte het op. „Is ie van jou?” vroeg hij, toen hij zag, dat Saleiman er weifelend naar keek. „Alsjeblieft! ’k Zal je niets afhalen.” Hij reikte Saleiman het uiltje en nam hem het mes uit de handen. „Lekker bot geworden, zeg! Ajuus en..... eh, trimah kassi, hoor! Bedankt!”

En Harmen spoedde zich voort, met moeite een weg banend door de dichte struiken.

Maar hij werd moe en bleef aarzelend staan. Waar was hij nog maar weer vandaan gekomen? Het zweet brak hem uit. Zou de zaak nou weer scheef gaan? Woest brak Harmen zich baan. Hij had daar straks de maan aan bakboord gehad,—die koers zou hij dus maar houden.—En eindelijk..... ja! Daar schemerde het weggetje tusschen de boomen. Sterk als een reus worstelde Harmen zich voort. Ziezoo, nu was hij er! Zoo op het eerste gezicht herkende Harmen het pad niet. Aan een zijde bamboe, aan de andere zijde zwarte zuilen met rafelige, woeste kronen tegen de bleeke lucht.

Wacht! Harmen dook in de struiken weg: daar, vlakbij, kwam iets aan! Een Maleier! En..... en..... wat hield hij onder den arm, glanzend in den lichtval van de maan? Harmen snoof van woede: het was het pantervel!

De man stond stil. Hoekig en bottig en als met een knuppel schots en scheef geslagen vlekte de gestalte tegen het maanlicht. „Si-apah?” vroeg de Maleier.

„Ikke”, zei Harmen. Hij sprong naar voren, sloeg den Inlander tegen den grond, ontrukte hem het pantervel en snelde er mee weg in de richting, vanwaar de Maleier gekomen was. Immers: daar moest het hol zijn! Want dat de kerel de huid gestolen had stond voor Harmen vast.

Hij belandde op het plateau, liet zich langs het laddertje omlaag glijden, kwam op zijn achterwerk beneden, krabbelde weer op en stapte het hol binnen.

„Harmen.....?!”

Harmen snoof, wierp de huid voor zich neer op den grond. „Alsjeblieft, daar hebben jullie de huid terug! Is er nog wat te bikken?”

Met groote oogen staarden de anderen hem aan.

DE VLUCHT

„Zoo gauw mogelijk onze biezen pakken,” zuchtte Rolf, toen Harmen zijn heldhaftig avontuur had opgedischt. En hij legde hem in twee woorden uit hoe de vork in den steel zat. „De doekoen zal de zaak niet op zich laten zitten!”

„Wat een akelige giftmenger!” gromde Harmen, die zich inderhaast over het fazantenboutje ontfermd had, dat voor hem bewaard gebleven was. „Hoe moeten we nou met Padde aan?”

„We dragen hem.”

„Goeie morrege!”

„Het moet. We spannen de panterhuid tusschen twee stokken,—dan hebben we een baar. Vooruit, jongens!” En hij legde Dolimah vlug even den toestand uit.

Hajo en Harmen togen aan het werk, hakten aan den anderen kant van het plateau, waar de bamboebosschen stonden, twee stelen van gelijke lengte af, knoopten er met rotan de huid tusschen. Rolf maakte uit een der bamboes, die daarstraks nog voor de „zonnetent” dienden, een „pikolan”, om het huisraad en de levende proviand er aan te vervoeren. „Zijn jullie klaar?” vroeg hij. „Dan moet Padde naar boven!”

Daar kwam in het maanlicht een kereltje aanhollen: Saleiman! Hijgend vloog hij op de jongens af. „De doekoen is boos, en nu zijn ze met velen, met velen op weg hier naar toe!”

„Daar heb je het al”, stamelde Rolf.

Harmen vloog het laddertje af, het hol in, nam Padde op.

„Hou je goed vast, Padde? Ik zal je naar boven dragen!”

Geen antwoord. Padde’s hoofd hing slap neer naast dat van Harmen.

Met behulp der anderen droeg onze pootige vrind den slapenden Padde de ladder op en vleide hem op de baar. Hajo legde den zieke nog wat zachte varens onder het hoofd,—toen tilde hij samen met Rolf de baar op..... en daar ging het heen!

Saleiman voorop, den pikolan op den schouder, den arm er overheen geslagen en met ietwat gebogen knieën voortschrijdend in den soepelen, snellen gang van den lastdragenden inlander. „Ikoet Sadjah”, zei hij bemoedigend, terwijl hij den weg insloeg, die van het dorp wegleidde, „volg mij maar.....”

Zoo deden ze. Dolimah en Harmen torsten de wapens. Joppie had gedurende het verblijf in het hol een lui en droefgeestig bestaan gevoerd, maar nu de tocht weer verder ging, kwam er ook in Joppie weer leven, en met fier opgerichten staart dribbelde hij nog weer voor Saleiman uit. Het was een zonderlinge karavaan daar in het maanlicht.....

Plots hoorden ze, links voor zich uit, het gillen van een of ander dier. Verschrikt hielden ze hun gang in,—behalve Joppie, die met gestrekten hals en slap hangende ooren vooruit stoof.

„Tjelleng!” stelde Saleiman vast. „Een wild varken.....”

Maar Harmen verstond het niet. „M’n hert!” riep hij in vervoering uit. En met groote sprongen rende hij achter Joppie aan, holde een bocht om, met beide armen de takken en twijgen afwerend. Wat was dat? De bovenste strik hing nog onberoerd, en aan den ondersten rukte uit alle macht een wild biggetje. Keffend en grommend sprong Joppie er omheen.

„Een varken.......!!” mompelde Harmen, teleurgesteld. „Kom hier, mormel, dan zal ik je helpen.”

Maar de kleine gevangene scheen van Harmens hulp weinig goeds te verwachten, rukte aan den rotan om zijn hals, dat hij bijna stikte. Harmen greep het diertje, bevrijdde het van den rotanstrik, bond met een slag de achterpooten samen. „Ziezoo, nou mag je met Harremen mee!”

De anderen waren er nu ook bij gekomen. „Laat eens kijken je hert?” vroeg Rolf, glimlachend ondanks de weinig rooskleurige omstandigheden.

„Een hert is het niet”, zei Harmen. „Maar aan het spit is ie toch beter dan een bijbel met gouden slotje!—Blijf af, Joppie!”

En de knapen gingen weer voort, nu en dan stilhoudend om te luisteren, of hun vervolgers hun al op de hielen zaten. Na een tijdje wisselde Harmen met Hajo als drager, en later loste Hajo Rolf af. Padde sliep nog even rustig.

„Ben jij nog niet moe, Dolimah?” vroeg Rolf. „Anders rusten we even.”

Saleiman keek ontsteld.

Dolimah wendde zich tot hem. „Moeten we nog verder, Saleiman?”

„Eh-eh!”

„Hoever nog?”

„Niet ver meer. Dan kunnen ze niet meer volgen.”

En de stoet ging voort.—Het bosch hield op; de grond werd rotsachtig. Hier en daar nog wat struiken, dat was alles. En eensklaps stonden de jongens voor een kloof. In de diepte schitterde een stroompje. Aan de andere zijde strekte zich een kale vlakte uit, heel ver weg begrensd door in maanlicht gedrenkte bergen. Er lag een roerlooze rust over. De lucht glinsterde van sterren.

„Zie!” en Saleiman wees met zijn bruine armpje rechts de kloof af. „Daar is de brug.”

Waar de kloof het smalst was, hing een soort rotan-hangmat. Moest dat een brug voorstellen?

„Als ge over de brug zijt, moet ge ze loskappen!” zei Saleiman.

Zijn raad was overbodig: allen hadden hetzelfde al gedacht.—Nu stonden ze voor de brug. Zou ze wel vertrouwd zijn? Toen Harmen er een paar passen op deed, zwiepte ze geducht door.

Dolimah zag zijn aarzeling. „De brug is sterk”, verzekerde ze.

„We zullen het er maar op wagen!” zei Harmen. „Als we met z’n allen het water in vliegen, kan je tenminste niet zeggen, dat we van dorst gestorven zijn!”

„Jij blijft nu zeker hier, Saleiman?” vroeg Rolf.

„Ja! Hij zou immers niet meer terug kunnen, als we de brug kappen!” antwoordde Dolimah.

Rolf keek haar even aan. „En jij ook niet, Dolimah....!”

Saleiman toonde plots groote belangstelling, staarde met wijd open oogen naar Dolimah.

„Ik kan immers tòch niet terug.....” zei het meisje zacht.

Toen kwam Saleiman met een vraag, die men van zoo’n schuchter kereltje niet verwachten zou en die hij er dan ook met onvaste stem uitbracht: „Waarom niet, Dolimah?”

„Oh!” zei Dolimah, hem lief en verrast aankijkend, „het is al zóó ver naar mijn kampong, Saleiman.”

„Ik wil je er brengen, Dolimah!” beloofde Saleiman haastig.

Dolimah bleef hem lief, met droeve oogen aanzien. „Ik dank je, Saleiman! Ik dank je voor alles..... maar ik kan niet terug.”

Saleiman zei niets meer,—hield het hoofdje rechtop. Een traan blonk in zijn groote oogen.

De anderen gingen de brug over. Het was met Padde’s baar moeilijk balanceeren. Dat die brug ook zoo zwaaide!—Toen ze aan den overkant waren, kapte Harmen de hoofdstrengen los. Daar viel de vloer uit de brug, sloeg in wijden boog tegen den anderen wand; een paar bamboes gleden er uit en schoten als pijlen in den stroom daar beneden. De weg was afgesneden!

Aan den overkant stond Saleiman in het maanlicht. Hij scheen schraler en magerder dan ooit: het was alsof men door hem heen kon zien, en zijn ooren leken nog grooter dan anders.

„Dag, Saleiman!”

Geen antwoord. Eerst toen de knapen zich hadden omgekeerd en, koers nemend op de sterren, in Zuidelijke richting hun weg vervolgen wilden, riep Saleiman: „Tot nieuwe maan, Dolimah..... tot het begin der poeasah (vastenmaand) zal ik iederen avond..... hier wachten.....!”

„Maar ik zal niet komen, Saleiman.....” antwoordde Dolimah.

Saleiman zweeg. Zoolang de jongens in den maannacht de plaats konden zien waar de brug gehangen had, zoolang ook zagen ze Saleiman staan, eenzaam en star als een beeldje.

Nu de angst voor vervolging voorbij was, voelden ze hoe moe ze waren. De voeten deden pijn van de scherpe steenen.

Bij een paar struiken legden ze zich neer en sliepen in onder den met sterren bezaaiden hemel.

Den volgenden morgen bij het ontwaken scheen de zon hun recht in het gezicht. De knapen keken eens om zich heen. Geen vogel, geen vlinder, geen eekhorentje, alles starre, levenlooze steen. Daar, ver voor uit, de blauwe bergen.

Padde sliep nog altijd. Ze dekten hem met varens het gezicht af tegen de zon.

Verder maar weer! Ze aten een handjevol rijst met gedroogde visch, pakten hun boeltje op. Het biggetje kwam nu met de pootjes naar beneden in den pikolan te hangen en trachtte in de lucht weg te zwemmen.