De Scheepsjongens van Bontekoe

Part 26

Chapter 264,118 wordsPublic domain

Van angst den adem inhoudend, wachtte Hajo boven. „Ziezoo”, hoorde hij eindelijk, „nou nog.....” Toen kraakte er wat, een plof.....! en Harmens stem klonk alweer: „Da’s nog vlugger dan ik dacht! ’k Zit op m’n spies!”

„Kun je..... kun je weer boven komen?” vroeg Hajo.

„Langs deze weg zoo best niet meer”, meende Harmen. „Die rot-boom is afgeknapt. Maar hier loopt een soortement weggetje. Dat kan ik eens een eindje opkruipen.”

„Harmen, wat heb je gedaan!” zuchtte Hajo.

„Nou, grien maar niet”, zei Harmen. „’k Zou er hier beneden maar nat van worden.”

Weinig op zijn gemak stond Hajo te wachten. „Een best weggetje!” prees Harmen daar beneden. „Hier is ie wat minder, maar met m’n spies bij me kan ik me wel hou.....”—Daar tuimelde iets zwaars de diepte in.

„Harmen.....?!”

Even niets. Toen Harmens stem, hijgend: „Ik h-hang nog! Ik hang op m’n spies!” Een stilte. „Ziezoo, daar sta ik alweer!—Verduiveld, Hajo, daar zie ik een hol!”

„Een hol?!”

„Spreek ik Chineesch?”

„Ga er niet in, Harmen!”

„En waarom niet? ’t Is net wat we hebben moeten! Droog!”

„Harmen! Harmen dan toch.....!”

Harmen zweeg in zeven talen. Ook in het Chineesch.

Eindelijk gaf hij weer teekenen van leven. „’k Ben er een eindje in gekropen!” zei hij.

„En.....?!”

„Er zit een beest in. Kom maar eens kijken: twee gloeiende oogen!”

„Harmen! Kom boven!”

„Kan ik niet beloven!” dichtte Harmen. „Kom jij liever beneden, dan ben ik tevreden. En neem jij ook je speer mee. Dan prikken we hem er aan.”

„En als ’t nou eens een tijger was?!”

„’t Is geen tijger”, zei Harmen, even beduusd.

„Hoe weet je dat?”

„Heit ie me zelf verteld.” En Harmen begon te grinniken. „Nou, kom je, of kom je niet?” riep hij daarop ongeduldig. „Spring maar gerust; ik zal je wel vangen.—Of dúrref je niet?”

Dat was een gevaarlijke vraag. „Vang je me?” vroeg Hajo.

„Natuurlijk! Ik zie je wel staan tegen de lucht aan; spring maar gerust. En hou de punt van je speer naar boven alsjeblieft, want die lust ik niet.”

Hajo sprong.

„Pijn gedaan?”

„Vertel op: waar is het hol?”

„Kom maar mee. Voorzichtig-aan, vooral daar waar je nou bent!” Harmen voorop, kropen de knapen tot aan een steenen hol met manshoogen ingang. „Blijf naast me en hou je spies klaar”, zei Harmen.

Den adem ingehouden, met bonzend hart, kropen de jongens het hol binnen. Er hing een vunzige, warme lucht. Daar, in het donker, gloeiden twee starre, gele oogen. „Zie je wel?” fluisterde Harmen. „Hij doet niks.”

Hajo wilde antwoorden, maar zijn keel zat toegeschroefd. Hij voelde zelf hoe hij beefde.

„Nou.....” fluisterde Harmen. „Nou gaat ie beginnen! Ik zal hem mijn spies kedoo doen en als ie dan keet gaat schoppen, vang jij hem in de jouwe!”

„Ja-a”, stotterde Hajo, verbouwereerd door Harmen’s koelbloedigheid.

Toen richtte Harmen zich onverwachts half op, haalde zijn rechterarm, waarin hij zijn speer omklemd hield, ver naar achteren uit en zwaaide het wapen forsch naar voren, in de richting waar de starre, gele oogen gloeiden.—Een kort, schor gebrul. Een zwaar dier sprong overeind, het hout van de speer kraakte en brak.

De worp had doel getroffen.

Een bedorven lucht sloeg den jongens tegen het gelaat, verwarde hen. Instinctief omklemden beiden Hajo’s nog gevelde speer. De gewonde holbewoner dook blazend ineen, sprong toe..... recht in de lanspunt,—stootte een woesten kreet uit. De jongens voelden het zware gewicht op hun lans neerkomen, zagen vaag de gestalte van het dier gekromd om het lemmet, drukten met een schreeuw van opwinding het wapen nog meer naar voren, zoodat het dier in een boog terugsmakte in den hoek, waar het gelegen had.

„Hou vast!” siste Harmen. En de jongens drukten hijgend, uit alle macht de speer in den hoek.

Toen brak de speerschacht; de jongens tuimelden naar voren, voelden een heeten adem langs het gelaat strijken, vlogen met een rilling weer overeind, bonsden met de hoofden tegen den steenen bovenwand van het hol, dat ze haast het bewustzijn verloren en een rood waas voor oogen zagen. Beduusd, verward, wilden ze naar buiten vluchten, maar vonden door het floers voor hun oogen den uitgang niet.

Het was ook niet meer noodig.

Het dier had zich weer opgericht, toen Hajo’s lans brak en het niet meer tegen den grond drukte, maar meteen was het weer omgetold, sloeg met de klauwen in de lucht, brulde heesch, rochelde.....

En terwijl de jongens zich nog, in een hoek gedrukt, stilhielden, verstomde het rochelen.

„Hij is dood!” fluisterde Harmen. „Ik zal.....”

„P-pas op, Harmen! Niet te dicht!”

„A-als ie nou toch d-dood is!” pruttelde Harmen hijgend. Hij kroop naar het dier toe. „M-morsdood”, stelde hij vast. „Hier h-heb ik zijn staart! ’k Zal hem naar buiten sleepen.” En zwijgend, nog zwaar ademend, begon hij aan het lichaam te rukken. Toen werd hij allengs de oude Harmen weer. „Groote griebus, wat is ’t mormel zwaar! Help eens een handje, Hajo?”

Samen sleepten de jongens, Hajo nog bevend over al zijn leden, het dier naar buiten.

Het was een panter.

DE REGEN

„Hoe komen we nou weer bij de anderen?” vroeg Hajo.

„We zullen dat weggetje maar eens verder opkruipen”, zei Harmen. „En dan mag ik lijden, dat we niet weer zoo’n mormel tegen het lijf loopen, want zonder m’n spies bij me, zou ik niet weten, wat ik tegen ’m zeggen moest.”

„Ja”, zei Hajo bezorgd, „ze zijn gewoonlijk met z’n tweeën, hè?”

Harmen grinnikte. „Nou zijn ze in elk geval niet meer met z’n tweeën!—Hierlangs, Hajo, en voorzichtig!”

Zoo kropen ze voort, zich vasthoudend aan wortels en steenpunten. En na veel geklauter belandden ze met geschaafde handen en knieën weer op het plateau en zochten de anderen op, die triest bijeenzaten in den stroomenden regen. „Een fijn holletje gevonden!” schreeuwde Harmen. „Er lag een tijger in, maar die zegt niks. Waar, Hajo?”

„Een tijger?!”

„Een tijger met vlekkies! Maar ik en Hajo hebben ’m ferm bij z’n staart gepakt, en nou zegt ie geen ba meer en geen boe. Kom maar gauw mee. ’t Is er kurkdroog en lekker warm!”

Rolf sprong overeind. „Kom, Padde! Harmen heeft een droog hol gevonden.”

Padde richtte zich loom op en huiverde. „Is het hier ver vandaan?”

„Vlak bij”, zei Harmen. En terwijl Hajo in geuren en kleuren het verhaal over den panter opdischte, begaf het heele troepje zich naar de plaats, waar Harmens speer in de diepte gevallen was. „Ziezoo, we zijn er”, zei Harmen. „Als het bliksemt, spring ik naar beneden.”—Meteen zette het weerlicht het dal alweer in hellen gloed; Harmen berekende vliegensvlug zijn sprong en dook de diepte in.

„Harmen.....?!”

„Ja, ’k leef nog”, klonk het van omlaag. „’k Ben op m’n billen gevallen! Spring maar, Hajo!”

Hajo, die voor Harmen niet wilde onderdoen, nu Dolimah er bij was, sprong, en Harmen ving hem.

„Nu ik”, zei Rolf. „Maar vang je eerst de noten op?”

„Gooi ze maar naar beneden”, zei Harmen. „Maar niet allemaal tegelijk: ik hèb al een buil op m’n kop.”

Een voor een gooide Rolf de noten omlaag. Harmen had katte-oogen: hij ving ze allemaal. „Nog meer?”

„Neen. Nu kom ik-zelf.” En Rolf sprong in Harmen’s armen. „Nu jij, Padde!”

„Springen?” vroeg Padde.

„Nee, vliegen!” zei Harmen. „Kom maar: we vangen je met z’n drieën.”

„En als ik nou te ver spring?!”

„Dan springen we je na. Kom!”

Padde aarzelde, gromde wat. Toen sprong hij.—„Au! O! Au!”

„Gaat wel over”, troostte Harmen. „Denk je soms, dat ik zoo lekker gesprongen ben? M’n billen branden als helsche steen.—Nou, jij, Dolimaatje?”

Na eenig aarzelen sprong het meisje omlaag. „’k Heb ’r!” riep Harmen verheugd. En voorzichtig zette hij haar neer. „Nou Joppie! Kom, gil niet als een mager varken! Joppie!”

Piepend en jankend zocht Joppie langs den rand naar een geschikte plaats om af te dalen.

„Hij durreft niet, de smakker!” smaalde Harmen. „Nou, dan moet ie maar boven blijven. Kom mee, jongens! En voorzichtig-aan! Er staat beneden niemand om je te vangen!”

Zoo kropen ze naar het hol. „Zie je?” zei Harmen, „hier zijn we thuis! De hond ligt voor de deur, maar bijten doet-ie niet. Veeg je voeten,—d’r is pas gestoft.”

Met een huivering stapten de jongens over den dooden panter. Er hing een doordringende bloedlucht in het hol. „Ja..... dat ’t hier lekker ruikt, heb ik niet gezegd”, verontschuldigde Harmen zich. „Maar droog is het hier! En warm!”

Zwijgend zochten de anderen een zacht plekje op, stonden Dolimah de mooiste plaats af, het diepst in het hol.

„Als er nou nog een tijger komen mocht, moet hij eerst over ons heen, vóór hij Dolimah kan wegslepen!” zei Hajo.

Als er nog een tijger kwam.....—Met een vaag gevoel van onrust luisterden de jongens nog even naar den regen, daarbuiten. Hoe ver en vaag klonk het ruischen nu! Hierbinnen zaten ze droog; het vocht verdampte ook al uit hun kleeren. Daar bliksemde het weer. Door het paars-glanzende regenfloers zagen ze ver uit over het wijde dal. Voor de grot lag, als een op zijn post gestorven schildwacht, de panter. Een gebroken speerschacht stak uit zijn gevlekt lichaam omhoog.

Buiten zong de regen eentonig voort. Het water was langs de stammen der boomen omlaaggevloeid, had het mos gedrenkt, en de wortels der woudreuzen hadden het uit alle macht ingezogen. Maar er was te veel, veel te veel. Op lage plaatsen vergaderde zich het water tot plassen, vormde beekjes, danste gulpend, spettend over de steenen, vloeide daar beneden in het ravijn samen, vulde een droge bedding, waarin het wegstroomde. Van alle zijden kwam het water toegevloeid, vormde een riviertje. Beekjes stortten zich uit in de bedding, die nu een schuimenden, sneljagenden vloed den weg wees. Het water wies en wies; steeds doller werd de vaart. Hier! Hier is water! Neem het op, rivier, het is voor jou! Hier! Hier is water in overvloed!—Van de hellingen komt het water, uit de zijdalen, en de regen zelf slaat ten overvloede nog roezend in den stroom; wel een vinger diep schieten de regendruppels in het bruine oppervlak; als een brandblaas bolt er een groote bel op; een andere druppel slaat er fel doorheen; op de bel bolt een nieuwe, en samen tollen ze als lustig-uitgelaten haasjes voort.

Breeder wordt de stroom. Dieper. Sneller de vaart.

Wat ligt daar? Een brug?! Hoe durft ze! Weg er mee!—Een paar rukken. De brug wordt opgenomen; de leuning slaat om in het water. Heisa! Leve het water! Leve de regen!—Het bliksemt. Een paar wolken rammen krakend opeen, breken, werpen hun waterlast omlaag. Rrrrang! daar slaat het neer. Golvend stuwt het water tegen de zijden der bedding op. Wat is dat? Een dijk? Die wil me in toom houden?!—Ga je weg, dijk?

Neen!

Dan zal ik je rammen! Hier, jij gaat mee, boompje! Ram dien dijk!—De boomstam stoot dof bonzend tegen den aarden, met bamboe versterkten wal.—Meer! Meer boomstammen! Balken! Planken! Steenen! Ramt den dijk!—De regen heeft schik in den dollen gast, kittelt hem in den rug. Vooruit! Galop! De regen doorweekt den grond; de wortels der oeverboomen glippen los onder de stuwing van den stroom; de boom slaat in het water neer, stuit op een anderen boom, die tegen den kant vastzat, bevrijdt hem rukkend en duwend, en samen drijven ze weg. Eerst langzaam. Dan sneller. Dan in dolle vaart. Ze tollen om, stuwen tegen elkaar op, over elkaar heen, rukken andere oeverboomen om.....

De dijk zet zich schrap.

De menschen in de dorpen worden wakker uit hun rustigen slaap, richten zich op hun baleh-baleh’s op. Hoor! Wat is dat voor een gekreun, gekraak, dat met elke minuut toeneemt, dreunend als horen-bassen het paukengeroffel van den regen overstemmend? Ze staan op, zoeken in koortsige haast hebben en houwen bijeen, drijven schreeuwend het vee tegen de hellingen op. Een roep gaat door het dorp, een roep, die allen in merg en been dringt:

„Banjir!”

Daar komt hij. Rukkend, wrikkend, bulderend, dat het tot in de bergen vernomen wordt. Daar..... bij een bocht.....! De dijk scheurt; een groot middenbrok wordt weggerukt; de kanten storten..... En ineens wordt het stil. De woede van den stroom is gebroken. Hij heeft zich uit zijn eigen gang, waarin een reus als hij zich niet keeren of wenden kon, bevrijd. Nu vloeit hij kalm en vult het heele dal.....

Maar den landbouwer staan de tranen in de oogen. Wat blijft er van zijn sawah’s over? Zie, daar wankelt zijn huisje en drijft weg. En zijn vee, zoo dom als vee maar zijn kan, loopt in verwarring en radeloosheid recht het water in, den staart in de hoogte.

En de regen valt, valt steeds maar voort in eentonigen zingzang, treiterend als een sater. Treiterend? Neen! Mild ruischend in het bewustzijn van zijn vruchtbrengende kracht. Kan hij er wat aan doen, dat de menschen dijkjes legden en den grond in rechte stukjes verdeelden, beangst dat zijn buurman iets meer zou nemen dan hem toekwam? Kan hij er wat aan doen, dat de menschen in huisjes gingen wonen, in plaats van onder den vrijen hemel, en dat ze den buffel zijn vrijheid namen en hem zoo dom en hulpeloos maakten, dat hij zich niet tijdig voor den banjir wist te redden?

Dolimah werd wakker door het gebulder daar in de verte. „Banjir!” fluisterde ze. En gedachten aan huis vulden haar hoofdje. Angstig keek ze door de opening van het hol naar buiten, waar een waterige morgen schemerde.....

Toen de jongens wakker werden, regende het nog. Joppie lag tusschen hen in te snurken,—scheen dus een weg te hebben gevonden. Erg mooi kon die weg niet zijn, te oordeelen naar het feit, dat Joppie tot achter zijn ooren vol modder zat.

Onze vrienden kropen naar buiten om den panter te bezien. Daar, in den plassenden regen, lag de roover. Met den staart mee mat hij ruim twee ellen. Harmen’s speer was hem in de zijde gedrongen en kort bij de punt afgebroken. De andere speer, waarin hij was opgevangen, zat dwars door het lichaam, stak er achter het rechter schouderblad weer uit. De bek met de scherpe, hoekige tanden stond half open, was vol gestold bloed; de zware pooten lagen krampachtig van het lichaam gestrekt, en de gebroken oogen staarden den triesten hemel in, waaraan zelfs geen schemering van de zon te ontdekken viel.

„We zullen hem maar in de diepte gooien”, stelde Hajo voor. „Dan zijn we hem kwijt.”

„Dan zijn we hem zeker kwijt”, zei Harmen. „Daarom zullen we het dan ook maar niet doen. We zullen hem z’n jasje uittrekken: daar heeft ie maar last van, en wij kunnen zoo’n stukkie leer best gebruiken! Waar, Rolf?”

„Al was het alleen al om op te slapen!” zei Rolf. „Daar dringt geen vocht door!”

„Dan krijg je ook geen rimmetiek”, merkte Harmen op. „Weet je, waar ie ook best voor is? Om een broek uit te snijden. In dat rokkie van mij lijk ik wel een pias.”

„Die zou je wel staan, zoo’n panter-broek”, lachte Rolf. „Kun je goed brullen?”

Harmen brulde, dat het heele dal er van sidderde en Padde en Dolimah er in het hol geducht van schrokken.—„’t Is niets!” riep Rolf naar binnen, „Harmen krijgt het op z’n zenuwen!”

Harmen staakte zijn gebrul. „Nou, we zullen mosjeu eens helpen”, zei hij. „Geef me je mes even, Rolf?”

„Weet je, hoe je hem stroopen moet?” vroeg Rolf.

Harmen nam werktuigelijk het mes, staarde Rolf met groote oogen aan. „’k Zal nog nooit een konijn gevild hebben!”

„Ja, maar dit is geen konijn!”

„Neen!” zei Harmen. „Een panter is geen konijn! Maar in ’t villen zal het toch wel gelijk blijven! Een rits om z’n achterpooten, een streep door ’t kruis.....” Grimmig trok hij den panter beide speerpunten uit het lichaam. „Kon ik z’n achterpooten maar ergens aan vast binden!”

„We zullen hem naar boven sleepen”, zei Rolf. „Hier zou je nog met vel en al in het ravijn tuimelen.”

Harmen gaf zwijgend toe.

Toen de jongens het hol weer inkropen, maakte de lucht hen haast onpasselijk. „Zoodra de regen ophoudt, gaan we er uit!” zei Rolf. „Hoe voel jij je, Padde?”

„’k Heb koppijn”, zei Padde flauw.

„We hebben ook nog niet gebikt”, meende Harmen. „’k Val om van de honger.” Hij hakte een paar noten open, en allen—op Padde na—smulden, of ze veertien dagen hadden gevast. Rolf voelde Padde’s hoofd eens. Zijn gelaat werd zorgelijk. „Padde heeft koorts”, zei hij tot de anderen. „Geef me je pols eens, Padde?”

Steunend reikte Padde hem de pols. „En..... wat heb ik?” vroeg hij angstig.

Rolf moest tegen wil en dank weer glimlachen. „Ik denk, dat je kou hebt gevat, Padde. ’n Geluk, dat het hier ten minste warm is.” Rolf keek naar buiten. „Ik geloof niet, dat de regen gauw zal ophouden. Dan moeten we aan de lucht hier maar wennen.”

„Wel ja”, zei Harmen. „Ik ruik er nou al niets meer van. Kom, Hajo, we gaan op wat eten uit, voor straks.”

„Zullen jullie voorzichtig zijn?” vroeg Rolf.

„We zullen mekaar aan ’t handje houden”, beloofde Harmen. „Neem je kapotte speer mee, Hajo, daar steken we wel even een nieuw eindje hout in. ’k Heb de mijne ook bij me.” En samen klauterden ze het paadje weer op.

Boven aangekomen, was het eerste werk der jagers, een paar stevige bamboe-stengels te snijden en die in de ijzeren speerpunten te wringen.

„Nu naar de kampong!” zei Harmen. „Zien wat er te graaien valt.”—En in den plassenden regen liepen de beide makkers het pad af naar het dorpje. Bij het dal gekomen, waar aan de overzijde de geelgrijze bamboe-huisjes met de donkerbruine daken stonden, omgeven door bananen-boomen met van den regen glimmend-groene bladeren, zagen de jongens, dat uit het beekje daar beneden een bruine, modderige rivier geworden was, en dat het bruggetje was weggespoeld. Ze besloten het dal om te loopen—trouwens de eenige manier om bij de kampong te komen—en baanden zich een weg langs den boschrand.

Dat viel niet mee: zij verwondden zich de voeten aan wilde ananasplanten en schramden zich armen en borst aan de doornstruiken. Zoo duurde het wel een uur vóór ze bij den kokostuin kwamen. Door het ruischen van den regen heen klonk klagend, droefgeestig fluitspel. Harmen liet zich tegen de pagger vallen. „Wil je wel gelooven, dat ik nog geen muziek kan hooren, of ik denk aan m’n fiool?”

„En ik dan?” vroeg Hajo en ging naast hem zitten. „Ik kon het ook al goed!”

„Dat van die begraffenis kon je nog niet goed”, stelde Harmen vast.

„Daar waren ook zooveel van die wipjes in!”

„Dat is juist het treurige ervan”, verklaarde Harmen. „’t Heet niet voor niets: begraffenis! Of denk jij, dat een begraffenis zoo iets lolligs is? Misschien voor de lijk-anzegger,—die z’n broodje is ’t, hè? Maar voor de fermilie is zoo’n grapje duur genoeg! Je moet een natje en een droogje geven en.....” Harmen keek eens omhoog.—„Zou ik eens wat noten plukken?”

„Harmen!! Ze zien je vast!”

„’k Wou, dat ze blind waren”, zei Harmen. „Nou, misschien liggen er op de grond wat noten!” Harmen wipte op de schutting, maar liet zich weer neerploffen. „Er komt juist zoo’n nikker de tuin in!” fluisterde hij.

Hajo gluurde door de omheining. „’t Is een jongetje! Hij is alleen.”

„Zoo. Zouden ze het hooren in ’t dorp, als ’t mormel gaat gillen?” vroeg Harmen.

„Wat wou je dan doen?!”

„Niks. ’k Ga eens met hem praten.” En met een fermen sprong was Harmen de pagger over.

Tegen Harmen’s verwachting in, begon het joggie niet te gillen. Het kereltje drukte zich met beide handjes tegen de pagger aan de overzijde, werd vaalbleek in het kleine, bruine gezichtje en maakte van zijn oogen rijksdaalders.

„Tabeh!” zei Harmen. „Haal me eens als de weerlicht een paar noten! Makan! Daar!” En Harmen wees in de boomen en daarna op zijn maag. Het kereltje begreep. Bevend over al zijn leden, maar rap als een eekhorentje vloog het tegen een stam op, rustte halverwege even om zijn angst uit te hijgen en klauterde weer verder, de voetzolen plat tegen den bast. Kijk, nu zat hij boven, leek zelf wel een kokosnoot.

De eerste vrucht tuimelde omlaag. „Goedzoo”, prees Harmen. „Vang ze maar op, Hajo en verberg ze tusschen de struiken. Later halen we wel op wat we nou niet kunnen dragen.” En hij begon de noten over de pagger te gooien.

De boom, dien het ventje zich had uitgezocht, leverde ruim een dozijn noten op. Toen er onder de kruin niets meer te ontdekken viel, kwam het manneke aarzelend weer omlaag, en Harmen had slechts even te knikken, of de ijverige plukker wipte alweer een anderen boom in. „Dat mag ik zien”, zei Harmen. „Vang je, Hajo?”

Hajo verborg de noten in een boschje. Toen er drie boomen kaalgeplukt stonden als lange, magere Lijzen, en het kereltje een vierden boom inschoot, vond Harmen het welletjes en wipte weer over de pagger. „Waar liggen ze, Hajo? Goed zoo, daar zal geen mensch ze vinden.”

De noten vielen nog smakkend neer. „Hij zal de heele tuin leegplukken!” grinnikte Harmen. „’t Is een handig mormel, hoor, hij verstond me ook direkt. Kom, we nemen een paar noten onder de arm!”

Een paar uur later kwamen ze weer op het plateau. Toen ze weer omlaag wilden springen, viel plots hun oog op..... een touwladder! „Daar hangt een valreep!” stotterde Harmen.

„Hallo!” klonk het van omlaag. Rolf stond in den ingang der grot.

„Hoe komt dat ding daar, Rolf??”

„Bevalt ie jullie?”

„Heb jij ’m gemaakt?!” stamelde Harmen vol eerbied. „Da’s nog eens werk! Hoe heb je ’m in mekaar geflanst?”

„Dat zie je”, zei Rolf. „Stukjes bamboe, met rotan verbonden. Met die stok halen we de ladder ’s avonds binnen, dan valt geen mensch ons lastig.—Waar hebben jullie die noten vandaan?”

„Heb ik voor me laten plukken”, grinnikte Harmen. „Waar of niet, Hajo?” En samen vertelden ze het avontuur.

„Jij bent brutaal als de beul, Harmen!” zei Rolf. „Vandaag of morgen vlieg je er in.”

Harmen trok een leep gezicht. „’t Is met Harremen als met een vlooi! Kom je d’r aan—wip! zegt ie. En de beet heb je te pakken!”

„Hoe is het met Padde?” vroeg Hajo.

Rolfs gelaat betrok. „Hij ijlt. Dolimah zoekt kruiden. Misschien helpen die.”

Zwijgend, plots weer bedrukt, ging de jongens het hol binnen.

De regen ruischte.

SI-KAMPRET

’s Middags togen de jongens aan het werk met den panter. Ze sloegen hem een paar dunne rotanstengels om de pooten en heschen het dier met hun drieën omhoog. Een vrachtje!

En nu begon Harmen zijn vilders-werk. Na een half uur hijgen, mopperen en trekken, vloog hij met huid en al tegen den grond, en de panter hing naakt, met puilende oogen, te schommelen. „Mooier ben je er niet op geworden!” zei Harmen, terwijl hij overeind krabbelde en zijn zitvlak wreef. Hij sleepte het gevilde dier naar den rand van het ravijn en liet het in de diepte tuimelen. De panter buitelde potsierlijk over de steenen, gleed een oogenblik over een met varens begroeid stuk helling en sloeg weer over den kop, tot het ten slotte ergens hangen bleef.

Harmen had het dier in zijn val nageoogd. Hij wendde zich nu om en zocht een verborgen plek tusschen de struiken, waar hij de huid uitspande, de binnenzijde boven. „Ziezoo”, prevelde Harmen, „laat nu het zonnetje maar schijnen.”

Doch daar leek het nog weinig op! Altijd maar door dreven uit het Westen zware, grauwe wolken aan, schoven de vage randen ineen, werden in die samenvoeging groeterig zwart, stortten hun waterlast uit en vloeiden weer uiteen, dat er een lichte plek door schemerde, die de rest van den hemel nog triester en hopeloozer schijnen deed. De bergen in het Oosten, die bij zonsopgangen zoo heerlijk blauw konden afsteken tegen het goud van den hemel, of ’s avonds, wanneer de zon in zee wegzonk, rood te gloeien stonden tegen het paars van den komenden nacht, scholen nu achter het regengordijn. Als er een paar wolken braken en een blik op de bergen doorlieten, rezen de pieken zoo dreigend zwart op, dat hun aanblik beklemde.

Harmen dwaalde op zijn eentje nog wat rond, vond niets van zijn gading. Met een grooten doren in zijn voet, dien hij er pas na lang peuteren met zijn zakmes weer uitkreeg, daalde hij den „valreep” af.

In het hol was het al donker. Padde lag te ijlen en gaf zijn vrienden nergens antwoord op. Hoewel niemand er iets van verwachtte, trachtten ze vuur te maken met wat hout en kokos vezels, die ze in het hol te drogen hadden gelegd. Maar het was nog te vochtig. Toen gingen de jongens voor den ingang zitten, staarden zwijgend over het ravijn.