De Scheepsjongens van Bontekoe

Part 2

Chapter 24,098 wordsPublic domain

Hajo antwoordde niet. Zijn grijze oogen tuurden ver voor zich uit, de zee over. Hij hoorde niet, wat Padde zei; hij zag de blanke, krijschend opvliegende meeuwen en ook de grijze kraaien niet, die krassend vluchtten op forschen wiekslag.

Wat Hajo hoorde,—dat was de taal der zee! De zee sprak met Peter Hajo....., de zee, die lokte en bedwelmde, de zee, die zijn ziel verteren deed van onbevredigd verlangen. „Peter .....”, fluisterde de zee hem in het oor, „Peter....., Peter....., kom, Peter....., kom dan toch! Ik ben oneindig, Peter....., niemand kent me, Peter....., als je wist, Peter, wat voor verre, vreemde landen....., als je het geheim van den storm kende....., als je wist wat er schuilt in mijn peillooze diepten.....! Peter.....! Peter.....?!”

Padde hijgde en blies en begon langzamer te loopen.

Hajo merkte het, keerde zwijgend om. Nu ging het tegen den wind in; Hajo trok zich de muts van het hoofd, liet den zouten wind door zijn blonde haren vliegen.

Padde waagde een nieuwe poging. „Laat die vent maar naar zee gaan! Wij hebben ’t hier best, hè, Hajo?” Maar toen hij geen antwoord kreeg, gaf hij het op.

Zoo kwamen de jongens bij het vallen der duisternis weer de poort binnen. Hajo stevende in de richting van den Hoofdtoren.

„Gaan we nog niet naar huis?” vroeg Padde.

„Ga jij maar.”

„Ik blijf bij je.”

Bij den Hoofdtoren sloeg Hajo links om, de Veermanskade op, hield stil voor het woonhuis van schipper Bontekoe, stapte de stoep op, liet den zwaren klopper vallen.

Sprakeloos bleef Padde staan.

De dienstbode deed open, keek wantrouwend naar den wel onverwachten, maar haar lang niet onbekenden gast.

„Is de schipper thuis?” vroeg Hajo. „Ik wil hem spreken.”

„Jij??” vroeg de dienstbode.

Padde vond zijn spraak terug. „Laat hem binnen!” schreeuwde hij. „Als je niet wil, dat ik morgen je emmers wéér omtrap!”

„Stil, Padde!” zei Hajo. En tegen de dienstbode: „Zeg den schipper, dat ik mee naar den Oost wil. Toe, alsjeblieft.....”

De dienstbode bleek een week hart te hebben. Ze was zoojuist van plan geweest de deur voor Hajo’s neus dicht te gooien, maar nu weifelde ze een oogenblik. „Mee naar den Oost?? Jij mee naar den Oost??”

Toen riep van boven uit het huis een jongensstem: „Laat hem binnen, Aagje!”

Hajo voer een rilling door het lichaam. Die stem..... was dat niet.....?!

Hij werd binnengelaten. Maar toen hij zijn klompen buiten had neergezet en op zijn kousen op den dikken vloermat stond van het deftige portaal met z’n koperen luchter, was het tot Hajo’s begrip doorgedrongen, dat zijn laatste kans verkeken was. De jongen, met wien hij had gevochten, woonde hier in huis!

Ook Padde, daarbuiten, had de stem herkend. Hij schold en tierde, dat het een aard had, en wachtte op het oogenblik, dat Hajo de deur zou worden uitgegooid. Toen dat niet gebeurde, ging Padde verbaasd op de stoep zitten en mijmerde wat voor zich heen.

Het was stil op straat en volslagen donker geworden. Het licht van de huizen aan de overzijde der kade spiegelde zich zacht glanzend in het ijs; Padde kon aan den ganschen hemel geen enkel sterretje ontdekken. In de verte jankte ergens een hond; een schaatser kwam, kritsch-kratsch, de gracht af en..... Hé, was dat daarbinnen de stem van schipper Bontekoe niet?

Weg was de stem weer. „Arme Hajo”, dacht Padde. „Arme vriend Hajo!” Maar die jongen uit Alkmaar kreeg van Padde op z’n ziel, papperlepap, dat stond vast!—Wat woei hier een tocht! Weer huilde de hond, nu veel dichterbij. Het lang aangehouden gejammer scheen eindeloos in den stillen, donkeren winteravond. Padde huiverde.

Hoe laat zou het eigenlijk al zijn? Hij kon op z’n vingers natellen, dat hij laat genoeg zou thuiskomen om een pak slaag van zijn moeder op te loopen. „Ik heb het verdiend”, bekende hij zichzelf met een zucht. „Ze slaat hard, maar ze heeft groot gelijk, dat ze me slaat. Laten andere jongens hun moeder ook met eten wachten? Zou Harmen Lijsjens het doen? Of Thijs Veermanszoon, of Klaas van de Lage Dijk? Neen, nietwaar? En Hein van het Hazenpad? Zou Hein van het Hazenpad ooit wel eens een broek hebben gescheurd, behalve dan die keer, dat hij van Hajo een pak rammel heeft gekregen? Ik durf wedden, dat zijn moeder niets dan plezier van hem beleeft.—Zou ik naar huis gaan?”

Padde richtte zich vastbesloten op. Maar mismoedig plofte hij weer neer. „’t Gaat niet”, zuchtte hij. „Zie je, zoo ben ik nou. Ik kan zoo moeilijk naar huis, als ik een vrind heb. Dat is bij vader net zoo, en daarom loopt hij van de eene kroeg naar de andere, en moeder zal wel denken: Padde? Padde gaat dezelfde kant op.”

Een magere keeshond kwam de kade afdrentelen. Padde riep hem bij zich en streelde hem den kop. „Ben jij die muzikant van daareven? Je hebt heel mooi gezongen, hoor! Als ik wat voor je had, zou ik je ’t geven.”

De hond likte zijn hand en besnuffelde zijn broekzak.

„Drommels”, zeide Padde. „Dat is waar ook; jij hebt toch een echte hondenneus, beestje!” En hij diepte uit zijn zak een stuk brood op. „Kun je mooi zitten?”

Zenuwachtig blaffend sprong het dier om Padde’s hooggeheven hand.

„Luister dan tenminste even, Keesje! Kijk, voor dit stuk brood heeft m’n moeder moeten werken, weet je? Dat kan jou niet schelen, hè? Jij denkt: brood is brood en..... hap!—Laat me uitspreken, Keesje. Als ik groot ben, zie je, als ik in de bierbrouwerij ben van m’n oom,—nog even geduld!—dan wil ik—stil!—dan wil ik hard werken, om m’n moeder zooveel brood te kunnen geven..... als ze maar hebben wil! Ziezoo, daar is je brood!” En Padde zag toe hoe de keeshond het brood in een ommezien verwerkte. „Je hebt het eten nog niet verleerd”, zei hij, „al lijkt het me, dat je het niet vaak doet.”

Padde richtte het hoofd op, toen hij in de richting van de herberg: De Drij Coninghen het lallend gezang van een paar dronken mannen vernam. Een traan welde in zijn oogen op. „Dag, Hajo”, zei hij zachtjens, „Dag, beste vriend, Hajo!” En tegen den hond, die zich bibberend tegen zijn dijen had gevleid: „Ik moet weg, Keesje. Vader komt thuis. Maar als hij m’n moeder of m’n zusjes en broertjes wil slaan, krijgt hij met mij te doen. Dat..... dat verzeker ik je.”

Padde stond op, liet zich door den keeshond een pootje geven en spoedde zich langs de donkere straten naar huis.....

SCHIPPER BONTEKOE

Van terugkeeren was geen sprake meer: Hajo zat in de val. De dienstbode leidde hem door een breede, donkere gang in een deftige kamer. Daar moest hij maar wachten. En Hajo wachtte in het zweet zijns aanschijns. Hij keek vol ontzag naar de zware, gladgewreven eikenhouten meubelen; naar het glimmend gepoetste koper bij de indrukwekkende schouw; naar de in gouden lijsten gevatte teekeningen van schepen, waarbij er ook waren als een visch in mootjes gesneden, zoodat je er binnen in kon kijken; naar de zwaar fluweelen overgordijnen, en naar het fraaie tapijt dat brandde onder zijn sokken. „Wat moet jij hier, indringer!” riep alles hem toe. „Raak ons niet aan: je zou ons smerig maken. En wat ruik je naar paardehoeven!” De groote spiegel aan den wand lispelde hem in het oor: „Had jij je haren niet er eens kunnen kammen? Wat zie je er vies en zwart uit!”

Hajo begon zich met de mouw van zijn jas aan een reinigingsproef te onderwerpen—zonder gunstigen uitslag. De mouw was ook zwart.

Zou hij stilletjes wegloopen? De gang door en dan vlug de deur uit? Maar hij verwierp het plan even snel als het was opgekomen: men zou denken, dat hij iets had gestolen, en hem naloopen en roepen: „Houdt den dief!” Het bloed steeg Hajo naar de wangen.

Hajo zat in de val. Hopeloos. Zoometeen zou de schipper binnenkomen—Hajo zag zijn statige figuur al!—en zeggen: „Jij, smerig manneke, jij wou mij spreken?? Jij, kwajongen, wou den gezagvoerder van de Nieuw-Hoorn spreken?! Pak je weg, galgebrok! Ik heb zoo juist het een en ander over je gehoord! ’t Is fraai, hoor!”

En wat zou hij moeten antwoorden? „Schipper, hij vischte in mijn bijt?” De deur uit jagen liet hij zich niet! Hij zou op z’n dooie gemak de gang doorloopen en buiten z’n klompen aantrekken of er niets was gebeurd.

Zou de schipper nog lang wegblijven? Hajo haalde diep adem. Hoe kwam het, dat hij zoo benauwd was? Z’n heele lichaam kriebelde,—natuurlijk omdat hij nog warm was van dat onzinnige sjouwen! Wat zou hij zeggen als de schipper binnenkwam? „Goeien avond, schipper?” Zoo, zonder erg? Hajo kromp even ineen, toen hij weer een blik in den spiegel wierp. ’t Was erbarmelijk zooals hij er uitzag. Van den anderen kant scheen de monsterachtig groote linnenkast voorover te willen vallen om hem te verpletteren.

Arme Peter Hajo! Hij had wel kunnen grienen. Hij en grienen!

Toen naderde buiten in de gang een zware tred. De deur opende zich: schipper Willem IJsbrantsz Bontekoe, gezagvoerder van den Oostinje-vaarder Nieuw-Hoorn, kwam het vertrek binnen.....

„Goeien avond, jongeman!” zei de schipper vriendelijk. „Ik hoor, dat je me wat te vragen hebt?”

Die vriendelijkheid was erger dan een pak slaag. Alles duizelde om Peter Hajo. Wat was dat nu? De schipper zette hem niet de deur uit? Stond hem zelfs welwillend te woord? Of school er een adder in het gras? Onmogelijk! In de klare oogen van den zeeman vond hij niets, dat op dubbelzinnigheid duidde.

„Schipper”, stamelde hij, „schipper..... ik zou..... ik wil..... ik.....”

Een glimlach verscheen op het gebruinde gelaat van den grooten man. „Ik had uit een verhaal van mijn neef opgemaakt, dat je vrij welbespraakt was”, zei hij.

Daar had je het! Dus toch! Hajo’s kin beefde. Maar hij zei geen woord.

De schipper kreeg medelijden. „Wel”, zei hij, „dan zal ik het woord maar doen. ’t Is goed. Je gaat mee.”

„Mee.....?” stotterde Hajo, die het laatste stukje grond onder de voeten verloor.

„Mee naar den Oost”, zei de schipper. „Met de Nieuw-Hoorn.”

Hajo begon te trillen als een riet. „Nieuw-Hoorn.....” stamelde hij. „Oost.....?!”

„Precies”, zei de schipper glimlachend. „Je schijnt me vlug van begrip. En ik hoor van mijn neef, dat je een paar stevige knuisten hebt en je de kaas niet van je brood laat eten. Dat zijn eigenschappen, die ik bij m’n volk noodig heb.”

„Schipper!!” En Hajo maakte een beweging om Bontekoe’s handen te grijpen.

Deze werd even verrast door zijn uitbarsting. „Wil je zóó graag mee?”

Toen gebeurde iets wat Hajo in geen jaren overkomen was: Hajo griende.

„Zoo-zoo”, zei schipper Bontekoe. „Je heet Hajo, hè?”

„Jawel, schipper. Peter Hajo.”

„Zoon van Harmen Hajo?”

„Jawel, schipper. Maar vader is.....”

„Ik weet het”, zei schipper Bontekoe. „Diezelfde nacht zijn er nog drie andere botters vergaan.” Hij zweeg een oogenblik en zei toen langzaam, zonder Hajo aan te zien: „Jouw vader, Peter Hajo, was een wakker man. Ik verwacht van zijn zoon hetzelfde.” Toen vroeg hij plots: „Je moeder vindt het toch wel goed, dat.....”

„O, die vindt het best, schipper!”

„Wat vindt die best? Dat je haar verlaat? Dat je weggaat?”

„Ja zeker, schipper!”

Bontekoe kon een glimlach niet onderdrukken.

Maar zijn gelaat stond weer ernstig, toen hij vroeg: „Wat was je aan den wal, Peter Hajo?”

„Smidsknecht, schipper.”

„Tevoren nog wel eens wat anders gedaan?”

„Jawel, schipper. Drogistenjongen in De Gouden Gaper.”

„Beviel je dat niet?”

„Nee, schipper.” En Hajo kneep het er angstig uit: „’k Ben er weggestuurd, schipper.....”

„Zóó?? Hoe kwam dat zoo?”

Hajo beet zich op de lippen. Hij kon den schipper toch niet zeggen, dat hij zoethout had gesnoept en de kat van den ouden drogist pillen had ingegeven om haar het muizenvangen te leeren?

De schipper wilde hem helpen. „Ben je nog wel eens in een ander vak geweest?”

„Jawel, schipper!” zei Hajo, blij, dat hij uit den brand was. „Loodgieter.”

Bontekoe zette groote oogen op. „En..... eh..... dáárvoor?”

„Metselaar, schipper.”

„En tevoren??”

Hajo moest even nadenken. „Ik geloof.....”

„Breek je hoofd maar niet, Peter Hajo. Ik zie wel, dat je al heel wat hebt meegemaakt. Overal weggestuurd?”

Hajo knikte. Met oogen, waarin de angst te lezen stond, volgde hij den schipper, die in gedachten verzonken het vertrek op en neer stapte. „Schipper”, kreunde Hajo, „ik zal..... ik wil..... ik beloof.....”

Met een ruk keerde Bontekoe zich om en keek Hajo recht in het gelaat. Hajo voelde, dat die oogen dwars door z’n baadje heenzagen. En juist daarom doorstond hij den blik.

„Luister, Peter Hajo”, zei de schipper. „Als je moeder geen bezwaren heeft, meld je dan morgen bij schipper Blok in de Jeroensteeg en zeg hem, dat je overmorgen met de Hoornsche Zon meegaat naar Texel, waar de Nieuw-Hoorn op goeden wind wacht.”

„Jawel, schipper.....!!” Het klonk als een juichkreet. En met zijn roetknuisten veegde Hajo zich haastig over het gelaat, dat straalde van onmetelijk geluk..... en blonk van tranenvocht.

„Doe dat niet”, raadde Bontekoe. „Je zult er heelemaal als een Moriaan gaan uitzien.”

Hajo trok snel, als op heeterdaad betrapt, de vuisten weg. „Schipper, ik zal altijd.....”

„Daar twijfel ik niet aan, Peter Hajo. Kwajongens zijn goed voor de wal; op een Oostinjevaarder hebben we mannen noodig. Als je moeder geen bezwaren maakt, sta je van morgen af op mijn scheepslijst. Denk er om, dat van de bemanning van de Nieuw-Hoorn geen kwaad woord gezegd mag kunnen worden, en dat in de groote mast een vlag wappert, die we tegenover de heele wereld moeten hooghouden. Verstaan?”

„Verstaan, schipper”... Verdikkoppe, dat kwam er kranig uit!

En toen een groot oogenblik: schipper Bontekoe, gezagvoerder van de Nieuw-Hoorn, stak den scheepsjongen Peter Hajo de hand toe. Hajo voelde het door al zijn leden trillen. De hand van zijn schipper!

Bij de voordeur, in de gang, wachtte hem de jongen, die vanmiddag in zijn bijt had gevischt. „Ik heet Rolf”, zei deze. „We moeten maar goeie vrinden worden, want aan boord is mijn oom niet mijn oom, maar de schipper, en ik scheepsjongen; dat snap je!”

„Ben je dan niet nijdig op me?” stamelde Hajo.

„Nijdig??” vroeg Rolf. En zijn gelaat stond ernstig als altijd, toen hij er op liet volgen: „Dacht je dan, dat ik er jou in had laten visschen, als ’t mijn bijt was geweest?”

MOEDER

In het kleine, armoedige huisje in de Bagijnesteeg wachtte Peter’s moeder.

Drie jaar geleden, in de nog in aller geheugen levende najaarsstormen van het jaar 1615, was de botter van haar man vergaan, en Peter’s vader en oom waren verdronken. Vrouw Hajo bleef met vier kinderen achter: Peter, twee meisjes, Antje en Maartje, nu twaalf en tien jaar oud, en Doris, die destijds nauwlijks loopen kon. Het was voor de zwaargetroffen weduwe een heele taak om, naast haar dagelijksch werk in huis, met naaien genoeg te verdienen om zich en haar kinderen te kunnen voeden en kleeden. Maar ze sloeg er zich door.

Een groote zorg was het voor haar daarenboven, dat haar oudste jongen voor galg en rad dreigde op te groeien. Peter haalde van den vroegen morgen tot den laten avond kattekwaad uit; dagelijks kwamen klachten binnen, dat hij de heele buurt onveilig maakte. Haar man was de goedheid zelf geweest en kwam er niet gauw toe zijn kinderen te slaan, maar Peter had er hem verscheidene malen toe gebracht.

Op zijn twaalfde jaar had Peter den wensch te kennen gegeven om te gaan varen. Van dien dag af had zijn moeder in ’t geheel geen rustig oogenblik meer. Ze trachtte op alle manieren hem in iets anders plezier te doen krijgen. Hij kwam eerst bij een schoenmaker in de leer, waar hij het drie volle weken uithield. Toen werd hij weggestuurd. Een leerlooier ontfermde zich over hem, maar werd er slecht voor beloond: den tweeden dag poetste Peter de plaat, omdat hij den stank van de looierij niet prettig vond. De leerlooier wilde evenmin Peter terugzien als Peter den leerlooier, en onze vriend belandde bij een slager. De eerste dagen, toen hij alleen maar vleesch behoefde rond te brengen, was alles botertje tot den boom: Peter zwierf met zijn vleeschmand aan den arm urenlang de haven rond. Toen kwam de dag, dat hij voor de eerste maal zou helpen bij het slachten van een koe. Onze Peter hield zich goed, maar toen het bloedige werk was afgeloopen, sloop hij met een kwaad geweten door sloppen en stegen naar huis. ’s Nachts deed hij geen oog dicht en den volgenden morgen weigerde hij kort en goed, weer naar de slagerij te gaan.

De bokkingrookerij volgde. Peter verklaarde, als hij daar bleef, zelf tot een bokking te zullen worden gerookt en liep weg.

Ook voor timmerman bleek hij niet in de wieg te zijn gelegd, evenmin voor metselaar, loodgieter of drogist. Eindelijk kwam hij in de smederij van meester Wouter. Daar was hij nu al een half jaar!

Zijn moeder, die zich al met de gedachte verzoend had, dat haar Peter naar zee zou gaan—op het land wilde hij immers niet deugen?—voelde haar hoop weer opleven. Zou het nu eindelijk goed gaan? Haar zorgen bleven talrijk genoeg: Peter scheurde op onverklaarbare wijze zijn kleeren tot zelfs zijn muts toe, brak elk oogenblik wat en bezorgde haar doorloopend onrust, maar dat alles vergaf ze hem graag, wanneer hij nu maar eindelijk eenig blijk gaf, een bruikbaar mensch te willen worden.

Was Peter Hajo ineens veranderd? Allerminst. De zaak lag eenvoudig zoo, dat de smederij hem van alle bedrijven op het land het minst afstootte en hij besloten had het zoo lang te harden, tot zich een gelegenheid zou voordoen het ruime sop te kiezen.

Nu en dan had Peter Hajo zelfs wel schik aan het smidsbedrijf! Hij kon bij het balgtrekken de heele wereld vergeten, wanneer hij in de rossig-blauwe, onrustig lekkende vlammen tuurde, die tegen de piepende, krakende, knetterend barstende houtblokken een grimmigen veldtocht voerden. Steeds sneller trok Hajo den balg aan; steeds wilder dansten de lange vuurduivels. Ze grepen het weerlooze hout van alle kanten aan, omslopen het, wrongen zich listig met hun lenige lichamen tusschen de spleten door en staken honend de tongen uit, wanneer hun list gelukt was. Bezijden het tochtgat, waarboven de groote helroode vlammen oplaaiden, speelden kleine, blauwe duiveltjes krijgertje op zwarte, verkoolde lijken. Hajo was als in boeien geslagen. Dat leger roodrokken behoorde hem toe; hij kon ze tot dolle driestheid aanvuren; op zijn bevel bestegen ze hun rossen en vielen loeiend aan, klauterden over de muren van hout en grepen den ijzeren bout bij de keel, die star, onwrikbaar hun dollen aanval wachtte. Maar zie, daar begon de bout al te gloeien, meester Wouter legde hem op het aanbeeld, hief den hamer op; met een donderslag kwam het stalen blok neer; de vonken spatten uit den bout. Sa! Hou vast! Boem! Hoor het dreunen! Zoo werd de bout overwonnen.

En dan van den zomer! Toen de boeren met hun jonge paarden waren gekomen, die voor het eerst beslagen zouden worden! Sapperloot, daar moesten de beestjes niets van hebben. En wat een wonder! Peter Hajo zou zich ook niet laten welgevallen, dat men hem van die gloeiende ijzers aanspijkerde. Ze beten en sloegen—je moest op je tellen passen!

Als de boer, wien het paard behoorde, naar de markt was en baas Wouter even den rug had gekeerd, maakte Hajo van de gelegenheid gebruik om, floep! met een fikschen sprong op den paardenrug te wippen. Dan kwam het op vasthouden aan! Hajo greep met z’n vuisten in de manen, trok de beenen naar achter om niet gebeten te worden, en dan .. dan schaterde hij het uit. „Zie, dat je me er afkrijgt!” Ha-ha-ha! Hij lag maar zóó niet op den grond! Sapperdekriek: als hij zat, zat hij ook!

Maar Peter Hajo’s moeder lachte niet dien avond, dat ze op haar oudsten zoon wachtte. Een uur geleden was de hoefsmidsvrouw uit De IJzeren Man bij haar geweest en had met haar schelle stem gezegd: „Al is m’n man dan een sul, ik ben het niet! Ik zal er voor zorgen, dat die strop van een jongen niet weer over m’n drempel komt! Nu is het met m’n goedheid afgeloopen!”

Peter’s moeder had niets geantwoord.....

Zwijgend was er gegeten; moeders gedruktheid werkte terug op de kinderen.

Toen Antje, Maartje en Doris naar bed waren, was moeder met haar naaiwerk bij den haard gaan zitten. Ze zei tegen zichzelf, dat ze heel boos was op haar Peter, omdat hij van zijn werk was weggeloopen en zich zoo weinig aan zijn moeder stoorde, dat hij met eten niet thuis kwam en haar liet wachten, avond aan avond, terwijl hij kattekwaad uithaalde. Ze zou hem vragen, of zij het aan hem verdiend had, dat hij haar leven zoo vergalde, en of hij ook wist hoe vader op dit oogenblik wel over hem zou denken.

Zou het wat helpen? Peter was licht ontroerd; ze wist, dat hij ondanks alles zielsveel van zijn moeder hield en geheel te goeder trouw beterschap zou beloven. Maar zou hij zijn belofte kunnen houden? Zou hij—aangenomen, dat baas Wouter hem toch nog weer bij zich nam—over een week niet opnieuw wegloopen?

„De zee zit hem in het hoofd”, zuchtte ze. De zee—dat zou tenslotte toch nog het eenige zijn. Daar kon hij niet wegloopen als het hem in den zin kwam; daar heerschte onverbiddelijk strenge tucht; daar zou zijn teugellooze zin tot avonturen bevrediging vinden. Maar dat had nog den tijd. Welke schipper zou een veertienjarigen jongen aannemen?

En dan.....! Peter’s moeder beet zich op de lippen, naaide met bevende handen verder.

Buiten sloeg de torenklok. Zeven uur al! Waar zou hij toch zoo lang blijven? Haar „boosheid” maakte plaats voor onrust. Groote God, hij zou toch niet onder het ijs liggen?!—Dwaasheid! Was het niet honderdmaal gebeurd, dat hij haar had laten wachten?—Maar de gedachte liet haar niet los en folterde haar. Tenslotte werd ze zoo onrustig en opgewonden, dat ze haar werk terzijde moest leggen.

Ze wachtte en wachtte.....

Zou ze eens in de steeg gaan zien of hij er aankwam? Ze stond op. Wel, als ze nu toch ging kijken, kon ze meteen wel even een doek omslaan en naar de haven doorloopen. Haar besluit was genomen. Maar toen ze opstond, meende ze ineens..... Snel keerde ze op haar schreden terug, ging weer zitten, nam haar naaiwerk op en deed alsof ze heelemaal niet had willen uitkijken. Ziezoo, nu zou ze nog ééns probeeren..... Met kloppend hart zat ze in haar stoel, gebogen over haar werk.

Toen werd de deur opengerukt; haar jongen stortte naar binnen, wierp zich in haar armen en snikte: „Moeder! Moeder! Ik ga naar zee!!”

Dat werkte! Peters moeder werd er heelemaal bleek van. Ze klemde haar armen om zijn hoofd en overdekte het met kussen. „M’n jongen! Mijn jongen! Hoe is..... is dat zoo op eens.....”

„Schipper Bontekoe..... Nieuw-Hoorn..... Texel..... Oostinje.....” bracht Peter er uit. „Ik zal alles vertellen!”

„Goed, m’n jongen”, zei moeder. En terwijl ze met groote oogen staarde naar de buitendeur, die nog wijd openstond, herhaalde ze toonloos: „Dat is goed.....—Doe nu de deur dicht, Peter.”

En ze liet Peter’s hoofd los en wankelde naar de kast, waar zijn koud geworden eten te wachten stond.

HET GROOTE AFSCHEID

Reeds vroeg in den volgenden morgen klopte Padde tegen de ruitjes van het kleine huisje in de Bagijnesteeg. Hajo deed hem open en bazuinde zijn vriend het groote nieuws tegemoet.

Padde sloeg er haast van achterover. „Heere m’n tijd, hoe moet het nou met mij?”

„Vraag of je ook mee mag”, stelde Hajo weifelend voor.

„Ik mee??” riep Padde. „Denk je dan, dat ik mee wil?! Ik ga toch in de bierbrouwerij van m’n oom? Dan weet je wat je hebt!”

Hajo vertelde alles, wat zich had afgespeeld, sinds hij Padde had verlaten. „En morgen ga ik met de Hoornsche Zon naar Texel, Padde!”

„Onmogelijk!” riep Padde ontzet uit. „Ze zullen een dagje moeten wachten!”

„Waarom is het onmogelijk?” vroeg Hajo.

„Waarom??” Padde spalkte zijn oogjes open. „Je moeder moet toch een uitzet naaien, en je moet hier ook nog van de heele stad afscheid nemen!”

„M’n moeder is vannacht aan m’n uitzet begonnen”, zei Hajo. „En dat afscheidnemen in de stad is binnen een uur bekeken.”

„Dat zal je niet meevallen!” verzekerde Padde. „Vooruit, trek je klompen aan: we beginnen dadelijk!” En hij ging op zijn vingers natellen, van wie Hajo zoo al afscheid zou moeten nemen.

„Ik moet ook even naar schipper Blok, om te zeggen.....”

„Groote Genade!” stamelde Padde. „Ik heb al zeven-en-dertig menschen, waar je heen moet! Ben je klaar?”