De Scheepsjongens van Bontekoe

Part 25

Chapter 254,091 wordsPublic domain

Zoo dacht Joppie er werkelijk over. Grommend en grauwend begon hij er aan te knagen, dat de beentjes knapten als vischgraten.

„Kijk hem eens smullen, de gannef!” zei Harmen, die zelf glom tot achter zijn ooren. „Zeg, Rolf, vraag nou eens aan Dolimah, wat ze dan wèl mag eten?”

„Ik mag wel kip eten”, antwoordde het meisje op Rolfs vraag. „Maar alleen, als ze met het mes geslacht is.”

„Wat een fratsen”, verklaarde Harmen, toen Rolf hem vertaalde, wat Dolimah gezegd had. „Zou je toch nog geen stukje nemen, hè, Dolimaatje, hè?” En Harmen offreerde haar vol verleiding het pootje, dat hij nog in de vetbesmeerde hand hield.

Het meisje schudde glimlachend het hoofd. „Ik heb geen honger meer.....”

En toen moest er eens aan opbreken worden gedacht! Harmen schopte morrend het vuur uiteen. „We moesten het op den rug kunnen meenemen! Vraag haar eens, hoe ze het gemaakt heeft?”

„Heb jij dat vuurtje gemaakt, Dolimah?” vroeg Rolf.

Het meisje knikte bevestigend, glimlachte verlegen. „Als u het noodig hebt, dan zal ik het wel voor u maken.”

„Ja.....!” Rolfs gelaat nam een weifelende uitdrukking aan. „Is het werkelijk niet beter, dat je naar je dorp teruggaat?” vroeg hij zacht, na een korte aarzeling. En haastig voegde hij er aan toe: „Wij vinden het erg leuk, als je met ons meegaat! Maar we zijn bang, dat jij er later spijt van hebt.”

Dolimah boog zwijgend het hoofdje. „Ik durf niet terug”, fluisterde ze in weer opkomenden angst. „Ik durf niet.....”

Rolf maakte een beslist gebaar. „Dan ga je met ons mee!—Ben je nog moe?”

„Neen”, zei het meisje verheugd, „ik ben niet moe!”

„Ik zou weleens willen weten wat Rolf allemaal met haar afsmoest!” gromde Padde, alweer jaloersch.

„Laat hem kletsen, Padde!” troostte Harmen. „Hij wil leftrappen met z’n Maleidsch!”

„We hebben afgesproken, dat ze met ons meegaat!” zei Rolf vroolijk. „Kom, jongens, pak de rommel dan maar weer op. Als we de richting goed houden, moeten we in Bantem komen!”

Opgewekt gingen ze verder, voelden zich nu heel andere kerels! Er was nu iets, dat hun steun, hun bescherming noodig had; ze moesten nu toonen, dat ze mannen waren!

Drommels, Dolimah had het slechter kunnen treffen! Waren allen niet bereid, voor haar hun leven op het spel te zetten?

Harmen ging voorop, keek telkens even om naar de kleine Dolimah en wierp haar een blik toe van: „Vertrouw maar gerust op mij: alles komt in orde!”

Joppie liep parmantig, den staart in de lucht, nog weer voor Harmen uit, snuffelde uit plichtsbesef hier en daar, lichtte even het pootje op om een boom voor omvallen te behoeden en sjouwde weer voort na een blik naar achteren te hebben geworpen, die ook al scheen te zeggen: „Volg mij maar gerust! Als ik wat verdachts ruik, zal ik jullie wel waarschuwen!”

Dolimah, met kleine, zachte, snelle schreden tusschen hen inloopend, werd steeds vertrouwelijker, wees hun onderweg allerlei. „Zie, dit is de ganjong! Daar kun je de wortels van eten. Maar ze moeten eerst geklopt en gezeefd worden! Ik zal van het meel wel eens koekjes maken, als ik maar iets heb om ze in te bakken! En dit is djamboe! Die zijn heerlijk. Proef maar eens!” En met haar rappe vingertjes plukte ze een glazige, doorschijnende vrucht af en reikte die aan Padde.—Deze keek er naar. Maar zonder veel omhaal griste Harmen ze hem uit de vingers en zette er de tanden in. „Fijn!” riep hij uit.

Ze gingen weer verder. „Kijk”, zei het meisje na een half uurtje en wees op een klimplant met lange trossen groene bloemen, „daar staat gadoeng! Daar kun je de knol van eten.” Hajo rukte aan de plant, en inderdaad: er bleek een knol aan te zitten. „Nou, zij weet het!” prees Harmen opgetogen. „Met haar bij ons, zullen we niet verhongeren!”

„Als de oogst mislukt is, eten we niets anders dan gadoeng”, zei het meisje.

Zoo drentelde ze babbelend tusschen de jongens in, die vandaag maar voortliepen zonder zelf te merken, dat ze liepen. Maar Dolimah scheen moe te worden. „Nou, dan gaan we zitten!” zei Harmen, die anders nooit aan rusten dacht vóór hem de tong uit den mond hing. „Daarginds is een lichte plek, daar zit ’t fijn!” En hij baande met zijn stoere lichaam den anderen een weg door de struiken.

Flits! daar schemerde iets roodbruins door de takken; met luchtige sprongen, als veerde de grond, danste een dwerghertje de open plek over, draaide even het kopje met de groote, glanzende oogen en stoof toen op zijn tengere pootjes weg.

„Een kantjil!” zei het meisje opgetogen. „Het is het zwakste, maar ook het slimste van alle dieren! Weet u, dat het kantjil door zijn slimheid zelfs eens een grooten olifant op de vlucht heeft gejaagd?”

„Hoe heeft hij dat klaargespeeld?” vroeg Rolf lachend.

„Dat zal ik vertellen”, zei het meisje, en terwijl de jongens zich neerwierpen en soezend luisterden naar Dolimah’s zangerig stemmetje, begon ze: „In een bosch leefden de dieren vreedzaam bijeen tot er opeens een olifant kwam, die dadelijk begon de boomen om te schoppen. Daar schrokken de andere dieren leelijk van! Er was nog nooit een olifant in het bosch geweest, en ze vergaderden er over, hoe ze hem weer weg zouden krijgen. „Ik zal hem wegjagen!” zei de tijger. Nu, die praalt altijd. De olifant ving hem op zijn witte slagtanden, die rood waren, toen de tijger machteloos ter aarde viel. Nu durfde geen der dieren hem meer aan. „Ik zal hem wegjagen!” beloofde het kantjil. Toen lachten alle dieren hem uit. „Als hij jou ziet aankomen, loopt hij van angst al weg!” Maar het kantjil zei tot het stekelvarken: „Geef me een van je pennen!” „Wat wil je er dan mee doen?” vroeg het stekelvarken. „Hij wil er den olifant mee op de vlucht jagen!” lachten de anderen. Nu begon het stekelvarken te schudden van het lachen. „Trek me er dan maar een uit het lijf!” proestte hij. Terwijl de anderen lachten, en het stekelvarken even knorde van pijn, trok het kantjil het stekelvarken de langste en dikste pen uit, die het maar vinden kon. En daarmee huppelde het naar het bosch, waar de olifant huisde. „Wil jij weleens gauw maken, dat je wegkomt!” zei het kantjil. De olifant was juist bezig een paar boomen te ontwortelen. „Wat piept daar?” vroeg hij. „Een muisje?”—„Oh, ben je nog half blind ook!” zei het kantjil. „Dan mag je je zeker wel uit de voeten maken, vóór het kantjil komt!”—„Wie is dat: het kantjil?” vroeg de olifant, terwijl hij kalm een nieuwen boom begon kaal te eten. „Een beest, dat wel tweemaal zoo groot en zoo sterk is als jij!” zei het kantjil. „Dat is niet waar”, zei de olifant, „ik ben de grootste en sterkste van alle dieren.”—„Dat zou je wel willen!” zei het kantjil weer. „Als het kantjil komt, schudden de bergen, en als het in zee gaat om te baden, loopt het heele bosch onder water.” Van verbazing ging de olifant tegen een waringin-boom zitten, die met de wortels in de lucht omviel. „Je wilt me zeker wat wijsmaken!” knorde de olifant. „Wàt? Geloof je me niet?” vroeg het kantjil. „Neen, ik geloof je niet”, antwoordde de olifant. „Dan zal ik je eens wat laten zien!” zei het kantjil. En het hield den olifant de pen van het stekelvarken voor den neus. „Alsjeblieft! Zoo dik zijn z’n haren!” Nu zei de olifant niets meer; hij beefde over al zijn leden, stak de slurf in de lucht, liep trompettend weg, zoo hard hij maar kon, en is nooit meer teruggekomen in het bosch, waar dat verschrikkelijk groote en sterke kantjil huisde!”

Dolimah zweeg. „Ziet u wel, hoe slim het kantjil is?” vroeg ze.

Hajo had het verhaal maar half kunnen verstaan. Maar onder Dolimah’s vertellen scheen het hem, alsof de natuur hem vertrouwder werd. Wonderlijk mooi klonk dat zangerige stemmetje, het leek hem wel, alsof het kantjil zelf hem dat verhaaltje van slimheid en goedige domheid in het oor had gefluisterd. Hoe mooi was Indië, als je het zóó kende.....

„Wat vertelde ze?” Vroeg Harmen, op een djamboe zuigend en wezenloos voor zich uitkijkend.

Geen der jongens kon zoo spoedig de rechte woorden vinden om Harmens vraag te beantwoorden. En Harmen vroeg ook niet ten tweeden male, stak peinzend een nieuwe vrucht in den mond.

De vogels in de boomen waren verstomd. Padde was in slaap gevallen en vulde met zijn zacht gesnurk de stilte.

Zwaar drukte de middaghitte.

DE STRIJD OM HET HOL

Na een korten middagslaap stonden de zwervers vermoeid en onverkwikt op. Wat lag er in de lucht, dat hen zoo loom maakte? Bij de minste beweging parelde hun het zweet op het voorhoofd.

Dolimah had niet geslapen: zij zat tegen een boomstam geleund en keek voor zich uit.

„Je denkt zeker nog aan het kantjil?” vroeg Rolf.

Het meisje zweeg even. Toen zei ze: „Als ik eenmaal denk, denk ik aan allerlei dingen. Ik denk er aan..... dat we nooit aan de zee zullen komen. Deze kant uit komt men nooit aan de zee. De zee is in het Westen, waar de zon ondergaat.”

Rolf was even geschrokken. „Straat Soenda ligt toch in het Zuiden?” vroeg hij.

„Jawel”, antwoordde Dolimah, „maar dat is zoo ver weg, dat men er toch nooit komt. Men wordt onderweg door de geesten betooverd, die in de oude waringin-boomen huizen. Overal zijn ze! In de bloemen wonen geesten, in de steenen en in de schelpen, in de stille meren, in de bergen, onder de watervallen..... Als ge ergens lang naar kijkt, maakt de geest, die er in woont, zich meester van uw ziel. En wie in de macht der geesten is, kan niet meer weg..... Ge zoudt aan het strand staan en met betraande oogen over het water turen,—maar als ge in uw prauw wegvaart, kwellen de geesten u, tot ge geen lust meer hebt te leven. En als ge niet spoedig terugkeert, sterft ge ook werkelijk.”

Rolf haalde diep adem, wilde zich verzetten tegen een gevoel van beklemming, dat hem overmeesterde.

„Ge zult nooit aan de zee komen”, ging Dolimah droomerig voort. „Eerst zult ge vol moed zijn, maar dan zult ge de dagen tellen. Er zullen bamboe-bosschen en djati-wouden komen, bergen en moerassen en wijde vlakten zonder schaduw. En ge zult de uren tellen, dan de boomen aan den weg, dan de steenen onder uw voeten, en eindelijk zult ge weenend gaan zitten,—dan hebben de geesten u overwonnen.....”

Rolf zweeg een oogenblik. „Kom!” zei hij toen, lenig overeind springend, „we moeten verder!” Maar er zat onder zijn uiterlijke fermheid een aarzeling.

Padde stond loom op. „’k Heb koppijn”, zei hij.

„D’r zit broeiing in de lucht”, verklaarde Harmen. Zwijgend zochten onze vrienden het pad weer op, en verder ging het.

Hajo hoorde wiekengerucht, ging er op af en schoot een duif.

Harmen sneed het nog fladderende dier de keel af. „Nou mag ze ’t dan toch eten”, zei hij, terwijl hij zich het roode bloed van de vingers likte. De anderen wendden zich af: Harmen kon soms zoo ruw zijn.

Hij zelf voelde er weinig van. „Die zullen we straks braaien!” zei Harmen. „Je braait anders zóó al wel. Zoo warm als ’t vandaag is!”

Het begon donker te worden; de zon stond als een spet klaterend goud tusschen de zwarte wolken.

„Laten we hier blijven”, stelde Harmen voor. „Als het straks regent, kunnen we geen vuur meer maken.”

De anderen aarzelden nog even; Padde zonk terstond tegen den wegberm neer, hijgend, met gesloten oogen.

Wat was dat?! Onweer? De grond dreunde; het was, of daar in de verte drommen ruiters galoppeerden. „Olifanten”, zei Dolimah. „Ze zijn ver weg.”

„Nou, Dolimah, nou een vuurtje!” zei Harmen, die zich over het gedreun weinig zorgen maakte.

Dolimah begreep, haalde uit haar sarong twee stukjes droge bamboe. In een ervan was een gat.

„Maak je dáár vuur mee??” vroeg Rolf.

„Ja, maar ik moet eerst nog wat droog bamboeschraapsel hebben, van binnen uit een ouden steel.”

„Geef me je kapmes eens hier, Harmen”, zei Rolf. „Zij wil een vuurtje voor ons maken.”

„’t Zal me benieuwen!” grinnikte Harmen opgewonden.

Intusschen maakte Rolf zoo snel mogelijk de voorbereidselen. Dolimah legde het zaagsel, dat Rolf haar bezorgde, tot een hoopje, stak er een paar splinters in, zette het stukje bamboe met het gat er in op den grond en begon er verbazend snel het andere stukje bamboe in heen en weer te wrijven.

„’k Zie nog niks”, zei Harmen.

„Laat mij het maar doen”, stelde Rolf voor. „Ik zie nu hoe het moet.” Hij nam het instrumentje over en begon op zijn beurt uit alle macht te wrijven. Maar er kwam geen vuur. Wel droop onzen vriend het zweet van voorhoofd en polsen.

„Schei maar uit met je gepruts”, zei Harmen. „Wedden, dat ik in tien tellen vuur heb?” Rolf reikte hem de houtjes, en Harmen begon te werken. De tien tellen waren spoedig verstreken. „’k Word er lam van!” hijgde Harmen.

Het meisje zag glimlachend toe, hoe de jongens zich inspanden. „Laat mij nog eens?” vroeg ze. „Als mijn broertjes zagen, hoe slecht ik het doe, zouden ze me uitlachen!” En met vaardige hand wreef ze, minder heftig, maar veel vlugger dan de jongens, en zie..... daar vloog een vonkje van het droge, scherpe hout naar het schraapsel over. Nog een! Harmen wierp zich op de knieën, begon te blazen..... daar lekte een vlammetje op! Vlug, al blazende een paar splintertjes erbij, nu zou het Harmen niet meer uitgaan. „Hé, Padde, zit niet te maffen! Zoek hout bij mekaar!”

Padde bleef zitten. „’k Heb koppijn”, gromde hij.

„Ja, goeie morgen!” zei Harmen.

Hajo zocht wat droog hout bijeen. En nu laaide een knetterend vuurtje op. Of ’t wou branden, die droge bamboe! Tevreden grinnikend, begon Harmen de duif te plukken.

De hemel werd zoo donker, dat de stammen der boomen er licht tegen afstaken. Het was, als bogen de takken onder den zwaren druk: in de doodsche stilte rondom kraakte het onverwachts, of dwarrelde een twijgje omlaag. „Dat zijn de geesten”, verzekerde Dolimah zacht en ernstig. En met groote oogen zat ze te luisteren.

Rolf en Hajo waren bezig, een bed van varens voor haar op te stapelen.

„Voel eens, hoe het veert!” zei Rolf, toen het bed een el hoog geworden was.

„Hoor!” zei Dolimah en hief haar vingertje. In de verte gromde het onweer.

Flits! daar sloeg de wereld in lichtelaaie. Het zwarte dak daarboven werd in stukken en brokken gescheurd; onder de boomen vielen plots blauwgroene schaduwen, en de vlammen van Harmen’s vuurtje werden even neergedrukt.

Padde stopte de ooren dicht..... daar daverde de slag, wentelde over de boomkruinen, tuimelde in een open plek omlaag als een schaatser in een bijt, spookte nu tusschen de stammen, deed de bladeren verontrust ruischen..... Stil was het weer. Dolimah zat met wijd open oogen op haar leger van varens als een prinsesje op haar troon. Harmen was met het plukken klaar, sneed de duif haastig open. Zijn mes glinsterde als het mes van een roover uit een sprookje. Padde lag, het hoofd in de armen, tegen een stam.

Niemand sprak. Hajo en Rolf, die naast elkaar op het mos waren neergezonken, staarden, op den buik liggend, naar een groen kevertje, dat, klauterend over steentjes en grassprietjes, zich ijverig een weg baande. Wanneer het bliksemde, glansde het diertje ineens van het goud,—stokte zijn loop. Dan ratelde de donder, en het torretje dook ineen. Wanneer het weer stil was, roerde de gepantserde ridder zijn voelhorentjes, krabbelde overeind en strompelde weer verder tusschen takjes en blaadjes door het ontzaggelijke woud.....

Was het verschil tusschen hen en dat torretje zoo groot? vroegen de jongens zich stilletjes af. Hoe eindeloos was hier alles, hoe klein en onmachtig waren zij.—Als je ergens lang naar kijkt, had Dolimah gezegd,—maken de geesten zich meester van je ziel.....—Geen droomelarijen! Wakker blijven!

„Zoo”, zei Harmen, „als dát nou geen fijn boutje is, weet ik het niet!” En hij begon de duif te verdeelen. Maar Padde wilde niet hebben. „Wat zullen we nou beleven??” vroeg Harmen.

Ook de anderen keken vreemd op. „Scheelt er wat aan, Padde?”

„Knap maar”, zei Padde.

Toen lekten dikke, warme druppels uit den hemel neer. Geheimzinnig tikten ze op de bladeren. Ping!—Pong!—Pang!—Ping!—Ping..... De bliksem laaide weer uit, vulde de lucht opeens met blauwig-lichtende diamanten. Toen sloeg de regen neer. De takken bogen onder den waterval, piepten en kraakten; bladeren dwarrelden omlaag en dreven weg in de beekjes, die zich vormden tusschen het drassige mos. Onder den boom, waar onze vrienden stonden, begon het ook te lekken; het vuurtje doofde sissend uit. Zouden ze verder gaan en een onderdak zoeken? Het trieste stelletje pakte speren en bogen op en plaste langs den nu modderigen weg; Padde droefgeestig en loom achteraan. Het weggetje was spoedig een goot geworden, waardoor het bruine water met groote bellen er op voortjoeg. En steeds meer water vloeide toe. Dolimah hield haar sarong hoog op; de regen deed haar schouders, hals en armen glanzen. Harmen kwam door dien opwekkend ruischenden regen weer in een tevreden stemming,—hij stapte met groote passen, dat het water alle zijden uitgolfde, en zong boven den regen uit:

„Des winters als het reghent, Dan sijn de paetjes diep, ja diep, Dan komt dat lose vischertjen Vischen al inne dat riet, ja riet! Met sinen rijfstoc, met sinen strijcstoc, Met sinen lapsac, met sinen cnapsac, Met sine leere, von dirre dom deere, Met sine leere laersjes aen.....”

Hajo en Rolf waren halverwege uit volle borst ingevallen, en Padde gaf Joppie een trap, toen deze, springend van berm tot berm om de jongens bij te blijven, hem voor de voeten kwam. Het water voerde bladeren en bloemen mee en twijgjes en stukjes schors. Dolimah ving de bloemen op, stak ze in heur zwart-glanzend haar, in haar sarong boven de borst en tusschen de vingers.

„Wat een fijn juffie, hè?” schreeuwde Harmen.

„Zing jij ook eens wat, Dolimah?” vroeg Rolf.

„Ja!” zei Dolimah. En terwijl ze sierlijk haar sarong ophield en als een kleine koningin door het water schreed, zong ze:

„Oedjan dateng, kambing lari! „Oedjan dateng, soekah menari!” [4]

En ze stelde voor, een pisangblad boven het hoofd te houden als een pajong.

In Harmen, Rolf en Hajo’s hart was alles licht; ze voelden zich halve boschmannetjes, toen ze met de groote bladeren boven het hoofd onder de glimmend-zwarte boomen doorgingen. Ze waren hier thuis in het woud, onder vrinden. Zouden ze verbaasd zijn, wanneer hun zoo meteen een tijger te gemoet zou stappen en in zuiver Maleisch zou vragen: „Waar komen jullie vandaan..... Dari mááááánah?” en: „Waar gaan jullie naar toe..... Pigi mááááánah?”

„Tabeh!” zouden ze zeggen.

Of wanneer er een kabouter een eindje met hen zou oploopen tot aan zijn hol, aan de andere zijde van den berm? Of wanneer ze een kantjil en een stekelvarken gearmd zouden tegenkomen, dikke vrinden nog vanwege het gezamelijk te velde trekken tegen den olifant? Of wanneer ze een boom zouden hooren fluisteren: „Help me uit de knoei,—die smerige, witte mieren zijn bezig me dwars door te zagen?”—Daar flitste de bliksem weer, scheurde het duister; een paar kokosboomen rezen vliegensvlug uit den grond op, spatten daarboven uiteen als zwarte inktvlekken op geel perkament. „Een kampong!” fluisterde Dolimah. „Waar klapperboomen staan, is een kampong in de buurt.”

Onverwachts begon Padde achter hen te snikken. „’k Heb zoo’n koppijn! En m’n beenen zijn zoo moe.....”

De jongens schrokken. „Je zult toch niet ziek worden, Padde?!”

„Weet ik het?” vroeg Padde tusschen twee snikken in.

„Dija sakit?” vroeg Dolimah. „Is hij ziek?”

Rolf knikte. En tot de anderen zei hij: „Jongens, als we vlak bij een dorp zijn, kunnen we hier niet blijven! ’t Is nu donker; we moeten het zien te omsluipen.—Kun je heusch niet meer loopen, Padde?”

„Gaan jullie maar door en laat mij hier maar liggen.....” snikte Padde.

„Wat een onzin!” viel Hajo driftig uit. „Kom, Padde! Misschien ben je morgen weer zoo frisch als een hoentje!”

„Ja..... misschien wel”, zei Padde droefgeestig.—En de jongens gingen weer verder.

Ze bleken voor een omheinden kokostuin te staan. „Wacht even!” zei Harmen. Hij wipte over den bamboe-pagger en klauterde een schuinen kokosboom in. „Wat is die stam glad!” schreeuwde hij van boven.

Weer bliksemde het. Langs de omheining zagen ze den omtrek van een paar puntige daken. De donder bulderde uit,—verstierf in het klagend loeien van een buffel, daarginds in het dorp.—Een nieuwe bliksemflits. Acht, tien, twaalf, veertien, vijftien huisjes op hooge palen. Hoe merkwaardig silhouetteerde Harmen daar boven tegen die onweerslucht! Was het niet net, of ze weer op zee zaten, en Harmen in een boozen nacht iets klaarde in den fok? Daar klauterde hij weer omlaag. „Vangen jullie?” riep hij van achter de omheining.

Terwijl Hajo en Rolf werk hadden de noten op te vangen, die Harmen over den pagger kegelde, ging Dolimah bij Padde zitten. „Dimanah sakit?—Waar doet het pijn?” vroeg ze met haar lieve stemmetje.

„Hier!” zei Padde verteederd en wees op zijn armen bol.

„Biar-lah!” troostte het meisje. „Wacht maar: morgen zal ik kruiden voor je zoeken.”

Padde knikte. „Verstaan doe ik je niet”, zei hij. „Maar lief ben je, da’s vast!” En met een wat vroolijker gezicht stond hij weer op.

Het geweld van den nog steeds even machtig neerslaanden regen maakte het omsluipen der kampong gemakkelijk. Het was een klein dorpje, boven aan een helling van sawah’s en, naar de zijde vanwaar de jongens kwamen, grenzend aan den boschrand. Het was niet gemakkelijk om in den hevigen regen, die alles deed onderloopen, den weg langs de helling omlaag te vinden. Onophoudelijk gleden de jongens in de modder uit. Slechts Dolimah viel niet: ze scheen dit balanceeren over smalle sawahdijkjes wel gewend te zijn. Dat bewees ze ook door even later kalmpjes-weg over een boomstam te wandelen, die, bij wijze van brug, over een snelstroomend beekje was gelegd, waar het water van de sawah’s in uitvloeide. De jongens gingen er twee aan twee over en hielden elkaar goed vast, zoodat Harmen en Hajo tegelijk het water intuimelden. Joppie zat achter een vette rat aan, en de rat en hij gilden samen zoo, dat het van daarginds uit de kampong echode. Toen trad Joppie als overwinnaar uit het strijdperk en toonde het rattelijk, waaraan een lange, kale staart bungelde.

Aan de andere zijde van het dal kronkelde het weggetje weer tusschen de boomen voort. „Kun je nog, Padde?”

Padde bromde wat.

Na wellicht twee uur loopen en waden door het maar altijd neerplassende water, kwamen ze weer op een plateau, grenzend aan een ravijn. „Hier zullen we maar blijven”, zei Rolf. „Een onderdak vinden we toch niet.”

Padde zonk neer.

„Ik wil eens langs het ravijn zoeken”, zei Harmen. „Ga je mee, Hajo? Hier, neem jij ook een speer mee!” En beiden togen den zwarten nacht in.

Rolf en Dolimah gingen, ieder aan een kant, aan Padde’s zijde zitten. Een windvlaag streek over het plateau. „Heb je het koud, Padde?” vroeg Rolf bezorgd.

Padde klappertandde.

„Kom dan dicht tusschen ons in.”

Onafgebroken stroomde de regen neer.

Hajo en Harmen volgden den rand van het plateau. Aan hun voeten gaapte, onheilspellend zwart, het ravijn. „Wees voorzichtig, Harmen! Als je er in valt.....!”

„Zal mij niet gebeuren!” verzekerde Harmen. Meteen zakte de grond onder zijn voeten weg; Hajo bleef star van ontzetting staan, maar Harmen wist zich net bijtijds aan een naar buiten stekenden wortel vast te grijpen, werkte zich naar boven en sprong weer op den beganen grond. „Daar ligt m’n speer!” schold hij. „Foetsji! Naar de haaien!”

„Hè.....!” stamelde Hajo.

„De grond is wat slappies van die smerige regen!” verklaarde Harmen. En zich aan den boom vasthoudend, die hem het leven had gered, leunde hij over den afgrond. „Alles zoo zwart als een pot teer! Is ’t niet zonde, zoo’n mooie spies!”

Maar daar zette de bliksem het ravijn in het felste licht, en Harmen riep: „Ik zie hem! Geen tien el hier beneden!”

„Nou, wat dan nog?” vroeg Hajo, ietwat geprikkeld.

„Ik ga hem halen”, zei Harmen.

„Als je ’t maar laat!”

„Ja, ’k zal daar m’n mooie spies laten liggen, als ik hem zoo grijpen kan!”

„Wil je je nek breken?”

„Nee. Jij?” vroeg Harmen. „Daar zit ergens een boompje in de wand vast,—daar laat ik me op zakken!” En zonder Hajo’s verdere goedkeuring af te wachten, liet hij zich langs de wortels van een zwaren boom, die op den rand van het plateau stond, zakken.