De Scheepsjongens van Bontekoe

Part 23

Chapter 234,026 wordsPublic domain

De hemel verbleekte; de schemering spon haar eerste draden. Hoe stil werd het!—De jongens kenden de tropen al genoeg om te weten van hoe geringen duur die stilte zijn zou. Zoometeen zouden de krekels gaan tsjirpen in duizend hoeken en gaten. Geheimzinnige kreten zouden eensklaps de stilte verjagen, en dan zou de nacht komen aansluipen, als de dood in zijn zwarten mantel, zwaar ademend van moordlust. En ineens zat ie boven op je en haalde met zijn knokige, vaalwitte knuisten een glinsterend mes te voorschijn. Dan stolde het bloed je in de aderen; met een schreeuw zou je den gruwelijken kerel van je willen afwerpen. Maar je handen zaten als met schroeven vast; de adem stokte je in de keel.....!

Flakkerdeflak! Piiiiiiep!

„’n Vleermuis”, hakkelde Harmen.

Het laatste roze wolkje was aschvaal geworden; hier en daar begon een sterretje te tintelen; de maan kwam op. Waar haar stralen den grond roerden, stegen lange, witte spoken op, wentelden zich zuchtend omhoog. Toen zetten de krekels in, ontelbare fijne stemmetjes. Harmen stond op. „’t Is me hier een land!” gromde hij. „We komen d’r nooit weer uit.”

Langzaam rezen de anderen overeind, voelden een kille windvlaag over het plateau strijken. In de boomen kreunde en zuchtte het. Met moeite hun angst overwinnend, traden de jongens het duister in en zochten hun leger op. Ze kropen zoo dicht mogelijk bij mekaar.

„’t Veert fijn, hè, Hajo?” vroeg Harmen met heesche stem.

„Ja, ’t veert fijn”, zei Hajo.

Ze zouden er iets liefs voor hebben gegeven, een deken over de ooren te kunnen trekken. Nu hoorden ze de boomen boven hun hoofd een samenzwering houden om over de vermetele indringers ineen te storten en hen te verpletteren; ze hoorden den sluipenden gang van den tijger; ze voelden langs hun wangen den ijzigen adem van giftslangen; de kille, geschubde lichamen streken langs hun naakte schouders. Ook de hangende lianen bleken eensklaps slangen te zijn, die zich geluidloos omlaag lieten glijden en hen beloerden, wiegelend met den kop, waarin twee groen-gouden oogen fonkelden.....

Ten slotte sliepen de doodelijk vermoeide jongens in.

EEN NEST MET KATTEN

Den volgenden morgen joeg de zon alle muizenissen lachend voor zich uit! De griezelige boomen prijkten weer in bonte schoonheid; kleine vogeltjes schommelden lustig aan de orchidee-kelken en vulden de lucht met hun vroolijk gesnaper. Het eerste gevoel, waarmee de jongens ontwaakten, was dat van bevrijding.

Maar vlak er op volgde een ander gevoel: dat van een leege maag! Drommels, ze moesten wat eten zien te vinden, anders vielen ze van de graat! Ze hadden gisteren vrijwel niets dan vruchten gegeten; dat smaakte wel lekker, maar een Hollandsche jongen kon er toch niet op leven! Terwijl Hajo met zijn pijl en boog tegen de duiven te velde trok, die overal huisden op den rand van het plateau, greep Harmen speer en hakmes en beloofde met een wild varken te zullen terugkeeren. Rolf ging ongewapend op ontdekking uit, en Padde en Joppie begeleidden Hajo. Er was afgesproken, dat allen zoowat over een uur terug zouden zijn.

Hajo en Joppie slopen, door Padde op eenigen afstand gevolgd, door de varens. Daar de kans groot was, dat een pijl in de lianen zou blijven hangen, mocht onze jager slechts dan schieten, wanneer hij werkelijk trefkans had. Want hier groeide nergens bamboe voor nieuwe pijlen.

Het eerste schot was al bar gelukkig: een duif, belangrijk grooter dan de eveneens geelgrijze „perkoetoet”, (haar roep klonk meer als: tekoekoerrr.....) tuimelde neer, den pijl in de borst. Even later trof Hajo opnieuw, maar ditmaal dwarrelden er slechts wat veertjes omlaag, en de duif vloog weg. De pijlen waren te licht: een ijzeren punt zou beter hebben voldaan. Weliswaar had Hajo in zijn koker ook een vijftal pijlen met een spijker als punt, maar er was besloten deze zwaardere projectielen voor bijzondere gevallen te bewaren. Wacht, daar zag Hajo op een lagen tak weer zoo’n groote duif zitten. Hij mikte zorgvuldig en schoot het dier.

Maar nu begonnen de vogels argwaan te koesteren en maakten elkaar dat in duiventaal duidelijk, zoodat Hajo niets meer onder schot kreeg. Nu, twee vette duiven was ook al heel wat; hij zou zien, er nog wat eieren bij machtig te worden. Op goed geluk klauterde hij in een boom en vond twee nesten bij mekaar; in een ervan zaten twee jongen, al heelemaal in de veeren, dus blijkbaar op het punt van uitvliegen. Toen Hajo’s bol zich vertoonde, rezen de twee soezende dikzakken (weinig jonge vogels worden door de ouden zoo lang gevoerd als jonge duiven!) met van schrik wijd opengesperde oogen overeind en wilden uit het nest opfladderen. Maar Hajo legde snel de hand op het nest en stopte de jongen in zijn broekzak. Ziezoo, nu kon hij de eieren in het andere nest wel laten liggen! Beneden gekomen, liet hij Padde zijn buit zien, en de jagers keerden tevreden huiswaarts.

Rolf was ongewapend uitgegaan. Langzaam wadend door de varens, keek hij naar de duizend wonderen om hem heen, bukte zich over een goudgroenen kever, of bewonderde een groote, gevlekte orchidee, of volgde een rooden vlinder, die de verwoede aanvallen trachtte te ontduiken van een langsnavelig lilliput-vogeltje, niet half zoo groot als de vlinder, dien het naar het leven stond. Bij dat al vergat Rolf, dat hij eigenlijk een geduchten eetlust had,—de natuurvriend won het van den mensch.

Eensklaps trad Rolf met een kreet van bewondering achteruit. Was het hier dan toch een tooverland? Voor zijn voeten lag op den grond een bloem, zoo groot als Rolf in zijn leven niet gedacht had, dat een bloem worden kon. Men kon er wel in slapen! Ze scheen op den wortel van een liaan te groeien, die nog enkele knoppen torste, in vorm en kleur herinnerend aan een groote bloemkool. De geopende bloem was vleeschkleurig, wit bespikkeld; om een grooten nap in het midden schaarden zich vijf dikke bloembladeren. Toen Rolf zich bukte om ze beter te bezien, vloog een dichte zwerm insecten gonzend uit den nap op, en een sterke, onaangename, bedorven geur steeg hem in den neus. Lekker ruiken deed de bloem alles behalve! De insecten, die er op afkwamen, zouden ook wel aaskevertjes en mestvliegen zijn. Rolf tilde een der zware kelkbladeren op. Het was kil in de hand. Wat jammer, dat Vader Langjas er niet van meegenieten kon!

Toen Rolf eindelijk op de bloem was uitgekeken, vermoedde hij, dat het wel tijd voor terugkeeren zou zijn, en nu schoot hem te binnen, dat hij toch was uitgegaan om eten te zoeken! Drommels ja, hij voelde nu, dat hij geduchten honger had. Dan nog maar even gesnuffeld! Geen honderd pas verder bleef hij al staan voor een verbazend hoogen boom met gladden stam. Wat hingen daarboven voor groote, stekelige vruchten? Langs den gladden stam omhoogklimmen was onmogelijk. Rolf liep eens rond onder het kolossale bladerendak. Een dunnere boom kruiste zijn takken met die van den reus. Rolf werkte zich in dien boom, klom handig in den anderen over en sneed met zijn zakmes drie der vruchten af. Ze ploften dof neer in de varens. Toen balanceerde Rolf naar den kleinen boom terug en daalde weer af. Hij zocht de vruchten bijeen, maar kon er nog slechts twee vinden. Nu, daar had hij ook genoeg aan. Ze waren grooter dan een menschenhoofd en met dikke, kantige stekels bezet.—Zoo belandde Rolf, in iederen arm een der zware vruchten, op de plaats, waar Hajo en Padde vol toewijding bezig waren, de duiven te plukken.

„Wat heb je daar voor vruchten?” vroeg Padde.

„We zullen ze eens opensnijden! Is Harmen al terug?”

„Nog niet. Kijk eens, wat ik heb?” Hajo wees op zijn duiven.

„Die zien er mooi uit!” zei Rolf. „Jammer, dat we ze niet kunnen braden! ’t Zal me verwonderen wat Harmen meebrengt! Hij blijft lang weg!”

„Ja..... hij zit achter grof wild aan! Zoometeen komt hij nog met een koningstijger aanzetten!”

„Vast!” lachte Rolf. En met een ferme kruissnede opende hij een der vruchten. Brrrr! Er kwam een allesbehalve aanlokkelijke lucht uit, een lucht, die aan uien, bedorven kaas en rotte eieren herinnerde. Padde kneep zijn neus dicht, en Hajo keek Rolf vol twijfel aan. „Hij zal bedorven zijn, Rolf.”

„Onmogelijk!” zei Rolf. „De bast is heelemaal gaaf, en kijk eens hoe mooi frisch het vleesch er uitziet!—Wacht! De barbier had het eens over een vrucht, die wel leelijk ruikt, maar toch goed smaken moet. ’t Zal een doerian zijn! Vooruit, ik wil hem eens proeven.”—De vrucht was door een geelwitte tusschenhuid in kamertjes verdeeld, en in elk daarvan lagen een paar vleezige, blanke pitten ter grootte van een eenden-ei. Met een moed, waarvoor Hajo en Padde hem in stilte bewonderden, stak Rolf zoo’n pit in den mond.

„En.....??”

„Lekker”, zei Rolf. „Het smaakt als noten met room! Proef ook eens?”

Aarzelend, met toegeknepen neus, stak Hajo een pit in den mond en moest toegeven, dat de vrucht lang niet kwaad smaakte. Nu begonnen ze samen te peuzelen. „Neem ook eens wat, Padde!” raadde Hajo.

„Dank je feestelijk”, zei Padde. En hij ging twintig pas verderop met het plukken van de duiven door,—beweerde, dat hij zelfs dáár nog omviel van den stank.

Waar Harmen toch wel zoo lang bleef?

Met lans en kapmes gewapend en daarbij in zijn bladerenrokje, was hij als een echte menscheneter dien kant uitgetogen waar het plateau langzaam tegen een berghelling opliep. Door lianen en stekelige rotanslingers had hij zich baan gebroken. Hij was door nauwe holletjes gekropen, over doode woudkolossen geklauterd, waarbij hij schrammen bij de vleet opliep en honderd maal wegzakte in het vermolmde hout. Een pauw fladderde voor hem op. Harmen greep naar den langen staart, greep mis, viel in de dorens, schold den pauw uit voor al wat leelijk was, raapte droefgeestig een veer op, die tusschen de struiken was blijven hangen en stak ze in zijn woeste, reeds geducht lang geworden haren. Hij kwam voor een bamboebosch te staan, hakte er met zijn kapmes op los, dat de stelen links en rechts neerzonken. Bij dit werkje viel hem een slangetje op den blooten schouder. Hij slingerde het kille monstertje van zich af. Brrrrr!

En tenslotte was Harmen, al hakkende, gekomen bij de gedenkwaardige plek, waarvan hij later naar waarheid verklaarde, dat hij er van verbazing lans en kapmes had laten vallen. Tusschen hooge bamboestelen lag op mos en bladeren een drietal..... katten! Neen maar, dat had Harmen nou nóóit gedacht! De katten waren vrij groot, haast als honden; ze hadden een glanzend geel vel met zwarte dwarsstrepen; om den staart zaten zwarte ringen. Van die leuke poesjes wou Harmen er eentje meenemen, niet om te eten, alleen maar om te laten kijken! Wat speelden ze aardig! Ze lagen op de zijde en sloegen elkaar met de pootjes. Wat een dikke, zware pootjes voor zulke lieve beestjes! Met vluggen greep pakte onze vriend er een op. Kom, daarmee zou hij zijn vrienden eens verrassen!

En opgewonden zocht Harmen naar den terugweg. Hij had de richting nog wel in het geheugen, maar de last, dien hij droeg, hinderde hem erg bij het kappen. In zijn linkerarm hield hij de poes, die zich niet in het geringst verzette, niks eenkennig dus, zooals die gemeene kater van Dobbes, die zijn nagels nooit kon thuishouden,—en in den gordel bungelde zijn lans als een lang slagzwaard achter hem aan. Eindelijk ontdekte hij tusschen de boomen zijn vrienden weer. „Hallo! ’k Heb wat, jongens! ’n Kat! Hou Joppie eens vast!” En voorzichtig, om zich nergens aan te verwonden, naderde Harmen tusschen het doornige struikgewas. „Alsjeblief! Daar heb je ’t beessie!”

Joppie’s haren vlogen steil overeind.

„Maar..... dat is een tijger!!” riep Rolf.

Harmen keek hem verbluft aan. „Goeie morrege.....!”

„Een jonge koningstijger!!”

Toen verbleekte Harmen. „’n Jonge.....?! Groote Griebus! Dan heb ik voor een tijgerhol gestaan! Drie lagen er in! Drie koningstijgers!” En Harmen liet zijn „poes” met een rilling op den grond vallen. Naar kattenaard kwam het dier op z’n vier pooten terecht, blies en wilde beenen maken. Maar Rolf greep het beet. „We moeten hier als de drommel vandaan, vóór de ouden komen! Padde, neem de duiven op; Harmen, jij die groote vrucht; ik draag de tijger.”

„Wat wou je met het mormel doen?!” vroeg Harmen ontzet.

„Temmen!” zei Rolf. „Het dier is nog jong! Kom!”

„Ja, dan nemen we hem mee naar Hoorn!” riep Hajo.

„Of hij vreet ons over een maand alle vier op!” gromde Harmen. Hij raapte den doerian op, keek er met een wantrouwend gezicht naar. „Vooruit dan maar!”

Padde nam met bevende handen de duiven op en volgde, een behoorlijken afstand bewarend tusschen zich en het geel-zwarte monster, dat Rolf in den arm had. Joppie bleef nog weer achter Padde. Zoo wilde de zonderlinge optocht het pad langs het ravijn weer verder volgen, toen..... Hajo stootte een kreet van ontzetting uit..... daar sprong uit de struiken, geen twintig passen van hen af.....!

De jongens hoefden er niet naar te raden, wien ze voor zich hadden. Daar was hij, de wreede, trotsche keizer van het Indische woud, geheel onverwachts, terwijl de zon hoog aan den hemel stond; zijn oogen waren geen vuur; hij spuwde ook geen gif, was een dier als een ander, wendde, zelf blijkbaar verrast, zijn zwaren, stompen kop naar de jongens..... Dezen stonden verlamd van schrik, Harmen hief onwillekeurig den doerian op, als wilde hij zich daarmee verdedigen; Hajo vatte instinctief met beide handen zijn speer; Padde staarde wezenloos, met wijd open mond.

Er was een aarzeling. Het dier trok de lippen op, ontblootte zijn forsche, driekantige hoektanden, gromde. Toen richtte hij plots zijn lichtgroene rooversoogen op Rolf—waarschijnlijk op het jonge dier, dat deze in de armen hield,—sloeg driftig den dikken, ronden staart over den grond, kroop een schrede achteruit, stootte een kort, schor gebrul uit, onheilspellend als geen ander geluid, dook ineen....! Rolf kreeg een ingeving, gaf er zonder aarzeling gehoor aan: hij slingerde met een fermen zwaai den tijger zijn jong toe.

Hij had niet beter kunnen doen. De tijger greep het jonge dier met de tanden in den nek en sprong er in prachtigen, soepelen boog mee weg in het struikgewas. „Besjoer.....!” stamelde Harmen met nog lijkwitte lippen.

Toen holden de knapen het pad af, zoo hard ze maar konden, Harmen vooraan, beenen makend als een beroepshardlooper; Padde als laatste, telkens angstig omziend en gillend: „Niet zoo vlug! Niet zoo vlug! Ik kan jullie niet bijblijven.....!”

„TABEH!”

Pas een heel eind verder durfden ze hun vaart wat inhouden. „Zou hij ons volgen?” vroeg Hajo, naar adem happend.

„Ik denk het niet”, hijgde Rolf. „Maar laten we toch maar zoo ver mogelijk zien weg te komen.”

En de jongens liepen, liepen.....!—Er was een betoovering over het woud gekomen, sinds ze den heerscher ervan hadden leeren kennen. Die struiken, dat bamboebosch daar kon hem dus bergen.....!

Verder! Verder maar.....! Eindelijk gingen ze zitten, druipend van het zweet.

„Waar is Joppie?” vroeg Rolf. Joppie was verdwenen!

„’n Held!” schimpte Harmen. „Als ie de tijger nou nog te lijf was gegaan!”

„Waarom heb jij ’t eigenlijk niet gedaan?”

„Ik? Als ie even langer was gebleven, had ie dit ding” (Harmen tilde den doerian op) „tegen z’n bast gekregen. Dan was ie van de stank wel weggeloopen!”

„Nou, en ik dan?” zei Hajo. „Ik stond al met m’n lans klaar. Nietwaar, Padde?”

„Je hadt ’m makkelijk kunnen doodsteken, als je maar gewild had!” viel Padde hem bij. „Ik had m’n handen vol, maar anders.....!” Allen lachten weer. „Knap maar”, zei Padde. „Daarstraks lachten jullie niet!”

„Kom!” zei Rolf. „Laten we nog een uurtje doortippelen, maar nu kalm-aan.”

„’k Heb zoo’n honger!” klaagde Harmen.

„Straks plukken we de duiven verder”, zei Rolf. „Maar als je honger hebt, peuzel dan een stuk van die vrucht op.”

„Daar zet ik geen tand in.”

„Dan laat je het. Kom.....!” En de jongens liepen weer verder.

„Kijk, daar loopt nog een pad!” zei Hajo ineens. „Het komt hier op uit, zie je wel?”

„Ja! Het schijnt uit het binnenland te komen!”

Even later stonden de jongens bij den tweesprong. Het andere pad was mul, en in den grond teekende zich de indruk van een kleinen, naakten voet af. „Het spoor is nog versch”, zei Hajo. „Het is een kindervoet! Misschien zijn we hier wel dicht bij een dessah.”

„Best mogelijk”, meende Harmen. „Geef maar een duifje hier, Padde! D’r zijn er vier, voor elk een; Joppie loopt z’n deel mis.” En Harmen ging op den wegberm zitten plukken. De veeren stoven in ’t rond.

Dapper peuzelde ieder daarna zijn duiveboutje op. Hajo en Rolf smulden ook nog aan den doerian; Padde en Harmen gingen boven den wind zitten, gaven af op menschen, die zulk een vies ruikend goedje wilden eten.

Waar Joppie zoo lang bleef? Hij zou toch niet door den tijger.....? De knapen betrapten er zich op, dat ze in Joppie een kameraad zouden verliezen. „Joppie! Joppie.....!” Geen antwoord. Verder dus maar weer. Het pad werd steenachtig; hier en daar was het geducht klauteren. Aan de linkerzijde verhief zich een rotswand, dicht met struikgewas, varens en kleine palmen begroeid en door een leger apen opgevroolijkt: het duurde niet lang, of de doode takken suisden den jongens weer om de ooren, zoodat ze blij waren, toen het pad van den rotswand afweek.

Eensklaps stonden ze voor een natuurlijke trap. Dat is te zeggen: was het wel mogelijk, dat de natuur die ellenbreede, bazalten treden zoo regelmatig had verdeeld? Aan beide zijden stonden bananen met trossen goudgele vruchten en overschaduwden de trap met hun groote, groene bladeren, en in de spleten tusschen de steenen glansde diep-groen mos met roode bloempjes. „’t Lijkt wel een trap van een oud kasteel!” vonden de jongens. Ze plukten een paar rijpe pisangs, maar de vruchten smaakten wrang. „’t Zijn wilde pisangs”, verklaarde Rolf.

„’t Zijn rot-pisangs”, zei Harmen teleurgesteld.

Hajo scheen naar iets te luisteren. „Hoor eens goed!”

„Een waterval!” juichte Rolf. Toen snelden ze met groote sprongen de trap op, belandden hijgend op een plateau. In spanning van wat ze te zien zouden krijgen, snelden ze tusschen met mos en bloemen overdekte rotsen op het geruisch af, holden in hun haast zelfs ongemerkt een paar sinaasappelboompjes voorbij, liepen een palmenboschje om,—en stonden voor een meer.

Het was bedwelmend. Aan de eene zijde van het meer steeg een steile rotswand op; heel in de hoogte ontsprong een stroompje; het zilverige water danste over de rotsen omlaag en viel zingend en schuimend in het stille meer, dat tusschen hooge, zacht fluisterende bamboeboschjes en wuivende waaierpalmen lag weggezonken. In het midden lag een met boomvarens en bloemen begroeid eilandje, in strakke lijnen zich spiegelend in het plechtig stille water, dat zich slechts daar roerde, waar de waterval schuimde. Vogels fladderden alom in de lage takken, in wonderlijke taal luide uitkwinkeleerend boven het watergeruisch. Aan den oever stond op één poot een reiger te visschen. Pik! daar dook de snavel weg, kwam met een spartelend, zilveren vischje weer boven, en de rimpels liepen ver over het water uit, stootten tegen de bladeren van een drijvende lelie en schoten in dwarse bogen terug. De reiger wierp het glinsterende vischje in de lucht en ving het in zijn opengespalkten snavel.

„Ik ga hier nooit weer weg!” stamelde Hajo. ’t Was om er de tranen van in de oogen te krijgen, zoo mooi. De bodem van het heldere water lag vol bontgekleurde steenen. En wat schoot daar voorbij? Een vischrug! Dik als een arm!

Lang duurde het niet, of de jongens zaten in het water; de reiger streek sierlijk op een lagen boomtak en keek peinzend toe. Hoe heerlijk koel en doorzichtig was het water; je kon met open oogen naar de prachtige steenen op den bodem duiken. Terwijl Padde wat bij den oever ploeterde en op de weinige kleeren en de wapens paste, zwommen de anderen naar het eilandje. Allen dommelden wat in; zij op hun eilandje; Padde boven op het goed, dat hem was toevertrouwd.....

Toen de grootste hitte voorbij was, stonden de jongens hongerig op. Harmen stelde voor, wat te gaan visschen.

„Ja!” riep Hajo. „Hengelstokken hebben we hier bij de vleet. Hengelstokken van de fijnste soort!”

„Ik weet nog beter!” zei Rolf. „We schieten ze. Met pijl en boog!”

Dat voorstel sloeg in! Onze vrienden doken weer onder en zwommen om het hardst naar den oever,—een wedstrijd, dien Hajo met een el voorsprong op de anderen won. Toen bliezen ze even uit en gingen gewapend weer het water in. Maar de jacht viel niet mee: de visschen verdwenen, wanneer de knapen naderden.

Rolf vond er iets op. Terwijl Hajo en Harmen om het hardst achter de visschen aan zwommen, bleef hij, naar het voorbeeld van den reiger, doodstil staan op een ondiepe plaats, een gevelde lans in de hand. Spoedig zwom een groote visch voorbij. Rolf richtte en spietste met een gelukkigen stoot het dier aan zijn lans. Dit bleek achteraf nog de beste wijze van jagen: hij had spoedig vier zware dieren veroverd, terwijl Harmen en Hajo niets schoten. De jacht van deze schutters werd dan ook spoedig een spelletje. Ze trachtten, onder water duikende, op de bladeren der drijvende waterlelies te mikken en toen hun dat ging vervelen, klommen ze in de oeverboomen en sprongen van gedurfde hoogten het water in, waarbij ze nu en dan leelijk op de steenen terechtkwamen.

Rolf had meer gespietst dan de jongens verorberen konden; Harmen sneed een visch in stukken en wierp die in het meer. Van alle zijden schoten de vroegere kameraden toe en vochten gulzig om den buit,—leverden een mooi kleurenspel van fonkelend wit, staalblauw, goudgroen.....

Na het middagmaal dwaalden de jongens het plateau nog wat over, dat ze daarstraks slechts vluchtig hadden gezien; ze plukten wat sinaasappelen, die van buiten niet geheel rijp schenen, maar toch lekker zoet waren.

Toen ze langzaam door de palmen weer terugkeerden, hield Rolf zijn makkers vast. „Kijk daar eens!”

Wat ze zagen, was mooi als een droom. Twee herten en enkele reeën stonden te drinken, waarbij telkens de kop ver naar achteren geworpen werd, het gewei in den nek, en het water ter zijde langs de lippen naar buiten vloeide. De groote, vreesachtige oogen glansden. Wat waren de halzen mooi gebogen! Hoe sierlijk stonden de dieren op hun ranke pooten! Plotseling scheen er een onraad te speuren. Het snoof de lucht op, stootte een geluid uit als het blaffen van een hond. En..... wat klonk daarginds? De echo? De herten en reeën sprongen weg in het groen.

De knapen staarden nog sprakeloos van bewondering naar de plaats, waar ze gedronken hadden.

Ineens..... wie kwam daar snuivend aanhollen, de tong uit den bek? Joppie! Dat was de echo van daareven! Jankend van vreugde sprong de hond tegen zijn meesters op, draaide half dol in het rond, kermend en kwispelstaartend onder hun aanhaling en likkend waar hij maar likken kon. „Wouw! Wouw!”

„We wisten wel, dat je ons niet in de steek zou laten!” zei Hajo. „Ga je mee, ouwe jongen?”

Daar zei Joppie geen neen op! Maar nu zag hij restanten visch liggen. Hij vloog er op af, sloeg in zenuwachtige haast koppen en staarten en graten naar binnen, met een half oogje opziend, of de jongens bijgeval niet weggingen. Maar dezen wachtten geduldig tot alles op was en Joppie, na half gestikt te zijn, de laatste graat weer uitspuwde en meteen weer inslikte. Joppie snuffelde nog wat, vond niets meer.

En de karavaan volgde het pad weer, vroolijk gestemd, dat ze nu allen samen waren. Tusschen de oeverpalmen door, wierpen ze een laatsten blik op het meer. Het was het mooiste, wat ze zich in hun leven herinnerden gezien te hebben. Nog wel een half uur lang hoorden ze, wanneer ze even stilstonden, het ruischen van den waterval.....

De weg daalde, werd nauw en kronkelig. Harmen, die vooraan ging, liep telkens met het hoofd in een spinneweb. Het pad scheen zoo weinig gebruikt te worden, dat hier en daar de struiken het geheel versperden, en onze vrienden moesten zich met het lijf een weg banen. „Hé!” zei Harmen eensklaps. „Hier is iemand langs gekomen! Zie maar: deze tak is versch gebroken! Misschien wel dezelfde, waarvan we vanmorgen die voetstappen hebben gezien!”