De Scheepsjongens van Bontekoe

Part 21

Chapter 214,032 wordsPublic domain

„Nou”, zei Harmen den inlander, „haal jij nou er eens als de weerlicht een stukkie talie!”

De man raapte een stuk rotan van den grond op.

„Best, kassie maar aan saja”, zei Harmen. „Dan zal ik hem dat lusje even om z’n hals leggen!” Harmen, die al eens vaker een koe bij de horens had gepakt, stapte op den grazenden kolos af.

Maar deze sprong haastig een paar passen terug en keek dreigend onzen vriend aan, die van zijn kant een en al innemendheid was en als een verleidelijk lokaas den strik voor zich uithield. „Kom dan?” vroeg Harmen vriendelijk, „kom dan, ouwe jongen?” Maar de buffel kwam niet,—zoodat Harmen tot list overging. Hij maakte van den rotan een lasso en wierp dien, na alleronschuldigst nog een paar duim genaderd te zijn, den buffel om de horens.

Het dier sprong achteruit, sleurde Harmen mee. Maar deze hield vast. Toen een korte aarzeling, en het beest boog snuivend den zwaren nek en stormde met gevelde horens op den onversaagden koksmaat af. In dit hachelijk oogenblik maakte Harmen den sprong, waaraan hij het te danken had, dat hij vijftig jaar later aan zijn kleinkinderen het buffelavontuur nog in geuren en kleuren kon voorschilderen. Terwijl hij er eigenlijk nog over na dacht, hoe hij zich het best uit de voeten kon maken, hadden zijn armen en beenen het werk al verricht: hij greep, den doodsangst in de oogen, met zijn gespierde knuisten de horens beet, zette geweldig af en..... sprong haasje-over!

„Tjobah.....!” stamelde de inlander. De anderen voelden een koude rilling door de leden gaan. De buffel stoof door tot aan de omheining van het dorp; daar bleef het dier staan, de horens gebogen voor een nieuwen aanval.

„Vooruit!” riep Rolf den inlander driftig toe. „Tangkep!”

De man keek schuw op. „Oah toean, ’nga brani, toean.....”

„Wat zeg je? Durf je niet? ’t Is toch jouw stier?”

„Mijn stier, heer? Ik heb hem u toch verkocht? Dan is hij toch niet meer van mij?”

„Wat zeit ie?” vroeg Harmen.

„Hij heeft ons een koopje geleverd! Hoe krijgen we het beest in ’s hemelsnaam mee?”

„Wachten, tot ’t donker is”, meende Harmen. „Dan draai ik ’m stiekum een touwtje om z’n pooten. En dan slapen we vannacht bij de radjah!”

„Onmogelijk! Dan is het nog beter, zonder buffel terug te gaan.”

„De schipper zal ons zien aankomen!” smaalde Harmen. „En hij zal nòg eens jongens meenemen! Neen, hij heeft gezeid, dat we hem de stier moeten brengen, nou, dan moeten we hem de stier ook brengen. Over een uur is het al donker.—En dan krijgen we je wel, hè, dikkop?”—Dat laatste ging tegen den stier.

Rolf weifelde. „Vooruit dan maar!” zei hij ten slotte. Hij had per slot van rekening ook niet veel lust om zonder den stier in het kamp terug te keeren. De schipper zou zich wel ongerust maken, maar morgen helderde zich immers alles op.

En de knapen togen naar het dorpshoofd, dat hen weer allervriendelijkst ontving en hun een klein huisje aanbood, hetwelk naast het zijne stond en voor de herberging van gasten diende. Hij liet de knapen een oogenblik alleen, keerde vriendelijk glimlachend terug en zei, dat alles voor hen werd gereedgemaakt. Opnieuw liet hij palmwijn brengen, verzekerde, dat hij het zich een eer rekende, de zonen van een schipper der Compagnie te herbergen. En toen een inlander hurkend kwam mededeelen, dat het nachtleger voor de gasten gereed was, vroeg hij hun, of ze lust gevoelden even met den dienaar mee te gaan, ten einde hun onderdak voor dezen nacht in oogenschouw te nemen. Zoo volgden de jongens, vroolijk koutend en verrukt over den palmwijn en hun hartelijken gastheer, den inlander naar het huisje.

Ze klommen, Harmen vooraan, een laddertje op, dat naar de kamer voerde, traden met gebukt hoofd de lage deur binnen en kwamen zoo in een donkere ruimte. Padde kroop als laatste naar binnen.

„Sakkerju”, zei Harmen, „’t is donker; we hadden wel een dievenlantarentje mee mogen brengen!”

Op dat oogenblik werden ze beetgegrepen, ondanks hun woedend verzet gekneveld—en in het duister alleen gelaten.

VERLATEN

„Zie je wel, dat ie een blinde klip was!” jammerde Harmen.

„We moeten ons bevrijden”, zei Rolf.

„Goeie morgen! ’k Lig als een oester zoo vast! En jij, Padde?”

„O, God, Harmen!”

„Ik kan me wel wat draaien”, zei Hajo.

„Ah!” zei Rolf. „Draai hier eens naar toe, dan zal ik zien, of ik met m’n tanden.....”

„Dan kun je lang knabbelen”, meende Harmen. „’t Is een rotanknoop! Ik wou, dat ik m’n mes maar uit m’n broek kon halen, dan sneed ik jullie in drie tellen los.”

„Dan waren we nog het dorp niet uit!” klaagde Padde.

„Heb je mij wel eens zien knokken?” was Harmen’s schampere vraag. „Ik neem vijftig van die Arabieren voor mijn rekening, en als ik woest ben dubbel zooveel.”

„Wat zouden ze met ons willen?” vroeg Hajo.

„Levend opeten”, troostte Harmen. „Gepeperd bij de rijst.”

Padde begon te schreien. De anderen zwegen. Doffe woede maakte zich van hen meester. „Als ze bij de jol wisten hoe het met ons staat, zouden ze ons wel bevrijden!” zei Hajo.

„Loop er effe heen”, raadde Harmen.

Buiten gonsden stemmen. Rolf spitste de ooren. „Brapa?” ving hij op. „Toedjoe poeloeh!”

„Zeventig!” Dat was ongeveer het getal schipbreukelingen! Tegen hun makkers werd stellig ook iets in het schild gevoerd! En wat zou er met den schipper zijn gebeurd?!

„Die is goed bij de jol aangekomen”, meende Rolf. „Al die vriendelijkheid diende alleen maar om ons wantrouwen in slaap te sussen en vannacht ongemerkt het kamp te kunnen besluipen. Ze zouden ons ook wel vrij hebben laten gaan, maar toen we hier toch wilden slapen, hebben ze ons maar meteen opgesloten.”

„Die smerige buffel!” schold Harmen. „Had ik ’m maar dadelijk een lussie om z’n pooten geslagen!”

„Konden we in het kamp maar waarschuwen!” verzuchtte Rolf.

Hajo beet van drift de tanden opeen. „Opgesloten en gebonden!!”

Stil werd het buiten, merkwaardig stil. Nu en dan ritselde iets in het dak van bladeren, waarschijnlijk een hagedisje. Een paar muskieten zoemden door het vertrek. Iemand neuriede een zacht, zangerig deuntje.....—Plotseling doordringend kindergeschrei met het gillen van drie, vier honden, in een eindeloozen klaagtoon hun hondeleed uitjammerend. Dan een paar hooge vrouwenstemmen. Door een spleetje in het dak dwarrelde een streep maanlicht, schoof geleidelijk het vertrek door.

Hoe laat zou het al zijn? Middernacht? Werd het al morgen? Een gekko begon in langen, geheimzinnigen toon te ratelen: Krrrrrr! Krrrrrr! En dan helder en luid: „Tòkeh.....! Tòkeh.....!”

Harmen trachtte het na te bootsen, bracht het spoedig een heel eind. „Tòkeh.....!”

Padde snikte er doorheen.

Toen..... kraakte er iets op het laddertje. Lichte, vlugge schreden. De deur piepte, de dunne vloer boog een weinig door. „Toean.....!” zei een zachte meisjesstem.

De knapen voelden hun harten bonzen. „Apa?” vroeg Rolf.

De binnengekomene knielde, zocht naar den strik, die Rolfs hand omsloot, wrong hem met veel moeite los. „Nu kunt u de anderen ook bevrijden”, fluisterde ze gejaagd. „Er zijn geen mannen in het dorp. Ga de poort uit, dan linksom, het kleine weggetje in,—daar zal men niet zoeken.” Ze sloop weer weg, het laddertje af.

De knapen hadden geen aansporing tot vlug handelen noodig. Rolf knoopte in driftige haast Hajo’s handen los; samen bevrijdden ze daarop Harmen en Padde.

„Wat een schat!” zuchtte Padde. „Groote griebus, da’s vast die eene geweest, met dat fijne koppie!”

Toen de handen vrij waren, kon elk zichzelf van den rotan verlossen, die de voeten snoerde. Met hun nog stijve beenen, bibberend van opwinding, lieten ze zich van het laddertje glijden, beraadslaagden welken kant ze uit moesten. Spoedig hadden ze de richting naar de poort vastgesteld, en nu ging het sluipende van huis tot huis. De lichte erven werden zoo snel mogelijk overgestoken, gebruik makende van elke schaduwvlek, die de bananen-, papaja- en djamboeboomen boden. De prauwen, die onder de huizen hadden gehangen, waren alle verdwenen. Zou het nog mogelijk zijn, in het kamp te waarschuwen?

Ze kwamen bij het voorplein en wilden dit juist in alle haast oversteken, toen Harmen op een slapende kip trapte. Kakelend vloog het beest weg en deed een paar andere kippen, die op de nok van een dak sliepen, met veel misbaar omlaagfladderen. Tot overmaat van ramp begon een dozijn kamponghonden in koor te jammeren. Als de weerlicht sprong Harmen in het struikgewas, dat het pleintje begrensde. De anderen volgden hem op de hielen, drukten zich zoover mogelijk in het gebladerte weg en wachtten klappertandend. De deur van het huisje, waarbij zij zich bevonden, werd geopend, en een vrouw keek naar buiten, het haar loshangend, een doek haastig over de borst geslagen. „Si-apa?” klonk het een beetje angstig uit haar mond. „Wie is daar?”

Geen antwoord. Ook aan den overkant werd een deur geopend. „Eh, Niti? Apalah?”

„Tiada taoe! Ajam-ajam! Ik weet het niet! Het waren kippen!” De deur werd weer gesloten, en ook aan den overkant verdween de gedaante.

Toen alles rustig was, gaf Rolf het teeken van verder gaan. Vliegensvlug staken ze alle vier tegelijk het voorplein over en doken weg tegen den aarden buitenwal. Harmen sloop vooruit om te zien of de poort bewaakt werd. De anderen zouden wachten tot hij een teeken gaf. Hij gleed geruischloos onder de bananen- en papajaboomen door, waar het rijstblok nog stond, en gluurde om een hoekje van de poort. Den rug naar hem toe, zat een inlander gehurkt te neuriën,—een eentonig, nasaal wijsje. Harmen dacht na, of hij de anderen zou wenken, ten einde gezamelijk den man te overvallen. Maar nu was de kans goed: Harmen zou het zaakje alleen wel even opknappen! Voorzichtig dus een pasje nader, den adem ingehouden! Nog een pasje, volkomen geluidloos..... De inlander richtte het hoofd op, staakte zijn neuriën; het was, alsof ook hij den adem inhield. Wat zijn dat toch voor eigenaardige oogenblikken, waarin men niets ziet of hoort, maar toch voelt, dat zich in de buurt.....! Langzaam wendde de man het hoofd.

Dat was voor Harmen het teeken. Als een kat sprong hij toe, greep met beide knuisten den poortwachter bij den strot, drukte hem uit alle macht neer en werkte zijn bottige knieën op de van schrik uitgespreide armen van den overvallene.

Een gesmoorde kreet,—dat was alles geweest. De inlander, razend van angst en benauwdheid, trapte met de beenen en trachtte vergeefs zijn armen onder Harmen’s knieën weg te trekken en zijn kapmes te grijpen, dat hem in den gordel stak. Maar met woeste kracht drukte Harmen de knieën omlaag: er viel geen ontkomen aan. De spartelingen van den poortwachter werden zwakker; ten slotte vielen de beenen slap neer. Toen liet Harmen onmiddellijk los, huiverde, legde zijn hoofd op ’s mans borst en luisterde of het hart nog klopte. „Goddank.....” kwam het zacht over zijn lippen. Daarop wilde hij de anderen wenken. Maar dezen waren al toegesneld. „Dood.....?!” vroeg Rolf, terwijl Hajo en Padde met verschrikte oogen naar het lichaam van den poortwachter staarden.

„Van z’n stokkie gevallen”, lichtte Harmen in. „Neem z’n kapmes! En die spies kunnen we ook gebruiken!”

De jongens namen kapmes en speer en snelden het pad af naar de rivier. Ze waren overtuigd, dat ze te laat zouden komen om hun vrienden te waarschuwen. Maar niemand wilde het erkennen. Loopen, jongens, loopen.....! In eens stonden ze voor de rivier. Alle booten weg!—Dan maar het pad langs het water gevolgd! Harmen voorop. Loopen!

Nu en dan boog het pad van de rivier af, maar spoedig zagen de knapen tot hun geruststelling den zilverglans van het water weer tusschen het geboomte. Loopen! Loopen!

Ze kwamen langs een huisje. Nu gold het: voorzichtig zijn! Goddank! geen hond blafte. Verder maar weer! Wat was dat? Stemmen? Jawel, daar kwamen prauwen van het strand terug! Drie, vier, zes.....! Zouden de inlanders zijn gevlucht? Of zou de schipper met de jol..... o, Hemel, mèt de jol!? in zee gestoken zijn? Van onder de dichte schaduw der oeverboomen loerden de jongens, of in een der prauwen ook een bekend gezicht was. Van Bolle, den Schele, Hilke, Floorke, Gerretje, den Neus, of een der zeventig anderen.....

Op de voorste prauw was een matten tent geplaatst,—de prauw van het dorpshoofd natuurlijk, dien sluwen verrader, die het eerst niet aan vriendelijkheid had laten ontbreken, om later des te veiliger zijn slag te slaan! Andere prauwen volgden. De roeiers schenen in hooge mate opgewonden: spraken allen zoo dooreen, dat Rolf er geen woord van kon opvangen. In geen der prauwen zat een kameraad! Wat drommel, Bontekoe en zijn mannen zouden wel van zich hebben afgebeten!

De jongens holden voort. Zouden ze straks weer bij hun vrienden zijn?

In het voorbijsluipen zagen ze onder een huisje een kleine prauw hangen. Een hond was nergens te bespeuren en dus.... In alle omzichtigheid werd de gevaarlijke roof volbracht, de prauw uit de rotankoorden gelicht, naar den oever gedragen, te water gelaten, en de jongens zetten er zich in. Met rappe vingers grepen ze de spanen, die op den bodem lagen, en stuurden naar het midden.

Nu ging de tocht vlugger. Ze hoefden weinig meer te doen dan de boot recht te houden, zoo sterk was de stroom. De boomen aan den oever gleden als beelden uit een kijkspel voorbij.

Nu, stilzittende, voelden de jongens, dat een nacht op het water ook in Indië vrij kil kon zijn. Of deed de opwinding hen rillen? Elke minuut leefde de hoop, hun makkers weer te zien, meer op. Zoometeen zouden ze alles vernemen wat er gebeurd was, en ook zij zouden hun avonturen vertellen: van den buffel, waarmee Harmen zoo fiksch haasje-over had gespeeld, van dat lieve meisje, dat bij hen gekomen was. En samen zouden ze lachen om dat sluwe dorpshoofd, dat nu het nakijken had! En dan zouden ze weer in zee steken, vol goeden moed. Java was immers niet ver meer!

De prauw gleed de bocht om, die de knapen den vorigen nacht uit hun boom bespied hadden,—Hajo herkende haar aan de steenen, die ze slechts door handig zwenken omgaan konden. Tot zee toe overzagen ze nu de rivier.....

De jol was verdwenen.

Met bonzend hart meerden de jongens de prauw op de plaats, waar nog een der twee dreggetjes, met een doorgekapt touw er aan, in het zand lag. En daar..... op het strand..... Wie lag daar? Floorke! Doorstoken van alle kanten, in krampachtige houding, star blikkend in den nachtelijken sterrenhemel. Het bloed was hem in het roode, stoppelige haar geloopen, zijn mond stond half open, zoodat zijn witte tanden glinsterden in het maanlicht. Vol afgrijzen sloegen de jongens de handen voor het gelaat.

„Dood!” stamelde Harmen. En Padde schreide: „Daar.... nog een! En dáár.....!!”

De tweede doode, al even afschuwelijk verminkt als de arme Floorke, lag voorover in het zand, dat in een grooten kring was roodgeverfd. Harmen en Rolf beurden hem huiverend op; het was de Neus.—En de derde, die met gespreide beenen in het zand zat, zoodat men nog een oogenblik zou kunnen denken, dat hij leefde, als niet het slap naar voren gevallen bovenlichaam het vreeselijke tegendeel had doen vermoeden, bleek niemand anders te zijn dan de pechvogel, die voor Ilje del Foege door de Spanjaarden gewond was. Rillend, met stomheid geslagen, stonden onze vrienden bij de dooden.

„Ontzettend!” kermde Hajo.

„En wij?!” schreeuwde Harmen met schorre stem. „Wat moet er van ons worden?!”

Hij kreeg geen antwoord. Padde was schreiend ineengezakt; Rolf stond stroef, ontstellend bleek, naar den dooden Floorke te staren; Hajo, radeloos, keek afwisselend zijn makkers aan.

„Dáár!” schreeuwde Harmen en hij wees met de hand naar het Zuiden, waar tegen den donkeren water-horizon een klein, grijs vlekje wegschemerde..... de jol! Hij rukte zich den broek van de beenen, zwaaide er wild mee en trachtte met heesche stem de branding te overschreeuwen. „Kameraaje! Kamerááje!!” Hij balde de vuist, en de smart, zich uitend in snijdenden hoon, trilde door zijn roep: „Kameraaje!!” Toen braken de tranen door zijn stem, en hij plofte in het zand neer, snikkend en vloekend.

Padde kroop op zijn knieën naar Hajo en steunde zich tegen zijn vrind. „O, God, Hajo.....”

Ook Hajo rolden dikke tranen over de wangen. Maar hij liet het hoofd nog niet hangen. „Wij volgen!” riep hij uit. „Wij volgen met de prauw!”

Harmen vloog overeind. „De prauw!”—Maar met groote oogen staarde hij naar de plaats waar de prauw..... gelegen hàd! Ze was er niet meer. „Had ’m dan vastgebonden!” viel Harmen woedend uit. „Kijk, daar, daar gaat ie! Wacht....!” En Harmen wilde in zee loopen.

Rolf hield hem tegen. „Je komt te laat, Harmen. Zie maar.....” En Harmen, die zich met alle geweld, trappend en schreeuwend trachtte los te maken uit Rolfs stevigen greep, wendde den blik en zag, hoe de prauw in de branding raakte, hoog werd opgetild, onder een overslaande golf schoot en zonk. „’t Zou ons niets geholpen hebben”, zei Rolf.

„Wat dàn!” huilde Harmen. „Ons laten slachten? Krimmeneele, dat moest m’n meisje weten!” En Harmen begon hartstochtelijk te huilen, zonder het gelaat in de handen weg te bergen.

„We loopen naar Straat Soenda”, zei Rolf. „We hebben onze beenen toch? Van daar steken we over naar Bantem.”

„Straat Soenda legt naast de deur!” schreeuwde Harmen, zich in het zand werpend.

„Ik ga met je mee, Rolf”, zei Hajo, met moeite zijn tranen bedwingend. „Ik geef het niet op!”

Rolf knikte. „Goed. Maar we moeten voortmaken. Ze zullen ons al zoeken.”

„Ik blijf hier liggen!” schreide Harmen. „Ik wil hier doodgaan!” En hij woelde zijn gelaat in het zand, kromde van wanhoop het lichaam.

„Geef me het kapmes”, beval Rolf. „We zullen..... we zullen ze begraven.”

Toen sprong Harmen overeind en begon, terwijl de tranen hem van de wangen drupten, het zand uit te steken. Rolf en Hajo hielpen met de handen. Zoo groeven ze een breeden kuil.

„Leg Floorke in het midden”, zei Harmen met gesmoorde stem. „En de Neus aan z’n rechterzij. En kijk eerst, of ie z’n mes nog in z’n broek heeft zitten. Dat heeft ie..... dat heeft ie nou niet meer noodig, en wij kunnen het gebruiken. Hier is het; pak-aan. En nou de beenen recht. Hè, Floor? Moest je zóó aan je end komen?” En toen Rolf en Hajo het zware lichaam van den derden maat links van Floorke in den kuil gelegd hadden, nam Harmen de armen vol zand en ging hardop grienend aan Floorke’s voeten staan. „Nou smijten we zand op je! Had jij gisteren nog niet gedacht, hè, dat Harmen zand op jou zou smijten!” Hij liet met gesloten oogen het zand op Floorke’s doode lichaam vallen. En van nu aan hielp hij in koortsigen ijver het graf dichtwerpen.

„Dat is gebeurd”, zei Rolf met matte stem. „Nu moeten we hier weg.”

„Waarheen?” „vroeg Harmen.

„Naar Bantem”, antwoordde Rolf. „Ik zal het vinden.”

Harmen haalde met bitteren spot de schouders op.

„Ik ga niet mee!” dreinde Padde. „Wij blijven hier, waar, Harmen?”

Rolf lette er nauwelijks op. „Klaar, Hajo?”

„Jij gaat mee, Padde!”

„Ik ga niet mee!” siste Padde.

Hajo werd wit van drift. „Wil jij je moeder niet weer terugzien?!”

Padde krabbelde zacht snikkend overeind. „M’n moeder, Hajo.....!”

„En jij gaat ook mee, Harmen!” beval Hajo. „Rolf kent de weg.”

„Wat je zeg!” dichtte Harmen.

„Laat hem, Hajo”, zei Rolf achteloos. „Met lammelingen begin je toch niets.”

Harmen sprong met een verwensching op de been, snoof z’n tranen weg, trok z’n broek op en zei: „Meegaan zal ik! Maar voor dat woord: lammelingen krijg je op je ziel, zoodra je ons in Bantem hebt gebracht!”

Rolf hoorde het niet. „Kom!” zei hij. „We zullen voorloopig het strand volgen.”

Zwijgend trok het trieste groepje het strand langs in Zuid-Oostelijke richting. Dag, Floorke, beste Floorke! Dag Neus! Je kameraden zullen je, sapperloot! niet vergeten, hoor! En jij, Steven, arme ongeluksvogel, rust zacht, alle drie.....

Slenterend liepen de jongens voort, Harmen en Padde achteraan. Naar Bantem gingen ze. Naar Bantem.....! Hoever was het hier vandaan? Er lag nog een zee tusschen.....

Maar Rolfs wil en overtuiging werkten langzamerhand ook op de anderen. Wat drommel, ze waren toch met z’n vieren,—als je Padde niet meetelde: drie fiksche Hollandsche jongens, allen met een zakmes gewapend en bovendien in het bezit van een kapmes en een speer, waarmee ze als het er op aankwam..... nou! Bovendien bestond nog de kans, dat ze verderop de jol weer vonden, die misschien opnieuw aan land zou gaan. En als dat niet het geval was, nou, dan zouden ze de Compagnie eens laten zien, wat voor scheepsjongens zij in haar dienst had!

Achter hen klonk een scherp geblaf. Doodelijk verschrikt wendden allen zich om. Daar kwam een hond aanhollen, niets dan een hond, de tong als een lap uit den bek.

„Joppie!”

Zoo was het. Dol van vreugde, sprong het dier tegen de jongens op.

„Dat is de vijfde van ons verbond!” zei Rolf. „Ga je mee naar Bantem, Joppie?”

„Wouw! Waf! Wouw!” blafte Joppie. Dat is hondentaal. Het wil zeggen: Nou en of!

En zoo togen ze ge-vijven de onbekende toekomst tegemoet. Ze volgden het strand, tot achter de bergen de morgen gloorde.

Toen strekten ze hun doodelijk vermoeide ledematen in het zand uit—en sliepen!

EINDE VAN HET EERSTE DEEL

TWEEDE DEEL

DE ZWERVERS

De zon en de vogels wekten de knapen. Ze voelden zich uitgerust, en met het helder licht herwonnen ze weer hun jongens-durf.

Ze namen een bad, lieten zich een half uur bakken in het mulle zand. Daarop klauterde Harmen in een klapperboom, draaide een paar jonge noten los,—dat was hun ontbijt. Hajo zocht intusschen geschikt hout voor een boog: hij wilde er zichzelf een snijden. Met Harmens veroverd kapmes hakte hij, een eindje in het bosch, een geduchten bamboesteel af, die hem zoowel den boog als de pijlen moest leveren. Zijn buit met moeite voortslepend, keerde hij terug. Allen besloten nu een boog voor zich te snijden. Hajo had er immers ook mee leeren schieten?

Bij het ontbladeren van den steel merkten de jongens eens hoe scherp de lange, smalle bladeren waren: ’t was net of er fijngestampt glas op zat. Door het goed verdeelen der „knoopen” in het hout, kreeg de boogsteel een gelijke spanning; daarop versterkten onze vrienden hem door een korter stuk en snoerden er een strook bamboeschil omheen,—het sterkste touw, dat men zich denken kan. Ook de boogpees werd van hetzelfde materiaal vervaardigd. De pijlen waren eenvoudig genoeg te maken: daar de nerven van dit hout precies evenwijdig loopen, kostte het den jongens weinig moeite om uit een enkel lid bamboe een handvol mooie, lange pijlen te splijten, die slechts nog wat bijgeslepen hoefden te worden. Voor de punt werd de harde knoop in het hout genomen.

Terwijl Hajo, Rolf en Padde hun pijlen al over het strand lieten snorren, vervaardigde Harmen een paar pijlen voor „zwaarder wild”. Hij verheugde zich namelijk in het bezit van een paar ferme duimnagels, die hij met de punt naar buiten in dunne bamboerietjes wist te woelen.

Ziezoo: pijl en boog hadden ze nu. En de speer van den poortwachter was een geducht wapen; er zaten weerhaken aan, en Rolf vermoedde, dat de punt bovendien vergiftigd zou zijn. Maar één speer was voor hen vieren niet genoeg, en zoo werden er uit een paar jonge bamboes en enkele stevige Hollandsche zakmessen nog drie samengesteld. Zoo uitgerust durfden ze het wel tegen heel Sumatra opnemen! Toen er een meeuw voorbijscheerde, snorden vier pijlen hem om het lijf, en Padde’s pijl vloog er zoo dicht langs, dat een blank veertje omlaag dwarrelde.

Dit was de eerste en tevens laatste maal, dat Padde’s pijlschoten voor iemand of iets anders dan voor hemzelf en zijn drie kameraden gevaarlijk werden. „Potverdikkie!” stamelde de gewezen botteliersmaat, „ik wist zelf niet, dat ik zoo goed schieten kon!” Ook de anderen stonden paf. Maar toen bij een tweeden aanval op een meeuw Padde’s pijl dwars door Hajo’s weelderigen krullendos flitste, zakte hun bewondering wat. Harmen maakte korte metten, griste Padde den boog uit de handen, brak hem op z’n knie middendoor. „Da’s geen speelgoed voor jou!” verklaarde hij.

„Kletskoek!” schreeuwde Padde woedend.

„Harmen heeft gelijk”, zei Rolf. „Je bent er veel te onvoorzichtig mee.”

„Wie heeft daarnet die veer d’r af geschoten?” vroeg Padde schamper.