De Scheepsjongens van Bontekoe
Part 24
Zwijgend liepen de knapen zoo een paar uren achtereen, tot het ging schemeren, en aan een legerplaats gedacht moest worden. Ze kozen er weer een open plek voor, tusschen bamboebosschen. De grond was zacht. Merkwaardig was, dat ze vanavond niet zoo door die onbestemde vrees bevangen werden als gisteren voor het slapen gaan. Raakten ze met het oerwoud vertrouwd? Had de ontmoeting met den koningstijger dit gevaar iets van zijn beangstigende geheimzinnigheid ontnomen? Ze waren met z’n vieren, met lansen bewapend, en Joppie zou wel blaffen als er gevaar dreigde.....!
Eensklaps richtte Hajo zich op. „Ik hoor wat!”
De jongens luisterden. Door het krekelgetsjirp mengde zich een dof geluid als van een trommel. „Menschen!” fluisterde Hajo. „Ik hoor ook een fluit!”
De knapen sprongen op. Mannetje na mannetje liepen ze langs het donkere, smalle pad op het geluid af.
Eensklaps hield het bosch op, en aan de voeten der knapen strekte zich een wijd dal uit, in vijvers verdeeld. En in het midden, omringd door kokostuinen, lag een dorpje, waaruit een gele lichtschijn opstraalde. Hoe te naderen zonder gezien te worden? Het dal sidderde in blauwen maneschijn; de vijvers zogen het licht gretig in en straalden het weer uit. Kom! ze zouden maar op hun goed gesternte vertrouwen! Er scheen in het dorp feestgevierd te worden, en dan zou men wel niet zoo waakzaam zijn. Zoo daalden onze vrienden over een kronkelend dijkje de helling af.
„Rijstvelden!” zei Rolf, op de vijvers wijzend. „Kijk maar, de halmen steken boven het water uit.”
Harmen, die vooraan liep, stokte en bleef staan. Van het dijkje gleed een slang weg en kronkelde, den kop boven water, tusschen de jonge, groene halmen door. „Goed, dat ik er niet op getrapt heb!” zei Harmen verschrikt.
„Is ’t hier niet prachtig?” vroeg Rolf. De jongens stonden weer even stil, lieten de oogen rondweiden over de sawah’s om hen heen, waarin milliarden sterren star te fonkelen stonden. Hoe wijd en groot was alles hier! Hoe klein voelde je je! Hoor! De muziek was luider geworden. Hoe luchtig en klaar klonken die fluittonen, en hoe weemoedig verstierven ze.
Verder maar weer! Bij dozijnen plonsden de vette kikkers van het dijkje de sawah’s in, zwommen grappig weg en bleven met uitgestrekte achterpooten liggen, nieuwsgierig boven het water uitglurend. Zoo kwamen de jongens bij den eersten kokostuin; de slanke stammen en de lange, gebogen bladstelen glansden in het maanlicht.
Voorzichtig! Pasje voor pasje slopen ze voort. Glurend langs een bamboeboschje konden ze de poort zien. Er stond een wachthuisje met weer zoo’n hangend, uitgehold stuk boomstam, maar van een waker was niets te bespeuren. Nu, waar zou die ook voor noodig zijn geweest? Het geheele dorp was immers op de been? De jongens doken vlug langs het bamboeboschje tegen den aarden buitenwal weg en konden nu door de spleten van de omheining naar binnen zien. De dessah-bewoners zaten in wijden kring op het voorplein gehurkt, en in het midden van den kring schreden dansers met potsierlijke bewegingen dooreen. Ze droegen op het hoofd gruwelijke monsterkoppen met wilde haren en groote glas-oogen, en het bovenlijf was bedekt door een ruimen mantel van lange bladeren. Rondom de dansers zaten met gekruiste beenen de muzikanten, die met de vlakke hand op eigenaardige, langwerpige trommels sloegen, welke dwars op de knieën lagen, of op houten fluiten bliezen. Een bespeelde een eensnarige viool, welke op den grond was geplaatst, en een ander sloeg beurtelings op twee bekkens. Daarachter zaten mannen met walmende flambouwen, en daar weer achter hurkten de omstanders, sloegen met de handen de maat.
„Kermis!” fluisterde Padde.
Harmen keek slechts naar den vioolspeler. „Hij kan er niks van! Fout! Wéér fout! Is dat nou spelen?” En even later kon hij het haast niet meer uithouden. „Zou ik naar binnen gaan? Om ze eens te laten hooren, hoe je spelen moet? Hou jij m’n speer zoo lang vast, Hajo, en m’n boog.”
„Als je ’t maar laat!” dreigde Rolf.
„Wat zullen ze me doen?” vroeg Harmen. „Ze zullen blij zijn, als ze er eens goed hooren spelen.”
En even later begon hij weer te zeuren: „Ze hebben daarginds ook allerlei lekkere rommel staan..... Ruik maar eens!—En ik zou zoo drommelsch graag weer eens een fiool in m’n vingers hebben..... Hoelang heb ik nou al niet kunnen spelen? Hoor! Valsch! Wéér valsch!”
Met een kordaat besluit wierp Harmen zijn wapens op den grond, sprong fideel de poort binnen en riep op een toon van: daar ben ik dan toch eindelijk! den vergaderden toe:
„Tabeh!”
PADDE IS ZOEK
De trommels zwegen; de dansers staakten hun dans; allen staarden met groote oogen naar den zonderlingen bezoeker in zijn rokje van gras. Daarop sprongen enkele mannen toe en grepen Harmen, die te laat op de gedachte kwam om er weer tusschen uit te gaan. Allen riepen dooreen.
De jongens, die buiten alles hadden gezien, vluchtten, na Harmen’s wapens te hebben opgepakt, met Joppie in het bamboebosch. Vlak daarop snelden gewapende Inlanders langs hen heen, blijkbaar op zoek, of er nog meer blanken in de buurt waren. Maar onze vrienden werden niet opgemerkt, en de Inlanders keerden weer terug. Toen bedaarde het rumoer daarbinnen.
„We moeten hem bevrijden”, zei Rolf. „Maar hoe?!”
Padde begon jammerend zijn meening te uiten over menschen, die door hun waaghalzerijen ook anderen in gevaar brachten.
„Hajo”, zei Rolf. „Jij ziet de poort van daar. Staat er een wacht voor?”
„Neen! Ik zal kijken, wat ik binnen zie.” Hajo sloop naar de omheining, loerde door de spleten. „Het voorplein is leeg, en van achter de huizen komt licht.”
„Volg me dan”, fluisterde Rolf. „Hier, Padde, pas jij op Joppie en de wapens!”
„Wat gaan jullie beginnen?” jammerde Padde op gedempten toon. „Je komt hier toch terug, hè, Hajo?”
„Ja zeker”, gromde Rolf. En Rolf en Hajo slopen weg, het halve dorp om, tot waar het licht door de spleten der omheining naar buiten straalde, en stemmengedruisch hun oor bereikte. Ze gluurden tusschen de bamboes door en zagen juist, dat Harmen, de handen op den rug gebonden, een trapje werd opgeleid naar een hutje. De deur werd achter hem gesloten; daarna schenen de Inlanders te vergaderen. De afstand was te groot om iets te kunnen opvangen uit het stemmengeroezemoes.
„Wachten”, zei Rolf. „Zoolang ze daar zijn, kunnen we niets beginnen.”
En zoo wachtten de jongens dus, gekweld door de muskieten. Eindelijk verspreidden de Inlanders zich in druk gekout en verdwenen in hun woningen.
„Kom mee!” zei Rolf, „misschien vinden we een achterdeur; de poort zal nu wel bewaakt zijn.”
Op dit oogenblik hadden de jongens, ondanks het hachelijke van het geval, moeite hun lachen te bedwingen: Harmen hief de eerste maten van het geuzenlied aan:
„Slaet opten trommele, van dirredomdijne! Slaet opten trommele, van dirredomdoes!”
Het deed in dezen Indischen maannacht vol krekelzang wel erg zonderling aan.
Zijn vrienden begrepen, dat het niet Harmens lust tot trommelen was, die hem dit lied uit de ziel perste. Het moest hen aanduiden waar hij zat opgesloten!
Zonder een ingang te vinden, slopen ze het dorp om. Zoo kwamen ze weer aan de poort, maar nu aan de andere zijde dan waar Padde en Joppie zich bevonden. Hajo gluurde om een hoekje. Een schildwacht hurkte thans, eentonig neuriënd, naast het huisje. Inlanders neuriën altijd, als ze ’s nachts alleen buiten zijn; het verdrijft de booze gedachten, welke zich, in het kleed der duisternis gehuld, van ’s menschen ziel willen meester maken.
Wat te doen? Den man overvallen? Hajo kreeg een inval: hij raapte een steentje op, wierp het weg over het hoofd van den waker. Ritselend viel het neer.
De Inlander hief het hoofd.
Doodsche stilte. Krekelzang. Heel in de verte de blaffende roep van een hert.
Hajo wierp nog een steentje achter het eerste aan. Ditmaal werd het verlangde resultaat bereikt. De man greep zijn speer en begaf zich in de richting, van waar het geluid kwam. Hij had zijn rug nog niet gekeerd, of Rolf en Hajo schoven geruischloos voort in de schaduw van de omheining, slopen achter het wachthuisje door en glipten de poort binnen. Ze durfden het voorplein niet over te steken,—liepen het dus om, van boom tot boom.
„Hoor eens.....!” zei Hajo opeens.
De knapen hielden den adem in.
„Ik hoor niets!”
„Ik nu ook niet meer. Ik meende daareven.....”
„Het zal Harmen zijn geweest. Luister maar eens: hij zingt nu van het Volendammer visschertje!”
„Ja-ha!”
Verder weer! Geen van beiden vermoedde iets van het bloedig drama, dat zich intusschen buiten de poort had afgespeeld.....
Padde had onverwachts vlak voor zijn neus een steentje hooren neervallen. Waar kwam dat vandaan? Daar viel er nog een! En zie..... de waker stond op..... en kwam op Padde af! Met bonzend hart gluurde de jongen door de twijgen en zag, hoe de Inlander overal rondkeek en met zijn lans in het struikgewas porde. Padde kroop een eindje achteruit. De waker bleef doodstil staan, kwam toen recht op de plek af waar Padde zat en stak zijn lans met kracht tusschen de bamboes. Deze aanval was Joppie te machtig: hij bevrijdde zich met een gesmoord jankgeluid uit Padde’s greep en vloog den man naar de beenen. Met een verwensching trapte de Maleier den hond weg, sprong toe en.....! Padde had in radeloozen angst, zonder te weten wat hij deed, een lans naar voren gestoken. De lans kraakte; een doffe kreet; rochelen; de slag van een vallend lichaam....! Huiverend sprong Padde overeind, zag, hoe de Inlander, met de speerpunt diep in de borst, krimpend op den grond lag. Alles draaide voor Padde; hij borg het gelaat in de armen. Weg! Weg van hier! Weg! Weg!.....!
En, met Joppie op de hielen, was Padde weggehold.....
„Dat Volendammer Visschertje, Dat voer naar Zierikzee.....”
zong Harmen.
Sluipend van huis tot huis, waren Rolf en Hajo zijn schuilplaats genaderd.
„Dat Volendamsche Visschertje, Dat voer naar Zierikzee. Bracht zeven varkens en een wijf, Een poez’lig wijf weer mee! Van z’n varkens kreeg die nooit geen spijt, Maar ’t wijf wou die weer kwijt. Weer kwijt, wéééér kwijt.....”
Met een prachtigen uithaal besloot het lied.
Zijn vrienden waren vlug onder het huisje weggekropen, waarin hij gevangen zat. „Harmen.....!”
„Holla.....! Groote Griebus, als ik niet dacht, dat jullie...”
„Sssst! Ik kom bij je!” Rolf klauterde vlug langs het laddertje omhoog. Gelukkig stond het aan de schaduwzijde. De deur zat met een rotan vast. Het mes er op...... rits! Krak..... krak.....! Stil, stomme deur!—„Harmen, waar lig je?”
„Hier! Groote God, Rolf..... de schurken!”
Rolf knielde, begon de boeien door te snijden.
„Au!”
„Los?”
„Ja”
„Kom dan!”
Zachtjes schimpend daalde Harmen de ladder af.—„Hajo!”
„Kom mee!” fluisterde Rolf.
Even later waren de knapen het dorp weer door, langs de omheining het plein omgeslopen, stonden nu dicht bij de poort. Rolf raapte een steentje op, keilde dit over den bamboezen wand een flink eindje bezijden de poort. Niets roerde zich.
„Wat doe je nou!” vroeg Harmen.
„Ssst!” Rolf nam nog een steentje, ditmaal iets grooter, wierp het achter het andere aan.
Doodsche stilte.
„Misschien staat de wachter verderop!” zei Hajo.
„Laten we hem smeren”, stelde Harmen voor. „Voor ie de lui op de been heeft, zijn we weg!”.
Rolf sloop vooruit, de anderen volgden. Zoo kwamen ze de poort uit. Niets te zien! Wacht! Wat..... wie ligt daar?! Allen snellen toe. Een kreet van ontzetting, als ze het lijk van den waker overdekt met bloed op den grond vinden.
„Padde.....?!” Hajo stort zich het struikgewas in.
„Padde is verdwenen! Daar liggen de wapens nog.”
Rolf knielt bij het lijk neer. „Dood!” fluistert hij.
„Zou Padde met de lans.....?!”
Rolf springt overeind. „Vlug! Weg van hier!”
De andere twee volgen, Hajo radeloos over Padde’s verdwijnen.
„Wacht even!” hijgt Harmen. Hij snelt terug, grist de wapens uit het struikgewas weg, neemt den Maleier speer en kris af. Dan snelt hij weer achter de anderen aan.
„Rolf!” snikt Hajo. „Moeten we Padde niet.....?!”
„We moeten hier weg!” beveelt Rolf. „Uit het dal weg! We kunnen ons hier niet verbergen. Ze zoeken ons straks en.....”
Harmen bukt zich, raapt Padde’s schortje van den grond op.
„Goddank!” zegt Rolf, „dan is hij de goeie kant uitgevlucht! Neem het, dat ze ’t niet vinden!”
De jongens rennen langs een dijkje tusschen de terrasvormig oploopende sawah’s omhoog, glijden in de modder uit, krabbelen weer overeind en staan tenslotte hijgend aan de andere zijde van het in maanlicht gedrenkte dal.....
DOLIMAH
Hier loopt het pad weer het bosch in. Grillige schaduwen liggen over den grond. Honderdmaal struikelt Harmen, die vooraan loopt, over zware wortels. Hush..... wat springt daar voor een dier weg?!
Voort! Voort! Hajo kan ten slotte niet meer, zinkt tegen de struiken. De tranen vloeien over zijn wangen. „Padde.....! Waar is Padde.....?”
„Stil eens!” zegt Harmen. „Hoor jullie wat?!”
Hajo bergt het gelaat in de armen om zijn hartstochtelijk snikken te smoren.
„We moeten hier weg! Kom, Hajo,” dringt Rolf aan. „Hier is alles nog zoo open.” En hij steunt Hajo, die kreunend opstaat.
Zoo strompelen de jongens voort, tot ze bij een plaats komen, waar de bodem zacht is en varens groeien. Voorzichtig, zorg dragend geen varen-stelen te knakken en zoodoende een spoor na te laten, waden ze er door. Als ze ver van den weg af zijn, zinken ze neer, hooren nauwelijks het driftig zingen der muskieten. Harmen valt meteen in slaap. Hajo snikt nog urenlang.
De sterren verdwijnen al. De maan verbleekt. De krekels zwijgen.
Met een schrikbeeld voor oogen werd Hajo het eerst van de drie weer wakker. „Padde! Waar is Padde!”
De zon stond al hoog, glinsterde in de boomkruinen, daarboven. Alom schetterden de vogels. „Rolf.....! Word wakker! We moeten Padde zoeken!”
„Ja.....” stamelde Rolf en richtte zich op.
Ook Harmen werd wakker, rekte zich, geeuwde, krabde aan enkele roode muskietenbeten.
„Waar zullen we zoeken?” vroeg Rolf na een oogenblik zwijgen.
Hajo zocht naar een antwoord, maar vond er geen. Met tranen in de oogen blikte hij in het groen, rondom. Harmen wentelde zich op zijn buik, plukte een grashalmpje, kauwde er op en zuchtte. „Je kunt net zoo goed naar m’n viool gaan zoeken, die met de Nieuw-Hoorn kopje onder is gegaan!”
„Padde moet gevonden worden”, zei Hajo met gesmoorde stem.
„Ja.....” viel Rolf hem bij. „Natuurlijk moet hij gevonden worden. Dat spreekt vanzelf.”
Zwijgen. Drukkend zwijgen. Hajo barstte plots weer in krampachtig snikken uit.
Harmen sprong overeind, spuwde het grashalmpje uit, dat hij half had binnengekauwd, streek over zijn zitvlak en zei: „’k Ga eens op de weg kijken. Zien, of de sloebers ons gevolgd hebben.”
Langzaam, het hoofd omlaag, waadde hij tusschen de varens door.
Even later kwam Harmen met groote sprongen weer aanhollen; hij moest even naar lucht happen, vóór hij uit zijn woorden kwam: „Daarginder zit ie! Met Joppie en een zwart meisje! En vuur heeft hij ook!”
De anderen sprongen overeind. „En..... en waarom is hij niet met je meegekomen??”
„Hij heeft mij niet gezien!”
„Ben je dan niet naar hem toegegaan?”
„’k Zal daar in m’n bloote billen voor den dag komen!” schimpte Harmen verontwaardigd. En haastig schoot hij zijn „rokje” aan.
„Kom mee!” zei Rolf. En de jongens ijlden achter Harmen aan. „Zie je daar die rook?” vroeg Harmen. „Bij die kokosboom? Daar zit ie met ’t zwarte meisje en z’n vuurtje, de smakker!”
„Padde! Hallo, Padde!” riepen de jongens.
„Wauw!” Daar kwam Joppie hen al te gemoet snellen, sprong gillend van vreugde tegen hen op.
Maar Padde scheen over het weerzien allerminst verbaasd. „Zoo!” zei hij, trad in het kostuum waarin hij geboren was eenigszins schuchter naar voren, kuchte en vroeg: „Heb jullie mijn schortje soms?”
„Hier!” zei Hajo. „Maar vertel op: hoe.....”
Met een zucht schoot Padde zijn rokje aan. „Ziezoo!—Ja, ’t is dat meisje, weet je wel, van bij de radjah! Ze is ons nageloopen. Nietwaar?” wendde hij zich tot het meisje, dat met neergeslagen oogen tegen de struiken stond. „Jij wou met ons mee? Sama saja?—Ik kwam haar achterop! Vannacht, toen ik wegliep om.....” Padde huiverde.
„Dus jij hebt hem doodgestoken?”
„Is ie d-dood?” vroeg Padde stamelend. „Ik kon er niets aan doen. Hij kwam op me af.....!”
De jongens zwegen, en Padde veegde met den onderarm over zijn neus.
„Apa moenamah nja? Hoe heet je?” wendde Rolf zich tot het meisje.
„Dolimah, toean.....” luidde het zachte antwoord.
„’t Is dat lieve meisje, dat ons dat smerige goedje gaf, dat we kauwen moesten!” zei Padde. „Weet je ’t nog, Harmen?”
„Nou!” zei Harmen. „’k Wist niet, wat ik liever had!”
„Ze kon me dadelijk weer”, vervolgde Padde. „Nou, en toen heeft ze een vuurtje gemaakt, lekker! Moet je eens kijken, hoe ze dat doet! Met een paar houtjes! En wrijven maar! ’k Heb geslapen; ’k ben net weer wakker.”
„En heb je er geen oogenblik over gedacht, waar..... wij bleven?” vroeg Rolf.
„Nou, ik wist toch, dat jullie wel zouden komen!” meende Padde luchthartig. „Ik dacht: ze zullen wel zoeken.”
Rolf knikte. „Zoo.” Toen wendde hij zich weer tot het meisje: „Dolimah, vertel me eens waarom je je dessah verlaten hebt.....?”
„Ik was zoo bang! Loentar heeft gezien, dat ik ’s nachts ben opgestaan..... Loentar verklapt altijd alles.”
„Wie is Loentar?”
„Loentar is mijn broertje. Ik heb nog twee broertjes: Dajik en Oeng. Karidien is al groot. Hij is bijna een man en zoo sterk.....! En mijn zusters: Sitoe en Roeknini en Kartina zijn al getrouwd.”
„En.....” Rolf aarzelde even, „wilde je nu met ons meegaan?”
„Ik durf niet terug”, fluisterde het meisje.
„Kun je in een andere kampong geen tehuis vinden?”
Dolimah schudde het hoofd. „Ze zouden vragen wie ik ben, en me weer terugbrengen.....!”
„En waar heb je in die dagen van geleefd?”
„Ik heb niet gegeten. Ik was zoo bang. Ik heb geloopen, geloopen.....” Het meisje scheen plots ietwat duizelig te worden, streek met de hand over de oogen.
„Wat heeft ze?” vroeg Harmen verschrikt.
„Ze heeft al dien tijd niets gegeten!”
„Groote griebus!” Harmen keek rond, dacht toen aan den kokosboom vlak bij hem en klom als een aap naar boven. „Hajo!” schreeuwde hij van uit de hoogte. „Schiet als de weerlicht een paar duiven!” Maar Hajo had de pees van zijn boog al gespannen. „Wat ik onder schot krijg, is er bij!”
Rolf gooide bladeren bijeen tot een zacht leger. „Ga hier wat zitten”, zei hij tot het meisje, dat verlegen werd onder al die zorgen. „Je zult moe zijn.”
Dolimah aarzelde. Maar toen Rolf haar naar de rustbank leidde, zonk ze met gesloten oogen zwijgend op de zachte bladeren neer.
„Ziezoo!” zei Padde, die, om ook wat te doen, geheel overbodig in het vuur porde. En hij wees naar Harmen, die boven in den boom ijverig noten zat los te draaien. „Zie je? Hij haalt makan!”
Daar kwam Harmen weer omlaagzakken, laadde de armen vol noten. „Da’s dat! Waar blijft Hajo met zijn duiven? Als die kampong niet zoo open en bloot lag, zou ik wat rijst voor haar gappen. En dan nam ik meteen voor mezelf wat beters mee als dat smerige rokkie, dat ik nou aanheb. ’t Lijkt wel, of ik moet optreden in ’t paardenspul!” Hij nam zijn kapmes op en spleet met een paar ferme slagen een noot open. „Alsjeblieft, lieve, kleine Dalo..... Dola..... hoe heet je?”
„Dolimah”, zei het meisje na een verlegen aarzeling. Ze nam met haar fijne vingertjes het stuk kokos aan, dat Harmen offreerde, zette haar blanke tandjes in het blanke vruchtvleesch.
„Wat een dot, hè?” zuchtte Harmen. „Hier, kleine snoes, Harremen is dol op je,—neem dit er nog bij.”
„Geef op!” snauwde Padde, jaloersch. „Denk je, dat ze dat zóó kan eten? Dat moet eerst in stukjes!” Hij beproefde het met de handen te breken, werd rood van inspanning..... vergeefs.
„Nou moet jij het met je smerige vingers eerst pikzwart maken!” schold Harmen, die anders toch zoo nauw niet keek. „Hier d’r mee, papjoggie!” En Harmen zette er zijn pootige vingers in. Knap! „Een schip in brand laten vliegen, dat kan ie, maar een nootje knappen, daar moet ie Harremen eerst bij roepen!”
„Kletskoek!” schreeuwde Padde, en de tranen schoten hem in de oogen.
Harmen grinnikte, kapte juist met een geweldige mep weer een kokosnoot in tweeën en loerde met een schuin oogje, of het meisje wel oplette, hoe mooi hij dat deed. Maar Dolimah liet juist een schuwen blik vol medelijden op Padde vallen, in wiens oogen zij een traan zag glanzen. Padde merkte het, veegde snel die sporen van on-mannelijke zwakte weg, snoof en keek een anderen kant uit.
Daar kwam Hajo opgewonden uit de struiken. „Alsjeblieft!” riep hij en hield een kakelend boschhoen omhoog.
„Geef hier!” beval Harmen. En het bevoelend, prees hij: „’n Mooi beest! Vet aan de borst!”
„Ik trapte er haast bovenop!” zei Hajo.
„’t Stomme dier!” zuchtte Harmen. En terwijl hij het den hals omdraaide, beval hij Padde, hout voor het vuur te zoeken, en Hajo droeg hij op, een puntigen stok te snijden om het er aan te braden. „Zoo, ben je dood, beessie? Hij zegt niks meer, dan zal ’t wel zoo wezen.” En meteen stoven de veeren ook al in ’t rond. In een ommezien was de mooie, gespikkelde, mollig bepluimde kip een kaal, geel monster geworden. Met verrassende vaardigheid sneed de vroegere koksmaat het open, spietste het „schoongemaakte” boschhoen, gooide de houtjes op het vuur wat op mekaar en zag even later met glinsterende oogen toe, hoe het boutje bruin werd, en het vet sissend in de vlammen droop. „Deze mag jij opeten, hè, Dolimaatje?” zei hij.
„Daar heeft ze genoeg aan”, meende Rolf.
„Oh! Wou jij d’r soms ook wat van!” schimpte Harmen. „Zie liever, dat je wat schiet!”
„Dat is een goede gedachte”, zei Rolf opgeruimd. „Ga je mee, Hajo?” En de beide knapen vatten hun boog op en verdwenen tusschen de boomen. Joppie sprong om hen heen.
„Het liefst heb ik boschkippen!” schreeuwde Harmen hun nog na.
„Je hebt maar voor het kiezen!” zei Rolf.
„Nou, een paar duiven vind ik ook goed! Als ze maar vet zijn.”
Langzaam wandelde onze vrienden tusschen de boomen voort. „Leuk, hè?” zei Hajo.
Rolf schrikte op. „Leuk?”
„Dat dat meisje meegaat! Ik vind alles nu in eens veel prettiger!—Wat zullen de anderen opkijken, als we met haar in Bantem komen! En later in Hoorn!”
Rolf liep peinzend naar den grond te kijken. „Ik geloof, Hajo”, zei hij tenslotte, „dat we haar moeten aanraden, toch maar naar huis terug te gaan.”
„Waarom??” vroeg Hajo verschrikt.
Rolf zweeg, en Hajo liet zijn lip hangen.
Zonder iets onder schot te hebben gekregen, belandden onze vrienden weer in het kamp.
„Platzak?” hoonde Harmen. „Nou, dan kunnen we met z’n vieren de kip afknabbelen: die is toch al pikzwart gebrand.”
„De kip? Heeft Dolimah er niets van gegeten??”
„Ze kan naar de pomp loopen!” zei Harmen grimmig. „’k Had een fijn boutje gebraden! Je wordt bedankt—zegt dat juffie—knabbel die rommel zelf maar op: ik zet er geen tand in.—Best—zei ik,—als jou dat niet fijn genoeg is, juffie, zal Harremen ’t wel.....” Harmen’s stem werd verdacht heesch „zal Harremen het wel voor je opkluiven.—En nou is ie pikzwart. Nou lust ik ’m ook niet meer.”
Het meisje scheen te begrijpen waarover gesproken werd.
„Ik mag het niet eten, heer,” wendde zij zich aarzelend tot Rolf. Deze keek haar even verbaasd aan. Toen begreep hij. „Ik denk, dat haar geloof het verbiedt”, zei hij tot zijn vrienden.
„Zit ’m dáár de kneep!” verzuchtte Harmen. „Ze had het hier toch gerust kunnen doen! Geen mensch, die het ziet!” Hij sneed het aangebrande hoen in stukken. „Hier, Hajo, daar heb jij een poot. En voor jou, Padde, alsjeblieft, een stuk van de borst en een vleugeltje toe, en voor jou, pennelikker, neem aan, ’k ben je knechtje niet! ook een vleugel en een stuk borst. Zoo, dan schiet er voor Harremen nog een poot over en de bil, en voor Joppie—gris ’t niet uit m’n vingers, mormel!—hier, voor jou de ribbekast, dan kun je kluiven! Of lust jij ook alleen wat je mag eten van je geloof? Hè, sallemander, jij denkt: spek is spek, en hap! in m’n bek! niet waar?”