De Scheepsjongens van Bontekoe

Part 28

Chapter 284,033 wordsPublic domain

Saleiman richt zijn oogen in het vuur, brengt de fluit aan zijn lippen en..... hoor! daar dansen de vlammetjes al. Een windvlaag strijkt als een moede vogel in het ravijn neer, roert zich nog een weinig, doet de vlammen wat hooger oplaaien. De fluit volgt. Nu is het weer stil; de vlammen worden kalm. De fluit volgt.—En dan gaat Saleiman fantaseeren. Hij houdt zijn oogen star in het vuur gericht; zij puilen naar voren, en het oogwit blinkt uit het bruine gelaat op, dat van inspanning donkerder wordt. Saleiman toovert een woesten brand. Roode vlammen komen diep van onderen op, laaien omhoog, worden hel-geel en eindigen in een lange, kronkelende punt. Hoei.....! Hoei.....! Hoei.....!—Eindelijk houdt Saleiman op, hijgt, een triumfantelijken glimlach om de lippen. Dan, plots, slikt hij iets weg, kijkt schuchter naar zijn fluit.

„Nu de twee vogels!” zegt Dolimah. „Ken je de twee vogels ook?”

„Eh-eh.”

Hoor! daar zingt de eene vogel al! Omlaag, omhoog, een kristalheldere triller, een lange, lokkende roep..... Er gaat een betoovering uit van dit magere, leelijke joggie met zijn flap-ooren en zijn litteekens.—Nu de andere vogel! Ojé, die wil den eersten nadoen..... maar het lukt niet! Hij krabbelt van de eene noot naar de andere, zwelt van eigenliefde als de triller hem zoowat gelukt, maakt er nog een fraai haaltje aan. Dan de lokroep aan het slot: schor en onzeker.

Dolimah lacht. „Je kunt het goed, hoor! Wie heeft het je geleerd?”

Saleiman zwijgt, kijkt naar boven en snuift.

„Speel nu eens het allermooiste wat je kent, Saleiman?” vraagt Dolimah.

Saleiman ziet Dolimah schuchter, aarzelend aan. Dan brengt hij de fluit aan de lippen, sluit de oogen. In zachten, droeven toon zet hij in; moeizaam slepen de tonen zich voort. Dan even een pauze, en plots klimmen de noten omhoog als om naar iets uit te zien. En nu volgt een teere, zoete melodie, met zachte, lichte schreden voortgaand, hooger, steeds hooger, tot in de wolken van Saleiman’s verbeeldingskracht. Saleiman houdt van dit wijsje, hij laat het weer vallen en dan weer klimmen, zooals om den wijnstok zich de ranken winden vol teere bloesem..... Dan plots stokt het wijsje in een schrillen toon, alsof een ruwe knaap het afsloeg. Saleiman laat de fluit zinken, haalt diep adem, brengt ze dan weer aan de lippen en zet weer in de droeve wijze van daarstraks in. Steeds weeker en zachter, tot eindelijk de laatste toon versterft..... Dan opent Saleiman de oogen en staart den hemel in.

Dolimah vraagt zacht: „Wat was dat, Saleiman?”

Saleiman zwijgt.—Een groote traan welt in zijn oogen op.

„Nu, hoe heet het wijsje?” dringt Dolimah aan. „Heet het..... Saleiman?”

Saleiman krabbelt haastig overeind.

„Moet je weg?”

Saleiman knikt met afgewend gelaat. Dan scharrelt hij uit zijn sarong een doosje op en schuift het open. Op den bodem zit een vuurvliegje gekleefd. Dat zal Saleiman onderweg tegen de booze geesten beveiligen.

De jongens zien den kleinen flap-oor nu met gansch andere oogen vertrekken. Als hij zijn sarong omslaat om het laddertje te bestijgen, ritselt een slang tusschen de struiken omlaag, de helling van het ravijn af. „Eh, gagit!” roept Saleiman ontzet en vliegt met zijn soeling en dievenlantarentje omhoog.

Harmen heeft een diepen zucht geslaakt. „Had ik m’n fiool maar, dan speelden we samen eens een moppie!” Maar geen der anderen loopt erg warm op dien wensch. Gelukkig merkt Harmen het niet.

Joppie ligt in Padde’s armen te snurken. Hij wou daarstraks met de fluit instemmen, kreeg daarvoor van Harmen een schop, zocht, als gewoonlijk, in den slaap vergetelheid en vond ze ook.

„Zullen wij nog wat bikken voor we gaan slapen?” vraagt Harmen. „Door die fluit heb ik alles vergeten: ik had de maïs willen poffen.”

Niemand heeft eetlust.

De jongens gooien flink wat hout op het vuur—en gaan slapen.

HARMEN VINDT EEN GEITJE

Den volgenden morgen vloog Harmen met een schreeuw overeind: „De zon! De zon schijnt!!”

Daar stond ze, al hoog boven de bergen. Laaiend goud. Haar koesterende warmte vulde het dal, waaruit de dampen opstegen. De gansche hemel was blauw gepenseeld, glansde nog van de natte verf. Over de boomen was een kwastje frisch groen gegaan; de bloemen stonden als gemorste spatjes rood en wit en geel en blauw op de struiken.—En hoor het schetteren in de boomen! Daar duikelen ze, de groene parkietjes met hun grijze kopjes en lichtgele, kromme snaveltjes; daar fladderen ze en koekeloeren ze, de bronsgroene glansduiven, de koekoekoerrr..... roepende tortels, de vruchtduiven met de parelgrijze onderkanten der vleugels en met de roodbruine manteltjes, waarover een purperglans ligt. Als ze van den eenen tak op den anderen fladderen, druppen er diamanten van de boomen. En een honingdiefje zwiert in een boog naar zoo’n vallend edelsteentje en vangt het in de vlucht.....

Groote vlinders,—koninginnen! dwalen van bloem naar bloem, maken voor den kelk een révérence op vlindermanier—door het even neerslaan van de vleugels en het daarna statig weer rechtop zetten van die broze, kleurige, oneindig sierlijke dingskes—, spreken (om de bloem genoegen te doen) kwaad over andere bloemen, koketteeren met het zonlicht op hun wieken en kussen het gouden bloemenhart.

Hoe weldadig brandt de zon op de natte kleeren! De jongens zitten voor het hol, in verrukking starend over het ravijn. Hoe prachtig zijn nu die groene hellingen met die groote, grijze steenvlekken, die gisteren nog zoo triest schenen. Nu staan ze vol kleur, en het groen rondom is vol afwisseling.—Hoe mooi is het nu ook op het plateau! Waar komt ineens al dat leven vandaan? Waar scholen al die vogels en vogeltjes, die nu de wereld vullen met hun zang en gesnaper? Waar scholen die bonte kevertjes en torren, die nu in groote, snel en sierlijk getrokken spiralen voortsuizen? Zie, daar zweeft een vliegend draakje onder de boomen door, de roode valschermen wijd open, den staart als een roer achter zich aan. Het diertje slaat plat tegen een stam neer en schiet omhoog.

De jongens rekken zich in de zon. Ook de boomen rekken zich; het is alsof hun wortels zich straffer spannen en hun takken zich uitstrekken naar de zon. Ook de bloempjes, gisteren nog slap en met gebogen kopjes, rekken zich; het is een strijd wie de meeste kevertjes en vlinders lokt.

Padde is naar buiten gekropen. De anderen schrikken als ze zien hoe bleek en mager zijn gezicht geworden is en hoe flets zijn oogen staan.—„Kom, ga wat in ’t zonnetje zitten, Padde! Het is nu nog best te verdragen. Is het niet lekker zoo?”

„Fijn.....” zucht Padde. Dan sluit hij, vermoeid ademend, de oogen. Van verder trekken zal voorloopig nog geen sprake kunnen zijn.

Hajo en Harmen gingen weer naar hun strik kijken, maar vonden nog steeds geen gevangen hert. „Als ik dáár wat van snap!” riep Harmen spijtig uit. Tegelijkertijd struikelde hij bijkans over een argusfazant, die krijgsgevangen was, vóór hij het zelf wist. Het was een haan, prachtig geteekend; de twee zwarte staartveeren maten wel anderhalve el.

Toen ze thuiskwamen, was Rolf druk in de weer, het hol wat bewoonbaarder te maken. Hij sneed droog gras en bedekte er den bodem mee, die nu veerde als een mollig tapijt,—spande de panterhuid voor het hol op een paar stokken uit, zoodat ze een zonnetent vormde, waaronder Padde beschut lag en toch de vrije buitenlucht inademde.

Rolf bewonderde de vangst. „De fazant zal een best middagmaal opleveren! En Dolimah zoekt wat vruchten en kruiden; daarvan zal ze ook wel weer iets fijns weten te koken; dan hebben we nog rijst, een paar gedroogde visschen, maïskolven, voor Padde twee eieren, potten om in te koken.....”

Harmen sloeg zich van plezier op de knieën. Hè! die zon deed je ook zoo goed,—daar werd je weer een ander mensch van! Kijk, Harmens polsen en nek begonnen al te vervellen.

„Als we hier toch nog wat moeten blijven, zullen we ook huisraad maken”, zei Rolf. „Wat zou jullie zeggen van een paar bankjes en van een tafel?”

„Wel ja”, zei Harmen. „En een paar kasten in de muur, waarin ik ’s avonds m’n japon kan uithangen!” De laatste woorden waren galbitter uitgesproken.

„’k Zal er voor zorgen”, beloofde Rolf glimlachend. „Help jij me vandaag een handje, Hajo?”

„Nou”, zei Harmen, „dan ga ik er nog eens alleen op uit! Zien, of ik niet nog wat bij de pluimen kan pakken!” En met zijn speer gewapend, toog Harmen er op uit. De onrust zat hem in het bloed,—dat deed ’m de zon!

Op goed geluk baande hij zich een weg. Rits! daar schoot een hagedis weg. En daar..... een soort patrijs dribbelde onder de lage struiken weg. Harmen liet zich voorover ploffen. Ja, goeie morgen! Schrammen in zijn gezicht, een doorn in zijn vingers. En de patrijs? ’t Nakijken had Harmen!

Hij kwam aan een open plek. Hoe stil was het hier! Als in een kerk! Wacht, zat daar geen duiven-nest? Harmen wipte den boom in. Wel ja, meneer zat zelf op het nest! De duif merkte het naderend onraad,—vloog met veel misbaar op. „’t Werd tijd”, meende Harmen. „Als je nog even was blijven zitten..... twee eiers!” Zouden ze versch zijn? De duif had er al op gezeten.....!—Harmen bekeek de eitjes tegen het licht. „Ik gelóóf.....—Wel, laat ik ze straks even in het water leggen, dan weet ik het.” Hij borg de eieren in zijn mond en daalde met bolle wangen af. Kra.....ak! daar knapte een tak; Harmen greep zich net bijtijds aan een anderen, hing even in de lucht, sloeg toen zijn beenen weer om den stam, kotste een gelen vloed eierstruif omlaag.

„Tòch bedorven!” gromde hij en belandde al spuwend weer op den beganen grond, rukte de eerste de beste vrucht af, die hij maar hangen zag—een groen, langwerpig vruchtje, dat onderaan in een punt eindigde—en hapte er in, om den smaak der vuile eieren althans kwijt te zijn. Maar de tranen sprongen onzen vroegeren koksmaat in de oogen, en vol afkeer spuwde hij het groene goedje uit.

Spaansche peper!

Stil! Wat hoorde hij daar? Een schaap?? Harmen drong omzichtig voort in de richting waar hij het geluid vernam. Daar.....! (tusschen de boomen glurend kon hij het zien) een geitje! En..... ’t zat vast! Aan een paaltje. En..... in een soort gangetje stond het! Aan beide zijden waren zware balken in den grond gedreven.—Als Harmen dáár wat van snapte..... een vastgebonden geitje hier in het bosch, waar het zoo te zeggen aan de tijgers was overgeleverd.....? Waar diende dat gangetje voor? En waarom was het touw zoo kort? Het diertje kon nauwelijks grazen!—Wacht! Het zou..... het zou toch geen tijgerval zijn? Juist! Daar zag Harmen tusschen het groen aan iederen kant een valdeur! Als de tijger binnenkwam om het geitje op te peuzelen, zeiden de deuren: klap! en de tijger zat veilig opgeborgen!

„Mè-è-èh!” blaatte het arme geitje.

„Stil maar, ik kom bij je!” beloofde Harmen medelijdend. „Harmen zal je niet door de tijgers laten verslinden, hoor! Wacht maar, je mag met Harremen mee naar het hol, en als de nood aan den man komt..... Sjonge-jonge, wat een dikke valdeuren! Als die dichtklappen.....! Nou, stil maar, ik kom al!”

„Mè-è-è-èh!” begroette het geitje Harmen met een vreugdevolle trilling in de stem.

„Goeie morgen!” zei Harmen. „Tja, kameraad, hoe kom ik nou bij je, zonder zelf in de fuik te zwemmen?—Wacht!” Harmen stak zijn lange speer naar voren en begon met het scherpe lemmet het touw door te zagen. Nietwaar? Zoo kon er niets gebeuren!

Het geitje hielp, spande—waarschijnlijk uit angst voor de speer!—de rotan, waaraan het gebonden was. Maar toch ging het doorzagen uiterst langzaam.

„Sta dan toch stil, sik! Je ziet immers zelf wel, dat ik er zoo nooit doorkom!” mopperde Harmen.

„Mè-è-è-èh!” blaatte het geitje hulpeloos.

„Ja, met mè-roepen komen we er niet!” verzekerde Harmen.

„Mè-è-è-èh!” Het diertje zette zich schrap, rukte uit alle macht. Toen opeens vloog het met de kleine horen-knopjes tegen den houten zijwand. Het touw was gebroken.

„Da’s mijn kop niet”, zuchtte Harmen voldaan. „Kom, sikkie?”

Het geitje lag op de knieën tegen het houten beschot, krabbelde overeind en nam in zijn beduusdheid een aanvallende houding tegen Harmen aan, den kop gebogen, de horenstompjes geveld. Toen draaide het zich eensklaps om en wilde er met hupsche sprongetjes vandoor gaan.

„Hier!” schreeuwde Harmen verontwaardigd, vloog uit zijn knielende houding achter het geitje aan. Maar, door de kooi snellend, zakte een der planken een weinig weg; Harmen struikelde; twee zware slagen volgden. En toen Harmen verward en nog niet begrijpend opkeek, waren de deuren dichtgevallen, en Harmen zat opgesloten.

„Smerige sik!” schreeuwde Harmen met tranen in de stem het daar buiten voorthuppelende geitje na. „Daar wil ik hem helpen en.....!” In razende woede nam hij zijn speer op, slingerde haar uit alle macht in een der deuren. Er vloog een splintertje af; de speer sidderde en viel neer. De deuren waren van djati,—het hout, waarop zelfs de witte mieren vergeefs haar krachten beproeven.

Rechtop stond Harmen, hijgend, met opeengebeten lippen. De tranen stroomden over zijn bruine wangen. Hij moest er uit, dat stond bij Harmen vast. Maar hoe? De wand was aan alle zijden wel vijf ellen hoog; de grond was, evenals de wanden, uit dikke planken gevormd, welker uiteinden onder den zijwand lagen, zoodat er van uitlichten geen sprake kon zijn. Harmen wierp zich op de knieën en begon in het hout te kerven. Maar na een half uur razend werken zag hij het hopelooze ervan in en wierp zich luid grienend, schokkend met het heele lichaam, in een hoek.

Toen hij zoo’n beetje was uitgehuild en het hemzelf begon te vervelen, keek hij weer op. Hoe stil was het! Als hij eens ging schreeuwen?—„Hoy! Hèllep!” klonk Harmen’s schorre stem. Hoor hoe het geluid echode in het stille woud.

Geen antwoord. Toen plots, heel uit de verte: „Mè-è-èèh!”

De jongen schreeuwde opnieuw. Toen vlug achtereen om zijn eigen echo niet te hooren: hij was er bang voor. Eindelijk zweeg hij, heesch geschreeuwd. „Hoy.....” klonk het van alle zijden. „Hèllep! Op-ge-sloten.....”

Harmen stopte de vingers in de ooren. Hij ging met den rug tegen een der deuren staan en duwde uit alle macht. Geen beweging te bespeuren. Tegen de andere deur! Zat al even wrikvast. Plots, in dolle woede, begon Harmen met de hielen te schoppen, dat ze paars en blauw geschaafd werden. „Ga je weg!” gilde hij.

„Ga je weg-weg-weg-weg.....” klonk het van alle zijden.

Harmen verbleekte, bleef met een huivering staan. Hij baadde in het zweet. De zon fonkelde tusschen de bladeren der bamboes boven zijn hoofd.

Wacht! Hij zou de speer als polsstok gebruiken en met een fermen sprong.....! Kalm nu! Harmen ging aan het einde van de kooi staan, den rug tegen de deur om zijn aanloop zoo groot mogelijk te hebben. Daar, bij die spleet, zou hij de speerpunt planten en dan, met een geduchten afzet, boven op de andere deur belanden.

Daar ging Harmen! Hij sprong, de handen om den top der speerschacht, zwaaide in wijden boog de lucht in.....!

Toen brak de speerschacht, en met een doffen smak kwam Harmen weer op de planken terecht. Duizelend stond hij op, trachtte zich te grijpen, wankelde, sloeg weer neer en bleef liggen.....

Toen hij eindelijk met een zwaar gevoel in zijn hoofd de oogen opsloeg, was het al laat in den middag, en de vogels, die daarstraks in de uren der grootste hitte gezwegen hadden, schetterden nu alle dooreen. Harmen was aanvankelijk verwonderd. Zeer verwonderd. Toen kwam onverwachts een vaag gevoel van onrust in hem op; hij greep met de handen naar zijn hoofd, trachtte zich iets te herinneren. Hij krabbelde overeind, duizelde weer, leunde met gesloten oogen tegen den wand, hoorde het vogelgerucht heel, heel ver weg. Toen werd het beter. Hij opende zijn oogen, zag de balken van zijn hok.

Opgesloten zat hij. Aan zijn pijnlijke oogen voelde hij, dat hij gegriend had. Dat hielp dus niet veel. Straks, of anders morgen zouden ze wel komen, die smerige kannibalen, die de val hadden neergezet, en hem oppeuzelen. Harmen zuchtte; de zucht eindigde in een snik.

„Hèllep!” schreeuwde hij. „Hèllep!”—Hijgend luisterde Harmen. De vogels in de buurt hielden verbaasd met hun geschetter op. Toen gingen ze weer door, overstemden de echo van Harmen’s roep.

Harmen vond, dat alles zich tegen hem keerde. De boomen in hun harteloos zwijgen, de vogels in hun inhoudlooze schettering. Harmen nam de afgebroken speerschacht op en trachtte er een papegaai mee dood te gooien, die, zich vastklemmend met bek en pooten, langs een twijgje naar een langwerpige vrucht scharrelde. Verschrikt krijschend fladderde het dier weg.

Harmen ging zitten, staarde op den wand tegenover zich. Zouden zijn vrienden hem zoeken? Harmen dacht eens na hoe ver hij wel van het hol was. Hij was in Westelijke richting gegaan; eerst had hij achter dien patrijs aangezeten; toen..... Al denkende, begon Harmen fantasieën te spinnen om alles wat er gebeurd was. Onwillekeurig zocht hij al hoe hij dit avontuur later zou kunnen opsmukken met allerlei tierelantijntjes. Een tijger was over den houten wand heen pardoes in het hok gesprongen en met Harmen een gevecht op leven en dood begonnen. Natuurlijk overwon Harmen, anders zou-d-ie het nou niet kunnen vertellen, nietwaar? Hij greep het monster bij z’n halsband, brak het de slagtanden uit. Toen was het zoo mak als een lammetje geworden. Het had Harmen een poot gegeven en gezeid: „Dat lap je ’m, Harmen!” Toen hadden ze samen ’t Javaansche volkslied gezongen, en.....—Harmen sprong op, haalde diep adem. Was het mogelijk, dat hij er zich nu mee bezig hield hoe hij later dit bitter ernstige geval met fraaie krulletjes zou opsieren? Had hij dan niets beters te doen? Ach, de wereld was een poppekast; de menschen wist zelf geen ernst van zotheid te onderscheiden.....

Het was wel ver met Harmen gekomen, dat hij er de menschen en de wereld de schuld van gaf, dat hij, Harmen, zoo dom was geweest in een val te verzeilen, die niet eens voor hem was neergezet.

De schemering viel in, en met haar sloop de angst in Harmen’s boezem. Zijn sterke verbeelding tooverde hem de gruwelijkste dingen voor. Hij kroop in een hoek, sloeg de handen voor de oogen.

Toen hij ze weer opende, was het donker geworden. Maar boven de andere deur, aan de overzijde, keek de maan door de stelen der bamboe. Bleek,—nog zonder glans. Ze kalmeerde Harmen. Hij keek er lang naar, zuchtte.

Toen begon Harmen te dichten, maakte er overeenstemmende gebaren bij, stelde zich met het gelaat naar de maan in de fraaiste houding op, die men zich maar denken kan.

„Ik zit hier in een hokkie! Eerst viel ik van m’n stokkie, Maar nou is de maan Aan het schijnen gegaan. En, om me te verlichten, Sla ik wat aan het dichten. Ik heb een sik bevrijd En leef in eenzaamheid.....”

De maan werd zilver. Krekels tsjirpten. Muskieten gonsden om Harmen’s hoofd.

Rikketikketikketik! Een boomkikvorsch. Het krekel-concert nam gedurig in toonsterkte toe; steeds nieuwe muzikanten stemden in. Stillekes zat Harmen te luisteren naar den gewijden zingzang der Indische nachten, weerde nu en dan met de hand de muskieten af. Een vogelroep. Van de andere zijde antwoord. Een windvlaag deed de boomen zuchten.

Plots spitste Harmen de ooren, richtte zich verschrikt overeind. Daarbuiten werkte zich..... een dier..... tegen den houten wand op! Rillend over het gansche lichaam, greep Harmen het stuk schacht met de speerpunt,—wachtte hijgend op wat komen ging.....

Zie! Daar stak iets zwarts boven de palissade uit; een bruin gelaat met groote, verschrikte oogen en wijd uitstaande flapooren volgde, stond als een zwart portretje in de omlijsting der maan.

Het was Saleiman.

PA-SAMIRAH DE DOEKOEN

Toen Harmen dien morgen zijn makkers verlaten had, sloegen Hajo en Rolf aan het vervaardigen van de meubels. Gemakkelijk ging het zeker niet met de gebrekkige werktuigen waarover de jongens beschikten!

Na lang ploeteren stond er een tafel van bamboe. De jongens bekeken hun maaksel vol trots. „Wat zullen we nou maken, Rolf?”

„Lepels”, zei Rolf. „En kommen en bekers en een kan...”

Inderdaad: de bamboe leende zich voor alles. Bekers waren al eenvoudig genoeg te maken: de schotten in het hout dienden voor bodem, en met het mes werd de bovenkant netjes bijgesneden. Voor lepels namen ze halve kokosnoten: je haalde er de vezels af, wrong er een bamboetje in, en klaar was Kees!

Terwijl Dolimah dien morgen kruiden en voedsel aan het zoeken was, kwam Saleiman aandrentelen, een kip onder den arm. „Dag, Dolimah!” zei hij schuchter en bleef op een afstand staan.

„Eh, Saleiman?—Heb je nu toch weer gestolen?”

Saleiman zweeg, keek Dolimah bedeesd aan.

„Merken ze er niets van, dat je voor ons steelt?” vroeg Dolimah.

„Jawel”, zei Saleiman, „maar ze denken, dat het een booze geest is. Er is er een in den klappertuin geweest en heeft Si-Karto gezegd, noten voor hem te plukken. En een tijger heeft Towikromo’s hond weggesleept. Ze hebben nu in het bosch, niet ver hier vandaan, de val weer klaargemaakt. En morgen gaan we kijken, of hij er al in zit, de roover.”

„Zeg, Saleiman”, vroeg Dolimah, „hoe heet jullie doekoen?”

„Onze doekoen heet: Pa-Samirah.”

„Heeft hij goede tooverspreuken?”

Saleiman knikte. „Hij Heeft zóó sterke rapals, dat je de muizen er mee de sawah’s kunt uitdrijven! En oude poesaka’s heeft hij, wel duizend jaar oud; daar is een kris bij, waarvoor alle spoken bang zijn.”

„Dan is de doekoen zelf zeker ook al héél oud?” vroeg Dolimah.

„Hij weet zelf niet meer hoe oud hij is!” bevestigde Saleiman trots.

„Zeg, Saleiman.....”—Dolimah aarzelde een oogenblik—„zou je..... toe, beproef eens, of je hem hier kunt laten komen.”

Saleimans oogen werden groot.

„Zeg hem.....zeg hem, dat hij een panterhuid krijgt!”

Saleiman boog het hoofd. „Ik zal het beproeven”, beloofde hij. En hij wilde zijn biezen pakken.

„Eh, Saleiman”, vroeg Dolimah, „heb je daar een djangkrik bij je? Mag ik hem eens zien?”

„Eh-eh”, zei Saleiman vereerd en hield het krekel-kooitje zóó, dat het licht door de tralietjes naar binnen viel. „Daarachter zit hij. Zie je hem wel?”

„Oh, wat een groote! Hij kan zeker erg goed vechten?”

„Als hij wil, wint hij het van alle djangkriks in de wereld”, verzekerde Saleiman. En met een halmpje begon hij het beest aan te vuren. „Krrrr! Krrrr! Kom eens voor het venster?—Ik geef hem niets dan droge rijst en Spaansche peper om hem vurig te houden.—Krrrr!—Hij is nog altijd schuw, omdat Sanip hem laatst een halmpje met trassi heeft toegestoken. Nu zit hem de stank nog in den neus. Sanip is altijd zoo valsch: als een ander een sterkeren krekel heeft, laat hij hem trassi ruiken, om hem schuw te maken.”

„Wat een valschaard!” meende ook Dolimah.

„Hij mag nu ook niet meer mee doen, als wij onze krekels laten vechten!” zei Saleiman.

„Zijn verdiende loon”, was Dolimah’s oordeel. „Dus..... je denkt om den doekoen, Saleiman?”

„Eh-eh”, beloofde Saleiman. En hij drentelde weg.

„Hé, waar blijft Harmen?” vroeg Hajo, toen Dolimah met haar kruiden en Saleimans gediefde kip in het hol terugkeerde.

„Laten wij maar vast beginnen het eten klaar te maken”, zei Rolf. „Harmen heeft een fijne neus, en als hij de lucht opsnuift.....!—We hebben vandaag de keus!”

„En we hebben een tafel!” vulde Hajo aan. „En eetgerei! En potten om in te koken!”

„En een hongerige maag,—dat helpt ook!” lachte Rolf. „Laten we de fazant maar eens plukken. ’t Is haast zonde, zoo’n mooi dier! Wat een prachtige veeren!”

Dolimah blies het vuur in den oven aan en kookte voor Padde wat rijst in kokosmelk.

Maar Padde weerde het af. Hij zag vuurrood in het gelaat; zijn oogen waren gezwollen. „Ik kan niet.....” kreunde hij.

De jongens droegen hun makker in het hol. Daar was het koel, en Padde zuchtte, toen hij op het frissche leger van gras en varens lag uitgestrekt. „Zoo is het lekker.....!”

„Misschien komt een doekoen”, zei Dolimah zacht.

„Een doekoen.....??”

„Saleiman zal vragen, of hij komen wil. Hij is heel oud en en wijs en kent alle ziekten.”

Een warm gevoel voor Dolimah doortrilde beide jongens.

„Ik heb hem het pantervel beloofd”, zei Dolimah. „Was dat goed.....?”

„Prachtig zelfs!” prees Rolf. „Nu zal hij wel komen.”