De Scheepsjongens van Bontekoe

Part 22

Chapter 223,993 wordsPublic domain

„’t Geluk is met Jan Stomkop”, verzekerde Harmen.

„Kom, geen ruzie”, zei Rolf. „We moeten verder.”

En de jongens stapten weer op. Joppie ongewapend voorop, de staart als een vlag omhoog gestoken, en Padde sloot de rij, met een gezicht als een oorwurm, de handen in de zakken, en de speer als een bezem onder den arm, zoodat de punt door het zand sleepte.

„Kijk, Padde eens ’n zog maken!” lachte Harmen en wees op het lijntje, dat de speer in het strand getrokken had, „je zou denken, dat er een admiraals-schoener voorbijgezeild was!”

Padde zweeg even, dacht over een antwoord na; vond er geen.

Na een paar uren begonnen honger, hitte en dorst de jongens te kwellen, en er werd rust genomen. Puffend klom Harmen in een klapperboom om weer een paar noten machtig te worden. Maar, nauwelijks boven gekomen, stiet hij een kreet van verrassing uit. „Een kreeft!”

„Boven in een boom? ’t Zal een groote tor zijn”, meende Rolf.

Harmen deed een veelpootig ding door de lucht vliegen. Het plofte in het zand neer en trachtte haastig een heenkomen te vinden. Maar Hajo greep het stevig achter den kop en de geweldige scharen. Het was een kreeft! En zelfs een zeer groote: het gevlekte lichaam mat haast een halve el. „Dat heb ik nog nooit gehoord: een kreeft, die in een boom klimt!” zei Rolf. „Wat zou hij er doen??”

„Noten gappen!” riep Harmen van boven uit den boom.

„Maar hoe krijgt ie zoo’n ding open?” vroeg Hajo. Rolf raapte van den grond een half verrotte kokosnoot op. „Kijk, hier heeft de steel gezeten en daaromheen zijn de bastvezels weggerukt. Ik denk, dat het beest met zijn scharen de steel doorknaagt; soms splijt de noot dan natuurlijk al in het vallen. In elk geval schijnt de kreeft te weten, dat de harde binnenbast juist onder de steel week is, want hier, deze noot.....”—Rolf raapte een tweede op—„is op dezelfde plaats opengeboord. Kijk, met de scharen graaft hij het vleesch uit! Je moet je maar weten te behelpen!—Vinden jullie het geen mooi dier?”

„En fijn in de pan!” schreeuwde Harmen van boven, terwijl hij weer een noot losdraaide.

„Maar we hebben geen vuur”, zei Hajo.

„We eten hem rauw, met kokosnoot!” riep Harmen. Hij liet zich zakken, kwam op de anderen toe en brak, na met zijn kapmes den kreeft van zijn geduchte scharen ontdaan te hebben, zonder veel omhaal de schaal open. „Haal jij me nou eens een stukkie pisangblad!” beval hij Padde. En toen Padde met een stuk versch pisangblad was komen aandraven (wanneer er wat te eten viel, had Padde altijd haast!) lichtte Harmen met vaardige hand het teere, witte vleesch uit de schaal, schrapte daarover een kokosnoot en begon het een en ander op te peuzelen onder luid smakken en uitroepen als: „Gommennikkie, wat fijn! Net krentemik!”

„Geef mij een stukkie?” vroeg Padde.

„Daar!” zei Harmen gul.

„Fijn!” verzekerde Padde, zich de vingers aflikkende.

„Willen jullie niet eens proeven?” wendde Harmen zich tot de anderen.

Toen lieten ook dezen zich verleiden. Harmens gerecht (wat was het anders dan de bekende „palmroover” der tropen?) bleek zoo wondergoed te smaken, dat de jongens besloten goed uit te kijken, of ze niet wéér van die uitgeplukte noten onder een boom vonden liggen.

Verder maar weer! Met wat kokosmelk hadden ze de kelen gesmeerd, en zoo kwam Harmen op de gedachte om wat te zingen,—dat liep lekkerder. Terwijl de zon al begon te zakken, zongen ze met z’n vieren oud-Hollandsche liedjes, die het hart goed deden. Zelfs Joppie deed mee!

Dik was Joppie niet,—zou het ook wel nooit worden. Maar hij zorgde ook wel, dat hij niet verhongerde. Zoo nu en dan verdween hij, ijverig snuffelend, tusschen het geboomte; de knapen hoorden een kort, scherp geblaf, en wanneer ze toesnelden, zich met moeite een weg banend door de lianen, vonden ze Joppie grommend knabbelen op een rat of een muisje. Ook torren, kevers, hagedissen, wurmen, vliegen waren hem welkom, en als hij zich nu en dan in de keuze van zijn spijs vergiste, kwam het er een half uur later vanzelf weer uit.

Tegen de schemering bereikten de jongens een kleine baai. Het water was er stil en doorschijnend, en onwillekeurig ploften onze vrienden neer om de zon er in te zien wegzinken. Stil zaten ze bijeen en tuurden naar de roode schijf. „Nu wordt het in Holland dag”, zei Rolf.

Holland! Dat was alles, wat ze er van opvingen. De stemming der knapen werd week. In het verre ruischen der branding hoorden ze klanken, die herinnerden aan.... Ze zouden er wat voor geven om in de gezellige huiskamer, met z’n allen om tafel, weer eens mee te mogen schransen uit moeders dampende pan bieten, dan nog wat te zitten op de bank voor het huis, de voorbijgangers goeien avond te zeggen—je kende ze immers allemaal?—en dan, wanneer het donker was, de deur op de knip te schuiven, het gewicht van de klok op te trekken en, na elkaar goeien nacht gezegd te hebben, achter de bedsteegordijnen, de dekens over het hoofd, weg te duiken in den met ganzeveeren gestopten bultzak, waarin in den loop der jaren een kuil was gekomen zoo fijn, dat je hem voor geen anderen ter wereld wilde ruilen.

„Weet je, wat ’t bij mij is?” vroeg Harmen. „Als ik weg ben, heb ik verlangst naar huis, en als ik thuis ben, zie ik toch maar zoo gauw mogelijk weer weg te komen. Ach ja, m’n moeder is natuurlijk ook altijd blij, als ik ’t gat weer uit ben! Nietwaar? Zoo’n eter over de vloer! M’n vader is op de lijnbaan, hè, daar zit ’m de kneep: hij verdient niet genoeg. Da’s te zeggen: wel genoeg, maar niet als ik er nou nog bijkom! De eerste twee dagen is alles best. Maar dan zegt m’n vader al gauw: „Dat je centen meebrengt, Harmen”, zegt ie, „is best. Maar als je je moeder de ooren van het hoofd vreet, gaan de centen gauw weer op!” Nou, dan ga ik liever naar ’t Sillevere Anker, niet waar, daar krijg je alles op krediet, en als je weer van de reis terugkomt, mag je betalen. En bedriegen doen ze je niet: alles staat op een leitje, dan kun je ’t zelf lezen. ’k Heb lezen kunnen leeren, van Joris, de binder, maar mijn vader zegt: „Van lezen, daar bederven de menschen van!”

Allen zwegen; niemand had naar Harmen geluisterd. Alleen Joppie was, terwijl de anderen voor zich uittuurden, kwispelstaartend op Harmen afgekomen en tegen zijn dijen gaan liggen. Harmen nam hem in de armen, legde hem in zijn schoot. „Als ik aan ’t Sillevere Anker denk”, ging Harmen zuchtend door, „dan moet ik meteen ook weer aan Floor denken. Die had verkeering met de dochter, een beste meid, van hou-vast en erg op netjes. Denk je, dat ze van een ander wat weten wou? Goeie morgen! Floor voor en Floor na! En nou te bedenken.....!” Er blonk een traan in Harmen’s oogen. „Ik zal haar zeggen, dat ie tenminste recht leit. Omdat ze zoo op netjes is, weet je?”

Onverwachts wierp Harmen Joppie weg, sprong overeind en ademde diep op. „Vooruit! We zullen voor vannacht er eens een knus huissie maken!”

Daar voelden allen wat voor. Tegen den boschzoom staken ze hun speren schuin in den grond, verbonden ze kruiselings, legden er een vijfden stok overheen, vervaardigden met behulp van een paar dwarshouten en enkele groote pisangbladeren de zijwanden, spreidden gras op den bodem uit en legden zich toen te slapen, opgetogen over hun prachtige woning.

Maar een uur later hadden allen het zoo warm, dat ze stuk voor stuk de tent uitkropen.

Den volgenden morgen vonden ze daar, in allerbehagelijkste houding op het zachte gras, snurkend en poeffend van zaligheid..... Joppie.

PADDE’S BROEK

Een tooverstaf had de natuur gewekt uit haar grijzen schemer. Heinde en verre lichtte de morgen op in bonte kleuren. De vogels schetterden bij honderden tegelijk.

Daar was de zon gekomen van achter de dieppaarse bergen, die, nu zij er een oogje op vallen liet, blonken van het goud.

„Goeden morgen!” zei de zon.

De jongens sprongen in de baai, ze doken, spartelden, pletsten elkaar het koele, heldere water om de hoofden, zwommen om het hardst tot aan de branding..... In eens begon Padde te schreeuwen en danste met groote sprongen door het water naar de plaats waar de kleeren lagen.

Wat was er gebeurd? Terwijl zij plasten en ploeterden, was uit de boomen een compagnie apen „schuchter” neergedaald. De vermetelste onder hen was pasje voor pasje de achtergelaten kleedingsstukken genaderd,—zonder zich ook maar een enkele van de bewegingen der zwemmende jongens te laten ontgaan. Toen was Padde, die het gevaar het eerst ontdekte, begonnen te schreeuwen; de aap had op goed geluk iets uit den hoop kleeren weggepakt en vluchtte nu met groote sprongen naar den naastbijzijnden boom, in een van zijn achterpooten ontvoerend..... Padde’s blauwgespikkelde broek!

Maar Joppie was door Padde’s gegil uit zijn zoete droomen gewekt en wist op het oogenblik, dat de kleerendief met zijn buit in den boom wilde schieten, het andere einde van de broek te pakken. Het aapje kreeg terstond hulp van zijn makkers, die met vereende krachten aan de broek rukten. Joppie zag in, den strijd te zullen verliezen, en loerde angstig naar Padde, die, zoo vlug als zijn dikke beentjes het toelieten, kwam aanhollen. De anderen waren te ver om nog tijdig het slagveld te bereiken. De tanden grimmig vastgeslagen in een der blauwgespikkelde broekspijpen, liet Joppie zich van den grond omhoogtrekken. In Padde’s knippende oogjes lichtte de hoop, zijn dierbaar kleedingstuk nog te kunnen redden.....

Op dat oogenblik viel Joppie met een kreet van pijn en een halve broekspijp op zijn staart, en onder een oorverdoovend vreugdegegil vloog het stelletje apen met het veroverd vaandel de boomen in. Padde’s eerste werk was, Joppie met zijn blooten voet een schop tegen het achterwerk toe te dienen, daarna raapte hij het blauwgespikkelde restantje op, zag, dat het net groot genoeg voor een neusdoek was, en ontving zijn makkers met een stortvloed van verwenschingen.

Harmen vond het geval zoo erg niet. „Meissies zijn er hier toch niet in de buurt!” troostte hij.

Maar Padde was niet te troosten. „Als ik m’n broek niet terug krijg, doe ik geen stap meer!” dreigde hij. „Of dacht je, dat ik zóó in Bantem wil aankomen?”

Harmen wist raad. „Jij krijgt je broek terug, Padde! Laat mij m’n gangetje maar d’r eens gaan!” En terwijl de anderen, met twijfel in het gemoed, toezagen, begon Harmen zijn sluw krijgsplan, dat tot herovering van Padde’s broek moest leiden. Hij opende met een woest krijgsgeschreeuw. Het had uitwerking: de bruine roovers daar in de boomen beantwoordden het op even luidruchtige wijze.

„Is dat de oorlogsverklaring?” vroeg Rolf.

„Ssst!” zei Harmen. „Ze moeten alles nadoen, wat ik doe!” Hij sprong in de lucht, zwaaide met de armen en kwam achterste voren weer neer. Boven werd aan de takken gerukt, opgewonden gekrijscht, en enkele apen sprongen op een anderen tak over.

„Goed zoo!” juichte Harmen. „In tien tellen heb je ’m, Padde!” Daarop hief hij zijn eigen broek in de lucht en wierp haar met een gebaar van innigen afkeer weer op den grond.

„Chrrr!” zei de aap, die den buit bewaakte. En hij klemde de broek nog iets steviger vast.

„Mislukt.....!” bekende Harmen. „Ik dacht, dat hij de broek nu ook zou weggooien. Affijn, Padde, dan smeer je je maar met modder in; dan denken de lui, dat je óók een Arabier bent.”

„Ik wil m’n broek terug!” snauwde Padde. „Ik wil niet voor gek loopen!”

Harmen fronste in diep gepeins de wenkbrauwen. „Nou heb ik ’t!” riep hij uit. „In tien tellen, Padde!” Harmen sneed een dunne, taaie rotan af, maakte er een lus in. „’k Heb niet voor niks konijnen gestroopt!” zei hij. „Geef me je broek even, Hajo?”

„Waar heb je die voor noodig?” vroeg Hajo.

„Als lokaas. Kijk, de lus hang ik hier neer; ik ga daarginder staan met eene eind in mijn fikken. Nou leg ik de broek onder de lus en als er dan een z’n jatten doorsteekt om de broek te gappen, is ie er bij.”

„Maar hoe weet je, dat je nou juist de aap met Padde’s broek vangt?”

„Wel, dat is de brutaalste; die zal er wel weer als de kippen bij zijn!”

„Maar kun je er niets iets anders voor nemen dan mijn broek?” vroeg Hajo weifelend.

Harmen was beleedigd. „Wat kan er nou mee gebeuren? Niks! Wie z’n fikken door de lus steekt, is er meteen bij!”

„Ja, maar, als ie nou.....”

„Goed! Goed! Goed!” viel Harmen uit. „Als jij er het lef niet voor hebt, zal ik m’n eigen broek nemen! Neen, nou wil ik de jouwe niet eens meer!” En grimmig nam Harmen zijn broek op en legde haar tusschen twee zware wortels,—den strik er bovenop. Daarna verschool hij zich met de anderen achter een dikken boom, de rotan in de hand, gereed zijn slag te slaan.

In de boomen werd vergaderd over een mogelijk veroveren van dit nieuwe, lokkende voorwerp. Allen waren overtuigd, dat er gevaar aan verbonden was, maar juist dat prikkelde hun rooversgemoed. Ze daalden neer tot kort boven de plaats waar de broek lag. Joppie vermoedde nieuw gevaar,—werd met moeite in bedwang gehouden.

Daar klauterde een aap geheel omlaag, bleef met den staart aan een tak boven de broek hangen, slingerde zoowat heen en weer, de vingers over de lus slierend, spiedde aarzelend alle kanten uit. De aap, die Padde’s broek geroofd had en de dierbare, blauwgespikkelde lap nog steeds in den linker achterpoot omklemd hield, zat mijmerend op een tak en scheen in het gevaarlijke spelletje ditmaal niet den geringsten lust te hebben. Harmen vergat, dat ze er al zeer weinig nut van zouden hebben, indien hij een anderen aap ving dan juist dien met de broek. Harmen’s eer stond op het spel; Padde’s broek kon hem geen zier meer schelen. Hij loerde, loerde.....

De hangende aap nam, na lang door zijn makkers te zijn aangevuurd, ten slotte een kloek besluit. Hij greep toe; Harmen trok den strik dicht, en het aapje was gevangen. In dit oogenblik wipte vliegensvlug het mijmerende heertje met Padde’s broek in den linker-achterpoot omlaag, greep met den rechter-achterpoot Harmen’s „lokaas” en vloog met beide trofeeën krijschend tegen den stam op. Paf stond Harmen, zóó paf, dat de rotan uit zijn hand glipte, en de gevangen aap met strik en al achter zijn makkers aan vluchtte. Toen barstte Harmen in jammerklachten los. Hij voelde zich het slachtoffer van eigen edelmoedigheid; hij had zich van zijn laatste kleedingstuk ontdaan om zijn naaste te helpen. En nu? Daar stond Harmen, grooter dan hij geboren was, maar overigens net zoo.

Voor nieuwe proefnemingen wilde niemand zijn broek leenen. Er moest dus raad geschaft worden. En er werd raad geschaft. Hajo vlocht voor de beide broekloozen een rokje van lang gras, dat door een rotangordel kon worden opgehouden. Zuchtend trok eerst Harmen en daarna ook Padde zijn nieuwe kleedingstuk aan. Harmen zag er uit als een echte menscheneter! Hij verzoende zich met zijn lot, voerde met lans en hakmes een woesten krijgsdans uit, waarbij de apen daar in de boomen hem krijschend aanvuurden.

Toen raadde Rolf aan, den tocht voort te zetten. De jongens braken de tent af en wierpen de stokken en bladeren in het struikgewas, om zoo min mogelijk sporen achter te laten. Ze volgden het smalle strand, dat de baai begrensde, maar, aan den overkant gekomen, stonden ze onverwachts voor een pad, dat het land invoerde. Zouden ze het inslaan? Rolf vond het veiliger het strand te volgen, zoolang dat mogelijk was. Zoo bedwongen ook de anderen hun nieuwsgierigheid. Maar nauwelijks hadden ze de baai geheel omgeloopen, of het strand hield op; steile, kale rotsen liepen ver in zee uit en sloten als een granieten deur den weg af. Er zat niets anders op dan toch maar het pad te nemen. Onze vrienden liepen de baai dus weer ten halve om en sloegen het boschpad in.

Daar de zon danig was gaan steken, deed de schaduw in het pad heerlijk koel aan. De jongens vermoedden, dat het weggetje naar een dorp zou voeren, waren dus wat voorzichtig. Bij een bocht ging er een vooruit en gluurde om een hoekje, aleer de anderen volgden. Zoo gebeurde het, dat Hajo, die ditmaal vooruit was gegaan, zijn makkers duidde, zich snel te verbergen. Terwijl dezen in een bamboeboschje wegdoken, Joppie haastig meetrekkend, drukte hij zichzelf tegen een kokosstam achter een met witte bloemen overdekten struik.

Daar kwamen twee kleine, naakte kereltjes den hoek om slenteren. Dat is te zeggen: de een was niet geheel naakt, droeg op de hoogte van zijn maag aan een koordje een ruitvormig lapje, uit vele en veelkleurige stukjes doek samengesteld,—een kleedingstuk, waarvan onze vrienden vergeefs de doelmatigheid trachtten in te zien. Beiden hadden een klein, rond bamboekooitje in de hand, met een schuifdeurtje; Rolf hoorde hen tegenover elkaar opsnijden over de vechtkunst hunner, in hun kooitjes opgesloten, krekels.

„Djangkrik njang saja lebi besar!” zei de eene.

„Jouw djangkriek grooter? Wat dan nog? Njang saja lebi brani! De mijne is dapperder!”

„Njang saja maoe menang! De mijne zal het winnen!”

„O neen, de mijne! Njang saja!” Daarop hurkten de knaapjes neer, zetten de kooitjes tegen elkaar, trokken de schuifdeurtjes open, plukten een grashalmpje en moedigden daarmee hun krekels tot den strijd aan. „Kirrrr! Kirrrrr!” klonk het uit de houten gevangenisjes. Zóó waren de jeugdige dierenkwellers in hun krekeltoernooi verdiept, dat geen van beiden merkte hoe Hajo uit het struikgewas trad, en hoe ook de andere zijde van het pad werd afgesloten door witte menschen, nog wel met speren en bogen gewapend. Doch eensklaps sloeg het kereltje met den lap op z’n maag de oogen op en tuimelde van schrik over den grond. De ander wilde het op een loopen zetten, bemerkte, dat ze van beide zijden waren ingesloten, en wierp zich toen op zijn knietjes. „Ampoen! Vergeving ....!”

Rolf trachtte de dreumesen wat op hun gemak te brengen. „Djangan takoet! We zullen je niets doen! Je hoeft ons alleen maar te vertellen waar deze weg heenvoert.”

„Minta ampoen, toean besar, minta ampoen..... Vergeving, groote heer.....!”

Rolf hernieuwde zijn pogingen om den knaapjes duidelijk te maken, dat ze niet van plan waren hen te slachten en op te peuzelen. En zoo kwam hij na veel moeite van de bevende kereltjes te weten, dat de weg naar een dorp voerde, maar dat ze bij een beekje een zijweg zouden vinden, die ver, heel ver het bosch inging.....! Met hun bruine armpjes wezen ze in Oostelijke richting.

„Prachtig!” zei Rolf. „Ik dank jullie.” Daarna boog hij zich over de twee kooitjes, die nog in het gras lagen, en vroeg den mannekes, den wedstrijd voort te zetten. Aanvankelijk nog schuchter, voldeden ze aan het verzoek, maar, al porrende met hun grashalmpjes, vergaten ze de gansche wereld, tot ten slotte de djangkriek, die wel niet het grootst, maar het meest „brani” was, een schitterende overwinning behaalde. Als de beste vrienden ter wereld namen de zwervers van de poedelnaakte wereldburgers afscheid.

Een paar honderd ellen verder kwamen ze bij het beekje. Een kokosstam deed als brug dienst. De knapen balanceerden er over en vonden aan den anderen kant het zijpad, dat langs het beekje liep. Ze sloegen het in. Hier kwinkeleerden duizend vogels, jaagden in bevalligen tuimel achter vlinders en waterjuffers aan. Een enkele maal schoot ritselend iets weg tusschen het oevergras; dan kwam Joppie in de weer!

Na een uur boog het pad van het beekje af. De jongens besloten de laatste gelegenheid, die zich voorloopig voor een bad bood, niet onbenut te laten. Heerlijk frisch was het water; onze vrienden gingen op den zandigen bodem zitten en plasten naar hartelust.

Ook Joppie moest er aan gelooven. Ondanks zijn gillend verzet werd hij ondergedompeld en met zand schoongeschrobd. „Nou?” vroeg Harmen. „hoe voel je je nou, zonder al die vlooien?” Joppie glipte, den staart tusschen de pooten, den oever op en keek Harmen weemoedig aan.

Na het bad ploften de jongens op den oever neer en dommelden in.

Toen de drukkende middaghitte wat afnam, ontwaakten ze met de ontdekking, dat ze een stevigen honger hadden. Ze zagen in den omtrek niets eetbaars, haalden den riem dus maar een gaatje aan en vervolgden hun weg. Maar plotseling ontdekte Rolf een boom met tallooze van die groene vruchten, die hun bij het dorpshoofd zoo goed hadden gesmaakt: manggah!

Omhooggeklauterd en plukken, jongens! Het sap liep hun over de kin, en het duurde geruimen tijd, vóór onze vrienden bij Padde en Joppie terugkeerden, die beneden wachtten. Padde was er niet bekaaid afgekomen: de anderen hadden hem manggah’s in overvloed toegeworpen: het oranjekleurige vruchtvleesch zat hem tot achter de ooren.

Verder! Het pad begon te stijgen, kronkelde zich tusschen steile, met hooge varens begroeide wanden voort; ze liepen door een droge rivierbedding, die steeds dieper werd; sinds lang lag het pad in de schaduw van den rechterwand; de linker, die in de volle zon stond, bood een verbijsterenden aanblik van tropischen rijkdom. Wondermooi geschikt lagen de varenschermen; daartusschen fonkelden tallooze roode bloemen en fladderden vlinders en vogeltjes,—het was als uit een sprookje.

Urenlang stegen de knapen: ze voelden het aan hun beenen. Hoog boven hun hoofden omstrengelden twee boomen elkaar over de kloof heen. Nog iets verderop liep het pad een schemering van groen binnen.

Hajo liep te droomen. Het was hem, of deze weg naar een wonderland zou voeren, naar de verborgen schatkamers der tropennatuur, naar heiligdommen, die geen menschelijk oog aanschouwen mocht. Hoe stil werd het! Geen vogel roerde zich. Je hoorde je eigen adem; hoe warm en vochtig was de lucht hier; hoe sterk rook je de bloemen.....

Ineens stonden onze vrienden op een plateau, met hooge loofboomen begroeid; de wanden waren verdwenen; de knapen konden van hun hoogte vrijuit den omtrek overzien. Niets dan groene en met bloemen overdekte boomkruinen. Hè, je ademde nu weer vrij! Padde plofte neer, zei geen stap meer te kunnen verzetten. En de anderen vleiden zich naast hem in het gras.

Een zware, zwarte vogel, die een geweldigen snavel voor zich uitdroeg, vloog met kleppend wiekengedruisch over hun hoofden.

„Die mag z’n ribbekast weleens laten smeren!” meende Harmen. „Hij piept als een verroeste koffiemolen!”

„Een koffiemolen.....!” zuchtte Padde.

„’t Was een neushoornvogel”, zei Rolf lachend.

Ze sliepen in, werden een uurtje later weer wakker. Verder, jongens!

De zon was al een flink eind gedaald; het werd nu gelukkig wat koeler. Als ganzen achter elkaar volgden ze het smalle pad. Harmen liep zingend vooraan. De anderen floten mee:

„Daar komen de Spekken! Rom-rom. Ze willen ons nekken! Rom-rom. Slaat op den trom!! Ze willen ons nekken! De Spekken!

Trek nu van leer! Rom-rom. Stelt u te weer! Rom-rom. Sluit u in drom!! Sla ze op hun bekken! De Spekken!”

Op eens stonden de jongens voor een ravijn.

Prachtig was het uitzicht over de zee van groen, waarin juist de zon wegzonk. Ook het plateau zelf, waarop de knapen stonden, was aangrijpend schoon. Ontzaggelijke boomen, geheel met orchideeën en slingerplanten overdekt, rezen forsch uit den groenen mosbodem; tusschen de wortels zou men een hut kunnen bouwen. Stekelige lianen hingen van de takken neer; tegen de stammen op stonden als eere-pajongs de breedgekroonde varens.

Hier dachten de jongens den nacht door te brengen. Ze maakten een hoog en zacht bed van varens—wat veerde dat!—en gingen toen bijeenzitten op den rand van het plateau. Het ravijn lag nu in een blauw waas gehuld. Daarachter stond rood en majesteitelijk de avondlucht. Trallerend als een Hollandsche leeuwerik, zwierde een vogeltje uit het ravijn op, hooger, al maar hooger, om de zon nog even te groeten. En ja, daar schitterde het eensklaps in helle kleuren op. „Dag, zon! Ben jij daar nog? Ik dacht het wel!” Dan dwarrelt het weer omlaag, glijdt in de schaduw terug, een vallend herfstblad.